Truusje heeft haar hele leven in een inrichting gezeten. Ik heb haar leren kennen toen ik in opleiding was voor verpleegkundige, voor mijn zwarte kruis, in – zoals dat toen heette -, een psychiatrisch ziekenhuis. Het is meer dan 45 jaar geleden, maar ieder jaar moet ik weer aan Truusje denken in de tijd voor kerst, als ik kerstliturgieën maak, kerstpreken, kerststukjes schrijf voor kerkblaadjes…

Truusje had haar eigen orgel op de afdeling waar zij verpleegd werd en daar speelde ze daag’lijks een versje op, altijd hetzelfde versje, in de winter en in de zomer. Het is een oud versje wat de ouderen onder ons wel kennen:  “Jezus zegt dat Hij, hier van ons verwacht, dat wij zijn als kaarsjes, brandend in de nacht.”

Truusje woonde al jaren in het psychiatrisch ziekenhuis en was, zoals men dat destijds noemde, “chronisch patiënt”. Alle bewoners van de afdeling wisten, dat als Truusje zei: “Dames we gaan zingen!”, wat er gezongen zou worden. Het was altijd hetzelfde versje en het waren altijd dezelfde mensen die meezongen, mee-neurieden, een enkele bewoner klapte wel eens mee. Een gedeelte van de dames zong niet mee en zei ook niets. Voor hen maakte het niet veel uit of ze een harmonium of een popzender hoorden. Ze waren te moe of te suf om te luisteren en sliepen door alles heen. Wanneer ik keukendienst had begon ik ’s morgens om half zeven en altijd was Truusje dan al in de keuken. Ze was een van de bewoners die het keukenwerk als therapie had. Dat was leuk voor Truusje en gemakkelijk voor het personeel. Tussen Truusje en mij klikte het wel. Ze lachte om mijn onhandigheid en waardeerde het dat ik met haar meezong als ze achter haar harmonium kroop. Ik luisterde als ze over haar moeder vertelde, van wie ze zo veel had gehouden. Haar moeder was mooi en knap en heel gelovig. Van haar had Truusje het versje geleerd: “Jezus zegt dat Hij hier van ons verwacht…”

Haar moeder was gestorven toen ze twaalf was. Daarna was er thuis geen plaats meer voor haar. Niemand die haar beschermde…

Truusje was altijd al wat anders dan anderen geweest, kreeg ze steeds te horen, en daarom moest ze als enige van een groot gezin het huis uit. Ze kwam in een meisjesgesticht. De andere kinderen bleven bij vader, die al spoedig hertrouwde.

Een paar jaar later was iedereen Truusje vergeten. Nee, ze wist niet hoe oud haar vader was geworden en of er nog broers of zussen van haar leefden.

In haar dossier stond achter familie: geen.

Toen kwam er een nieuwe hoofdverpleegkundige op de afdeling. Hij wilde veel dingen vernieuwen. Hij heeft veel goede dingen in gang gezet. Wat hij echter nooit heeft begrepen, waarom Truusje zo moest huilen toen haar traporgel bij het ‘groot vuil’ werd gezet. Truusje heeft me nog een paar weken geholpen in de keuken, maar ze praatte niet veel meer, lachte niet meer. Ze miste haar traporgel en ik miste haar lied. Al gauw kwam ze niet meer uit haar bed. Ik heb nog wel eens geprobeerd met haar te zingen – – Jezus zegt… – , maar ze zei niets meer…

Een vreemde dominee heeft haar begraven. Ik had graag gezien dat haar versje werd gezongen: “Jezus zegt dat Hij, hier van ons verwacht, dat wij zijn als kaarsjes, brandend in de nacht.” Maar, het was midden in de zomer en dan zingt er toch niemand een kinderkerstliedje, wist de dominee mij neerbuigend te vertellen…? 

Ieder jaar in de adventstijd schiet het versje van Truusje door mijn hoofd. Dan zie ik haar weer lopen in haar blauwe jasschort, hoor ik haar stem: “Dames, we gaan zingen!” Wij zingen nog ieder jaar met kleinen en met groten nog steeds “Jezus zegt dat Hij hier van ons verwacht.” Een lied met een boodschap die nooit veroudert! En dan denk ik: ‘Truusje zou het nog eens moeten horen!’  

 

Ds. Hans Borst