Inhoud

Inleiding
1. Het taboe doorbroken?
2. Waarom dit boek?
3. Waarom deze titel?
4. Verraden Vertrouwen
5. Waar spreken we over?
6. Wie is Naomi?
7. Woord van dank

Hoofdstuk 1 Leven met een geheim
1. Inleiding
2. Duizend vragen en geen antwoorden
3. Verraden vertrouwen, gebroken geluk
4. Hoe komt het dat het niet stopt?
5. Onzichtbare slachtoffers
6. Onzichtbare daders
7. Mythen over incest
7.1 Mythe: Het kan niet waar zijn
7.2 Mythe: Zo gaat dat in die culturen
7.3 Mythe: Incest is een teken van een liefdevolle relatie
7.4 Mythe: Het kind roept ‘het’ wakker
7.5 Mythe: De vrouw maakt deel uit van de samenzwering
7.6 Mythe: De man is een gestoord individu

Hoofdstuk 2 Je mag niet bij me spelen!
1. Inleiding
2. In een gewoon rijtjeshuis
3. De moeder in het gezin
3.1 De onderdrukte moeder
3.2 De assertieve moeder
3.3 De gewantrouwde moeder
3.4 De schipperende moeder
3.5 De medeplichtige moeder
3.6 De afwezige moeder
3.7 De biddende moeder
3.8 De over-gelovige moeder

Hoofdstuk 3 Kinderen van de rekening
1. Inleiding
2. Een zonde en een misdrijf
3. Thuis is het niet pluis
4. Kindermishandeling
4.1 Lichamelijke kindermishandeling
4.2 Psychische kindermishandeling
4.3 Religieuze kindermishandeling
4.4 Relationele en seksuele kindermishandeling
5. De incestsituatie
5.1 De positie van het kind in het gezin
5.2 Innerlijk overleven
5.3 Het geheim doorbroken
5.4 Intrekken of bagatelliseren van het incest-verhaal
6. Incestslachtoffer
7. Gevolgen van incest
7.1 Lichamelijke gevolgen van incest
7.2 Psychische gevolgen van incest
7.3 Religieuze gevolgen van incest
7.4 Relationele en seksuele gevolgen van incest

Hoofdstuk 4 De dader
1. Inleiding
2. Gij zijt die man!
3. Wie is de dader?
4. Typen daders
4.1 De autoritaire dader
4.2 De kinderlijke dader
4.3 De gelegenheids dader
4.4 De geperverteerde dader
5. Blijf uit mijn buurt
5.1 Rationaliseren
5.2 Beschuldigen
5.3 Ontkennen
5.4 God vergeeft me toch wel
6. Achtergronden
6.1 Kwetsbaarheid
6.2 Isolement
6.3 Slecht ontwikkeld gevoelsleven
6.4 Machtsmisbruik
6.5 Geen verantwoordelijkheidsgevoel
6.6 Slachtoffers worden daders
7. De kansen op gedragsverandering

Hoofdstuk 5 Moeilijke gesprekken
1. Inleiding
2. Professioneel luisteren
3. Onthulling van het geheim
4. “LAST”
5. Signalen van kinderen in het contact
6. Signalen bij volwassenen
7. Het dubbele taboe bij jongens
8. Samenvatting aandachtspunten bij het gesprek met slachtoffers
9. De dader is een ander verhaal
10. Meer-sporen-beleid

Hoofdstuk 6 Het taboe doorbroken?
1. Inleiding
2. Incest in de zware kerken
3. Weet wat je doet
4. In mijn gemeente komt het niet voor!
5. en mens naar Gods beeld
6. De ouder-kind relatie in bijbels licht
6.1 Ouderlijk gezag
6.2 Oudrs zijn voorbeeld
6.3 Grenzen
7. Incest is een zonde en een misdrijf
7.1 Een splitsing tussen leer en leven
7.2 Vervormd Godsbeeld
7.3 Geloofsverdieping

Hoofdstuk 7 Godsdienst en incest
1. Inleiding
2. Incest in het Oude Testament
3. Incest in het Nieuwe Testament
4. Ieder mens is uniek
5. De mens mag liefhebben en beminnen
6. De mens mag een ander mens niet misbruiken
7. Schuld
7.1 Uitspreken van schuld
7.2 Belijden van schuld
7.3 Vergeving en verzoening
8. Dordtse Kerkorde
8.1 Tucht
8.2 Toepassing kerkelijke tucht

Besluit

Een woord van dank aan collega Bram Kasse voor het kritisch doorle-zen van de tekst en zijn waardevolle opmerkingen.

