Hoofdstuk 2. Pastoraat is presentie

Inleiding
In de volgende hoofdstukken beschrijf ik enkele pastorale ontmoetingen met Johan en Mieke. In het Voorwoord heb ik geschreven waarom ik dit boek aan hen opdraag: Ik draag dit boek op aan mijn vriend Johan, die op 18 juli 2001 is overleden. Hij werd vijf en dertig jaar. En aan zijn vrouw Mieke. Ik mocht op 29 april 1999 het huwelijk van Johan en Mieke inzegenen. Op 23 juli 2001 heb ik Johan begraven. De tekst in de trouwdienst was: ‘En ook Jezus was ter bruiloft genodigd’. Dat was ook de tekst voor de rouwdienst (Johannes 2:2).

Zaterdagavond. Ik was klaar met mijn preek. Alleen mijn gebeden nog. Daar schrijf ik altijd iets van op, om niemand te vergeten. Iedere zondag zijn er wel mensen die iets te vieren heb¬ben: een huwelijksjubileum, de geboorte van een kind, een nieuwe baan, een nieuwe koelkast. Ik noem ook gebeurtenissen die mensen uit hun evenwicht brengen: een partner die is weggevallen of weggelopen, het verlies van een baan, de zorgen om koeien of varkens en zelfs de diefstal van een tuinkabouter vaneen bejaarde vrouw die het overstuur aan de pastorie kwam vertellen. En er zijn altijd de zieken, thuis, in het ziekenhuis of ergens halverwege. Al weken bidden we voor Johan. Enkele malen per week ging ik naar Johan en Mieke. Op het laatst iedere dag, meestal ’s avonds.Op een zaterdagavond vroeg ik me af of ik nog even zou bellen. Hij leek de laatste dagen weer wat beter te gaan. Ik was woensdag nog geweest. Mieke was aan het werk Johan lag op de bank t.v. te kijken. Toen ik met mijn auto voor het raam stopte, veerde hij op en zwaaide. Voor ik bij de deur was had Johan hem opengedaan. “Kijk mijn tuintje eens, dominee!” Hij wees trots op zijn tuintje. De buurman was aan het werk geweest en het zag er verzorgd uit. “Voor Mieke!”, zei Johan. “Ze is nog aan het werk.” Ondertussen liepen we naar binnen. Een sfeervol ingericht huis. Ik had mijn vaste stoel en vaste frisdrank. We spraken een hele tijd zitten over hoe het goed gaat in relaties en hoe het ook mis kan gaan. Met Mieke ging het goed. “Weet je, ’t is een vrouwtje uit duizenden!” Daar was ik het mee eens. Ik had bewondering voor haar. Een leuke frisse vrouw die ineens haar leven zag veranderen, haar geluk zag instorten, haar toekomstdromen met Johan zag vervliegen. Ze ging altijd met Johan mee als hij naar het ziekenhuis moest voor onderzoeken, kuren, be¬stralingen, gesprekken. Dan was ze er om Johan op te vangen, om te luisteren, om zijn teleur¬stelling, verdriet of kwaadheid aan te horen. Ik vroeg me vaak af wie er voor haar was. Twee lieve ouders, gouden mensen, een zus en een broer en nog heel veel mensen die meeleefden. Maar, ’s avonds werd het stil en waren ze samen alleen. Ik had besloten toch nog even naar ze toe rijden. Johan zat vaak in mijn hoofd en dan wilde ik hem even zien. De kamer zat vol mensen. Het was gezellig en we raakten aan de praat over zware en halfzware kerken, zware en halfzware dominees, en waar het in het geloof om gaat. “Ik wil met iemand gewoon kunnen praten!”, zei Johan. “Met jou kan ik gewoon praten. Jij begrijpt me! Jij bent een vriend!” Hij noemde mij ‘vriend’! Begreep ik wat er in Johan omging? Soms dacht ik dat hij de ernst van zijn ziekte wegpraatte, wegbromde of weglachte. Zou ik niet hetzelfde doen? Wie kan het aan te horen, te voelen, dat je een hersentumor hebt, kankerbulten in en op je hoofd, blauwe plekken op je ziel? We raakten aan de praat over wat je zoal doet aan ontspanning: wandelen, fietsen, zwemmen, sauna. Gaat een dominee ook wel eens naar een sauna? Johan was het middelpunt met zijn lach, zijn opmerkingen, zijn sigaretje en pilsje. Toen ik naar huis reed dacht ik: hoe vaak zul¬len we nog zo’n gezellige avond hebben? In mijn beleving was het de laatste avond dat we gelachen hadden. Het woord ‘vriend’ bleef hangen. Ik heb in mijn leven weinig vrienden gehad. Johan noemde mij zijn vriend. Ik vond het een voorrecht dat hij mij zo noemde. Kun je dominee en vriend tege¬lijk zijn? Ik heb mij dat niet meer afgevraagd. Ik reed naar Johan en Mieke als dominee, als vriend, als mens die geraakt was door het tragisch lot, het verdriet, dat hen was overkomen. Maar er was meer. Wat me ontroerde was het geloof dat ze hadden in God, dat Hij hen in de moeilijk¬ste dagen van hun leven droeg. Mieke, bijna weduwe, onvoorstelbaar, bad ’s avonds met Johan. En daarna gingen ze slapen. Mieke boven, in hun slaapkamer. Johan beneden, in het ziekenhuisbed.

Wat hield mij toch bezig als ik van Johan en Mieke weer naar de pastorie reed? Hoe keek ik terug op het pastorale contact? Wat was er nu pastoraal aan? Was het mijn aanwezigheid als man namens God? Was het de manier waarop ik God ter sprake bracht? Was het ook dat ik met Johan en Mieke kon lachen, koffie drinken, een traan wegpinken, stil kon zijn? Konden ze met mij hun grote vragen delen? Durfden ze aan mij te vertellen dat ze boos waren op God of dat ze vonden dat liefde en leed wel erg onrechtvaardig verdeeld waren? Vond ik dat God de wereld onrechtvaardig verdeeld had? Voelde ik mij schuldig om mijn gezondheid, dat ik vader was, dat ik het sterfhuis weer uitliep? Ik was natuurlijk nergens schuldig aan. Met mijn hoofd kon ik het wel verklaren, maar mijn hart vertelde wat anders. Wat? Daar ben ik nooit goed uitgekomen. Ik voelde me wel opgelucht als ik mijn verhaal een enkele keer in de auto aan God had verteld. Ik weet uit de pastorale gesprekken dat veel mensen met schuldgevoelens rondlopen. Waar kunnen ze er mee naar toe? Wat gebeurt er met een mens die zich schuldig voelt? Om een ander te kunnen begrijpen en te kunnen begeleiden is enige kennis van het begrip schuld nodig. Ik besteed in het hoofdstuk ‘Grote woorden, kleine mensen’ uitgebreid aandacht aan het begrip ‘schuld’. In dit hoofdstuk geef ik eerst een definitie van pastorale zorg. Vervolgens bespreek ik beknopt drie gangbare stromingen in het pastoraat: 1. de ke-rugmatische stro¬ming, 2. de hulp¬verlenende stroming en 3. de stroming van het pastoraat als ontmoeting. Ik ben mij ervan bewust dat er meer stromingen of scholen te noemen zijn. Afhan-kelijk van de pas¬torale situatie zal de pastor – al of niet bewust – een keuze voor een stroming ma¬ken en daar zijn pastorale methodiek op aanpassen. Ik voel mij zelf het meest verwant aan de stroming ‘pastoraat als ontmoeting’.

De pastorale relatie
Er bestaan nogal wat visies op de pastorale relatie. Het heeft mijns inziens geen zin ze allemaal te be¬schrijven. Ik beschrijf in dit hoofdstuk mijn visie op een pastorale relatie en hoe ik in de relatie met de ander omga. Het is geen nieuwe visie, maar veeleer een visie die velen bekend is. De pastorale relatie komt voort uit de visie op pastoraat. Hoe zie ik in de stroming ‘pastoraat als ontmoeting’ de persoon van de pastor? Ik zie de pastor als een herder van een kudde schapen (Keyes, p.208). Die kudde is in de eerste plaats de gemeente die de pastor heeft beroepen of benoemd. Binnen de gemeente ontmoet de pastor zijn schapen in de diensten, bij catechese, gespreksgroepen, en in pastorale ontmoetingen. Daarnaast heeft de pastor nog andere schapen, die wellicht niet tot de kudde behoren. Of niet meer behoren, om¬dat er misschien iets is misgegaan tussen de herder en een verloren schaap. Of is er ruzie tus¬sen de schapen onderling. Toch moet de herder alle schapen hoeden en de woorden van Jezus laten niet veel ruimte om alleen een eigen kerkelijke kudde met een eigen stal te zijn (Johannes 10:11-16).

Toen ik op de hartbewaking van een groot ziekenhuis lag en een van de verpleegkundigen de zogenaamde verpleegkundige anamnese had afgeno¬men, was al gauw bekend dat er een do-minee op zaal lag. Een dominee die als de dood voor de dood was. Op het Amsterdamse Cen-traal Station had ik pijn op mijn borst gekregen en van het een op het andere moment kon ik nauwelijks meer lopen. Een taxichauffeur heeft mij naar een ziekenhuis gebracht. Het was net op tijd, had de dienstdoend assistent-cardioloog weinig subtiel gezegd. Ik moest meteen naar de hartbewaking. Mijn tas en schoenen volgden. Mijn vrouw werd gebeld en moest meteen komen. Een van de leden van het hartbewakingsteam vond mij erg gespannen. Ik hoefde toch nergens bang voor te zijn? Maar ik was wel bang: voor de apparaten, infusen, operatiekamer, voor de zwijgende hoofd¬cardioloog, voor mijn eigen verdriet, en voor mijn angst om dood te gaan. In stilte bad ik en vroeg ik God: “God is twee en veertig jaar niet veel te jong om bij U te komen? Ik ben vader van twee kinde¬ren. Ik ben toch Uw dienstknecht met een mooie bloeiende gemeente?” De ver¬pleegkundige nam aan dat ik wel een collega wilde spreken die mij zou bij-staan in alle ingrijpende onderzoe¬ken en operaties die nog zouden volgen. Helaas was er geen dominee in huis, maar wel een pater. ’s Avonds stond de pater aan mijn bed. Hij nam aan dat ik behoefde had aan pastorale zorg en na kennis gemaakt te hebben haalde hij een gebedenboek uit zijn binnen¬zak. Vervolgens las hij een formuliergebed voor, sloeg een kruis en gaf mij de zegen. Ik heb de goede collega tijdens mijn veertiendaags verblijf niet meer gezien. Wel de ziekenhuisdominee, die op de der¬tiende dag kwam en aannam dat ik als dominee wel geen behoefte aan pastorale zorg zou hebben.

Ik ben bevestigd als predikant in de gevangenis. Dat was mijn eerste kudde: verdwaalde, ver-loren, zwarte, stalloze schapen. Drie zwarte mannen zongen voor hun nieuwe herder: ‘Welk een vriend is onze Jezus’. Het was een ontroerende dienst. In de kapel van de gevangenis heb ik ervaren dat God mij voor deze kudde had geroepen. In die kudde wilde ik ook zijn. Ik wilde met mijn schapen meele¬ven. Pastoraat is immers ontmoeting en presentie? Toch waren er ook andere pastorale stromingen. Collega’s die spreekuur hielden, die pastorale diagnoses stelden, die halve of hele therapieën gaven, die er alleen voor gemotiveerde of gelovige schapen waren. Vele collega’s vonden mij klassiek met mijn op¬vattingen over pastoraat of te evangelisch omdat ik graag over het evangelie sprak. Dat is niet veranderd in de loop der jaren dat ik predikant ben. Inmiddels al weer jaren doctor in de godgeleerdheid zing ik nog steeds van harte, dus met mijn hart, het klassieke altijd nieuwe lied: ‘Welk een vriend is onze Jezus’. Mijn visie op pastoraat is dat de pastor in iedere relatie, net als Jezus, mensen moet opzoeken, ontmoeten, present zijn in cellen, flats en bakhuisjes, om iets uit te stralen van de Goede Herder. Met die grondhouding van openheid ontmoet de pastor mensen die op zijn weg komen (Crabb 1997, p.17). Omdat ieder mens het beeld van God in zich draagt, is hij in staat een relatie met God te hebben: “En God zegende hen; en God zeide tot hen… (Genesis 1:28).” Helaas wordt die unieke relatie verbroken en het beeld geschonden. Vanaf Genesis 4 tot het eind van de bijbel wordt de mens beschouwd als een gevallen beelddrager, iemand die zowel gekenmerkt wordt door zijn waardigheid (het beeld) als zijn verdorvenheid (de val). Als mens moeten wij rekening houden met onze waardigheid en onze verdorvenheid, maar dat is niet een passief berusten, maar een actief God zoeken, ontmoeten, de relatie onderhouden en vernieuwen (Crabb 1997, p.107). Om verantwoord met mensen op weg te gaan is naast dit evangelisch-theologisch uitgangspunt, kennis van pastorale me¬thodiek nodig. Dat is kennis van pastorale stromingen, religieuze stromingen, psychologische stromingen, psychiatrische verschijnselen, maar ook kennis van gesprekstechnieken, van pastorale valkuilen en pastorale strikken. Het is de ‘gereedschapskist’ van de pastor om verantwoord, dat is methodisch, pastorale zorg te verle¬nen.

Waar gaat het in het pastorale gesprek om?
Het eigene van het pas¬torale ge¬sprek is dat de ‘Derde’, de Pastor Bonus, de Goede Herder, ter sprake komt. De pastor is met de pastorant bezig woorden en gebaren te zoeken om de proble¬men, de pijn en het verdriet, ‘voor Gods aan¬gezicht’ te brengen. Het gesprek kan ook het karakter aannemen van een gevecht, een Kampfge¬spräch. De onderstaande pastorale ontmoeting heb ik “De hemel huilt ook!” genoemd:

“Dominee, met Els, het schoonzusje van Ann. Ik moet u iets vertellen. U kent Ann wel, u bent er onlangs nog geweest.” Ja, enkele weken geleden was ik nog bij Ann geweest. Samen met Danja, ons dochtertje van (toen) drie. Enkele jaren geleden heb ik Ann en John mogen trouwen. In herinner mij nog goed de stralende bruid en bruidegom. Bij het laatste bezoek vertelde Ann trots dat ze moeder zou worden. Het was op een mooie zonnige morgen. We zaten voor hun gezellige huisje temidden van de weilanden. Ann had beschuitjes met aardbeien gemaakt. ’t Was dan ook feest. In november zou ze moeder worden en John vader. Ik dacht – ik heb misschien ook wel gezegd – dat het mooi zou zijn om hun kindje met kerst, misschien wel in de kerstnacht, te dopen. “Ann heeft het me verteld”, ging het schoonzusje verder aan de telefoon. “En omdat u er nogal eens komt, dacht ik dat het goed was u te bellen. Ann is bij de verloskundige geweest en daarna bij de dokter en…” Even was het stil. ’t Is mis dacht ik en ik vroeg: “Is er iets met haar kindje?” “Ja”, zei het schoonzusje. “Het leeft niet meer…” Vrijwel meteen ben ik in mijn auto gestapt en door de regen naar het huisje van Ann en John gereden. Wat leek de wereld ineens anders. Zo grauw en verdrietig. Ann en John waren thuis en zaten verslagen tegenover elkaar aan tafel. “Wat vreselijk…!” Meer kon ik niet zeggen. Meer wilde ik ook niet zeggen. “Het is gestorven.”, zei Ann en ze legde haar hand op haar buik. Ondertussen keek ze naar buiten, naar de regen, en zei: “De hemel huilt ook!” We waren stil. “Dat hebt u toch wel eens gezegd in een preek. U zei toen, dat als er iets met een kindje gebeurt, God ook tranen in zijn ogen heeft.” Ik knikte en dacht: dat geloof ik ook en dat vertel ik iedere zondag weer opnieuw. Het Verhaal, de Boodschap, dat de Here God zo met het verdriet van mensen, van kleinen en van groten, begaan is, dat er niet alleen op aarde tranen vloeien, maar ook in de hemel…
Een week later is het kindje van Ann geboren in het ziekenhuis. John belde mij ’s avonds op en ik beloofde gauw weer langs te komen. Een paar dagen later fietste ik door de weilanden naar hun huisje. Ik vroeg me af wat ik zou zeggen, een woord van troost, van steun, van hoop. Maar toen ik aanbelde en Ann en John zag zitten, was ik alle mooie woorden weer vergeten. Aan de thee begon Ann te vertellen. Over de zaal waar ze lag met moeders die hun kind de borst of de fles gaven en de moeders die daar zo naar verlangden. Over het zaaltje waar ze alleen lag. Over de geboorte en hoe John en zij hun kindje nog even vast mochten houden en toen afscheid moesten nemen. In gedachten zag ik Ann moederen in een kinderkamertje met alles er op en er aan, achter de kinderwagen, met de kleine op schoot. “Hoe hebben jullie haar genoemd?”, vroeg ik. “Maria”, zei Ann. We waren stil en we dachten aan de kleine Maria. Een bloemetje, wier knopje niet is ontloken. Toen vroeg Ann: “Wilt U voor Maria bidden en God vragen of Hij nu voor haar wil zorgen? Want Maria is toch ook Zijn kindje? En Hij is toch ook haar Vader?” Dat hebben we toen met z’n drieën gedaan. We hebben de Hemelse Vader verteld over het verdriet van een Ann en John, een moeder en vader, die geen ouder konden zijn. En we hebben gevraagd of Hij nu voor de kleine Maria wil zorgen. We moesten allemaal huilen. De hemel ook.

Christenen en niet-christenen ervaren iedere dag dat hun wereld kan instorten. Geluk blijkt vaak zo broos te zijn. Tegelijker¬tijd mogen we woorden horen en spreken van bemoediging, troost, hoop dat God met ieder mens wil meetrekken door de woestijn naar het Beloofde Land. Ik wil niet alleen zeggen dat mensen van alles en nog wat kan overkomen. Mensen kunnen zelf ook het onheil zoeken, hun geest of lichaam vernielen, bewust kiezen voor de zonde. De zonde is geen lot, maar keuze en dáárom ook schuld, die voor God beleden moet worden. Als de ver-loren zoon thuiskomt, belijdt hij: Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel, en voor u, ik ben niet meer waard uw zoon te heten (Lukas 15:21). En, als David, na de ontmaskering door Nathan ontdekt wat hij heeft misdaan, roept hij uit: Tegen U, U al¬leen, heb ik gezondigd, en gedaan, wat kwaad is in uw ogen (Psalm 51:¬6). Er zijn even¬wel si¬tuaties denk¬baar waar het gesprek on¬mogelijk is, maar dat de aanwezigheid van de pastor tòch van een niet te schat¬ten waarde blijkt. Vanuit deze pastorale ¬houding moe¬ten dan le¬vens¬pro¬blemen, angsten en verlangens, besproken worden. Die ruimte is er ook, want alle leden van de gemeenschap er-varen steeds weer dat zij worden aan¬gevochten door de zonden, door de moeiten en het lijden, zoals we in Job lezen: Hij legt de diepten uit de donkerheid bloot en brengt de diepe duisternis aan het licht (Job 12:22). Het leven van Jezus is, als het om schuld ver¬geven en veroor¬delen gaat, een para¬dox. Het veroordeelt mensen om hun leven en leer. Anderen vergeeft hij. Tegen de schriftgeleerden spreekt Hij harde woorden (Mattheüs 2¬3:1-39). Tegen een overspe¬lige vrouw zegt Hij: Ook Ik veroordeel u ook niet. Ga heen, zondig van nu af niet meer! (Johannes 8:11). Kortom: Ik geef de voorkeur aan de stroming ‘pastoraat als ontmoeting’ en in mijn pastorale ontmoeting gebruik ik doorgaans de methode van de pasto¬rale counseling.

Stromingen in het pastoraat
In deze paragraaf bespreek ik beknopt drie stromingen in het pastoraat of de zielzorg: 1. pastoraat als verkondiging of de ke¬rugmatische stroming; 2 Pastoraat als hulpverlening; 3. Pastoraat als ontmoeting. Ik ben mij ervan bewust dat er meer stromingen of scholen te noemen zijn. Afhan¬kelijk van de pastorale theologie die een pastor beoefent en de concrete pas¬torale situatie zal de pastor doorgaans een keuze maken vanuit welke stroming hij pastoraat verleent.

