Veur de Preek

“De bus komt pas over 17 minuten”, zei een vrouw bij de halte voor het station in Groningen. Ik keek naar het bord en zag dat de cijfers net versprongen van 17 naar 16 minuten. “Je kunt er niet van op aan”, zei een heer in een lange regenjas naast mij. Ik keek weer naar het bord en zag nu een busje in plaats van cijfers. Toen ik mij omdraaide was de bus er. Ik had nog geen twee minu-ten gewacht. Ik stond net voor de deur, stapte in, zei de chauffeur gedag, hield mijn OV kaart tegen de lezer en zocht een plaatsje. De heer in de lange regenjas was ook ingestapt, keek de bus rond en kwam naast mij zitten.
“Moet u naar P & R Haren of verder?”, vroeg hij. “Ik moet naar die parkeer-plaats.”, zei ik. “Ik ook, dan moeten we de weg onderdoor.”, zei de heer. Hij keek me eens aan en vroeg: “Komt u vaak in Groningen?” “Ja regelmatig om te winkelen, een goed boek kopen.” “En waar komt u dan vandaan?” “Uit Sleen…”
“Prachtig dorp! Ken ik wel!” Hij zweeg even, maar zette de conversatie al gauw weer voort: “En wat koop u zoal voor goede boeken?” “Ik lees veel over cultuur en godsdienst…” “O, u hebt ook wat met de kerk…?” “Ja, ik ben dominee…?” “Nou, dat vind ik nou leuk! U praat gewoon met mensen bij de bushalte en nu met mij in de bus!” Hij keek me eens goed aan. “En u ziet er helemaal niet uit als een dominee…” Ik wilde iets grappigs zeggen, maar wist niet wat en de heer ging verder: “Ik ben dol op Groningen. We hebben er net een huis ge-kocht. In een dorp wil ik niet oud worden. In Groningen heb je alles…” “En, waar rijdt u naar toe vanaf die parkeerplaats?”, vroeg ik, ook een beetje nieuwsgierig geworden. “Naar Roden, daar hebben we zo’n twintig jaar ge-woond. Binnen een week ons huis verkocht, vraagprijs, aan Amsterdammers. De eerste kijker was koper…” “Mooi!”, zei ik. We kijken beiden naar buiten. Toen zei de heer: “U komt niet uit Drenthe hoor ik.” “Nee, ik kom uit Rotter-dam.” “Mooie stad!” Hij was weer ven stil en vroeg toen: “En, komen er nog wat mensen bij u in de kerk?”
“Ja hoor, meestal zit het wel goed vol.” “Ja, veel mensen zijn weer op zoek he?”
Hij keek even naar buiten. “Ik ook!”, zei jij. “Vroeger kwam ik veel in de kerk. Ik ken nog veel psalmen uit mijn hoofd. Soms zit ik ineens op mijn fiets te zin-gen:
“Heer, ai maak mij Uwe wegen door Uw Woord en Geest bekend…”. Maar ik ben de weg een beetje kwijt. Ik heb niets te klagen hoor, goed pensioen, lieve vrouw,
geen ruzie in de familie, maar ik mis ook wat. Nou ja, je hoeft natuurlijk niet naar de kerk om te geloven.” “Je kan ook zo wel eens met God praten.”, zei ik.
“Ik denk dat Hij het wel waardeert als je ook eens bij Hem op visite komt, om het maar even zo te zegen.”, preekte ik verder. De heer moest hartelijk lachen.
“Nu ik zo met u zit te praten denk ik: Ik ben nu 77, nooit te oud om nog weer eens wat te wagen. Ik kom eens bij u naar de kerk…” De bus stopte. We liepen samen onder de weg door naar de parkeerplaats. Op de parkeerplaats groetten we elkaar. “Nou, dominee tot ziens! Bid maar eens voor een verloren schaap.”
Dat heb ik de zondag daarop gedaan, want de Goede Herder komt misschien nog eens langs Roden. Hij liep naar een grote auto. Ik dacht: We hebben ons niet eens aan elkaar voorgesteld. Die avond heb ik mijn ontmoeting meteen opgeschreven. Weken heb ik ‘s zondags van de preekstoel gekeken of mijn mede-buspassagier in de kerk zag zitten. Ik zag hem niet, maar misschien zat hij in een andere stal of maakte hij op zondag een fietstocht en zong hij: “De Heer is mijn Herder…” Hij kende dat lied ook vast uit zijn hoofd.