Inleiding

1. Het taboe doorbroken?

“Ik heb lang gezwegen!”, vertelde Naömie in ons eerste gesprek. “Sinds ik studeer en het huis uit ben, word ik mij bewust wat ik alle-maal niet heb gehad. Wat ik kwijt ben. Ik voel me zo vaak bedrogen, afgedankt, grof vuil. De dader was een oom, oom Henk, die als sur-rrugaatvader mijn leven binnenkwam. Ik heb wel eens geprobeerd mijn verhaal te vertellen. ’t Ging altijd fout. De mensen willen het niet horen of willen het te graag horen.”

Het eerste gesprek met Naömie na het eerste college over incest ben ik niet vergeten. Het taboe op het spreken over incest lijkt doorbroken. Ik merk evenwel nog vaak dat incest een onderwerp is waar¬ we liever niet over pra-ten. We kunnen of willen het nauwelijks geloven dat ‘het’ ook voorkomt in onze kerken. In de kranten en gezinsbladen van de christelijke pers is de laatste tien – vijftien jaar regelmatig aandacht besteed aan incest. Het lijkt alsof slachtof¬fers van incest steeds vaker hun ver¬haal durven te doen. Met enige aarzeling schrijf ik dat het taboe doorbroken lijkt. Met aarzeling, om-dat ik nog steeds slachtoffers spreek die soms jaren het geheim met zich mee hebben gedragen. Ik weet niet hoeveel slachtoffers dit geheim levens-lang met zich meedragen. Dat weet niemand.

2. Waarom dit boek?
Dit boek is voor een deel een herziene en gewijzigde herdruk van het eer-der verschenen boek “Incest, een informatieve handreiking”. Het grootste gedeelte bevat nieuwe tekstgedeelten. In heb de ‘geest’ van het boek pro-beren vast te houden. Ik heb de eerste druk van het boek ervaren als hel-der en informatief. Het is geschreven met de Bijbel als uitgangspunt en lei-draad. Mijn waardering gaat uit naar de auteurs die destijds het voortouw in onze kerken hebben genomen om dit onderwerp aan de orde te stellen. Ik noem drs Janneke Kok, drs Anja Koster en Dr. Jan van deer Wal.
In dit boek verwerk ik informatie uit mijn promotieonderzoek, mijn andere boeken en artikelen over incest en uit vijftien jaar gesprekken met incest-slachtoffers, incestdaders, collega-predikanten en studenten. In dit boek bespreek ik enkele onderwerpen die met incest te maken hebben. De vele voorbeelden nodigen uit tot gesprek en discussie. Dit boek is geschreven voor mensen die bijvoorbeeld werkzaam zijn in het basis – en voortgezet onderwijs, het pastoraat, in de sociaal-pedagogische hulpverlening of maatschappelijke dienstverlening en verder voor allen die meisjes als Naömie of mannen als oom Henk tegenkomen. Het boek kan ook als stu-dieboek worden gebruikt voor bijvoorbeeld studenten aan een PABO.

3. Waarom deze titel?
In dit boek heb ik een groot aantal verhalen die ik gehoord heb verwerkt in het verhaal van Naömie en oom Henk. Naömie is slachtoffer. Oom Henk is dader. Naömie was een student die mij haar levensverhaal vertelde. Het was een beklemmend verhaal waarin alle componenten van de incestsitua-tie in voorkwamen. Ik heb bij stukjes en beetjes van haar en van tientallen andere slachtoffers gehoord hoe incest haar geluk brak. Ik heb daarom de-ze subtitel van dit boek gekozen: “Incest brak haar geluk.”. Ik heb de ge-sprekken met Naömie verhalenderwijs verwerkt. Ieder “verhaaltje” over Naömie en oom Henk prikkelt tot discussie.