Pastoraat als verkondiging: In de eerste plaats bespreek ik de verkondigende of kerugmatische stroming: Wie zich met de pasto¬rale theologie van de vorige eeuw bezighoudt komt vrijwel onmid¬dellijk de naam van Eduard Thurneysen (1888-1974) teg¬en. Hij stelt dat zielzorg een be-paalde vorm van Woord¬verkondiging is. Deze Woord¬verkon¬diging is individueel, richt zich tot de enkeling en houdt rekening met de toestand van de mens die de pastor ontmoet. Hij ziet dus de ziel¬zorg als indi¬vidualiserende Woord¬verkon¬di¬ging, waarbij de nadruk ligt op de inner¬lijke ver-houding van de mens tot God die op het hele bestaan van de mens gericht is. Van beslis¬sende betekenis voor zijn theologie was de vriendschap met Karl Bar¬th. Barth was van 1911 tot 1921 pastor in Safenwil, een plaatsje op korte afstand van Leutwil, waar Thur¬neysen pastor was. Als reactie op de liberale theologie van de negentiende eeuw en de gebeur¬tenissen in en na de eerste we¬reldoorlog komen de twee vrienden samen tot hun dialektisch-theologisch uit-gangspunt: de verkondiging van God als de Ganz Andere. Prediking en ziel¬zorg zijn beide Woordverkon¬diging. De werke¬lijkheid van het leven van de mensen en van de wereld komt in het licht van God te staan, op¬dat zij die de prediking horen, zullen weten wie God is en wat Hij doet, hoe het ge¬steld is met de wereld en met de mensen en wat er geschiedt als God in ons leven het Woord neemt¬. Immers in de preek wordt een tekst van de Bijbel uit¬gelegd. De vooronder¬stelling van deze methode is, dat deze tekst van de Bij¬bel iets te zeggen heeft voor het leven van de mens en de gemeente in het he¬den. De tekst bevat een Woord van God voor de ge¬meente. De preek op de zondagmorgen poogt zich dus ten dienste te stellen van het Woord van God. De preek staat in dienst van het kerugma, van de verkon¬diging van het heil, dat in Jezus Chris¬tus geko¬men is. Het vraagt heel wat van de pastor om de ander pastorale zorg te verlenen. Alleen als de pastor de ander aan¬vaardt kan het gesprek over een ‘andere manier van leven’ gaan. Sprechen heisst lieben en de pastorale communica¬tie is (daarom) meer dan de men¬selijke.

Pastoraat als hulpverlening: De tweede grote stroming is die van de ‘therapeutische ziel¬zorg’ of de ‘pastorale counse¬ling’. Grondlegger van deze stroming is Anton T. Bo¬isen, (1876-1965) die een duidelijke relatie ziet tussen psy¬chische moeilijkhe¬den en reli¬gieuze ervarin¬gen. In zijn casestudies gaat hij uit van de mens als living human document. Pas¬toraat staat bij hem vooral in het teken van crisisver¬werking, waarbij de religieuze factor alle aandacht vraagt, met name de com¬ponent van de mense¬lijke schuld. Grote nadruk komt te liggen op gespreksvoe¬ring, onder andere op de zoge¬naamde verbatim-methode. Carl Rogers, die met Abra¬ham Maslow be-hoort tot de kring van de ‘hu¬mani¬stic psychology’ legt het accent op menselijke groei en zelfver¬werkelij¬king. Zijn ‘pas¬torant-centered’ en ‘non-directive’ model heeft als kenmerken: empathie, con¬gruentie en een onvoorwaar¬delijke aanvaarding van de ander. Was ik in mijnpastorale relatie met Johan en Mieke pastoraal hulpverlener? Natuurlijk heb ik vanuit mijn pastoraat als ontmoeting ook ‘hulpverlenerachtige interventies’ gepleegd. De stromingen zijn niet strikt te scheiden. Het gaat mij er om dat de pastor zich bewust is vanuit welke visie hij werkt en daar op wil reflecteren.

Ze hadden al vaak bij me achter in de kerk of op het balkon gezeten en nu zat ik bij hen in hun opgeknapte huis. Mieke vroeg of ik koffie wilde hebben en Johan maakte het zich ge¬makkelijk op de bank. Ondertussen vertelde hij dat hij zo’n beetje alles zelf had opge¬knapt. Een man met gouden handen. Ik zat in een makkelijke stoel bij een open haard met kunsthout. Het was een van mijn eerste trouwdiensten in mijn nieuwe gemeente. Een man van in de dertig en een vrouw van in de twintig. Aardige open mensen. Hoewel ik me meteen op mijn gemak voelde, voelde ik me in hun dorp ongemakkelijk. Een typisch dorp met een grote gemeente orthodox-gelovi¬gen, vaste waarden en normen, vaste kerkgang, vaste gewoonten, vaste roddel. Als nieuwe dominee van het dorp waar Johan en Mieke nu naar de kerk gingen, was al vaak over de tong gegaan. Johan kon er smakelijk over vertellen. En nu zou ik ook nog twee mensen uit het dorp trouwen. De kerkenraad van het buurdorp was er niet gelukkig mee en mijn collega helemaal niet. Ik voelde dat wel aan en het leek me goed om eens met mijn collega onder een kopje koffie van gedachten te wisselen. Dat is er niet van gekomen. Eén telefoontje was genoeg om te beseffen dat de twee dominees nooit koffie zouden drinken. Ondertus¬sen had ik wel ervaren dat er tussen dorpen en gemeenten dikkere muren staan dan ik in tien jaar in de gevangenis had gewerkt. Daar ging ook het gesprek met Johan en Mieke over. Ze voelden zich niet meer zo welkom in hun dorpskerk, omdat ze van het vaste pa¬troon waren afgeweken. Johan wilde het huis niet te lang leeg laten staan en zo waren ze er maar vast ingetrokken. En hokkende kerkgangers kregen niet zomaar de huwelijkszegen of ze moesten eerst belijden dat ze gehokt hadden. Daar bedankten Johan en Mieke voor. Johan vertelde dat hij door Mieke in de kerk was gekomen, naar catechisatie was ge¬weest, tot geloof was gekomen en belijdenis had gedaan. Een ontroerend verhaal hoe twee mensen elkaar ook in het Huis van God hadden gevonden. Maar toen zij een zegen over hun huwelijk wilden vragen en God wilden bedanken dat Hij hen had samen¬gebracht, bleek de dorpskerk dicht. Het was de eerste keer dat ik zo’n verhaal hoorde. On¬dertussen voelde ik me wat schuldig en zat me af te vragen hoeveel mensen ik had ge¬trouwd en aan wie ik allemaal had gevraagd of ze hadden gehokt en hoe lang en of ik ‘tweede keus’ of ‘noodgreep’ was om alsnog een huwelijkszegen te bemachtigen. Sinds ik dominee ben heb ik de ver¬antwoordelijkheid gevoeld om huwelijken in te zegenen namens God. En ik voelde steeds dat God meekeek als ik ‘ja’ zei, maar ook als ik ‘neen’ zou zeggen. Dat zou immers bete¬kenen dat niet alleen het echtpaar, maar ook voor Hem zou zeggen dat een stel niet welkom was in de kerk. Was het niet mijn taak om met het echtpaar te praten hoe God het huwelijk ziet? Dat Hij het mooie geschenk van unieke liefde ons heeft toevertrouwd? Hoe het zal gaan als twee jonge mensen een erfdeel van Hem ontvangen en vader en moeder worden (Psalm 127:3)? Toen ik daar met Johan en Mieke over sprak voelde het goed. Dat voelde het ook toen een van de gemeenteleden met zijn prachtige bariton twee maanden later in de kerk zong: “Leg maar stil je hand in Zijn handen.” Toen Johan ziek werd, ongeneeslijk ziek, heb ik vaak gedacht aan het gesprek en het gebed op die avond voor hun huwelijk. We hebben toen God gevraagd hun geluk te bewaren, hun leven te dragen, wat ook hun toekomst zou brengen. Hij heeft hun geluk bewaard, naar onze begrippen wel heel kort. Hij heeft hun leven gedra¬gen. Johan heeft Hij gedragen over de grenzen van de dood heen tot zijn moegestreden grote kind mocht rusten in Zijn armen. En Mieke heeft Hij gedragen in al die maanden dat ze haar man bijstond, verzorgde, zijn wrevel en onmacht over zich heen kreeg, zijn dank¬baarheid en liefkozingen. God was er toen Johans kist stond op de plaats waar hij met Mieke op de mooiste dag van hun leven knielde. Soms twijfel ik ook wel eens of ik een trouw – of rouwdienst moet doen. Dan vraag ik mij af: Wat zou Jezus gedaan hebben? Toen ik met wankele voeten naast Mieke de kerk inliep, achter de kist, speelde het orgel de eerste tonen van Psalm 121. Ik voelde dat God mij op hun weg had geplaatst. Met moeite zong ik het tweede vers: ‘Uw wank’le voeten zet Hij vast, als gij geen uitkomst ziet: uw wachter sluimert niet.’ Mieke zong dapper mee op de eerste rij. In de kerk zaten enkele broeders uit het buurdorp. Het deed me goed dat ze meezongen. Even vielen de muren weg. Zo wil God het ook, geloof ik.

Wij voeren pastorale gesprekken met mensen in de gemeente en buiten de gemeente. Het voeren van een pastoraal gesprek betekent dat je bij de ander bent en de ander ontmoet. Dat is niet vrijblijvend. Een pastoraal gesprek is anders dan een gesprek bij de warme bakker over het weer of over de buurvrouw die weer een andere vriend heeft. Door de wijze van gespreksvoering, van luisteren, aanvoelen, meevoelen, stil-zijn, wordt de pastorant zich bewust van eigen gevoelens en wor¬den krachten tot groei los¬gemaakt. Ik heb veel voordeel gehad van mijn kennis en ervaring als hulpverlener en van de stroming ‘pastoraat als hulpverlening’. Het is goed iets te weten van wat er zich in het hoofd en het hart bewust of onbewust kan afspelen. Dat geldt niet alleen voor de ander, ook voor jezelf. Wat betekenen oud verdriet, onverwerkte gevoelens, pathologische hechtingen, stenen op de maag voor de pastorale ontmoeting?

Een verslaafde jongen in de gevangenis vertelde mij eens: “Ik ben naar u toegekomen omdat ik af¬scheid wil nemen van mijn moeder. Ja, ze is wel twee jaar dood, maar ik wil haar toch iets zeggen. Zelf kan ik het niet goed, Ik zou niet weten hoe ik het moest doen. Het heeft te ma¬ken met mijn leven. De laatste acht jaar. Ik zag haar niet veel meer. Toen ze ziek werd en in het ziekenhuis kwam ben ik niet meer geweest. Ik wilde niet dat ze me nog zo zag. Ik zag er slecht uit. Weet u, ik zou u willen vragen of u voor mij in het gebedenboek wil schrijven. Een gebed voor mijn moeder en dat in de dienst wil voorlezen. Ik kom dan ook. Maar niemand weet dan dat het over mijn moeder gaat. Alleen u. En God natuurlijk.”
Ik zie hem nog zitten op zijn bed. Een jongen die door hulpverleners is opgegeven, afgeschreven, opgesloten voor weer een paar maanden. Hij woog nog geen vijftig kilo, vel over been, een paar bruine tanden, lang haar, uit zijn T-shirt staken twee magere armen die bij de ellebogen alle kleuren van de regenboog hadden van het spuiten. Verder een glimmende joggingbroek en blote voeten. Hij vertelde dat hij dertig was, twee maal een relatie had gehad, een keer getrouwd, en twee kinderen van twee vrouwen. In tien minuten vertelt een mens je een tragedie waar je een boek over kan schrijven. En hij vraagt je of je een gebed voor zijn overleden moeder wilt voorlezen in de dienst. Niemand mag weten dat het over zijn moeder gaat. Alleen de dominee en God. Toen ik vroeg wat zijn moeder voor hem betekend heeft, vertelde hij in tranen dat het een lieve zorgzame moeder was, die altijd voor hem heeft klaar gestaan. Hij was het zelf die ruzie maakte, haar bedroog, van haar stal, niet meer thuiskwam, niet bij haar was toen ze ziek was, op sterven lag, begraven werd. “Ik denk nu veel na”, zei hij. “Soms bid ik ook tot God. En nu moet ik het goedmaken. Ja, ze is wel dood, maar misschien helpt het gebed een beetje. Zij zou me vast vergeven hebben. Zo was ze. Zou God me ook vergeven, dominee, of heeft Hij het wel gezien met mij?”

Pastoraat als ontmoeting: De stroming pastoraat als ontmoeting vervult in zekere zin een brug-functie tus¬sen pastoraat als verkon¬diging en pastorale coun¬seling. Ener¬zijds wil men recht doen aan de com¬municatie van het Evangelie in de pastorale relatie, anderzijds staat men open voor de communicatiethe¬orie en psychotherapie. Model voor deze benadering is de wijze waarop het her¬meneu¬tisch en het agogisch moment in het pastoraal optreden op elkaar betrokken worden via het werk van de Heilige Geest. Hoe waait dan de Geest in een pastorale ontmoeting? Misschien wel het meest als we oog hebben voor kleine dingen. Het zijn niet altijd de grote woorden die mensen raken. Soms is het een verhaal dat iemand al zijn hele leven met zich meedraagt. Of is het een voorwerp: een fotootje, een medaillon, een tornmesje.

“Op mijn verjaardag is mijn moeder begraven.”, zei een vriendelijke hoogbejaarde vrouw bij wie ik op huisbezoek was. “Ze had nog een cadeautje voor me gekocht. Een tornmesje. Weet u wat dat is? Ik heb het altijd in mijn tas.” Ze vertelde het op haar 88e verjaardag. “Ze is vroeg gestorven. Ik was pas 11 jaar. Toen stond mijn vader er alleen voor. Een gezin en weinig geld. Hij was boer en verdiende er wat bij als huisslachter. We hadden drie jaar een dienstbode. Toen kon mijn vader haar niet meer betalen.” Ik zat in een gemakkelijke stoel naar haar te luisteren. Vrijwel iedere zondag zit ze in de kerk. En bij de uitgang krijg ik altijd een hand en een vriendelijk knikje. Noem me maar “Pietje”, zei ze eens. “Want zo kennen ze me in het dorp.” De andere dag zou ze haar verjaardag vieren met haar negen kinderen en negen ach-terkleinkinderen. Al pratend liep ze naar een serie ingelijste trouwfoto’s op haar schoorsteen. “Weet u, dominee, ik heb daarna nooit meer een gewone verjaardag gehad. Ik moet altijd denken aan mijn moeder. Ik was nog maar een kind. Alleen een tante feliciteerde me. ’s Avonds nam mijn vader mij even apart en zei: Pietje, dat heeft ons moeke nog voor ie ge-kocht. Toen kreeg ik het tornmesje. Ik heb het nooit gebruikt. Weet u, het is een herinnering. Het laatste van mijn moeder. Ik heb het altijd bij me in m’n tas. Al 77 jaar.”

Brood, bed, bezigheid en barmhartigheid
We hebben drie stromingen in het pastoraat besproken. Het was een grof onderscheid en er zijn natuurlijk overlappingen. Het gaat mij er om dat de pastor zich bewust is vanuit welke pastorale attitude hij pastorale zorg verleent. Ik wil nu enkele kenmerken van de christelijke hulpverlening noemen. Ik doe dit omdat vele vormen van christelijke hulpverlening bedoeld of onbedoeld pastorale elementen in zich heeft. De hulpverlening kenmerkt zich in de regel door drie of vier “B’s”. De vier “B’s” staan voor: Brood, Bed, Bezigheid en Barmhartigheid. Het zijn “containerbegrippen”,maar het is niet zo moeilijk zich voor te stellen dat hulpvragers primair behoefte hebben aan eten, een slaapplaats, enkele activiteiten en is ook gevoelig vanuit welke visie of levensbeschouwing deze dingen worden aangeboden. In de regu¬liere- en ook in de christelijke hulpverlening kennen we ontelbaar veel therapeutische- begeleidings – en opvang moge¬lijkheden. Deze verschillende hulpverleningsvormen worden in of buiten instituten gegeven door professionele mensen, door ervaringsdeskundigen met of zonder opleiding en door amateurs. Het lijkt of er voor ie¬dereen wel hulp te krijgen is, maar we weten tegelijkertijd dat heel veel mensen om allerlei redenen geen hulp geboden wordt: hun problemen stellen te weinig voor of zijn juist te ern¬stig; hun motivatie is te gering of juist overdreven; ze kunnen of willen niet wachten tot ze nummer één op de wachtlijst zijn of ze komen op geen enkele wachtlijst voor, omdat ze er al te vaak op hebben gestaan; ze kunnen of durven niet over hun problemen te praten, omdat ze zich schuldig voelen tegenover hun aardse vader of hun hemelse Vader, hun handtastelijke schoolmeester of hun altijd begrijpende dominee. We kennen allemaal wel iemand die bespro¬ken is in de kerkenraad of bij de koffie. Een medemens, die gewoon iemand nodig heeft die hem of haar weer op de rails zet met een hartelijk woord, een gebed, een dagje uit of wat dan ook. Is dat dan voldoende? Ik zou willen dat het meer gebeurde! Veel kerkelijke gemeenten verzakelijken en door alles wat op de agenda staat vallen heel veel mensen buiten de kerke¬lijke boot en worden in een ‘slapend bestand’ gezet of verdwijnen helemaal uit de kaartenbak. Gaat de pastor in deze tijd nog naar een verjaardag van een gemeentelid?

“Ik kan jullie goed gebak zien eten.”, zei de heer Vroom. De kamer zat vol ter ere van zijn ze-ventigste verjaardag. Enkele maanden geleden had hij gehoord dat hij nog maar kort te leven had. Leverkanker is ongeneeslijk. De specialist had gezegd dat hij geen pijn hoefde te lijden. Meer dan dertig jaar was hij niet in de kerk geweest. De afgelopen zondag was hij er weer. Zijn vierde kleinkind werd gedoopt. Vandaar. En verder had hij goed contact met de dominee. De dominee had hem opgezocht in het ziekenhuis. Een gewone man: een hand, een luisterend oor en zelfs een grapje. De dominee had niet gebeden. Gelukkig maar, want dat was te emoti-oneel. Vorige week was de dominee nog even geweest. Hij had hem gevraagd in de doopdienst vooral niet voor hem te bidden. Geen poespas in de kerk. Het was een mooie dienst geweest. Een versje kon hij nog meezingen: “De Heer is mijn Herder.” Dat versje moesten ze ook maar zingen als hij er niet meer was. Misschien over een paar weken al. Ondertussen had de schaal gebak plaats gemaakt voor een schaal met stukken kaas, gekookte worst, augurken in een plakje ham gewikkeld en halve harde eieren met een mutsje mayonaise. De mannen een bor-rel, de vrouwen bowl, de dominee jus d’orange. Van¬morgen had hij nog tegen zijn vrouw ge-zegd, dat de dominee misschien wel zou komen. Prima vent. Als hij nou maar niet gaat bidden op zijn verjaardag. ’t Moet wel gezellig blijven. Ondertussen vroeg de dominee zich af wat er nu pastoraal is aan zijn bezoek. Maar, ’t gebak was in ieder geval goed en hij was welkom.

Is het gesprek met deze hoogbejaarde heer nu een pastorale ontmoeting? Zorg ik voor wat af-leiding, bezigheid of zit er ook iets van barmhartigheid in? Is de vraag naar de betekenis van een gesprek niet kenmerkend voor deze tijd, waarin alles betekenis moet hebben? Deze man had geen pastorale vraag, geen hulpvraag, dacht ik. Wat ik wel merkte is dat hij na mijn be-zoek op zijn verjaardag meer ging vertellen over zijn omgang met mensen, zijn vrouw en kin-deren, God. Hij had zijn eigen woorden voor de grote woor¬den die wij in de kerk zo gemakke¬lijk gebruiken. Hij vertelde hoe God zijn leven had geleid en dat hij nu verlangde naar het einde. Nee, daar was hij niet bang voor. Ook in zijn laatste dagen wist hij zich gedragen door God. “Dominee, als ik er niet meer ben, wilt u dan Psalm 138:4 laten zingen, Als ik omringd door tegenspoed, be¬zwijken moet, schenkt Gij mij leven, dat zong mijn moeder vroeger tijdens de afwas.” Het doel van het pastorale gesprek werd mij pas duidelijk nadat ik naar hem ge¬luisterd had. In de hulpverlening gaat het meestal anders. Verhalen kunnen niet verteld wor¬den. In de christelijke hulpverlening komen mensen, net als in het pastoraat, op verhaal. Als je de ander werkelijk wilt ontmoeten, moet je luisteren.

