Veur de Preek

Een paar weken geleden kreeg ik een brief van Arie uit het Huis van Bewaring. Hij zit weer vast. Waarschijnlijk moet hij een paar jaar zitten. Arie schreef mij dat hij het jammer vond dat ik niet meer in het Huis van Bewaring werkte. We hadden samen zoveel gepraat en ook gebe­den en de Here God gev­raagd of het toch maar goed zou komen met Arie. Maar, het kwam niet goed en hij heeft het niet gered. Toen Arie voor het eerst naar de kerk in het Huis van Bewaring kwam zei hij:”Ik ga wel naar de kerk, maar, ‘k moet er verder niets van hebben. ‘k Ben een uurtje van m’n cel. ‘k Zie een paar mensen van buiten de muren. Er is koffie, maar verder… Dus, dominee, mij moet je niet lastigvallen.”

Arie stond bij de ingang van de gymnastiekzaal, voor een uurtje kerk. Hij zwaaide met zijn stok – Arie kan moeilijk lopen – en zocht een plaatsje. Dat was het begin van ons contact. Op een van de cellenblokken was ik hem voor het eerst tegenge­komen. Hij vroeg of ik de dominee was en na mijn ‘ja’ begon hij mij zonder aanleiding uit te schelden: “Met mooie praat­jes kun je een aardige boter­ham verdienen…”, riep hij. Ik liet Arie een beetje links liggen. Maar toen hij toch naar de kerk kwam was ik verbaasd. Ik vroeg me af: Zou hij zich een beetje rustig houden? Toen alle mannen zo’n zestig kerkgangers in de gymzaal, de kerk, zaten, gingen de deuren op slot. De bewaarders namen hun plaatsen. Na een paar minuten werd het stil. “Beste mensen, we zijn vanmiddag bij elkaar in de kerk. Welkom allemaal, ook onze gasten, het koor uit Rotterdam.” Iedereen was nu stil. Arie hield zijn stok goed vast alsof hij een beetje steun zocht in deze vreemde omgeving. “Ook op deze middag mogen we tegen elkaar zeggen dat God bij ons is, in deze kerk, hier in het Huis van Bewaring.” De dienst was begonnen. We zongen met elkaar, luisterden naar een woord uit de Bijbel en naar de over­denking en we baden voor vrouwen, vriendinnen en kinderen. Na de kerkdienst dronken we koffie. Arie mopperde: “’t Is hier ook nog gezellig!” Een paar mensen in de buurt van Arie spra­ken over vriendschap­pen en wat je van je vrienden mag verwach­ten als je vastzit. “Ik heb geen vrienden” bromde Arie, “dan heb je ook geen zorgen.” Niemand hoor­de hem. De stoelen naast hem waren leeg. Niemand had koffie voor hem ge­haald. Zelf kon hij niet met zijn stok. “Arie, ’n kopje koffie?” Ik had koffie voor hem gehaald. “Zo, zo, en dan nog wel van jou…” Na de dienst en het kof­fiedrinken werden de mannen weer ingesloten. Bij de deur gaven we elkaar een hand. Arie zei: ” ‘k Wil nog weleens met je praten, niet over God of over de kerk­.” Een paar dagen later zaten we tegenover elkaar, ik had Arie van zijn cel gehaald. Hij lag op zijn bed, onder de dekens, kleren nog aan. De lege blikjes lagen onder zijn bed, de vuile was in een hoek. Even later zei hij op mijn kamer: “En, dominee, waar zullen we het over hebben? Geloven doe ik niet meer. Over paters en dominees kan ik wel een boek schrijven…” “Nou, dan beginnen we maar met een kopje koffie!”, zei ik. Ook niet goed wetend of ik wel ergens over moest praten. “Ik ben hier vaak geweest”, zei Arie. Hij stak van wal en praatte meer dan een uur aan een stuk door: “Neen, niet wat je denkt. Vroeger, als kleine jongen. We woonden in de binnen­stad, m’n vader en ik. M’n moeder was toen al weg met een andere man. Iedere zaterdagavond kwamen we hiernaar toe, ik ging altijd met mijn vader mee. Hij zong bij de pater in het koor, ‘t is al een tijd geleden. M’n vader zie altijd: “Arie, jon­gen, zorg dat je hier nooit komt! En, nu zit ik hier toch, gelukkig is mijn vader dood.” Arie was eens gaan verzitten. Hij keek wat vriendelijker en vertelde verder. Hij vertelde over zijn aardse vader, van wie hij zielsveel had gehou­den. En over de Hemelse Vader, met wie hij had gebroken toen hij dat ongeluk kreeg. “Sinds dat brom­fietsongeluk kan ik nauwelijks meer lopen. ’t Was niet eens mijn schuld. Het ergste vind ik dat ik moeilijk dingen kan onthouden. ‘k Stond op het punt om te trouwen. Mijn meisje wilde geen kreupele jongen, toen is het mis gegaan.” Arie vertelde hoe hij uiteindelijk in de gevangenis terecht was gekomen. Waarom hij niemand meer vertrouwde, vooral de mensen niet die zo graag andere mensen willen helpen. Na een uur stond hij op: “Bedankt!” Zwaaiend met zijn stok liep hij achter me aan de smalle stalen trappen af naar zijn donkere cel. Bij de deur legde hij zijn gezonde hand op mijn arm en zei: “Dominee, in die kerkzaal kwam ik vroeger met m’n vader. Ik ging altijd met mijn vader mee. Hij zong bij de pater in het koor. ’t Is al een tijd geleden. Mijn vader zei altijd: “Arie, jongen, zorg dat je hier nooit komt! En nu zit ik hier toch. Gelukkig is mijn vader dood. Heb ik je dat al eens verteld?”