4. Verraden Vertrouwen
In ons gezin, onze familie, in de kerk, op school, op de club komen we meisjes als Naömie tegen en mannen als oom Henk. We rollen dan onge-wild in een menselijk drama. Hoe moeten we reageren? Wat moeten we zeggen? Daarover heb ik het op lezingen en in colleges gehad. Al meer dan vijftien jaar geef ik als predikant en docent lezingen en colleges over in-cest. De titel van de lezingen en colleges is meestal “Verraden Vertrouwen” of “Twee mensen hebben een geheim”.

5. Waar spreken we over?
Er is veel begripsverwarring over de begrippen ‘incest’, ‘seksueel misbruik’, ‘ontucht’ etc. Ik gebruik in dit boek meestal het woord ’incest”, omdat het vooral gaat over misbruik door gezins- of familieleden. Incest is natuurlijk ook seksueel misbruik. Het begrip ‘seksueel misbruik’ gebruik ik ook in dit boek, maar alleen als het om wat andere relaties gaat dan de gezins- of familierelaties.
Wat betekent ‘incest’ eigenlijk? Het woord ‘incest’ is waarschijnlijk afgeleid van het Latijn¬se ‘castus’ (= rein, kuis) en van ‘incestus’ (= onrein, on¬kuis, ontuch¬tig). ‘Ince¬stare’ betekent besmetten, veront¬reinigen, schenden en volgens de woorden¬boeken voor mid¬deleeuws Duits vielen onder ‘incestus’ ‘unkeuschheit mit den magen (= bloed¬verwanten) vel (= of) junck-frawen’, maar ook over¬spel. Een andere, meer symbolisch georiënteerde etymologische opvat¬ting zoekt de oorspronkelijke betekenis bij het Latijnse ‘cestus’, (= gordel van Venus), die ‘de liefde opwekt’ en in het huwelijk als teken van trouw van de vrouw gold. In de Griekse traditie was het losma-ken van de gordel een symbool voor seksuele handelingen. Bij Homerus heet de huwelijksgod Hymenaios de ‘gordel van de losmakende’ en de gordel van Aphrodite, de godin van de liefde, werd beschouwd als zetel van haar erotische betoveringkracht. In de sociaalwetenschappelijke litera-tuur komen wij een aantal defini¬ties van ‘incest’ tegen. Ik gebruik meestal twee woordparen: verraden vertrouwen en gebroken geluk. Binnen de sfeer van deze woordparen ligt het gebied van seksueel misbruik in het gezin of incest.

6. Wie is Naömie?
Ik heb het levensverhaal van Naömie, net als alle andere gespreksfragmen-ten, zo in dit boek verwerkt dat haar privacy en die alle genoemde perso-nen volsterkt gegarandeerd is. Mocht iemand zich toch in een van de voor-beelden herkennen, dan is dat toeval en wellicht ook schokkend.

7. Woord van dank
Tenslotte wil ik “Naömie” en de vele studenten noemen van de Christelijke Hogeschool Ede die bij mij het keuzevak “Verraden Vertrouwen” hebben gevolgd. Ik wil de studenten van de Evangelisch Theologische Faculteit in Leuven (B.) bedanken voor hun kritische vragen en waarderende evalua-ties van dit onderwerp binnen de praktische theologie. Vele studenten schonken mij veel vertrouwen. Ik wil niet in de laatste plaats slachtoffers en daders bedanken voor hun vertrouwen. Zij vertrouwden mij veel toe. Ik wil collega-predikanten en hulpverleners bedanken voor hun collegialiteit en waarderende woorden na cursussen, trainingen, conferenties en consul-ten.

Hoofdstuk 1 Leven met een geheim!