De vier “B’s”
Brood, Bed, Bezigheid en Barmhartigheid. Drie B ’s heb ik niet van mezelf. Daarover lees ik in verslagen en nota’s over mensen die op een of andere manier geholpen moeten worden. Brood, Bed en Bezigheid: als daaraan voldaan wordt les ik in nota’s kan een mens weer even vooruit, staande blijven in een moeilijke levenssituatie. Althans zo lijkt het. De vierde B, die van Barmhartigheid, maar ook van Bezinning en Be¬lofte kom ik veel minder vaak tegen. Ik ken ook niet zo veel instellingen waar over dé belofte van de Goede Herder wordt gesproken, waar bezinning een vast deel van het programma is en barmhartigheid wordt geleefd.

Toen ik als verpleegkundige in een psychiatrisch ziekenhuis werkte, was er op het paviljoen een meisje van 17. Ze was opgenomen omdat ze een zelf¬moordpoging had ge¬daan. Haar therapie bestond uit de drie B’s: bed, brood en bezigheid. Verpleegkundigen die nachtdienst hadden, moesten ‘s morgens vroeg het brood alvast klaarmaken. Twee boter¬hammen per bordje en elke boterham in zes stukjes gesneden, want de patiënten mochten geen mes heb¬ben. Als ik om een uur of zes de keuken in ging, kwam Maria, zo noem ik haar maar, altijd even helpen. Het meisje had van de psychiater een etiket gekregen: een schizoïde meisje met suïcidale neigingen. Ik wist nauwelijks wat die etiketten betekenden. Ze had van de psychiater, een statige man in een wat te lange witte jas, een therapieprogramma gekre¬gen: drie maal daags antidepressiva, drie maal per week naar de bezigheidstherapie en de eerste drie maanden niet naar huis. Tijdens het boterhammen smeren praatten we over de verpleging, over de hoofdzuster, de dokter, haar ziekte, haar thuis, haar kerk en haar God. Er werd in het team veel over Maria gesproken. Iedereen begreep wel dat Maria niet gelukkig was. Maar als je je polsen doorsnijdt is dat ‘dus’ in de eerste plaats om aandacht te vragen. Dan is het therapeutisch noodzakelijk dat gedrag te negeren. Zo werd Maria steeds eenzamer. Maria had wel een goede therapie: brood, bed, bezigheid en één maal per week 50 minuten een gesprek met de psychiater. Maar over de zin van het leven, de waarde van het menselijk bestaan, wie je bent voor de Here God, werd niet gesproken. Maria’s geloof had ook nare bijwer¬kingen en de psychiater wist te vertellen dat je daar vaak depressief van werd. Dat kom je vooral tegen bij mensen die op de Veluwe geboren en getogen zijn, zo werd gesteld. Ik vond het nogal wat en had zo ook mijn eigen vragen. Wat ik dacht en voelde las ik niet in de rap¬porten, trouwens ook niet in mijn studieboeken, maar daarover hoorde ik wel ‘s morgens vroeg in de keuken. Dan sprak Maria over de zin van haar leven. Daar spraken we over een barmhartige God, Die een Herder en Hoeder voor mensen wil zijn. Dan dacht ik, of bad ik, dat de Hemelse Vader nooit een van Zijn kinderen zou vergeten. In de oude keuken van dat psy¬chiatrisch ziekenhuis waren we even met zijn drieën: de Here God, Maria en ik.
Op een dag zei Maria: ‘Ik ga het weekend naar huis!’ ‘En…?’ vroeg ik. Het bleef stil. Ze wenste mij een goed weekend, gaf me een hand – wat ze nooit eerder had gedaan – en ging haar tas pakken. De maandag daarna moesten we bij de hoofdzuster komen. Maria was dood. Zelf-moord. Haar ouders hadden haar ’s morgens gevonden. Niemand begreep het. Ik begreep het ook niet. Later wel, toen ik iets begreep van de tekst dat de mens niet bij brood alleen leeft. Brood, bed en bezigheid zijn niet voldoende. Iemand vroeg of Maria nog een briefje had nage-laten. Nee, dat had ze niet.

De vierde B, de B van Barmhartigheid, Bezinning of Belofte, is niet zo gemakkelijk te beschrijven. De vierde B heeft te maken met de vraag: zal de ander met zijn gaven en talenten, met zijn lichte en zijn donkere kant, op deze aarde liefde vinden? En zal hij liefde kunnen geven, zoals Jezus ons dat leert in het tweede en grote gebod (Mattheüs 22:34-40)? Is dat niet de vraag die ons vooral zou moeten bezighouden? Jezus leert ons in een ge¬lijkenis hoe we in ons dagelijks leven barmhartigheid moeten betrachten: Die hem barmhartigheid bewezen heeft. Ga heen, doe gij evenzo (Lucas 10:25-37). Dat begint bij het geloof dat wij het leven hebben gekregen uit Gods hand. Ieder mens heeft zijn eigen kracht en zwakte, zijn eigen mogelijkheden en onmogelijkheden. Daar moet je het mee doen. En soms lukt dat niet meer. Dan zijn er mensen die vanuit de vierde B je helpen het leven te leven. Dat kan op allerlei manieren. In de gemeente ontmoeten mensen elkaar vanuit het geloof dat ieder mens geschapen is naar Gods beeld en daarom waardevol is. God verlangt dat we luiste¬ren naar wat de ander zegt met of zonder woorden. Hij verwacht geen mooi geformuleerde hulp¬vraag en Hij stuurt niemand weg. Door Hem wordt het ongezegde gehoord en het ongehoorde verstaan. Niet wat in een dossier of in een rapport staat, maar wat in ons hart geschreven staat telt. Die vierde B is van levensbelang is. Jezus heeft ons geleerd hoe kostbaar een kwetsbaar mens is.

Pastorale methodiek

Hij wilde zo graag werken, maar kon het niet. Niet meer. Jan, een man van 54 jaar, die al meer dan 25 jaar in het ambt staat als predikant. Honderden mensen heeft hij pastoraal bijge-staan als herder en vriend. Altijd een luisterend oor en open hart. Dag en nacht konden ze een beroep op hem doen. Zijn werk was zijn leven, daar lag zijn hart: dicht bij mensen die een woord van God en van een aardig mens nodig hadden. Mensen die daar behoefte aan hadden: om weer even vooruit te kunnen, wat licht te zien in hun duister bestaan, even tot rust te ko-men in een drukke wereld en wat minder gespannen, minder bijterig, met hun man of vrouw om te gaan. We kennen allemaal wel zo’n herder of herderin. Jan is opgebrand, burn-out, uit-geblust of welke mooie naam er ook voor zo’n toestand te geven is. Zijn vrouw begrijpt het wel, maar heeft er soms ook genoeg van Jan’s verhalen en beperkingen. En ze zegt daarmee ook, dat ze genoeg heeft van de kerk, de pastorie, mensen die maar bellen of haar man langs wil komen, omdat er een oma tachtig geworden is of een kleinkind een voet heeft verstuikt. En nu heeft hij zelf hulp nodig, opgebrand: “Ik heb een inzinking!”, zei hij onomwonden. Een vijftiger die nergens meer heen kan, nergens meer heen wil. ’t Is net of hij zijn leven geleefd heeft. De kinderen de deur uit. Ze studeren met uitzicht op een goede baan. Zijn vrouw heeft haar eigen bezigheden. Hij vertelt, dat het leven een sleur is geworden. Hij en zijn vrouw eten en slapen samen, maar praten nog maar weinig. Ineens was het op. Alsof de stekker er uit werd getrokken. Uren zat hij op een preek, maar er kwam geen woord op papier. Dan stapte hij in zijn auto om een huisbezoek af te gaan leggen, maar hij kwam nergens aan. Hij kwam zijn auto niet eens uit. Ja, en hoe komt dat nu? Wat is er aan vooraf gegaan aan tijd, ergernis, drukte, spanning, strijd, gebed? Jan wist het niet. Met grote ogen achter een grote bril keek hij mij aan: “Wie had dat nu gedacht, dat ik nog eens hulp nodig zou hebben? De mensen komen naar mij! Ik ben dé predikant, goede preken, volle kerken. De mensen moesten eens weten. Ik moet het wat rustiger aan doen. Dat staat in het kerkblad. Maar de mensen moesten eens weten! Diep van binnen weet ik, dat er iets veranderd is, een knop omgedraaid, iets wat niet meer terug komt. Ik vraag me af wat ik nog geloof? Geloof ik nog wel wat ik spreek en preek? Kan ik op de preekstoel het Woord verkondigen? Gods’ Woord, om moed, troost en toekomst uit te putten. En nu zit ik hier, bij een collega, om hulp!” Ik praat iedere veertien dagen een uur met Jan. Of liever gezegd: Ik luister naar hem.

Het is een ook deel van mijn werk om collega – dominees weer een beetje op weg te helpen. Ik zou van “pastorale collegiale ontmoetingen” willen spreken. De een komt in een zwart pak. De ander in een spijkerbroek. Allen met dezelfde vraag: “Hoe moet ik verder?” Hoe gaat een mens verder na een inzinking? Na een klap, een periode van moeite, van spanning, van twijfel, van even niet geloven? Het doet me vaak aan de profeet Elia denken. Elia zei: “Here, het is genoeg!” (I Koningen 19:1-8) En de maat was voor hem zo vol, dat hij er achter aan zei: “Neem, Here, nu maar mijn leven.” Hij zei niet: “Het is volbracht.” Neen, zijn leven, zijn werk, was nog niet volbracht. Hij zat diep in het dal. “Neem, Here, nu maar mijn leven.” Dat klinkt vroom, maar er zit toch een hele tragiek achter. Iets dat niet voltooid is, niet af, en zo zag God het ook bij Elia. Wat is het dan moeilijk om te gehoorzamen. Het is niet altijd even duidelijk welke kant je op moet. Misschien wil je je leven in Gods hand leggen. Maar wat moet je ’s morgens na de thee doen? Je kunt toch niet onder je jeneverboom blijven liggen? En als je daar dan ligt, zoals Elia, kun je je bijna niet voorstellen, dat je ooit groot en sterk, jong, energiek bent geweest. Iemand die carrière heeft gemaakt. Je zegt dan tegen jezelf: Hoe heb ik het gedaan, volgehouden, gered? ’t Is haast niet te geloven dat het dezelfde man is, Elia, die nog maar kort tevoren op de Karmel zo dapper optrad. Hij bond de strijd aan met maar liefst 450 baälpriesters. En later slachtte hij al die mannen met het zwaard af. En nu ligt hij in de woestijn: deze profeet! Is hij nu veranderd of is God veranderd? De God op wie hij vertrouwde en die hem zo geholpen had? Of is er in hem¬zelf iets gebeurd, waardoor hij het niet meer zag zitten? Hoe kan een mens, zo sterk in het geloof, van slag raken en onder een jeneverboom belanden? Kunnen levensomstandigheden of werkomstandigheden zo op je leven en liefde inhakken dat je alles dreigt op te geven. Tot en met je leven? Daarover sprak Jan:”Ik kon met iedereen best goed overweg. Met mijn ge¬meente, de kerkenraad, de jeugd. Maar, er waren een paar mensen die wilden alleen maar vernieuwen. Niets was meer goed. Alles werd afgekraakt. Ik kon en wilde daar niet in mee¬gaan. En ze hadden geen argumenten, alleen een fanatisme: Het moest anders: Deze kerk, deze diensten waren ‘uit’, de dominee te traditioneel en misschien ook wel te oud. Het werd aanvankelijk wel niet zo gezegd, maar ik merkte het aan wat er niet werd gezegd.” En nu vroeg hij zich af, waar God was in zijn leven en werk? God had hem al die jaren gezegend en nu leek het net of hij alles alleen moet dragen. God is toch niet veranderd? Het kan zijn dat je geen energie meer hebt na een leven waarin je alles hebt gegeven in je huwelijk, gezin, werk of kerk. Daar zit Elia, eenzaam en leeg. Hij ziet geen weg meer voor zich, alleen achter zich. Hij is de weg naar God kwijt is. Zoals zo vaak komt God hem tegemoet. God zendt Elia een boodschap¬per die hem te eten geeft. “Sta op en eet, Elia!” En toen hij rondzag, was daar, aan zijn hoofd¬einde, een koek op gloeiende stenen gebakken en een kruik water. Ja, Elia ziet het, eet en drinkt, maar het is niet genoeg. Weer legt hij zich neer onder de jeneverbes. Dan zendt God voor de tweede maal een engel: “Sta op en eet, want de reis zal lang zijn!” God heeft een an¬der reisschema voor onze levensweg, dan wij denken of willen. God wil met Elia verder. Hij heeft nog een taak voor Elia. Elia moet weer aan het werk, met de opdrachten die God hem geeft. “Terug, Elia, terug. Keer op je schreden terug.” Er is een weg omhoog uit het diepste dal. De Here God ontkent Elia’s toestand niet. Hij hoort zijn klachten en voelt als het ware zijn depressie. God biedt hem nieuw uitzicht, nieuw perspectief. God roept hem met een nieuwe roeping. Elia, mijn knecht, of wie dan ook daar komt te liggen onder de jeneverboom: Je leven is niet tevergeefs. Je werk en woorden werken door, ook als je er eens niet meer zal zijn. Je bent er voor Mij en voor mensen en daarom moet je opstaan en verder gaan. Ik weet wel dat het even genoeg was, maar het is nog niet volbracht wat Ik op jouw schouders heb gelegd. Het kan zijn, dat we de woestijn doormoeten. “Sta op en eet, want de reis is lang!” Toen stond Elia op, at en ging op weg, veertig dagen en veertig nachten tot aan de Horeb, het gebergte Gods. Een tocht die je in enkele dagen kunt afleggen. Deze veertig dagen en veertig nachten hebben een symbolische betekenis. Elia’s tocht naar de Horeb verwijst naar de tocht van Israël door de woestijn: veertig jaren. Daar spraken Jan en ik over: God heeft met ons een reisplan. Dat besefte Elia in de woestijn. Toen stond Elia op, at en dronk en ging door de kracht van die spijs op weg. Veertig dagen en veertig nachten tot aan het gebergte Gods, Horeb. Is het een geruststellende gedachte dat God voor ieder mens een reisplan heeft? Ik denk het wel. Veel mensen zien het wel eens een korte of lange tijd niet zitten. Ze zeggen, net als Elia: “Het is genoeg!” Uitgeput belanden we in een woestijn en vallen in slaap onder een jeneverboom. Dan maakt God ons als het ware wakker en zorgt voor eten en drinken, leeftocht, voor onze le¬vensreis. Elia is door God “methodisch” benaderd op een pastoraal verantwoorde wijze. Ik versta onder pastorale methodiek de pastorale zorg die op een verantwoorde manier vanuit een bepaalde grondhouding wordt verleend. De pastor die methodisch handelt heeft inzicht in de aard van de pastorale relatie en kan deze hanteren. Een pasto¬rale relatie kan relationeel en inhoudelijk verschillend worden inge¬vuld. Niet iedere relatie tus¬sen pastor en pastorant is een pastorale relatie en niet ieder gesprek een pastoraal gesprek. Een pastorale relatie komt tot stand door het feit dat iemand in een concrete situatie geroepen wordt of zich aan¬biedt in de rol of functie van pastor. Een informatieve vraag of een ad hoc contact is nog geen pastorale vraag of pastoraal contact. Het kader waarin de pastorale relatie zich afspeelt is de geloofsgemeenschap of gemeente waartoe pastor en pas¬torant behoren. Een pastor die op zaterdagmiddag voetbalt is daar in de rol van voetballer die zijn club vertegen-woordigt en niet in de rol van pastor die zijn ge¬loofsgemeenschap vertegenwoordigt. De pas-torale relatie wordt gekenmerkt door professionele normen die zowel door de pastor als de pastorant worden erkend. Het doel van de pastorale relatie is de pastorant methodisch te be-geleiden naar een van te voren omschreven doel. Voor ik verder ga over de methodiek van het pastoraat wil ik eerst omschrijven wat ik onder pastoraat versta: Pastoraat is de aanwezigheid van de pastor in situaties waarin hij een van de onderstaande initieert of uitvoert in het geloof en vertrouwen dat de Ander er ook is. Het pastoraat steunt op de volgende vier kernwoorden: helen, bijstaan, begeleiden en verzoenen (Clinebell, Heitink).

• Helen : Onder helen wordt verstaan de mogelijke positieve effecten die een pas¬torale rela¬tie heeft voor de heelwording of integratie van mensen met het oog op hun geeste-lijke gezondheid en hun welbevinden in de ruimste zin van het woord.
• Bijstaan: Onder bijstaan wordt verstaan de troost en bemoediging die men¬sen in moeite-volle omstandigheden, als gevolg van verlies, verdriet, pijn en lijden, van een pastorale relatie ondervinden.
• Begeleiden: Onder begeleiden wordt verstaan de leiding die van een pasto¬rale relatie kan uitgaan, waardoor mensen zich gesteund weten om op grond van hun levensover¬tuiging keuzen te maken en beslissingen te nemen en zo te groeien in zelfstandig geestelijk functioneren.
• Verzoenen: Onder verzoenen wordt verstaan de betekenis die een pastorale re¬latie kan hebben voor mensen die vervreemd zijn van elkaar, van zich¬zelf of van de Here God, om tot zichzelf te komen, aanvaarding en vergeving te er¬varen en zo in nieuwe relaties te leren leven.

Het handelen dat uit de definitie van pastoraat voortkomt is het gesprek. Ik hanteer de volgende definitie voor het pastoraal gesprek:

Pastorale gespreksvoering is een methode om, in het licht van het evangelie en in verbondenheid met de gemeente van Christus, samen antwoorden te zoeken op levens – en geloofsvragen in het leven van gemeenteleden met als doel de omgang met God, medemensen en zichzelf te helen en in evenwicht te brengen.

Het stappenplan in het pastoraat
Het verlenen van pastorale zorg aan een medemens kan alleen als de pastor met hoofd en hart om zijn gemeente geeft. In veel gevallen is liefde voor mensen vol¬doende om een ander bij te staan in verdriet of nood. Het verlenen van pastorale zorg is evenwel ook een vak waarvoor deskundigheid vereist is. Zeker van een pastor als leider van een gemeente, mag gevraagd worden dat hij op verantwoorde en deskundige wijze pastorale zorg verleent. Over pastorale zorg is inmiddels veel geschreven en allerlei mo¬dellen worden (aankomende) pastores aange-leerd. Een algemeen model dat we in vele vormen van hulpverlening tegenkomen en dat al¬lerlei namen draagt is een model waarin sprake is van stappen, fasen of processen. Het zijn allemaal pogingen om in het pastoraat op methodisch verantwoorde wijze zorg te ver¬lenen. Ik heb gekozen voor een model waarin stap – voor – stap de pastorale zorg benoemd wordt. Het model is niet meer dan een voorbeeld om de pastorale relatie per fase te definiëren en om zo te voorkomen dat er alleen maar, of vooral vanuit intuïtie of traditie pastorale zorg wordt ver-leend. Om op een verantwoorde wijze pastorale zorg te verle¬nen is het van belang dat de pastor zich van tevoren oriënteert op de pastorale vraag of pastorale nood. Hij maakt als het ware een foto van het probleem, de eerste fase, en ex¬ploreert het probleem in de tweede fase. In de derde fase vindt de feitelijke pas¬torale zorg plaats en worden nieuw aangeleerde vaar-digheden geconsolideerd. In de vierde fase worden de nieuw verworden vaardigheden in het leven van de pastorant geïntegreerd en in de vijfde fase wordt het proces geëvalueerd.

Stap 1: oriëntatie fase

Enige tijd geleden zat hij bij mij in de kerk ergens op De Veluwe. Ik mocht daar een dienst leiden, een zomeravonddienst, en de kerk was meer dan vol. We zongen oude en nieuwe ver-trouwde liederen en daarover sprak de onbekende man op maandag aan de telefoon: “Domi-nee, ik had het moeilijk in de dienst. Vooral toen we “Abba Vader” zongen. Het was het lied van mijn zoon. We zongen het in zijn rouwdienst, zes jaar geleden.” Wat moet je daarop zeg¬gen? Ik bleef maar stil. De man ging verder: “Hij is verdronken. Hij is niet meer bij ons, maar ’t is voor ons een troost dat hij bij de Hemelse Vader is.” Van zo’n verhaal word je stil. En het werd mij weer eens duidelijk, hoe verschillend de levens van de mensen zijn die onder de kansel zitten en waar je op de kansel, zeker in een vreemde kerk, geen benul hebt. Ik ben vergeten hoe hij heet, maar wat ik onthouden heb is, dat hij en zoveel mensen troost putten uit een woord, een lied, dat over de Hemelse Vader gaat. En dat je nooit weet voor wie een woord of een lied is: Zeker niet in een stampvolle kerk ergens op De Veluwe, waar zoveel vakantiegangers waren, gezonde gebruinde mensen, die uit volle borst meezongen: “Abba Vader.”

In de eerste fase, de oriëntatie fase, bekijken pastor en pastorant of er sprake is van een pasto¬rale hulpvraag. De pastor oriënteert zich op de hulpvraag van de pastorant en stelt zich-zelf de vraag of hij wel de geschikte persoon is die hulp kan bieden. Een pastorale vraag kan na het eerste oriënterende gesprek (ook) een psychothera¬peuti¬sche vraag zijn of een vraag die meer thuis hoort bij een maatschappelijk wer¬ker. Deze constatering behoeft niet in te houden dat de pastor het contact ver¬breekt. Het kan betekenen dat de pastor samen met de pastorant op zoek gaat naar een deskundige hulpverlener en de pastorant daarin begeleidt. In de oriëntatiefase worden nog geen definitieve afspraken gemaakt met betrekking tot een eventuele pastorale relatie. De pastor en de pastorant moeten de tijd hebben om over de ken-nismaking na te denken en zich voor te bereiden op een mogelijk tweede contact. Ik schets hier een ideale situatie. De pastorale prak¬tijk is vaak grilliger. De pastor of pastorant hebben vaak nauwelijks de tijd om hun relatie uitgebreid te definiëren. Wanneer de pastor wordt ge¬roepen voor een ernstige zieke of bij een sterfbed is zijn aanwezigheid het belangrijkste. Pas¬to¬rale zorg is in de meeste situaties presentie.

Stap 2: exploratiefase
In de tweede fase, de exploratiefase, neemt het pastorale een vastere vorm aan en is dus minder vrijblijvend. Zowel de pastor als de pastorant hebben vertrouwen in de pastorale rela¬tie en zij hebben met elkaar basale afspraken gemaakt. Afgesproken is bij¬voorbeeld hoe vaak en waar de gesprekken plaatsvinden en wat het doel van de gesprekken is. Het doel behoeft niet altijd nauwkeurig geformuleerd te worden. Een doel kan bijvoorbeeld zijn dat de pastorant even bij de pastor in een veilige omgeving, op een vrijplaats, tot rust en op adem komt. Het is de taak van de pastor in deze fase de pastorale vragen, de nood of het verdriet van de pasto¬rant, te exploreren. Dit onderzoeken en tastbaar maken van wat een mens be¬zighoudt, wat zijn bestaan gebroken heeft, kan alleen in een sfeer van respect en vertrouwen en in aanwe¬zigheid van dè Ander, als Derde.

Ik sprak een keer een vrouw, die mij het volgende vertelde: “Dominee, mijn man is een harde werker. Hij heeft jaren de kost voor het gezin verdiend. Na¬tuurlijk valt er ook wel wat over hem te zeggen. Over wie niet? We hebben vier kinderen, maar ik moest altijd moeder èn vader zijn. Ik stond er alleen voor. Maar, ik zeg u, ik heb nooit ge¬klaagd. Ieder mens heeft zijn kruis in het leven. Toch had ik wel wat meer medeleven van de kerk verwacht. Sommige kerkenraadsleden weten hoe mijn man is. Enkele malen per week komt hij dronken thuis. Ja, dan is hij anders dan op zondag als hij met zijn gezin naar de kerk gaat.” Ik wist niet meteen wat ik moest zeggen. Dat was ook het beste. De vrouw vertelde verder: “U denkt natuurlijk dat ik een slecht huwelijk heb. Neen, dominee, hij is een goede man. De fa¬briek heeft hem zo gemaakt. Hij drinkt wel, maar ik heb ook met hem te doen. Hoe kan ik nu die zielenpoot, want dat is hij, helpen?”

Stap 3: consolidatiefase

Iedere maand praat ik met haar een uur over het heden en vooral het verleden. Om het verle-den een plekje te geven in het heden. Dat is lastig, want het verleden ligt een dorp verder en ze wordt er nog vaak aan herinnerd. Als kind moest ze met haar ouders tussen de zondagse kerkdiensten over de begraafplaats wandelen. Dat was in het kader van het vijfde gebod: Eert uw vader en uw moeder. “Als je niet luistert!”, zei vader op de begraafplaats. En dan noemde hij een of andere vreselijke straf. Inmiddels is ze veertig jaar ouder. Nu begraven we iedere maand een uur die herinneringen. We naderen de veertig gesprekken.

In de derde fase, de consolidatiefase, worden de doelen van de pastorale relatie steeds duidelij¬ker en worden afspraken gemaakt aan welke doelen eerst wordt gewerkt. Mensen hebben nogal eens complexe pastorale problemen en hebben hun vragen of no¬den bij verschillende pastores of hulpvragers besproken. Met andere woorden niet zelden wordt een pastor gecon¬fronteerd met een pastorant die nog maar weinig vertrouwen heeft in, zoals we nogal eens horen, ‘de hulpverlening’ of ‘de kerk’. In deze fase zijn de doelen geformuleerd en waaraan de pastor en de pastorant zich houden. De pastorant leert als het ware weer in de gesprek¬ken waar zijn krachten liggen. Deze gesprekken kunnen alleen gedragen worden door ‘elementen’ die eigen zijn aan een pastoraal gesprek: In de eerste plaats is dat het gebed. Wat samen be¬sproken en beleden is, mag ook aan de Here God verteld en voor Hem beleden worden. In de tweede plaats neemt de Heilige Schrift een niet weg te denken plaats in. Hoe goed verwoorden de Psalmen wat een mens ten diepste kan beroeren en hoe lijken de gelijkenissen op ons ver¬haal met elkaar en met God.

Stap 4: integratiefase

Het viel niet mee op als hartpatiënt het leven weer op te pakken. Ontelbaar vaak dacht ik dat ik dood zou gaan. Wat was er over van mijn geloof? In het ziekenhuis kon ik mij nog overge¬ven. Op weg naar de operatiekamer voelde ik dat God met me meeging. Eenmaal thuis voelde ik me alleen met al het bezoek. Ik was kribbig tegen mijn vrouw en kinderen. Ik kon niet ac¬cepteren dat ik rekening met van alles en nog wat moest houden. Tot ik weer mensen ging bezoeken, dienstbaar mocht zijn in Gods Koninkrijk. Toen begreep ik dat Hij mij nog wilde ge¬bruiken. Zonder dat ik het wist deed ik weer mee. Met beperkin¬gen en af en toe de angst dat mijn hart het zou begeven. Tot ik besefte dat ik geen dag aan mijn leven kon toevoegen. Alle dagen heeft Hij geteld, nog voor ik geboren was. De laatste tijd lees ik vaak Psalm 139. Of ik laat het zingen in de kerk. Als gemeentezang. En voor mezelf.

Wat in de derde fase is gecon¬solideerd wordt in de vierde fase in het leven van de pastorant, en voor zover van toepassing in zijn relatie of gezin, geïntegreerd. Op welke wijze gaat de pastorant en gaan de anderen om met wat de vruchten van een pastorale relatie kunnen zijn? Niet zelden stuiten goede voorne¬mens op weer¬standen van anderen. In deze fase wordt de pastorant daarom ook voorbereid dat niet iedereen de warmte en het helende van een pastorale relatie kan meemaken.

Stap 5: evaluatiefase

Meer dan vijf keer had ik met haar gepraat. Een jonge vrouw van 34 jaar die na een verkeers-ongeluk gehandicapt was geworden. Waarom God dat had gedaan? Zou God het gedaan heb-ben, vroeg ik haar. Bij mij twijfelde ze daar wel eens aan. Thuis niet, want daar deed God al¬les. Hij zorgt voor een whiplash of halfzijdige verlammingen en geeft je kracht om het allemaal te verwerken en er van te leren. Na het vijfde gesprek schreef ze een brief. Ze had gelukkig een dominee gevonden die net zo dacht als zij. God heeft er voor gezorgd dat ze in een rol¬stoel kwam. Zo bleef ze boos. Op God en zo’n beetje alle mensen. En heel alleen.

In de vijfde fase worden de verworven vaardigheden in het leven van de pasto¬rant geïnte-greerd. Op welke wijze heeft de pastorant geleerd geloofs – en levens¬vragen te benoemen. Met welke “geloofsvaardigheden” en sociale vaardigheden kan hij zijn leven weer helen en zich verzoenen met dè Ander en met anderen? Het proces van integratie is een dynamisch proces van terugkijken op de pasto¬rale gesprekken, de gebeden, de lezingen uit de Heilige Schrift en de gesprekken over de betekenis van de verhalen in het eigen levensverhaal van de pastorant. Vervolgens wordt de pastorale relatie geëvalueerd. De pastor en de pastorant kijken terug op een serie gesprekken of op een ad hoc pastoraal contact in een crisissituatie en stellen zich de vraag wat de relatie hen heeft opgeleverd. Daar¬bij is het ook van belang samen te kijken welke hulp de pastorant kan inroepen als er zich weer een pastorale vraag of nood voordoet. Pastorale problemen zijn vaak complex en niet in een of meerdere gesprekken op te lossen. Het komt voor dat de pastorant naast pastorale hulp, ook langdurige psychotherapeutische hulp heeft. Goede communicatie met medeweten van de pastorant tussen pastor en therapeut kan heel nuttig zijn en is veelal zelfs noodzakelijk.
Kortom: pastor en pastorant hebben samen een proces doorgemaakt en het is goed samen op dat proces terug te kijken en tevens vooruit te kijken. An¬ders dan in therapeutische begelei-dingsituaties zullen pastor èn pastorant elkaar blijven tegenkomen. Hoewel hun relatie dan anders is, is het goed dat anders zijn van tevoren onder ogen te zien.

Hoofdstuk 6 Ik hoor u zeggen, dat…

Inleiding
Dit hoofdstuk gaat over methodisch pastorale gespreksvoering in de gemeente. Ik heb lang over dit hoofdstuk nagedacht en het verschillende malen herschreven. Waarom? Er zijn ongelooflijk veel boeken over gespreksvoering en iedereen die met mensen werkt heeft dit vak gehad. Ook steeds meer pastoraal werkers krijgen gespreksvaardigheden in hun opleiding. Is dit hoofdstuk dan overbodig? Ik denk het niet. Voor hen die goed ingevoerd zijn in methodisch pastorale gespreksvoering kan het een opfrisser zijn. De voorbeelden uit de pastorale praktijk kunnen in gespreksgroepen of kerkenraden als discussiemateriaal dienen. Voor ambtsdragers of vrijwilligers die geen pastorale opleiding hebben geeft dit hoofdstuk richtlijnen om hun werk in de gemeente verantwoord te doen. Ik bespreek een aantal basisvaardigheden van methodisch pastorale gespreksvoering. Het woord ‘methodisch’ betekent letterlijk ‘de weg waarlangs’ een gesprek gevoerd wordt. Dat lijkt heel technisch en afstandelijk. Veel gesprekken worden kil en emotieloos gevoerd in de hulpverlening en het pastoraat. Een kille gesprekstechnische of therapeutische benadering ontneemt vaak iedere warmte of spontaniteit. Het is de vraag of een medemens in zo’n bloedeloos gesprek geholpen wordt. “U heeft een succesdepressie.”, zei de psycholoog. Hij keek me met een analytische blik achter een veel te klein brilletje onderzoekend aan. Ik had last van een onbeantwoorde liefde. Ik zag overal de vrouw van mijn dromen, maar zij zag mij niet. Ik had de psycholoog verteld dat ik een goede studie, een goede baan, een eigen huis en nog veel meer had. Ik miste een leuke relatie. Er was natuurlijk niets met me aan de hand, maar in die tijd liepen veel leidinggevenden bij een gedragsdeskundige om hun leven en werk op een rijtje te zetten. De psycholoog vroeg vervolgens welk gevoel zijn diagnose bij mij opriep. Ik voelde alleen maar ergernis en weerzin. Ik had geen vertrouwen in die man en haalde er van alles bij. Ik vond zijn haar onverzorgd, zijn bril te klein, zijn toon te arrogant en zijn invoelingsvermogen onecht. Ik zei maar niets, want dat zou misschien een niet uitgewerkt jeugdtrauma naar boven kunnen brengen. Ik kende heel wat vaktermen: weerstand, projectie, overdracht, regressie en nog een hele rij. Natuurlijk waren er veel begrippen op mij van toepassing. Ik liet me niet graag helpen. Ik schreef dingen aan de ander toe die niet klopten. Ik zag in autoriteiten een boze of liefdevolle vader. Ik wilde soms straatschoffie zijn als ik met een grijze broek en blauwe blazer in de Rotaryclub zat te lunchen. Hij interpreteerde mijn zwijgen als instemming en stelde een serie therapeutische gesprekken voor om mij meer inzicht te geven in de keerzijde van succes. Ik voelde daar niet veel voor, maar heb dat niet gezegd. Misschien niet kunnen of durven zeggen. Na veertig minuten rondde de psycholoog op een professionele wijze het gesprek af en trok de conclusie dat ik te veel in mijn hoofd zat. Na precies drie kwartier stond ik weer op straat. Ik voelde dat hij er naast zat. Ik zat met een gebroken hart, maar kon het hem niet vertellen. Als je met iemand over liefdesverdriet wilt praten moet er wel een klimaat van vertrouwen zijn. Vaak is dat er niet. Ik denk dat het meestal niet aan de pastorant ligt. Ik ben steeds meer gaan geloven dat de pastorale houding waarmee het gesprek gevoerd wordt bepalend is of de ander iets ervaart van betrokkenheid en empathie, jouw liefde en Gods liefde (Clinebell, p.46). God heeft mensen zo lief, dat Hij het niet kan aanzien dat mensen lijden. Hij is een liefdevolle God die mensen op onze weg brengt. Ik ben nog steeds verrast en ook vaak ontroerd dat ik mensen mag ontmoeten en begeleiden in het pastoraat. Het is niet altijd gemakkelijk, maar we mogen steeds bidden of God ons daarbij helpt. En ik ben steeds weer verbaasd dat Jezus met mensen te doen wil hebben die misschien nog nooit een kerk van binnen hebben gezien. Ik had niet verwacht dat Hij met mij een plan had. Ik was een geslaagde directeur van een instelling, compleet met middenklas auto, eensgezinswoning en twee vakanties per jaar. Toch gaf Hij mij het gevoel dat mijn leven zo niet klopte. Met een goede studie en al mijn kennis van de wijsbegeerte dacht ik dat ik de zin van mijn bestaan gevonden had. Toch ging God een andere weg met mij. In plaats van in het filosofisch café een tekst van Nietzsche te bespreken, ging ik naar belijdeniscatechisatie om de geloofsbelijdenis van Nicea te bestuderen. Ik leerde de bijbel lezen in het Hebreeuws en ontdekte hoe rijk Gods Woord was. Gegrepen door dat Woord wilde ik er meer van weten, verder studeren en het evangelie doorvertellen. Predikant worden? Ik was niet eens lid van een kerk. Mensen lachten mij uit of bagatelliseerde mijn verlangen om mij verder in het Woord van God en Zijn boodschap voor mijn leven te verdiepen. Het woord ‘roeping’ durfde ik niet te gebruiken en toch wist ik dat God mij geroepen had. Ik zie nog de studiecoördinator van de theologische faculteit minzaam glimlachend achter zijn bureau zitten. Net iets te afstandelijk zei hij, dat het een hele weg was om theoloog en predikant te worden. Op mijn leeftijd en met een drukke baan moest ik daar niet aan beginnen. De man stelde geen enkele vraag en hanteerde het diagnose-recept model. Nog voor de patiënt uit de wachtkamer de spreekkamer is binnengestapt ‘weet’ de dokter de diagnose en schrijft een recept. Hij had niet naar mij geluisterd en had niet de interesse of het vermogen zich te verdiepen in een jonge man die God had gevonden. Teleurgesteld, onbegrepen en gekwetst nam ik de lift om zeven etages lager een kopje koffie in het studentenrestaurant te drinken. Ik heb de man nooit meer gezien of gesproken. Misschien ging er bij hem een lichtje branden, toen ik vijf jaar later met lof afstudeerde als theoloog en mijn naam vermeld werd in het faculteitsblad. Ik was ondertussen vijf jaar ouder en had nog steeds een drukke baan als directeur van een verzorgingshuis. Ik kreeg in mijn naaste omgeving van veel mensen liefde en steun. Ik heb ook ervaren hoe mensen kunnen lijden aan jalousie en daarmee anderen kunnen beschadigen. Zo was er ook een collega, directeur van een verpleeghuis, die het niet goed kon begrijpen dat iemand een studie naast zijn werk kon doen. Ik heb veel verdriet gehad omdat deze man mij heeft beschadigd door te vertellen dat ik tijd zou ‘stelen’ van mijn werk. En dat was nog de minst ernstige beschuldiging. Hij heeft daarin mensen met wie ik bevriend was meegetrokken en ik raakte zo ook vrienden kwijt. Niet iedereen kan kwaad gerucht van realiteit onderscheiden. Ik trok mij op aan mannen als Noach, Mozes, David, Petrus, Paulus. Wat heb ik het dan nog goed, dacht ik of bad ik, wanneer ik uit onverwachte vaak christelijke hoek werd aangevallen. Er waren familieleden, vrienden, kennissen, collega’s, die zeiden of dachten dat het niet goed met mij ging. Wat ziet een jonge directeur met inmiddels twee universitaire opleidingen toch in een studie theologie en waarom zou hij zijn directiekamer verwisselen voor een studeerkamer in een pastorie. In die moeilijke jaren groeide in mij het besef dat ik niet alleen op weg was. Overal om mij heen zag ik tekenen die er op wezen dat ik op de goede weg was. Ik ben nooit gezakt voor een tentamen en aan de meeste hoogleraren bewaar ik goede herinneringen. Ik schrijf deze ervaringen aan het begin in dit hoofdstuk, omdat ik heb ervaren hoe belangrijk het is dat iemand naar je luistert, een medemens die moeite doet om zich in jouw levenssituatie in te leven, je begrijpt, in je gelooft, een zuster en broeder die met je uit de bijbel leest en met je bidt.