1. Inleiding

Ze bleef vaak na schooltijd even plakken. Naömie was elf jaar en zat in groep acht. Alle kinderen liepen na schooltijd over het speelplein naar huis. Ze hoorden ze lachen en gillen. Hun wereld. In haar we-reld was het stil. Naömie vond het best fijn op school. Na schooltijd had Juf Martha vaak een karweitje voor haar. Daarna liepen ze sa-men het schoolplein af naar het fietsenhok. Voordat Naömie op haar fiets stapte streek juf dan even door haar bruine krullen. Haar bruine krullen die ze was gaan haten. Hoe vaak had oom Henk er doorheen gestreken met zijn grote stinkende handen. Telkens kromp ze in el-kaar. Dat was vaak het begin van iets waar ze met niemand over kon praten. Niemand mocht in haar stille geheime wereld komen. Ook juf Martha niet. Nog niet…

Twee mensen hebben een geheim. Met die zin begin ik vrijwel iedere lezing of college. Naömie draagt een geheim met zich mee. Niemand mag een kijkje nemen in haar stille geheime wereld. In die wereld heeft een grote man het voor het zeggen. Hij is daar de baas over haar lichaam. Met zijn grote handen strijkt hij door haar krullen. Dat is het begin. Daarna zoeken zijn grote handen hun weg naar de meest intieme delen van het weerloze kinderlichaam. Het kind moet het fijn vinden. De grote man noemt het lief-de. Naömie zwijgt over haar geheim. Want als ze haar geheim zou onthul-len stort haar wereld in elkaar. Ook oom Henk draagt een geheim met zich mee. Niemand mag een kijkje nemen in zijn geheime wereld. Hij is geen baas meer over zijn lichaam. Als hij met zijn grote handen door haar brui-ne krullen strijkt, gebeurt er iets met hem. Hij kan niet anders. Hij moet verder gaan. Steeds verder. Toen hij voor het eerst gemeenschap met haar had voelde hij zich schuldig. Nu enkele maanden was dat gevoel versleten. Het is immers liefde. En het meisje kon ook ‘neen’ zeggen. Oom Henk zwijgt over zijn geheim. Want als hij zijn geheim zou onthullen stort zijn wereld in elkaar.

Oom Henk verraadt het vertrouwen van zijn nichtje. Naömie ging als meisje graag logeren bij oom Henk en tante Gea. Na twee jaar wilde ze niet meer. Het is tijdens de zomervakantie is het begonnen. Toen begon het misbruik. Het begon langzaam, subtiel, geraffineerd. Oom Henk maakte het kind be-langrijk. Ze was zijn prinsesje. Niemand had zulke mooie krullen als zij. Een jaar later zei hij dat niemand zulke mooie borstjes had als zij. Toen hadden twee mensen al een jaar een geheim. En slapeloze nachten.

2. Duizend vragen en geen antwoorden

Juf Martha vertelde over Jaïrus en zijn zieke dochtertje. Een mooi verhaal, vond Naömie. Maar, toch. Een andere wereld. Een omge-keerde wereld. Zij had geen vader. Hij was enkele jaren geleden weggegaan. Op een morgen waren er ineens wat meubels weg en de schuur was bijna leeg. Moeder zat in de keuken te huilen. Toen ze Naömie zag, zei ze: “Lieverd, papa komt niet meer thuis.” Ze had het nauwelijks begrepen. Haar lieve pap zou haar toch nooit zomaar in de steek laten? Maar hij kwam niet meer thuis. Zelfs op haar ver-jaardag kreeg zij geen kaartje meer. Na de zomer kwam oom Henk vaker bij hen thuis. Toen pappa nog thuis woonde, kwam hij bijna nooit. En nooit zonder tante Gea. Oom Henk had een eigen huis met een vrouw en twee dochters. Hij was ook van de kerk. ’s Zondags liep hij in een zwart pak en dan keek hij altijd ernstig. Hij zei wel aardige dingen tegen haar, maar hij was niet aardig. Het begon toen hij eens bij hen op bezoek was. Per ongeluk de badkamer binnen-kwam. Hij deed alsof hij schrok en zei dat hij alleen een glaasje wa-ter wilde pakken. Maar, dat doe je toch in de keuken? Daarna deed ze altijd de badkamerdeur op slot. Moeder vond het maar overdre-ven. Naömie niet. Vader Jaïrus was vast een lieve pap. Ze vroeg aan juf Martha: “Juf, blijven pappa’s van hun dochter houden, ook al wo-nen ze heel ver weg?”