In dit hoofdstuk bespreek ik verder enkele begrippen uit de communicatieleer en enkele gespreksvaardigheden. Ik beschrijf eerst wat ik onder communicatie versta. Overal, dus ook in diensten of bijeenkomsten van de gemeente communiceren we. We horen, zien, voelen, ruiken en ervaren elkaar. We stralen iets uit van open¬heid, vriendelijkheid, hartelijkheid of juist geslotenheid, stugheid of afweer. Om inzicht in de communicatieprocessen te krijgen en daarmee ook in gespreksvaardigheden, heb ik een grof onderscheid gemaakt tussen: verbale en non-verbale communicatie. Het is vanzelfsprekend dat alles wat er gebeurt in de communicatie tussen mensen niet in pasklare begrippen of schema’s te vatten is. Ik geef een model voor methodisch pastorale gespreksvoering, dat voor een groot deel gebaseerd is op de non-directieve gespreksmethode van Carl Rogers. Ik ben van mening dat deze klassieke Rogeriaanse methode, weliswaar wat directiever uitgewerkt, een van de meest geschikte gespreksmethoden is voor het pastoraat. Ik maak in dit hoofdstuk onderscheid tussen wat de pastorant wil vertellen en wat hij niet wil horen. Ik bespreek een aantal basale gespreksvaardigheden en geef daarbij voorbeelden uit de pastorale praktijk (Van der Staak, p.107).
Kortom: Methodisch pastorale gespreksvoering is voorwaarde om verantwoord pastorale zorg te verlenen. Het is bewust aandacht hebben voor mensen die God op je weg brengt. Ook wanneer men niet wil com¬municeren, communiceert men en zenden wij boodschappen uit. In de pastorale gesprekken gaat het vooral om een client-centered benadering, om mensen met een hart vol liefde, echt en onbevangen tegemoet te treden. Jezus is daarin ons voorbeeld. Pastor zijn is uit je veilige huis of kerk gaan en naast een vrouw op de rand van een put gaan zitten (Johannes 4:1-42), naar iemand toegaan die lijdt aan een borderline-syndroom en buiten de maatschappij gedropt is (Marcus 5:1-18) of een wittenboordencrimineel uit eten vragen (Marcus 2:13-17).

Pastorale gesprekken van Jezus
God brengt veel mensen op mijn weg die ik als leerling van Jezus, als kleine herder, mag bijstaan. Jezus is mijn voorbeeld dat niet alles in pastorale methodieken te proppen is. De bijbel is mijn voornaamste handboek en wat kunnen we veel leren van de ontmoetingen die Jezus had. Vanuit deze basis met mijn kennis van pastorale theologie en pastorale psychologie schrijf ik over pastorale gespreksvoering. Ik geloof dat bij ieder pastoraal gesprek God als Derde aanwezig is (E.S. Klein Kranenburg). God zoekt mensen op. Daar gebruikt hij zijn Naamdragers voor. Jou en mij. Dat is soms wel eens moeilijk. Van alles en nog wat zit je in de weg. Maar dat is geen excuus om onder Gods opdracht uit te komen. Ook Jona moest op pad. En Petrus en Paulus. En onderweg mogen we zingen of bidden: “Leid mij Heer, o machtig Heiland door dit leven aan Uw hand. Ik ben zwak, maar Gij zijt machtig, wees mijn Gids in ’t barre land.” (Opwekkingsbundel lied 27)

Het gesprek met de Samaritaanse vrouw, Johannes 4: 1-42
In het pastoraat komen mensen op je weg. We ontmoeten ze binnen of buiten de gemeente. Zij nemen het initiatief tot de ontmoeting en zeggen of stralen uit een gesprek te willen hebben. Anderzijds kunnen wij ook mensen aanspreken van wie wij denken of vermoeden dat zij pastorale zorg behoeven. Jezus sprak mensen aan en maakte daar zelfs een omweg voor. Hij ging bewust op de rand van een put zitten en vroeg aan een vrouw: “Geef Mij te drinken.” (Johannes 4:7) Veel mensen menen veel te weten over deze vrouw. Vaak wordt haar troosteloze leven in verband gebracht met wat zij gedaan heeft. Als ik even naast Jezus ga zitten en luister kom ik niet direct tot die conclusie. Hij ontmoet een vrouw wier leven een ramp is en ook het geluk van anderen heeft ze verwoest. Hij had haar met de wet in zijn hand om haar oren kunnen slaan, maar Hij gaat naast deze vrouw zitten. We horen niets over zijn slaande hand, maar alleen over zijn uitnodigende hand. Niet over de doodsrivier die het geluk van mensen verwoest, maar over levendmakend water, dat Hij wil geven in overvloed. We zien dan dat de vrouw nieuwsgierig wordt naar de Man die op de rand van de put zit en voor haar tijd neemt en naar haar luistert. “Hoe kunt Gij, als Jood, van mij, een Samaritaanse vrouw, te drinken vragen (vers 9)?” Het is niet alleen een vraag, maar ook een verlangen gehoord te worden. Zou deze bijzondere Man naar haar willen luisteren? Zou Hij het goede met haar voor hebben? Hij maakt voor haar een omweg en spreekt haar aan. Hij doorbreekt alle omgangsregels tussen Joden en Samaritanen en tussen mannen en vrouwen. Hij is in zijn weg en in zijn omgang grensoverschrijdend. Dat is vaak het geval in het pastoraat. Soms moeten we om de ander te ontmoeten een grens of een zee over. We lezen ook over de omstandigheden waaronder Jezus haar ontmoet. Het is een ongewoon tijdstip. Pastoraat vindt vaak plaats buiten kantooruren. De zon staat op zijn hoogst. Het is een uur waarop geen enkele vrouw water gaat putten. Geen enkele vrouw, tenzij ze aan de rand staat, marginaal is, uitgestoten of doodgezwegen wordt. Zij wordt door de mensen beschouwd als niemand. Jezus spreekt steeds mensen aan van wie wij het niet verwachten. Hij spreekt mensen aan die wij niet gauw zouden aanspreken of misschien wel nooit. Maar wij zijn van Jezus gewend dat hij ongewone mensen op ongewone plaatsen aanspreekt, ongetelden opzoekt in huizen van lichte zeden of bedrog of op begraafplaat¬sen (Marcus 5: 1-20). In zijn laatste gesprek op aarde zei Hij tegen een moordenaar aan het kruis: “Heden zult gij met Mij in het paradijs zijn (Lucas 23:43).” Door die ontmoeting met Jezus werd de vrouw zich bewust wie Hij is. Naarmate Hij de sluier oplicht, hoe meer ze Jezus laat kijken in haar donkere hart, des te lichter wordt het. Zijn Licht verdrijft de duisternis. Jezus laat zien hoe een zelfopofferende benadering, die niet veroordeelt en ook niet verbloemt, het beste in de mens naar boven kan halen. Zijn liefde maakt een verloren leven tot een bron van zegen voor velen. In deze pastorale les bij de put leren we van Jezus dat we niet alleen moeten afwachten wie God op onze weg plaats, maar dat we er ook op moeten uitgaan (Mattheüs 28:16-20). Soms moeten we de grens over of er ’s avonds of het weekend op uit. Dat is niet altijd gemakkelijk, maar van Hem krijg je kracht. En wat een steun is het als wij ons aftobben om een oversteek te maken, dat Hij voor ons bidt (Marcus 6:46). Hij zegt tegen ons: ga op weg en spreek de woorden die Ik tot U zal spreken (Jona 3:2). Vaak wil je de andere kant uit, net als Jona, loop je mensen eerst voorbij. Je denkt van alles en nog wat. Bijvoorbeeld: Ze moeten me niet als persoon. Ze moeten m’n geloof niet, m’n preek, m’n grijze broek, m’n beleefde groet of m’n gemeende groet. Ze confronteren mij met mijn gevoelige, kwetsbare of zelfingenomen kant. En dan roept iets van binnen “Stop!”. De blokkade is compleet. We hebben daar mooie namen voor om de schuld buiten onszelf te leggen. We zeggen dat het niet klikt of mooier geformuleerd, dat er geen pastorale vraag is. Het is evenwel mìjn blokkade. Ik voel me geraakt in mijn unieke “ikkie”, in m’n trots, m’n integriteit, m’n mannelijkheid, m’n christen-zijn of vul maar in. Ik ben immers een professioneel pastor, predikant, supervisor, schrijver van boeken, veelgevraagd spreker. Ik heb altijd veel last gehad als mensen mij afwezen. Vaak was daar een objectieve reden voor, maar trok ik het mij persoonlijk aan. Ik wilde voor iedereen een goede dominee zijn. Ook voor de ander die “toevallig” op mijn weg wordt geplaatst. De ander,die mij uitdaagt waar te maken wat ik op de preekstoel verkondig. Het christen-zijn is trouwens ook een uitdaging en mensen worden nooit “toevallig” door God op je weg geplaatst. Met vallen en opstaan heb ik dat een beetje geleerd. En nog steeds heb ik moeite als een pastoraal contact niet goed loopt of abrupt wordt beëindigd. Ik kijk evenwel nu eerst naar mijn eigen deel in het contact. Soms moet ik zeggen dat ik in een situatie beter anders had kunnen reageren, beter had moeten luisteren, zorgvuldiger had moeten afspreken. Het kan evenwel ook bij de ander liggen dat een pastoraal contact niet vruchtbaar is. Ik moest veel leren en afleren. Inmiddels heb ik stapels boeken gelezen en een klein stapeltje geschreven over wat mensen allemaal moeten leren en afleren voor ze pastorale zorg kunnen geven. Vaak denken we dat wij alles, alle blokkades, remmingen, afweermechanismen, moeten afbreken en opruimen voor we aan iets nieuws kunnen beginnen. Dat lees ik overigens nergens in de bijbel. We mogen ieder moment opnieuw beginnen met alles wat we aan talenten en eigenaardigheden hebben en wat ons overkomen is in het leven (Jesaja 43:19). Daarover lezen we in de bijbel. Het is Gods verhaal met mensen. Ik vind het nog steeds het beste boek als het gaat om hoe je nu met mensen kunt meelopen op hun weg. Ook als het gaat om ingewikkelde pastorale problemen waar we hele mooie en vaak geleende woorden voor hebben. Ik wil dit verder duidelijk maken aan de hand van de ontmoeting die Jezus heeft met een naamloze gestoorde man (Marcus 5:1-18).

Het gesprek met een bezetene, Marcus 5: 1-18
Als je dit verhaal leest komen er meteen allerlei vragen op: Man, wie ben je? Hoe is je naam?
Wat is er met je gebeurd? Hoe ben je hier temidden van de graven verzeild geraakt? Wie heeft je begraven, terwijl je nog leefde? Vragen die bij je opkomen als je naar iemand luistert die door medemensen is afgeschreven. Vaak zijn het mensen met een etiket dat terecht of onterecht door een team van deskundigen op een mensenleven is geplakt. Ik heb juist in gesprekken met mensen in een psychiatrische kliniek of op een psychiatrische afdeling van een gevangenis ervaren dat God er ook is. Het zijn vaak ongelooflijke verhalen die mensen je toevertrouwen. Tegen de mensen die deskundige hulp behoeven binnen of buiten een instelling mag de pastoraal werker iets zeggen of uitstralen dat God ook met hun moeite te maken heeft. We lezen dat Jezus een uitstapje naar Geraza maakt. Een man vroeg: “Wat hebt Gij met mij te maken, Jezus, Zoon van de allerhoogste God?” (Marcus 5:9) “Mijn naam is Legio!”, schreeuwt de man. Dat betekent dat hij een ‘legioen’ namen heeft en daardoor geen eigen naam heeft, geen eigen bestaan, geen gezicht. Als dat je gezegd wordt of toegeschreeuwd, zou je toch meteen rechtsomkeert maken? Maar Jezus zegt: “Ik heb alles met jou te maken! Jouw tragisch leven en lot raken Mij!” Hij gaat niet opzij voor deze geblokkeerde man en Hij is in staat om deze man onbevangen en liefdevol tegemoet te treden. Hij mag weer verder leven, groeien en bloeien. Hierin is Hij ons een voorbeeld om heel wat te overwinnen om de ander werkelijk te ontmoeten. Daar in die dodenstad zoekt Hij een volstrekt gestoorde man op (Marcus 5:2). Daar temidden van de doden vraagt Hij deze levende, deze naamloze man, naar zijn naam om hem een nieuw leven te geven (Marcus 5:9).

Enkele jaren geleden werd ik ’s avonds gebeld door onbekende vrouw, die mij het volgende vertelde: “Dominee, van scherven glas worden de mooiste kunstwerken gemaakt. Ze lijken oud en weerbarstig, maar als je goed kijkt zijn ze steeds weer nieuw, doorleefd en echt.” Verbaasd luisterde ik naar de vrouw en ik vroeg me af wat ze mij wilde vertellen. Ze ging verder: “Als een fles of ruit breekt zie je alleen maar scherven, maar als je de scherven bijeen veegt, sorteert en kijkt welk scherfje bij welk scherfje past dan maak je weer iets nieuws. Het wordt een kunstwerk zoals er geen tweede is.” De vrouw vertelde over haar gebroken levensgeluk. Dagen en nachten had ze alleen scherven gezien. Als moeder van drie kinderen had ze ontdekt hoe kwetsbaar haar geluk was. Ze vertelde drie jaar weduwe te zijn, maar dat haar man nog iedere dag en iedere nacht bij haar was. Lange tijd had ze niet geweten wie ze was. Wie ben ik voor mijn kinderen, voor mezelf, voor God? Tenslotte had ze haar hart voor God uitgestort net als Hanna (I Samuël 1). Ze kreeg de moed de scherven bij elkaar te vegen en te kijken welk stukje bij welk stukje paste. “Ik heb hard gewerkt, maar God gaf mij de kracht!”, zei de vrouw.

God geeft mensen de kracht om op te staan uit het dal met vele namen en het oude leven achter je te laten. Ieder mens heeft scherven in zijn rugtas en draagt die met zich mee. Het zijn scherven van geluk of verdriet waar de mooiste kunstwerken van worden gemaakt. Levi, de tollenaar, kon zijn oude leven achter zich laten. Hij had een rugtas vol scherven chantage, afpersing en bedrog. Met deze rugtas mocht hij met Jezus mee. Daar stonden de godgeleerden met hun aktetassen van te kijken.

Het gesprek met Levi, Marcus 2: 13-17
In de bijbel spreekt Jezus steeds mensen aan. Hij roept ze bij hun naam. “Volg Mij” zegt hij tegen Levi, een gevangene in een gouden kooi (Marcus 2:14). Ik wil ook te maken hebben met mensen die anderen beduvelen en afzetten. Dat is wel wennen als je dat voor het eerst hoort. Zeker als je bij een nette gemeente hoort waar volgens jou geen witteboordencriminelen komen. Het ligt dan bijna op onze lippen om te zeggen: Waarom eet Hij met zondaars en tollenaars? (Marcus 2:16). We horen een verhaal over hoe Jezus een mens aan¬spreekt en roept om Hem te volgen. En we horen in het verhaal over een conflict in een reeks conflicten, strijdgesprekken, die Jezus heeft met de geestelijke leidslieden in zijn tijd. De conflicten begonnen eigenlijk heel subtiel. We horen over ‘overleggin¬gen in het hart’ van de schriftge-leerden, maar al spoedig worden de leerlingen er in betrokken. De wijze waarop Jezus leeft, zachtmoedig, nederig en als bondgenoot van verachte tollenaars en zondaren, roept heftige kritiek op bij veel mensen. Vooral bij mensen die vroomheid en vol¬maaktheid nastreven een ethische eis, die ze zichzelf opleggen, en die vrijwel onvervulbaar is. Jezus laat ons in deze ontmoeting zien wat vergevende liefde is en daarmee door¬breekt Hij het wetticisme van de vromen. Zijn optreden is in deze ontmoeting, net zoals in al zijn ontmoetingen met mensen, niet vreeswekkend maar reddend. In een man als Levi worden ook wij aangespro¬ken. Zouden wij het over onze lippen krijgen te zeggen: “Volg mij!” Levi, zijn naam betekent “gehecht zijn aan”. Hij was gehecht aan geld, goed en macht. Aangesproken door Jezus mocht Levi zich ont-hechten en zijn geld, goed en macht loslaten. Hij kreeg als volge¬ling een andere naam, Mattheüs, wat ‘geschenk’ betekent. Wat zullen de mensen over Levi geroddeld hebben en niemand had toch kunnen vermoeden dat Jezus juist bij deze man zou stilstaan? Een door de mensen veracht mens wordt door Jezus uit zijn moerassig bestaan geroepen. Hij krijgt hetzelfde bevel als de eerste discipelen (Marcus 1:17). ook hij wordt met de woorden “Volg Mij” geroepen en daarmee bindt de Heiland deze man aan Zich. Zou het verhaal nu ook in de Bijbel gestaan hebben als Levi was blijven zitten? Niet iedereen heeft de moed of de kracht of het geloof om te volgen en om huis en haard achter te laten. Wat zou Levi gehoord hebben van Jezus? Wist hij van Johannes de Doper, de ruige profeet in zijn kamelenharen mantel? Heeft hij zijn waarschuwingen serieus genomen? Herinnerde hij zich de woor¬den van de profeten, van Jesaja, die zegt: “Ik heb u gegrepen van de einden der aarde en geroe¬pen uit haar uithoeken en God zeide: Gij zijt mijn knecht, Ik heb U verkoren en niet versmaad (Jesaja 41:9).” In deze ontmoeting zien wij Gods genade als Jezus stilstaat bij een mens die gevan¬gen zit in een gouden kooi. Met zijn geld kon Levi veel doen, maar wat hij ten diepste zocht kon hij niet kopen. Gods liefde is niet te koop (Hooglied 8:7). God vraagt van ons oprechte liefde en geen offers of cadeaus (Hosea 6:6). We lezen aan het eind van het verhaal hoe Jezus Levi beschermt tegen laster. Pastorale zorg verlenen houdt ook in mensen beschermen tegen zichzelf of tegen kwade geruchten. “Hij eet met zondaren en tollenaren”, zeggen de Farizeeën (2:16). Jezus’ gedrag roept irritatie op bij de heren van de tempel. En waarschijnlijk niet alleen bij hen. Het antwoord van Jezus is verrassend eenvoudig, maar ook uitdagend en cynisch. “Als u denkt mij niet nodig te hebben. Als u zich gezond, zelfvoldaan en gelovig voelt. Wat delen we dan met elkaar?” Voorbijziende aan hun eigen gebreken verachtten zij anderen met trots en hoogmoed (Calvijn). Wat zal dit overduidelijke antwoord de geleerden van de Wet geraakt hebben. Zij konden niet geloven dat er Iemand is die voor een tollenaar, een overspelige vrouw of een bezetene een omweg maakt. Als wij in de voetsporen van Jezus willen treden mogen we ons vasthouden aan Zijn Woord. Hij helpt ons bij onze pastorale ontmoetingen en Hij zegt: “Vrees niet, want Ik ben met u; zie niet angstig rond, want Ik ben uw God. Ik sterk u, ook help ik u, ook ondersteun Ik u met mijn heil¬rijke rechterhand (Jesaja 41:10).”

Ontmoetingen in de gemeente
In een pastoraal gesprek is het belangrijk dat we een klimaat creëren waarin de ander zich op zijn gemak voelt en waarin hij ervaart dat hij gerespecteerd wordt en dat er naar hem geluisterd wordt (Clinebell, p.34). In het gesprek gebruiken we verschillende “talen”. Er is een formele – en een informele omgangstaal, een taal van woorden en een taal van het lichaam, een begrijpelijke kerkelijke taal en een onbegrijpelijke kerkelijke taal, een taal van mensen die elkaar liefhebben en een taal van mensen die elkaar haten, een taal van hulpvragers en een taal van hulpverleners. Iemand met een luide arrogante stem komt anders over dan iemand met een zachte beschaafde stem. Iemand aankijken betekent iets heel anders dan iemand negeren. Een stevige handdruk voelt anders dan een slappe handdruk. Alleen al door onze aanwezigheid geven we allerlei boodschappen af. In het contact met anderen is het dus niet mogelijk om niet te communiceren (Watzlawick). Onderzoekers schatten dat minstens 70% van de communicatie tussen mensen door middel van lichaamstaal plaatsvindt. Tijdens een lezing over godsdienst en incest voor een groep ambtsdragers zat er een vrouw op de tweede rij die haar best deed om bij alles wat ik zei een grimas te trekken of afkeurend met haar gepermanente hoofd te schudden. Na de lezing was er gelegenheid tot het stellen van vragen. De vrouw stond al gauw bij de microfoon en vertelde dat ze geen vraag had, maar wel een opmerking. Ze zei dat ze als feministisch theoloog er van walgde dat een mannelijke collega onderzoek had gedaan naar daders van incest. Daarmee zou ik te veel publiciteit hebben gekregen, die ten koste zou gaan van de strijd voor slachtoffers van incest. Ik was nogal verbaasd over haar redenering, maar voordat ik er op kon reageren, zei ze: “U weet niet wat slachtoffers van seksueel misbruik meemaken!” Ik heb haar toen gevraagd hoe zij wist dat ik geen slachtoffer van seksueel misbruik was. Ze raakte even in verwarring, maar zei vervolgens om het laatste woord te hebben: “Dit is nu weer zo’n staaltje van mannelijk gedrag. Ze willen altijd het laatste woord.”
We onderscheiden dus verbale en non-verbale communicatie: Verbale communicatie is alle commu¬nicatie die door middel van woorden, zowel schriftelijk als mondeling, wordt overgebracht. Het is een wonderlijk proces, ingewikkeld en razendsnel. In de verbale communicatie kunnen verschillen in geloofstaal of kerkelijke taal een grote rol spelen. Niet zelden begrijpen de pastor en de pastorant elkaar niet omdat ze een eigen woordenschat hebben. Vaak gebruiken we het woord intuïtie om te verklaren waarom we bijvoorbeeld na een vluchtige ontmoeting soms zo’n duidelijke indruk van iemand hebben. We kunnen dan niet precies zeggen waarop we onze indruk baseren: “We voelen het gewoon zo”. De intuïtie is een onbewuste activiteit van de rechter-hersenhelft. Daarin worden concrete non-verbale waarnemingen gerangschikt en in hun samenhang begrepen (Oomkes 2001, p.69).
Non-ver¬bale communicatie omvat alle manieren waarop mensen, zonder gebruik te maken van woorden, boodschappen uitzenden. Ook Paulus lette op non-verbale uitingen. Hij was een scherp waarnemer, zoals blijkt uit de ontmoeting met de kreupele man uit Lystre (Handelingen 14:8,9). Onder het preken was Paulus in staat om temidden van een grote menigte een bepaalde man eruit te kiezen die geloof had om gezond te worden, door ‘de ogen op hem te houden’ (Adams 1987, p.176). De non-verbale uitdrukkingen van de pastor moeten een uiting van betrokkenheid zijn. Hij moet de ander echt aankijken, een open houding aannemen, zich als het ware naar de ander neigen, oogcontact houden en zich ontspannen (Crabb 1995, p.139). Een pastorant vertelt niet alleen een verhaal, maar doet ook iets met zijn gezichtsuitdrukking en lichaamshouding. Het is een combinatie van wat hij te vertellen heeft en hoe hij het vertelt. Non-verbaal gedrag is het bewust of onbewust overbrengen van emoties zonder gebruik te maken van woorden. Uit non-verbale signalen kan blijken dat de ander somber kijkt terwijl hij vertelt dat het goed gaat. De ander kan ook iets tegen u zeggen en ondertussen met zijn ogen al weg zijn. Voorbeelden van non-verbale uitingen zijn bijvoorbeeld: de ogen naar de hemel slaan, fronsend kijken, geen oogcontact zoeken, trommelen met de vingers, sarcastisch lachen etc. Non-verbale reacties geven vaak een tweede boodschap. Het kan heel verhelderd werken om die tweede boodschap te benoemen in het gesprek.
Een oudere vrouw vertelde mij dat haar jongste dochter niet meer thuis kwam. Al zeven jaar niet. Het was gekomen toen ze met haar nieuwe vriend kwam eten. De vriend viel niet in de smaak bij haar man. Haar man had te weinig gezegd en was onvriendelijk geweest. Dat had de nieuwe vriend van hun jongste dochter goed aangevoeld. Achteraf hebben vader en dochter het geprobeerd uit te praten, maar het werd steeds ruzie. Toen heeft ze haar boeltje gepakt en is bij haar vriend ingetrokken. Vader lag nu op sterven en ik vroeg me af of hij kon heengaan zonder zijn dochter nog te hebben gezien of gesproken. Toen ik het aan zijn vrouw vroeg lachte ze mijn vraag weg en zei: “Dominee, ik heb geen dochter meer!” Daarna blonken er tranen in haar ogen. ’s Avonds heeft ze aan haar man gevraagd of hij zijn dochter nog wilde zien voor hij stierf. Hij had alleen zijn hoofd geschud. Neen, hij hoefde zijn dochter niet meer te zien. Ik vroeg aan de andere kinderen of hun zuster wel op de hoogte was van de toestand van hun vader. De oudste broer had gebeld, maar ze had gezegd dat ze geen vader meer had. Toen we over de rouwdienst spraken vroeg moeder of ik beslist niet over hun dochter wilde praten. Niet in de preek en niet in het gebed. “Weet u, dominee, misschien komt ze nog. Ik denk het niet. Het blijft toch haar vader.” Een paar dagen na de begrafenis zat ik met de oude vrouw aan de keukentafel. Met een lach zei ze: “Ziet u wel. Ze is niet geweest. Nu heeft ze geen vader meer en ze kan het nu niet meer goed maken!” Met een zakdoekje veegde ze haar tranen uit haar ogen.

De weg naar volwassenheid begint als we eerlijk kijken naar hoe we communiceren (Crabb 1996, p.163). Bij directe communicatie zegt men rechtstreeks waar het op staat. Direct communiceren zal de ene pastorant prettig vinden omdat het hem zekerheid geeft of omdat hij dit gewend is, maar een an¬dere pastorant zal het juist bedreigend of afstandelijk vinden. Zo kan een opdracht op een directe ma¬nier worden gegeven, maar ook op een indirecte manier. In plaats van: “Jij moet dit doen” kan gezegd worden “Wij verwachten van iemand dat hij dit doet”. Soms verdient het voorkeur iemand niet per¬soonlijk en direct te benaderen, maar te kiezen voor een meer indirecte communicatie. Bij¬voorbeeld door niet direct aan een gemeentelid te vragen wat hij wil, maar te vragen wat zijn familie van iets vindt.
Een mogelijke oorzaak van een communicatiestoornis kan ook liggen in het ge¬bruik van impliciet taalgebruik. Met impliciet taalgebruik bedoelen we dat wat iemand zegt niet altijd letterlijk genomen moet worden, maar tegelijk een andere betekenis kan hebben. Er kan in de letterlijke bood¬schap een andere boodschap verpakt zijn. Als iemand zegt: ‘Ik heb zin in de bijbelstudie!’, dan ver¬staan we wat hij letterlijk zegt. Deze zin kan echter talloze dubbele betekenissen hebben zoals: “Ik ga de bijbelstudie voorbereiden.”; “Heb jij ook zin in de bijbelstudie?”; “Wat leuk dat jij de bijbelstudie hebt voorbereid!”; “We stop¬pen met kletsen en we beginnen met de bijbelstudie.” Veel taalgebruik lijkt expliciet maar de werkelijke betekenis is vaak impliciet. Dit heeft voor pastorale gespreksvoering twee consequenties: 1. De ander kan woorden anders opvatten dan wordt bedoeld; 2. We moe¬ten er niet meteen van uitgaan dat we begrijpen wat de ander wil zeggen.
Kortom: We communiceren zowel op inhouds – als op betrekkingsniveau. Op inhoudsniveau zeggen we, of beelden we uit waar de boodschap over gaat. Op betrekkingsniveau geven we te kennen hoe we in relatie staan met de ontvanger van de boodschap of hoe de boodschap bedoeld is.

Pastorale gespreksvoering

Een vrouw met wie ik regelmatig een pastoraal gesprek heb zei eens tegen mij: “Twee jaar geleden kwam ik voor het eerst bij u. Ik snap niet dat u zo veel tijd aan mij hebt besteed. U hebt het toch al zo druk. Zo’n grote gemeente. Veel zieken. Veel begrafenissen. Ja, ik had toen wel antidepressiva en het ging niet goed met me. Enfin, u hebt me gehol¬pen. Neen, het RIAGG was natuurlijk niets voor mij. Ik ben niet gek. ’t Gaat nu wel beter, maar niet goed. ’t Is dat u er nu bent, anders was ik helemaal niet meer naar de kerk ge¬gaan. Ik vraag me wel eens af wat ik er doe. Ik heb zo veel gebeden. Nu ben ik 61 jaar. Geen man, geen kinderen, zwaar als verloskundige. Vooral de zondag is een vreselijke dag. ’t Liefst heb ik een bevalling op die dag. Nou ja… Als het u te veel wordt met mij te praten moet u het maar zeggen. M’n vader was ook veel depressief. Ik vraag me wel eens af of het erfelijk is? Dan is er niets aan te doen. Mijn moeder had ook al geen leven. Soms denk ik wel eens: Waarom ben ik geboren?”

Veel mensen kampen met persoonlijke problemen. De oorzaken liggen vaak in de relationele sfeer. De relatie met God, de medemens en zichzelf is verstoord. Het gevolg is dat mensen zich terugtrekken en vereenzamen of hun onlustgevoelens juist compenseren door te veel relaties aan te gaan of te veel alcohol of drugs gaan gebruiken. In de kerk behoren de leden voor elkaar te zorgen. Christenen hebben de opdracht elkaar te bemoedigen. Woorden hebben macht een mens diep te raken. Het is daarom steeds een grote verantwoordelijkheid na te gaan hoe wij onze medemens, met welke woorden en op welk moment, kunnen bemoedigen (Crabb 1995, p.26). Zoals zo mooi in Spreuken staat: “Vriendelijke woorden zijn als honingzeem, zoet voor de ziel en medicijn voor het gebeente (Spreuken 16:24).” De kerk is het lichaam van Christus en de opdracht om naar elkaar om te zien lezen we in 1 Korinthe 12,25: Opdat geen tweedracht in het lichaam zij, maar de leden voor elkaar gelijke zorg zou den dragen. In de pastorale gespreksvoering staat de Boodschap van het Evangelie centraal in het zoeken naar oplossingen. Naast de Bijbel als Woord van God en bron van wijsheid en innerlijke rust, wordt gebruikt gemaakt van kennis en vaardigheden uit de theologie, de christelijke ethiek en de pastorale psychologie. Over pastorale gespreksvoering zijn veel werkdefinities te geven. Ik heb gekozen voor de volgende definitie die uitgaan van ‘pastoraat als ontmoeting’:

Pastorale gespreksvoering is een methode om, in het licht van het evangelie en in verbondenheid met de gemeente van Christus, samen antwoorden te zoeken op levens – en geloofsvragen in het leven van gemeenteleden met als doel de omgang met God, medemensen en zichzelf te helen en in evenwicht te brengen.

Van alle bekende gespreksmodellen is het cliënt-centered model van Carl Rogers het meest geschikte model om de pastorant te begeleiden. De grondgedachte waarop Rogers’ benadering berust is die van het geloof in de waarde van de individuele persoon en in het vermogen van het individu om zichzelf en de situatie te hanteren: how he seems to himself. Het gaat erom diep begrip te tonen voor de attitudes die de pastorant op dit ogenblik bewust heeft, wanneer hij gevaarlijke gebieden, die hij tot nu toe niet tot het bewustzijn heeft toegelaten, stap voor stap met de pastor exploreert (Swildens, p.66). Ik sluit andere modellen niet uit en ik kan mij voorstellen dat een combinatie van modellen, bijvoorbeeld een counselingsgesprek en een informatief gesprek, heel goed bruikbaar is in het pastoraat. De pastor heeft een grondhouding tegenover de pastorant die zich kenmerkt door echtheid, openheid, empathie, congruentie en onvoorwaardelijke aanvaarding van de ander (Clinebell, p.74; Van der Staak p.107, Swildens, p.27). Rogers hechtte veel belang aan het begrip “congruentie” en zag dit zelfs als het meest fundamentele kenmerk van zijn methode. De binnenzijde van de echtheid verwijst naar de mate waarin de counsellor bewust toegang heeft tot, rustig openstaat voor alle facetten van zijn eigen ervaringsstroom. De buitenzijde van de echtheid verwijst naar de expliciete communicatie door de counsellor van zijn bewuste percepties, attitudes en gevoelens. Voor dit aspect wordt ook de term transparantie gebruikt (Swildens, p. 29). Ik noem nu eerst enkele punten in de pastorale gespreksvoering, en let wel: steeds in het licht van het evangelie en in verbondenheid met de gemeente van Christus, die van belang zijn om voor ogen te houden wat de ander wil vertellen en vervolgens wat de ander juist niet wil horen.

Wat wil de ander vertellen?
Er zijn verschillende stromingen binnen het pastoraat. Een van de stromingen noem ik pastoraat als ontmoeting. We ontmoeten de ander in een pastorale sfeer. Dat kan zijn in het huis van de ander, in een kerkgebouw of de ander komt bij de pastor op bezoek. De ander wil iets vertellen wat hem overkomen is en waar hij nog steeds al of niet mee zit. Wat zou Job graag hebben willen vertellen wat hem overkomen is en waaraan hij nog lijdt. Wie kan bij benadering begrijpen hoe het is om alles kwijt te raken? De eerste mannen die bij hem op bezoek kwamen luisterden niet naar hem en Job kon zijn verhaal niet kwijt. Tot Elihu kwam. Elihu begon met luisteren (Job 32:11) en bleef luisterend dicht bij Job. In vaktaal heet dat Elihu het verhaal van Job exploreerde. Hij stelde Job centraal, cliënt-centered, zonder al te veel te vragen naar zaken die niet direct te maken hebben met wat Job wil vertellen (exploratie-intern). Job voelde dat Elihu begrip toonde (Job 32:12) en dat hij ook bij Job bleef en niet met een of andere smoes opstapte (Job 33:6-7). In het gesprek wees Elihu ook op God, maar pas nadat zij elkaar werkelijk ontmoet hadden (Job 34). Wat wil de ander vertellen? Om dit te activeren is naast een veilige pastorale sfeer, een juiste pastorale houding, ook een aantal technieken van belang. Ik noem er enkele die elkaar ook wel kunnen overlappen (uit o.a. Clinebell, p. 94 vv, Hiltner, Hurding, Watts c.s., p.139 vv: a. luisteren; b. exploratie-intern; c. exploratie-extern; d. stilte, e. non-verbale reacties: f. samenvatting en g. het LAST – ezelsbruggetje.

a. Luisteren

De Vries: Het is een heel verhaal. Vorig jaar is mijn vrouw gestorven. Kanker. Ik heb haar tien maanden verpleegd. Dit jaar is mijn oudste zoon gaan studeren in Utrecht. Theologie! Mijn andere kinderen zijn allemaal getrouwd. Ik ben nu met pensioen. Ik loop maar te sjouwen op mijn boerderij. Het is allemaal groot. Te groot. Ik ben nu 65. Bejaard.
Pastor: Ik hoor u zeggen, dat uw leven ingrijpend veranderd is. En het valt u zwaar?
De Vries: Ja, u begrijpt het. Ik wil het wel eens kwijt. Mijn hart luchten. Niet altijd bij mijn kinderen of buren over mijn zorgen praten. Maar, ik zal u zeggen, vaak voel ik me erg alleen. Ik laat wel eens een traantje in de stal.
Pastor: Vertellen wat u allemaal hebt meegemaakt lucht ook wel eens op?
De Vries: Zeker, zeker. Ik weet wel dat ik verder moet. Het leven gaat door. Maar soms heb ik wel eens een duwtje nodig. Ik ben niet een van de jongstens meer, maar ik kan nog goed mee.
Pastor: Met een beetje steun kan u nog wel wat.
De Vries: Ja, dat zal God ook van me willen. Ik mag niet klagen en heb ook veel om dankbaar voor te zijn. God heeft me altijd gedragen en Hij doet het nog. Iedere dag bid ik om kracht en soms voel ik dat Hij me ziet tobben. Maar Hij laat me niet los.
Pastor: U hebt Gods liefde gevoeld in de tijd dat u gelukkig was met uw vrouw en later ook zijn steun tijdens haar ziekte. Er is veel in uw leven veranderd, maar ik hoor ook dat u vertrouwt op Gods zorg om u.
De Vries: Ja, dat is zo… (begint te huilen)

Ik denk dat in vrijwel alle pastorale gesprekken de pastorant eerst wil vertellen wat hem is overkomen, hoe hij door een tragisch lot is getroffen, waaraan hij verslaafd is en wat hij niet kan nalaten of wat hij heeft aangericht. Het is moeilijk om methodisch te luisteren. Een aandachtige luisterhouding en goede informatieve vragen die betrekking hebben op wat de pastorant wil vertellen, zullen de ander aanmoedigen te vertellen.

b. Exploratie-intern

Pastorant Wat een chaotische ochtend. Ik moest met mijn zoontje naar de huisarts. Even naar het spreekuur. Nou even! Het werd meer dan een uur. Maar, ik kon het ook niet uitstellen. Oorontsteking is een hele smart voor zo’n kereltje. ‘k Heb bijna een uur in die wachtkamer gezeten. Ja, die dokter werd weggeroepen. Spoedgeval of zoiets. Kan ik wel begrijpen, maar ik zit daar maar. Eindelijk ben ik aan de beurt. Hij kijkt even in het oor van mijn zoontje. Twee minuten en ik sta weer buiten met een recept in mijn hand. Toen naar de apotheek, mijn zoontje naar de peuterspeelzaal en toen naar u. Sorry dat ik zo laat ben! Ik miste ook al de tram, want een auto kan ik in het centrum niet kwijt. Maar ja, zo is het leven. Mijn moeder zei altijd: niet klagen maar dragen en vragen om kracht.
Pastor Het zat u allemaal niet mee, begrijp ik. Allemaal tegenslag.
Pastorant Dat kan je wel zeggen.
Pastor Ik hoor u zeggen, dat u niet mag klagen. Kunt u daar iets meer over vertellen?
Pastorant Nou, mijn moeder zei altijd al, dat ik dankbaar moest zijn. Ik moest altijd kijken naar kinderen die het minder hadden. Daar moest ik ook voor danken. Ik had nooit de kans om te zeggen als er iets niet goed was. Ik moest groot zijn, sterk, dankbaar. Maar, wat voelde ik me vaak rot en alleen.
Pastor Het is tegenstrijdig om enerzijds dankbaar te moeten zijn en anderzijds momenten te hebben dat je het niet kunt zijn?
Pastorant Precies, een kind wordt daar gek van.
Pastor En dat gaf u, denk ik, vaak een gevoel van…?
Pastorant Machteloosheid.
Pastor [stilte]
Pastorant Dan ging ik maar naar mijn kamer. Ik dacht altijd dat het aan mij lag. Het is toch ook niet leuk als je een ondankbaar kind bent? Ja, de muren van mijn kamer kunnen heel wat vertellen.
Pastor Over hoe u op uw kamer zat?
Pastorant Ja!

c. Exploratie-extern
Het kan zijn dat de ander zijn verhaal moeilijk kan vertellen. Hij vindt de juiste woorden niet, struikelt over zijn woorden of is bang dat zijn verhaal niet belangrijk genoeg is. Er kunnen dus allerlei redenen zijn waarom de pastor al luisterend bepaalde vragen stelt. Het stellen van goede vragen geeft de pastorant de gelegenheid zijn verhaal op een geordende manier te vertellen. Goede vragen zijn open vragen die stimuleren tot vertellen (exploratie-extern). Een open vraag is een vraag die je niet met ja of nee kunt beantwoorden. Voorbeelden van open vragen zijn: Hoe is het met uw zoon die in Utrecht studeert?; Hoe heeft u de kerkdienst beleefd? Wat hebt u gedaan toen u hoorde toen het licht in de zaal uitviel? Voorbeelden van gesloten vragen zijn: Studeert uw zoon in Utrecht?; Was u verbaasd toen het licht in de zaal uitviel?

d. Stilte
Een stilte die in het gesprek valt is ook een boodschap. Het is niet erg stimulerend om de stilte meteen door een opmerking of een vraag in te vullen. Om verder structuur in het gesprek aan te brengen is het goed na verloop van tijd een en ander samen te vatten. Meestal kun je een samenvatting als volgt beginnen: Ik heb nu een tijdje naar u zitten luisteren en ik heb u horen zeggen, dat… Om een gesprek te stimuleren kan men ook een deel of het laatste woord van een zin herhalen. Vooral bij ernstig zieke en stervende mensen is het van belang te kunnen zwijgen en niet uit verlegenheid de stiltes te vullen met woorden. Ik kwam twee maal per week bij een man in het ziekenhuis die geïsoleerd verpleegd werd. Hij kreeg zware chemotherapie. Zijn haar was uitgevallen, zijn huid geschilferd, zijn lichaam uitgeput. Hij was niet getrouwd en alleen zijn zus mocht op bezoek komen. Voor we de ziekenkamer betraden moesten we voorzien zijn van een groen schort, handschoenen en een mondkapje. Als een marsmannetje liep ik de eerste keer door de sluis van de ziekenkamer. Alleen mijn ogen waren zichtbaar. De uitgeputte man zei: ‘Dominee, ik had u wel verwacht.’ Daarna sloot hij zijn ogen. Ik sprak enkele zinnen, waar hij alleen maar ‘ja’ of ‘nee’ op hoefde te zeggen. Daarna bad ik met hem en vroeg God of Hij heel dicht bij deze man in die enge isloleerkamer wilde zijn. De man glimlachte na het ‘amen’. Ik bleef nog even zitten en zweeg. Toen ik opstand en hem een hand gaf, bedankte hij me voor het gesprek. Enkele dagen later was ik weer bij zijn bed. Ik heb alleen even zijn hand vastgehouden. Als afscheid kneep hij even in mijn hand. We hadden elkaar begrepen. Enkele uren later overleed hij.

e. Samenvatting

Pastorant Gisteren was een vreselijke dag. Het regende en het werd steeds donkerder. Ik voelde me totaal nutteloos. Alleen. Afgeschreven. Ik wenste dat ik dood zou gaan. Ik bad zelfs: God laat me nu maar sterven. En, ik zal u zeggen: Het is niet veranderd. Vandaag is weer zo’n dag. Wat heeft het allemaal nog voor zin? Ik zou zo willen gaan.
Pastor Ik denk dat je al bijna twee dagen niets anders gewenst hebt dan dood te zijn. Waardeloos. Je hebt er zelfs voor gebeden.