Incest heeft onvoorstelbaar veel impact op het leven van een kind. Het on-bevangen vertrouwen in pappa’s en mamma’s en in mensen die een vader – of moederrol vervullen wordt verraden. Kinderen stellen zich duizend vragen. Niet alleen als ze elf zijn, maar misschien ook nog wel als ze zelf vader of moeder zijn of grootvader of grootmoeder. Waarom ben ik zo? Wie ben ik nog? Wat ben ik nog waard? Waarom moet ik alles zelf doen? Waar-om laat iedereen me in de steek? Waarom heeft hij me zo vernederd? Waarom heeft hij mij een minderwaardigheidsgevoel bezorgd? Waarom, waarom heb ik zo’n vader? Waarom heeft mijnmoeder niets in de gaten? Waarom kan hij gewoon ver¬der leven alsof er nooit iets gebeurd is? Waar-om gebeurt er geen wonder? Waarom voel ik me zo eenzaam? Waarom moet ik zoveel dragen? Waarom heb ik anderen zo nodig en verlang ik zo naar een beetje liefde en warmte? Waarom word ik op deze wijze gestraft? Waarom luistert God niet naar mijn gebed?

3. Verraden Vertrouwen, gebroken geluk

Naömie miste haar vader heel erg. Ze kon maar niet begrijpen dat hij zomaar was weggegaan. Ze voelde zich verraden. Hij had zo vaak gezegd dat hij heel erg veel van haar hield. “Je bent mijn lieve pop-pie!” Oom Henk zei dat hij het ook heel erg vond dat pap was weg-gegaan. Hij kwam nu veel bij moeder. Naömie vond dat niet altijd prettig. Moeder had dan veel aandacht voor oom Henk. Te veel. En oom Henk had toch een eigen vrouw en twee dochters? Oom Henk beloofde moeder over Naömie te vaderen. In het begin vond Naömie dat ook wel fijn. Zo had ze toch nog een beetje een vader. Totdat ook oom Henk haar vertrouwen verraadde.

Incest heeft altijd te maken met vertrouwen dat verraden wordt. Als kin-derlijk ver¬trouwen en onbevangenheid omslaan in wantrouwen is er wat gebeurd tussen de machtige volwassene en het afhankelijke kind. De vol-wassene heeft het kind iets ontnomen. Wat? Niet alleen het spontaan dur-ven vertrouwen op de volwassene, maar ook de kinderlijke onbevangen-heid. Het wantrouwende kind moet om te overleven het op¬gedrongen ge-heim bewaren. Soms wordt het geheim onthuld. Soms is de straf op zwij-gen levenslang. Incest heeft dus te maken met misbruik van vertrouwen en mis¬bruik van macht. In gebruik vrijwel altijd twee woorden om deze zonde en dit misdrijf aan te duiden: Verraden Vertrouwen (Borst 1996, 2004). Dit zijn kernbegrippen die vrijwel in iedere definitie van incest staan. Woelinga (1988) definieert incest als misbruik van macht en ver-trouwen door een ou¬der of gezins- of familielid ten opzichte van het kind in de vorm van seksuele hande¬lingen of pogingen daartoe, meestal onder druk van geheimhouding.

4. Hoe komt het dat het niet stopt?
De laatste vijftien jaar is er veel gepubliceerd over incest. In de kerken zijn tal van publicaties verschenen en commissies ingesteld om het misbruik een halt toe te roepen. Het taboe op incest lijkt grotendeels doorbroken. Er wordt ongetwijfeld ook vaker en gemakkelijker over gepraat in de kerken. Ik kan grotendeels uit eigen ervaring spreken als ik denk aan het grote aantal , dat ik heb mogen houden in evangelische gemeenten, maar ook in bevindelijk-gereformeerde gemeenten. Ik begin meestal uit te leggen dat twee mensen een geheim hebben. Ze weten het van elkaar en verder weet niemand het. Beiden hebben ook een belang. Welk? Ze kunnen niet over-zien wat er gebeurt als ze het geheim onthullen. Het slachtoffer vraagt zich af: Wie zal mij geloven? Hoe gaat met ons gezin? Ben ik er de schuld van als mijnvader de gevangenis in moet? De dader vraagt zich af: Wat blijft er van mijn positie als vader, werknemer, ambtsdrager over als het geheim uitkomt? Mijn wereld stort in elkaar en daarom zwijg ik en zal ik altijd ont-kennen.
Ik kan niet zeggen dat het misbruik van kinderen minder wordt. Ik heb wel het gevoel dat de belangstelling in de pers vermindert, maar daarmee be-twijfel ik of het aantal incestslachtoffers vermindert. Volgens onderzoeken zouden 1 op de 7 meisjes seksueel misbruikt zijn, nu nog misbruikt worden of ooit last hebben gehad van seksuele intimidatie.
5. Onzichtbare slachtoffers