Het geven van een korte samenvatting in fresh words en vervolgens de pastorant weer stimuleren verder te vertellen zijn noodzakelijk om structuur in het gesprek aan te brengen en de pastorant te blijven volgen. Het geven van een goede samenvatting ontlokt de pastorant vaak een bevestiging. De pastor ziet de pastorant bijvoorbeeld knikken of hoort ‘ja’, klopt’ of ‘juist’.

f. LAST

Pastor Hoe is het de afgelopen weken gegaan?
Pastorant Wel goed. Niet echt geweldig. Ik krijg het niet op een rijtje. ’t Is allemaal zo verward in mijn hoofd.
Pastor Wat is er niet goed gegaan?
Pastorant ‘t Is zo stil in het dorp. En thuis…
Pastor Stil?
Pastorant Ja, stilte en dat beklemt me en…dat niet alleen. ‘t Is ook allemaal zo doelloos. Ik vraag me de hele tijd af: waarom? Ja, en dan weet ik wel dat er geen antwoorden zijn. Of misschien ook wel. Maar ja, die begrijp ik dan niet of ik sluit me ervoor af? Ik blader dan in mijn bijbel, maar weet niet eens wat ik zoek. Dan zit ik maar te zitten. Ik kom tot niets. Soms vloiegt het me aan. ’t Is benauwd.
Pastor Zullen we samen eens onderzoeken of we woorden kunnen vinden voor die gevoelens en vragen?
Pastorant Ja, dat is het. Ik heb woorden. En geen tranen…
Pastor En dat neemt je in beslag?
Pastorant Ja, Helemaal. Het houdt me dag en nacht bezig. Van uur tot uur.

Kortom: We hanteren dan in feite het LAST-principe, een ezelsbruggetje, wat staat voor: L (luisteren), A (aansluiten), S (samenvatten) en T (teruggeven).

Wat wil de ander niet horen?
In het gesprek zijn we als pastor vaak te invullend bezig. We denken al gauw dat we weten wat de ander wil vertellen of we willen zelf gaan vertellen. Als we het verhaal van de Emmaüsgangers lezen kunnen we veel van Jezus leren. Hoe voerde Hij nu een pastoraal gesprek en welke fouten maakte Hij niet (Lucas 24:13-35)? Jezus luisterde en observeerde wat er in de ander omging. Hij begon niet meteen met interpreteren, concluderen, adviezen of waardeoordelen te geven. Hij was geïnteresseerd in het gesprek met de Emmaüsgangers en zag hun bedrukte gelaat (Lucas 24:17). Wat Hij hoorde, voelde en zag maakte hij bespreekbaar. Hij was ook niet gekwetst dat ze Hem niet meteen herkenden. Maar het kan op al die punten misgaan. Ik weet het al! Ik noem nu enkele punten die het pastorale gesprek kunnen verstoren en zelfs blokkeren. Ik noem eerst enkele misvattingen en relatief eenvoudig op te lossen luisterfouten. Vervolgens ga ik verder in op enkele veel gemaakte fouten in de pastorale gespreksvoering: interpretaties, waardeoordelen, adviezen, voorbarige conclusies en zelfmededelingen.

a. Kletsen

Pastorant Mijn oudste broer, een aardige vent overigens, heeft er alles doorgedraaid. Hij leende overal, maar terugbetalen was er niet bij. Nu heeft mijn zuster hem weer geld gegeven. Hij moet gewoon op z’n duvel hebben. Werken! Ach, hij heeft z’n draai niet gevonden in het leven. Hij gaat ook niet meer naar de kerk. Hoe moet het nu verder?
Pastor Nu, wat u vertelt herken ik wel. Ik heb ook zo’n broer. Hij leefde op veel te grote voet. Veel lenen, veel ruzie en alleen met kerst gaat hij nog naar de kerk.

In veel pastorale gesprekken gaat het niet over pastorale zaken. Er worden ervaringen uitgewisseld. De nieuwtjes of roddels hebben vaak het karakter van kletsen. Wanneer de pastor pas begonnen is met pastorale gespreksvoering en enig inzicht heeft in pastorale counseling, is de kans op napraten of papegaaien aanwezig. De pastor herhaalt wat de pastorant zegt in ongeveer dezelfde zinnen en ook de lengte van wat verteld wordt is hetzelfde. Een van de meest gemaakte fouten in het pastoraal gesprek is als de pastoraal werker het gesprek overneemt en over zijn eigen ervaringen gaat vertellen. Ik vergelijk deze gesprekken met de sfeer in de wachtkamer van de tandarts. Terwijl de patiënten van de tandarts zitten te wachten tot ze binnen kunnen komen, ontstaan er gesprekken over gouden kiezen, rotte kiezen, kiezen boren, kiezen trekken en nog veel meer waar mensen zenuwachtig van worden. Ieder heeft een eigen verhaal over een broer die het goed doet en die je al jaren niet meer ziet. De pastorant wordt niet geholpen met de verhalen van de pastor. De pastorant heeft een eigen leven, eigen gaven en talenten en eigen unieke levenssituaties waar hij mee moet omgaan. In een van de colleges pastorale counseling vertelde een student dat hij zo opzag tegen een huisbezoek van twee broeders. Wij vroegen hem waar hij dan zo tegen opzag (concretiseren). De student vertelde dat hij graag over een aantal gevoelige zaken in de gemeente wilde spreken. Hij kreeg evenwel de gelegenheid niet om de zaken aan te kaarten. De broeders bleven aan het woord over hun eigen ervaringen en hadden niet geleerd te luisteren. De student had wel geleerd te luisteren, maar had niet de moed de broeders aan te spreken op hun gespreksvaardigheden (confronteren). Dat was ook niet zijn taak. Toen wij na enkele maanden eens informeerden hoe het huisbezoek was verlopen, zei de student: “Ik heb het gevoel dat ik er niet echt bij hoor. Niet bij de gemeente. Ik word niet gehoord en voel me niet begrepen. Ik heb een paar maal geprobeerd mijn gevoelens bespreekbaar te maken, maar tevergeefs. De broeders bleven maar aan het woord. Trouwens later bij de predikant lukte het ook niet. Hij is vriendelijk en zegt dat hij begrijpt wat ik zeg, maar hij komt meteen met allerlei voorstellen en adviezen. Net mijn vader. Sinds kort heb ik een relatie met een meisje. Ik ga met haar mee naar de diensten. Na enkele zondagen vroeg de voorganger ons op de koffie. Ik vond dat zo gaaf, dat ik me daar meteen thuis voelde.” Het verhaal van de student heeft me wat gedaan. Ik heb er van geleerd hoe belangrijk het is dat mensen hun eigen verhaal, hun eigen vreugde of verdriet, aan de ander kunnen vertellen. Het was voor mij een onvergetelijk werkcollege, omdat ik begreep dat meerdere studenten zo’n verhaal konden vertellen.

b. Bagatelliseren

Pastorant Ik voel me gedeprimeerd. Alles valt me zwaar. Mijn leven is een groot zwart gat.
Pastor Ik hoor u zeggen, dat u een beetje in de put zit.

In dit verband wil ik ook bagatelliseren noemen. Veel pastors verminderen of negeren de sterkte van gevoelens die ze horen. Het is alsof ze denken, dat de gevoelens die ze niet bevestigen er ook niet zijn of wel weg zullen gaan. Het is juist andersom. Door de echtheid en de intensiteit van gevoelens niet te erkennen stijgt de intensiteit juist. Begrip tonen door actief te luisteren heeft een helend effect op de pastorant (Clinebell, p.42; Oomkes 1993, p.91).

c. Interpretaties

Pastorant Ik weet wel dat ik niet briljant ben. Ik heb met veel pijn en moeite de HAVO gedaan. Thuis had ik er nog een taak bij. Mijn moeder had een ernstig ziekbed en ik zorgde voor het gezin. Mijn vader kon z’n handen niet thuishouden. ’s Nachts sliep ik met de deur op slot. En u wilt mij zeggen dat ik te kinderlijk ben, te speels, te uitdagend, me niet voor serieuze zaken interesseert? U hebt een goed studentenleven gehad, een leuk gezin, een mooie gemeente! Ik vind het vaak zo ongelijk verdeeld. En de mensen zeggen zo gauw iets. Ik mag toch ook wel eens gek doen of niet soms?
Pastor Misschien heb je wel gelijk. Ik dacht dat je een wat oppervlakkige meid was,maar nu je mij dit allemaal vertelt.

Het kan zijn dat de pastor niet kan luisteren, niet wil luisteren, zich zit te vervelen bij het verhaal van de pastorant of meteen maar zijn eigen verhaal wil vertellen. Dit gaat vaak gepaard met onderbrekingen van de pastorant, zeggen of uitstralen dat de pastor het allemaal wel weet. De pastor zal in zo’n geval altijd iets uitstralen van macht. We kunnen verschillende typen macht onderscheiden. Ik denk bij de pastor aan deskundigheidsmacht (Ik weet alles van dergelijke problemen.); beloningsmacht (Ik kan u belonen met aandacht of een geruststelling.); informatiemacht (Ik kan de bijbel als geen ander uitleggen.) of plaatsvervangende macht (Ik weet wel wat God met uw leven voorheeft). Vaak leidt een onjuiste interpretatie tot een strijd om feiten of bedoelingen. Ieder heeft zijn eigen waarheid.

“We eten nooit samen!”, zegt Piet
“We eten altijd samen!”, zegt zijn vrouw
“Hoe vaak eten jullie samen?”, vraagt de pastor
“Vier maal per week!”, antwoordden ze eenstemmig

d. Voorbarige conclusies
In de gevangenis heb ik geleerd niet zo gauw met mijn mening of oordeel klaar te staan. Arie is daar een mooi voorbeeld van. Ik zag Arie aanvankelijk niet graag in de kerk komen. Dat is veranderd. Een paar maanden geleden kreeg ik een brief van Arie uit het Huis van Bewaring. Hij zit weer vast. Waarschijnlijk moet hij een paar jaar zitten. Arie schreef mij dat hij het jammer vond dat ik niet meer in het Huis van Bewaring werkte. We hadden samen zoveel gepraat en ook gebe¬den en God gev¬raagd of het toch maar goed zou komen met Arie. Maar, het kwam niet goed en hij heeft het niet gered.

Toen Arie voor het eerst naar de kerk in het Huis van Bewaring kwam zei hij:”Ik ga wel naar de kerk, maar, ‘k moet er verder niets van hebben. ‘k Ben een uurtje van m’n cel. ‘k Zie een paar mensen van buiten de muren. Er is koffie, maar verder. Dus, dominee, mij moet je niet lastig vallen.” Arie stond bij de ingang van de gymnastiekzaal, voor een paar uur onze kerk. Hij zwaaide met zijn stok – Arie kan moeilijk lopen – en zocht een plaatsje. Dat was het begin van ons contact. Op een van de cellenblokken was ik hem voor het eerst tegenge¬komen. Hij vroeg of ik de dominee was en na mijn ‘ja’ begon hij mij zonder aanleiding uit te schelden: “Met mooie praat¬jes kun je een aardige boter¬ham verdienen…”, riep hij. Ik liet Arie een beetje links liggen. Maar toen hij toch naar de kerk kwam was ik verbaasd. Ik vroeg me af: Zou hij zich een beetje rustig houden? Toen alle mannen in de kerk zaten, zo’n zestig kerkgangers, gingen de deuren op slot. De bewaarders namen hun plaatsen. Na een paar minuten werd het stil. “Beste mensen, we zijn vanmiddag bij elkaar in de kerk. Welkom allemaal, ook onze gasten, het koor uit Rotterdam.” Iedereen was nu stil. Arie hield zijn stok goed vast alsof hij een beetje steun zocht in deze vreemde omgeving. “Ook op deze middag mogen we tegen elkaar zeggen dat God bij ons is, in deze kerk, hier in het Huis van Bewaring.” De dienst was begonnen. We zongen met elkaar, luisteren naar een woord uit de Schrift, de over¬denking en we baden voor vrouwen, vriendinnen en kinderen. Na de kerkdienst dronken we koffie. Arie mopperde: “’t Is hier ook nog gezellig!” Een paar mensen in de buurt van Arie spra¬ken over vriendschap¬pen en wat je van je vrienden mag verwach¬ten als je vastzit. “Ik heb geen vrienden”, bromde Arie. “Dan heb je ook geen zorgen.” Niemand hoor¬de hem. De stoelen naast hem waren leeg. Niemand had koffie voor hem ge¬haald. Zelf kon hij niet met zijn stok. “Arie, ’n kopje koffie?” Ik was koffie voor hem gaan halen. “Zo, zo, en dan nog wel van jou…” Na de dienst en het kof¬fiedrinken worden de mannen weer ingesloten. Bij de deur geven we elkaar een hand. Arie zei: ” ‘k Wil nog wel eens met je praten. Niet over God of over de kerk¬.” ’n Paar dagen later zaten we tegenover elkaar. Ik was Arie van zijn cel gaan halen. Hij lag op bed, onder de dekens, kleren nog aan. De lege blikjes lagen onder zijn bed, de vuile was in een hoek. Even later zei hij op mijn kamer: “En, dominee, waar zullen we het over hebben? Geloven doe ik niet meer. Over paters en dominees kan ik wel een boek schrijven…” “Nou, dan beginnen we maar met een kopje koffie!”, zei ik. Ook niet goed wetend of ik wel ergens over moest praten. “Ik ben hier vaak geweest”, zei Arie. Hij stak van wal en praatte meer dan een uur aan een stuk door: “Neen, niet wat je denkt. Vroeger, als kleine jongen. We woonden in de binnen¬stad. M’n vader en ik. M’n moeder was toen al weg met een andere man. Iedere zaterdagavond kwamen we hier naar toe. Ik ging altijd met mijn vader mee. Hij zong bij de pater in het koor. ’t Is al een tijd geleden. M’n vader zie altijd: “Arie, jon¬gen, zorg dat je hier nooit komt! En, nu zit ik hier toch. Gelukkig is mijn vader dood.” Arie was eens gaan verzitten. Hij keek wat vriendelijker en vertelde verder. Hij vertelde over zijn aardse vader, van wie hij zielsveel had gehou¬den. En over de Hemelse Vader, met wie hij had gebroken toen hij dat ongeluk kreeg. “Sinds dat brom-fietsongeluk kan ik nauwelijks meer lopen. ’t Was niet eens mijn schuld. Het ergste vind ik dat ik moeilijk dingen kan onthouden. ‘k Stond op het punt om te trouwen. Mijn meisje wilde geen kreupele jongen. Toen is het mis gegaan.” Arie vertelde hoe hij uiteindelijk in de gevangenis terecht was gekomen. Waarom hij niemand meer vertrouwde, vooral de mensen niet die zo graag andere mensen willen helpen. Na een uur stond hij op: “Bedankt!” Zwaaiend met zijn stok liep hij achter me aan de smalle stalen trappen af naar zijn donkere cel. Bij de deur legde hij zijn gezonde hand op mijn arm en zei: “Dominee, in die kerkzaal kwam ik vroeger met m’n vader. Ik ging altijd met mijn vader mee. Hij zong bij de pater in het koor. ’t Is al een tijd geleden. Mijn vader zei altijd: “Arie, jongen, zorg dat je hier nooit komt! En nu zit ik hier toch. Gelukkig is mijn vader dood. Heb ik je dat al eens verteld?”

Jezus gaf niet zomaar lukraak adviezen. Hij leerde de Emmaüsgangers dat ze voorbarige conclusies hadden getrokken (Lucas 24:25,26). Jezus wist dat de mannen verkeerde conclusies hadden getrokken, maar Hij veroordeelde ze niet. Neen, Hij ging met ze in gesprek en al counselend leerde Hij hun hoe zij de geestelijke dingen ook anders konden zien (Lucas 24:27). Daarmee leerde Hij de mannen ook zelf na te denken over wat ze geloofden en hoe hun relatie met Jezus was. Hij leerde hen zonder pastorale zorg weer op eigen benen te staan. Op het moment dat hun ogen geopend werden en zij Hem herkenden verdween Hij (Lucas 24:31).

e. Waardeoordelen

Pastorant Ik denk niet dat ik nog aantrekkelijk ben voor mijn man. We zijn 17 jaar getrouwd. We slapen nu al weken in aparte kamers. Ik dacht, dat het me niet zo raken. Ik kan best wat hebben, maar nu heb ik slapeloze nachten. Ik ga uit bed. Zit midden in de nacht bij de t.v. Ik hoor hem snurken. Wat moet ik doen?
Pastor Ja, u bent nog jong. Trouwens, u ziet er ook nog jong uit. Zo is het eigenlijk geen huwelijk als u, zeg maar, als broer en zus leeft.