Oom Henk vond Naömie muziekaal. Dat vertelde hij aan moeder. Hij bood aan haar gratis pianoles te geven. Naomi wilde niet, maar moe-der vond het wel erg aardig van oom Henk. Oom Henk kon aardig doen nu pappa weg was, maar het voelde niet goed, het wrong er-gens. Bij oom Henk stond de piano op zijn kamer. Het was een don-kere kamer met heel veel boeken en grote lederen stoelen. Het was een enge kamer. Hij speelde piano bij het mannenkoor van de kerk en hij speelde ook wel eens op het orgel als de organist niet kon. Er was op de pianokruk geen plaats voor twee, maar oom Henk kwam toch vaak naast haar zitten. Hij kon heel erg lief doen, ook al speelde ze heel andere noten dan in haar oefenboek stonden. Dan streek hij even door haar bruine krullen en zei: “Je bent mijn lieve poppie!” Vroeger had haar vader dat ook vaak tegen haar gezegd. Maar dat was haar vader en die hield van haar. Na de eerste lessen dwaalden zijn handen af naar haar armen, haar middel, haar benen. Ze pro-beerde zijn grote handen te ontwijken, maar ze kon niet van de pia-nokruk af. Toen hij voor de eerste maal haar borsten had aangeraakt wist Naömie dat dit niet goed was. Hoe kon ze dit ooit aan mama vertellen? Voor ze uitgepraat was, was daar moeders hand vanuit het niets in haar gezicht. “Je bent een slechte meid en je maakt alle mannen dol met die bruine krullen!”

Kinderen zijn nooit de oorzaak van het seksueel misbruik. Als ze in de ogen van de volwassene aanleiding zouden geven is dat geen vrijbrief of uitno-diging het kind te misbruiken. Oom Henk heeft zorgvuldig een incestsitua-tie voorbereid. Stap voor stap zorgde hij er voor dat hij naast Naömie op de pianokruk kwam. Het meisje vond geen gehoor bij haar moeder, die haar signaal negeerde en haar zelfs verweet dat ze met haar bruine krullen alle mannen dol zou maken. Wat moet een kind met zo’n afwijzing? Oom Henk zag daarin wel een vrijbrief en zocht steeds vaker een aanleiding om bij Naömie te zijn, pianoles of niet. Dat roept de vraag op hoe dit mogelijk is. Niet zelden maakt men de onjuiste gevolgtrekking dat het slachtoffer in feite de dader verleidt tot zijn gedrag.

Tot aan de vorige eeuw was de dochter strafbaar omdat incest werd gezien als een vorm van overspel. Enkele eeuwen geleden werd een dochter die haar vader “verleidde” ter dood gebracht. Was de doch-ter een jong kind dan toonde men clementie vanwege haar ‘onno-zelheid’. In Amsterdamse arbeidersgezinnen van eind 19e en begin 20e eeuw kwam het vaak voor dat grote gezinnen werden onderge-bracht in kleine achterhuisjes, waar deze gezinnen niet meer hadden dan een kamer en een bedstee, waar de kinderen bij elkaar te slapen werden gelegd (www.seksueelmisdrijf.nl).

Wat oppervlakkig misschien als ‘verleiding’ wordt uitgelegd, moet bij nader inzien waarschijnlijk verklaard worden uit de schadelijke gevolgen van het eerdere misbruik. Zo wordt de weerbaarheid van deze meisjes en jongens waarschijnlijk minder. Ze kunnen zich onbe¬wust gedragen als iemand die ‘in de hoek gaat zitten waar de klappen vallen’, of uitdagend gedrag verto-nen omdat ze niet anders geleerd hebben.