We hebben de neiging om in een gesprek al gauw met een waardeoordeel te komen. Het gesprek verloopt nogal eens op een wijze, dat van de pastoraal werker een waardeoordeel gevraagd wordt. Veel pastoranten hechten aan het waardeoordeel van de pastoraal werker. In een pastoraal gesprek is het geven van waardeoordelen vaak niet juist. Het is alleen juist als de pastoraal werker over een bepaalde kwestie een waardeoordeel geeft als hij dat direct kan aanhalen uit de bijbel. Het is in vrijwel alle situaties verkeerd een ander mens te mishandelen of te doden. Ook dan zou de pastor eerst aan de pastorant moeten vragen waarom hij die vraag stelt. Het is beter de vraag te exploreren door verder te vragen waarom de ander de mening van de pastoraal werker zo belangrijk vindt, dan de vraag meteen te beantwoorden. In het bovenstaand voorbeeld zegt de pastor dat de vrouw nog jong is en dat het samenleven als broer en zus eigenlijk geen huwelijk is. Wat geeft hij nu mee aan deze vrouw? Het is beter te vragen of ze inzicht heeft hoe de verwijdering tussen haar en haar man is ontstaan, hoeveel verdriet en pijn dat doet, hoe ze met die gevoelens omgaat en met wie ze erover kan praten. Het is moeilijk om over deze gevoelens te praten met andere mensen. De pastoraal werker zou haar ook kunnen vragen of ze haar verdriet en pijn in het gebed brengt. Misschien heeft deze vrouw niet eens woorden voor haar verwarde gevoelens. Dat hoeft ook niet, want God weet toch wel wat we Hem willen vertellen. Ik herinner mij een gesprek met een vrouw die vertelde dat haar man homoseksueel was en dat ze dat sinds kort had ontdekt. Ze waren vijftien jaar getrouwd en hadden drie kinderen. De man had een goede baan en een ambt in de kerk. Toen zijn dubbel leven uitkwam stortte haar huwelijksleven in. Aanvankelijk begon het gesprek zoals het bovenstaand voorbeeld. Ik heb toen gelukkig wat doorgevraagd, exploratie-intern, waardoor de vrouw meer greep kreeg op haar probleem. Door mijn luisterhouding en door de samenvattingen kreeg ze het gevoel dat ik haar begreep. In de loop van het gesprek kon ze ook zeggen waar ze geen woorden voor had. Ze had niet eens woorden voor haar verdriet, woede, walging en machteloosheid. Ze vertelde dat ze het gevoel had uit elkaar te vallen. Ik heb in dat gesprek voornamelijk geluisterd en aan het einde van het gesprek met haar de eerste zes verzen van Psalm 139 gelezen. In het gebed herhaalde ik de woorden van de Psalm. Samen brachten wij haar leven voor God: Here, gij doorgrondt en kent ook deze vrouw. Gij verstaat van verre haar gedachten. Wilt U Uw hand op haar leggen en haar steunen. Ik heb ook een fout in het gesprek gemaakt, die mij duur is komen te staan. De vrouw vroeg aan het eind van het gesprek wat ze nu het beste zou kunnen doen. Ik heb haar het advies gegeven om met haar man in huwelijkstherapie te gaan. Het was beter geweest om na te gaan wat zij wilde en waar ze de moed nog voor had. Ze is met haar man in therapie gegaan, maar na enkele zittingen ging de man niet meer. Hij verweet de psychiater partijdigheid en mij ondeskundigheid. Hij was niet gek en had geen psychiater nodig. Na enkele maanden zijn ze gescheiden. De man is korte tijd later weer getrouwd en werd op zijn vijf en veertigste weer vader.

f. Adviezen

Pastorant U moet weten dat ik een druk leven heb. Ik heb veel hobby’s en ik help veel mensen. De vo¬rige dominee heeft mij gevraagd diaken te worden. Ik dacht dat ik het moest doen. [stilte] Maar, ik had het nooit moeten doen. Die andere broeders in de kerkenraad hebben altijd hun woordje klaar. Ze kunnen zo mooi praten. Trouwens ook mooi bidden. Ik heb alleen maar landbouwschool. Niet dat ik mij er voor schaam boer te zijn. Maar toch… Nu mijn termijn toch afloopt wou ik u zeggen dat ik er mee stop. Veel vreugde beleef ik er toch niet aan. U moet niet denken dat ik een probleem heb of zo. Ik ga graag naar de kerk. Maar, ik ben toch niet zo als die andere broeders. Zij zijn ook allemaal getrouwd en hebben een gezin. Ik ben alleen. Ja, er zijn natuurlijk wel meer jonge mensen alleen. Ik zou het wel anders willen. U bent toch ook gelukkig getrouwd. En u hebt twee schatten van kinderen. Ik heb ook veel vreugde in mijn leven. Ik heb met mijn vader 32 koeien, 200 kistkalveren en een aantal zeu¬gen. Veel boeren moeten stoppen in deze tijd. Wij niet.
Pastor Als u dat allemaal zo zegt komt de gedachte bij me op, dat u eens met een maatschappelijk werker zou moeten praten. U maakt een wat sombere indruk. Ook wat tobberig. Ja, en er zijn ook goede christelijke bemiddelingsbureaus.

Vooral in moeilijke situaties waarin we eigenlijk niet weten wat we moeten zeggen, geven we gemakkelijk een advies. Adviezen kunnen evenwel alleen maar worden uitgevoerd en worden volgehouden als de pastorant daarvoor gemotiveerd is. Als de pastorant daarvoor niet gemotiveerd is, blijven het alleen maar goedbedoelde woorden waar de pastorant maar weinig aan heeft. De problemen die de pastorant bij de uitvoering van een advies tegenkomt, moet hij gaan zien als zijn problemen waarvoor hij een oplossing moet vinden. In de vorige paragraaf heb ik beschreven dat ik mijn goedbedoelde advies beter niet had kunnen geven. In dit voorbeeld wordt het nog duidelijker dat een advies nogal eens lukraak wordt gegeven. In dit voorbeeld vraag ik me af waarom de pastoraal werker deze man doorstuurt naar een maatschappelijk werker? Verder kan het zijn dat de man een wat sombere indruk maakt, maar zou een pastoraal gesprek ook niet iets bevrijdend kunnen hebben? Tenslotte is het wel erg makkelijk de man te attenderen op christelijke bemiddelingsbureaus. Dat is een makkelijk advies en de pastoraal werker hoeft niet meer over de zin van het leven te praten. Is deze man niet even waardevol voor God en mensen als zijn medebroeders, die altijd hun woordje klaar hebben, mooi kunnen praten en bidden?


Gespreksvoorbeelden
In deze paragraaf geef ik enkele gespreksvoorbeelden van pastorale ontmoetingen. Ze zijn vrij letterlijk uitgewerkt. Het is een manier om met pastorale vragen en problemen om te gaan. Het is leerzaam om de reacties van de pastor weg te lakken en te kijken of je andere vragen zou stellen of reacties zou geven.

a. De vrouw met de rode jas

In een van de kerken van een stad waar ik regelma¬tig een avonddienst leid zit altijd een vrouw met een rode jas. Ze heeft zwart haar en ze ziet er opvallend uit. Ik denk dat ze een jaar of dertig is. Meestal neemt ze in de buurt van de preekstoel plaat¬s. Aan haar manier van doen merk ik dat ze niet regelma¬tig in de kerk komt. Zo bleef ze in het begin tijdens het uitspreken van de zegen zitten en zong ze nooit mee. Op mijn retorische vragen in de preek zei ze soms spontaan ‘ja’, wat verstoorde blokken van de andere kerkgangers opleverde. Na een avonddienst in de winter wachtte ze mij bij mijn auto op:

V. Dominee, ik ben ook een gevangene!
P. Goede avond, wat vertelt u me nou?
V. Ja, ik zal me even voorstellen. Ik ben mevrouw S. en iedereen noemt me Riet. Ik kom nooit in de kerk.
P. Ik ben dominee Borst. Ja, ik heb u zien zitten en als ik mij niet vergis komt u wel vaker?
V. Alleen bij u.
P. (knikt)
V. Maar, ik ben niet van de kerk.
Ik ben van de satan.
P. Van de satan?
V. Ja, mijn moeder heeft mij als meisje vervloekt.
Ik was 17.
P. Wat is u toen overkomen?
V. Mijn moeder heeft toen een vloek over me uitgesproken. Ze wilde me nooit meer zien. Ik had alleen nog een moeder…
P. Wat moet dat vreselijk geweest zijn. Ik schrik er van.
V. Toen ben ik allemaal gekke dingen gaan doen. Ik werd opgenomen. Gek noemden ze me. Trouwens, ik ben net weer ontslagen. Maar…
P. U voelt zich nog steeds gevangen?
V. Ja, net wat u zegt! U begrijpt me. Ja, en daarom let ik op waar u preekt.
Ik ben niet van de kerk. Ja, vroeger was mijn moeder wel van de kerk. Ik ben in de macht van de satan. Ik voel hem. Ik hoor hem! En u spreekt zo eenvoudig over allerlei dingen. Ik dacht dat u we eens met mij zou willen praten? Maar ik weet natuurlijk niet of u zomaar met iedereen praat? U zal het wel druk hebben. Ja, en ik kan er ook niet voor betalen.
P. U komt naar de kerk als ik voorga, omdat u dan iets herkent? En u zou daar wel eens met mij over willen praten?
V. Ja, dan kan ik er weer even tegen.
P. Wat fijn, bijzonder ook, dat we elkaar zo ontmoeten.
Maar, ’t is zo koud zullen we ons gesprek in de kerk voortzetten of een afspraak maken?
V. Graag, maar ik ben niet van de kerk. Ik hoor nergens bij. Bij niemand. Mag ik eens bij u komen praten? Over waar ik mee zit.
P. Dat is goed. Ik stel voor dat we maar meteen een afspraak maken. Ja, dat we elkaar spreken is in ieder geval iets van God, niet van de satan.
V. Ja, dat geloof ik ook. Maar de satan is machtig hoor!
P. Kan u morgenmiddag komen? ’t Liefst in de pastorie.
V. Dat had ik nu nooit verwacht. Ja, ik kom zeker.
Dag dominee…
P. Dag mevrouw…

De volgende dag kwam Riet. Ze vertelde over haar jeugd. Over het leven met haar moeder. Moeder was psychiatrisch patiënt. Vanaf haar zeventiende leidde Riet een zwervend bestaan en zat regelmatig in de prostitutie. Ze is enkele keren opgenomen in diverse inrichtingen. Verder heeft ze bij een sekte gezeten, die haar uit de prostitutie heeft gehaald. Tijdens het gesprek kreeg ik het gevoel dat Riet niets liever wilde dan gewoon ergens bij horen. Bij een groep mensen die haar weer bij haar naam noe¬men, haar mee laten doen, haar missen. Ik heb Riet leren kennen als een gelovige vrouw die op zoek was naar de Hei¬land. En zoekend werd ze gevonden. Ze is inmiddels opgenomen in een gemeente en daarnaast heeft ze een goede psychothera¬peut. Ze voelt zich niet meer in de macht van de satan.

b. Lea
P. Het is al weer enkele maanden geleden dat we elkaar spraken. Wat bracht je er toe om mij weer eens te bellen voor een afspraak?
L. U had nog een flesje wijn te goed. En verder: ’t Gaat wel wat beter. Ik doe mijn werk voor bijna honderd procent. Ik woon al weer enkele maanden thuis. Ja, wel apart. Op zolder. Zo af en toe ga ik naar de kerk. Niet meer in Veenendaal, maar in Utrecht. Een beetje vrije gemeente. Wat evangelisch. Mooie liederen. U kent het wel. Niet zoals in uw kerk. Geen Psalmen. Helemaal m’n draai heb ik nog niet gevonden. ’t Is allemaal erg complex. Begrijpt u?
P. Nou, dat is een hele verandering. In de eerste plaats: Bedankt voor de heerlijke fles wijn. Waar zou je nu vanmiddag met mij over willen praten, Lea?
L. Over m’n vrienden.
(Lea glimlacht.)
P. Over een bepaalde vriend of vriendin?
L. Over een vriendin: Naömie.
P. Wil je wat over Naömie vertellen?
L. Ze anders dan andere vrienden en vriendinnen. Zoals ze doet, spreekt, lacht. Ze begrijpt me helemaal. ’t Klikt gewoon goed.
P. Naömie is bijzonder voor jou, maar tegelijk roept jullie vriendschap vragen op?
L. Ik weet niet of het goed is.
Of het wel mag…
P. Van…?
L. Van mezelf…
P. [stilte]
L En…van God.
P. Wat zou je aan God willen vragen?
L. Of ik wel van haar mag houden?
[stilte]
P. Je hebt een vriendin, Naömie, om wie je veel geeft. Ze is je dierbaar, maar er is ook iets van ‘ruis’. Mag het allemaal wel. Klopt dat?
L. Helemaal…
[stilte]
P. Vind je het goed om verder over jouw vriendschap met Naömie te praten?
L. Ja…
[stilte]
P. Kun je mij vertellen, Lea, hoe Naömie jullie vriendschap ziet?
L. Zij heeft nergens problemen mee. Ze geniet er van.
En, weet u, ze gelooft niet.
P. Dat betekent…?
L. Nou ja, dat ze, zeg maar…geen last heeft van de kerk.
P. En wat betekent dat?
L. Ach, u weet toch hoe de kerk over dit soort vriendschappen, of liever relaties, spreekt?
P. Ik ken een aantal opvattingen. Welke bedoel jij?
L. Dat is niet zo gemakkelijk te zeggen.
[stilte]
Ik bedoel de mensen, die…
Nou jou, alles wat intiem is…
Seks is taboe…
Begrijpt u…?
P. Ik begrijp, denk ik, wat je bedoelt. Als ik het probeer samen te vatten hoor ik je zeggen, dat je een dierbare vriendschap hebt met Naömie. Die vriendschap roept bij jou vragen op als het gaat om intimiteit of genegenheid. Die vragen leven kennelijk niet bij je vriendin. Klopt dat?
L. Ja, heel erg…
[stilte]
En ik wil me er ook niet tegen verzetten?
Waarom zou ik…?
[stilte]

c. Lisa
P. Heeft de video je geraakt?
L. Ja, ’t kwam allemaal weer boven.
P. Wil je er iets over zeggen?
L. Ja, nee, ik moest even het lokaal uit.
Ik dacht: ’t Gaat over mij.
Ik bedoel, dat ik…
P. Welke situatie in de video bedoel je?
L. Waarin die vrouw, je weet wel, die man een hand geeft en zegt:
“Ik vergeef je!”
P. Daarin zag je?
L. Mezelf…
(Lisa begint te huilen.)
P. En, dat raakte je?
[stilte]
In die situatie zag je jezelf als iemand die moest vergeven?
L. Ja, maar daar ben ik nog lang niet aan toe!
[stilte]
P. Omdat er iets, of iemand, tussen zit?
L. Ja, omdat hij er nooit iets over heeft gezegd.
P. Wie is ‘hij’?
L. Mijn vader…
P. En jij had van hem verwacht, of gehoopt, dat hij over wat iets zou zeg¬gen?
L. Over alles. Thuis. Over dat hij zoveel dronk. Nooit naar ons omkeek. Nooit thuis was. Mijn moeder met een jonge meid bedroog. Alles!
P. Op de video zag je een vrouw, een dochter, die haar vader vergaf. Dat was een hele stap voor haar. En ik denk dat het haar heel veel moeite heeft gekost.
[stilte]
L. Ik zou zo’n stap niet kunnen maken. Nog niet! Misschien wel nooit!
[stilte]
Die vader op de video zei, dat hij veel verkeerd had gedaan!
Hij had iets van, zeg maar, berouw.
P. Zo anders dan jouw vader?
L. Precies…
[stilte]
P. De video heeft je geraakt…
Veel bij je opgeroepen…
Vind je het goed om er met mij verder over te praten?
[stilte]
Of zullen we sa¬men kijken wat er verder mogelijk is?
L. Goed, maar…
P. Maar…?
L. Ik wil niet alleen praten. Ik wil ook iets doen! Zo gauw mogelijk!
P. Kan je ook zeggen, Lisa, waar je dan aan denkt?
L. Ik zou naar hem toe willen. Aanbellen en hem alles zeggen!
P. Wat zou je zeggen tegen hem?
L. Dat hij een viezerik is, een schoft, een huichelaar! Hij met z’n mooie praatjes. Altijd braaf naar de kerk, maar ondertussen! Hij heeft ieder¬een voor de gek gehouden. Beduveld. M’n moeder, ons, zijn kinderen, de kerk. En God! Nou, als we een rechtvaardige God hebben. Als…
[stilte]
P. Vertel maar verder…
L. Nou, dan heb ik nooit iets van die God gemerkt. Mooie verhalen, men¬sen die elkaar de hand boven het hoofd houden. Maar een kind dat ’s avonds haar moeder ziet huilen, vader hoort schelden en vloeken. En ’s zondags moest ik die truttige witte bloes aan. Daar gingen we dan. Met z’n allen. Het voorbeeldgezin. De mensen moesten eens weten. Nou, wat mij betreft mogen ze het weten!
P. Dat het thuis heel anders was dan de mensen dachten. En dat er achter de gordijnen een klein verdrietig meisjes woonde met een groot geheim. En nu het meisje groot geworden is mogen de gordijnen open!
L. Precies…
(stilte)

6. Vragen stellen
Het stellen van goede vragen in een pastoraal gesprek is niet altijd eenvoudig. Vaak stellen we gesloten vragen die alleen met ja of neen te beantwoorden zijn. Het gevolg is dat het gesprek op een verhoor gaat lijken en al spoedig vastloopt. Vragen die met hoe of wat beginnen nodigen uit om meer te vertellen. In deze paragraaf geef ik een vijftal mogelijkheden om op een casus in te gaan. Ik heb steeds enkele vragen bedacht die waarschijnlijk het gesprek vlotter doen verlopen dan wanneer ik gesloten vragen zou stellen (Nelson-Jones; Watts c.s., p.139-203).

a. Enkele voorbeeldvragen om gedachten [over…] duidelijk te krijgen

Casus: Rianne is sinds enkele maanden gescheiden. Haar ex-man bleek een relatie met een man te hebben. Diep gekwetst heeft ze hem de deur gewezen. Sinds kort heeft ze een relatie met een oudere weduwnaar. Zij ziet hem als een vaderfiguur. Haar ex-man kan ze niet vergeten. Als ze erover praat wordt ze woedend en wil eigenlijk wraak nemen.

• Welke gedachten had je in die situatie toen hij het jou vertelde?
• Welke gedachten hielden je bezig toen je dat overkwam?
• Wat levert het op om er zo mee bezig te zijn?
• Wat ga je uit de weg door wraak te willen nemen?
• Hoe praat je met anderen over je ex-man?
• Hoe is het met je (nieuwe) vriend om hierover te praten?
• Hoe zou je je kwaadheid op je ex-man kunnen omschrijven?
• Hoe is het voor jou er met mij over te praten?

b. Enkele vragen om communicatie [tussen…] duidelijk te krijgen

Casus: Joop vertelt dat hij ruzie heeft gekregen met zijn aanstaande schoonzoon. Het gesprek is volledig geëscaleerd en nu zijn dochter en schoonzoon al enkele maanden niet thuis geweest. Over twee weken gaan ze trouwen, maar Joop en zijn vrouw hebben geen kaart gehad.

• Wat heb je gedaan om het gesprek te verhelderen?
• Wat had je in het gesprek (nog) willen zeggen?
• Wat gebeurde er met je stem tijdens dat gesprek?
• Wat gebeurt er met jou als de ander zo’n toon aanslaat?
• Hoe zou je je reacties in het gesprek kunnen omschrijven?
• Hoe zat je in je vel tijdens dat gesprek?
• Hoe voelde je je na het gesprek?
• Hoe ben je het gesprek ingegaan?
• Hoe is het voor jou er met mij over te praten?
• Hoe heb je het gesprek afgerond?

c. Enkele vragen om doelen [met betrekking tot…] duidelijk te krijgen

Casus: Henk vertelt in supervisie dat hij een roeping heeft om predikant te worden. Hij mist evenwel de noodzakelijke vooropleiding. Hij praat alsof hij al in een pastorie woont.

• Wat betekent het om de ervaring van een roeping te hebben?
• Wat wil je op lange termijn bereiken?
• Wat heb je nu bereikt op weg naar je doel?
• Wat ga je uit de weg door (alleen maar) over de toekomst te praten?
• Waar zou je volgend jaar willen zijn?
• Hoe reageren mensen in je omgeving op je doel?
• Hoe is het voor jou er met mij over te praten?

d. Enkele vragen om het gesprek structuur te geven

Casus: Els is een gescheiden vrouw met drie kleine kinderen. Het valt haar zwaar om alleen voor de kinderen te zorgen. Haar ex-man heeft inmiddels weer trouwplannen. Els vindt de wereld erg onrechtvaardig. Ze vraagt zich af waar God is nu zij het zo moeilijk heeft. Ze denkt nog wel eens terug aan hun trouwdienst.

• Welke gedachte komt steeds weer terug?
• Wat heeft je hier gebracht?
• Wat houd je nu bezighoud?
• Wat is voor hou een goed begin van dit gesprek?
• Hoe was het om mij te bellen?
• Hoe zou je het probleem willen omschrijven?
• Hoe zou u uw situatie op dit moment omschrijven?
• Hoe praat je (bid je) met God?
• Hoe is het voor jou er met mij over te praten?

e. Enkele vragen / opmerkingen om het gesprek te beëindigen

Casus: Joke belt voor het kleinste en geringste de predikant. Ze is twee maal gescheiden en heeft nauwelijks contact met haar kinderen. In korte tijd zijn twee van haar drie hondjes overleden. De predikant is verscheidene malen geweest. Het is triest dat haar hondjes dood zijn, maar van pastorale nood is geen sprake.

• Welke gedachten hielden je bezig toen je dat overkwam?
• Wat zou je nog meer willen zeggen?We moeten tot een afronding komen. Hoe is dat voor je?
• Hoe zou je je probleem willen samenvatten?
• Hoe stel je het vervolg van ons contact voor?
• Hoe is het voor jou om met God te delen wat we nu samen hebben besproken?
• Hoe is het voor jou er met mij over te praten?
• Ik zou graag met jou een stukje uit de bijbel lezen. Heb je een voorstel?
• Ik zou graag met je bidden. Hoe is dat voor je?