6. Onzichtbare daders

Juf Martha had in de klas wel eens verteld over een potloodventer in het park in de buurt van de school. Ze had de kinderen gewaar-schuwd voor de man in de lange regenjas. Juf Martha vertelde dat het je oom zou kunnen zijn, een vader van een gezin, een ouderling van de kerk. Het was niet alleen verkeerd, wat die man deed, maar ook een zonde om zo met je lichaam om te gaan. Juf Martha had er ruim de tijd voor genomen. Naömie dacht aan oom Henk. Wat zou de juf zeggen als zij zou horen wat oom Henk met haar deed en wat zij bij oom Henk moest doen? Dat was niet alleen heel verkeerd, maar ook heel zondig. Naömie snapte niet dat oom Henk op zondag in de kerk in een aparte bank met andere mannen zat. Soms mocht hij de dominee een hand geven. Alle mensen van de kerk hielden van oom Henk. Ze zouden haar nooit geloven als zij zou vertellen dat hij ook een potloodventer was. Alleen niet in het park, maar in zijn eigen kamer met de grote lederen stoelen. De pianokamer.

Als gevangenispredikant heb ik veel daders achter tralies gesproken en la-ter niet minder buiten de gevangenis. Ik heb maar een maal met een vrou-welijke dader gesproken. In bijna alle gevallen zijn mannen de plegers van seksueel misbruik. Ooms en broers maken ieder een kwart van de daders uit. Vaders en vaderfiguren zijn bijna in een op de vijf gevallen daders. In de overige gevallen gaat het om broers, ooms, grootvaders en huisgeno-ten. Soms begint het seksueel misbruik geleidelijk. Bijvoorbeeld met op schoot zitten, naar bed brengen en stoeien, waarbij dit op een gegeven moment ‘uit de hand loopt’. In veel andere gevallen begint het echter on-verhoeds. De dader neemt naast zijn leerling plaats op de pianokruk, kruipt onverwacht in bed, komt de douche binnen, of grijpt het meisje per onge-luk bij haar borsten. Seksueel misbruik gaat nogal eens gepaard met licha-melijke dwang of zelfs mishandeling. Daarnaast is ook vaak sprake van onuitgesproken dreiging, psychisch overwicht, chantage, verleiding of ge-vlei. Ik spreek in de colleges vaak over de drie “C” ‘s. De eerste staat voor Contact. In het contact gebeurt iets. Wat gebeurt er? De tweede C staat voor Charme. De dader zegt: “Je bent mijn lieve poppie!” De derde C staat voor Chantage. De dader zegt: “ Als je niet meewerkt krijgt je kleine zusje een pak slaag.” In verreweg de meeste gevallen wordt dus onder directe of meer bedekte bedreigingen druk op de misbruikte meisjes en jongens uitgeoefend om niet over het gebeuren te praten. Met de titel “Twee men-sen hebben een geheim” heb ik al veel lezingen gegeven. Juist vanwege het isolement dat daardoor ontstaat kan het seksueel misbruik zijn ver-woestende werking doen op de persoonlijkheid van de slachtoffers en hun toekomstige relaties.

7. Mythen over incest
In de literatuur komen we verschillende mythen over incest tegen. Een my-the ontkent het bestaan van incest. Slachtoffers die met een mythe wor-den geconfronteerd zeggen nogal eens dat ze voor een tweede maal mis-bruikt of verkracht worden. Nu door mensen die het verraden vertrouwen of het gebroken geluk ontkennen.

7.1 Mythe: Het kan niet waar zijn!

Een collega vroeg mij per telefoon om advies. Hij schetste een situa-tie in zijn gemeente van een gezin dat bestond uit een vader, een moeder en zes kinderen. De oudste dochter van het gezin had in de loop der jaren de rol van haar ziekelijke moeder overgenomen. Ze was met haar predikant gaan praten omdat ze na het behalen van haar middelbare school diploma naar de PABO wilde gaan. Haar va-der zei dat hij haar niet kon missen. Het meisje voelde zich erg schuldig. Temeer daar haar vader nogal eens het vijfde gebod ci-teerde. Toen de predikant vroeg of niemand anders het huishoude-lijk werk kon overnemen, schudde het kind haar hoofd. Dat was niet het probleem, maar ze wilde haar andere zusjes tegen de moederrol beschermen. De predikant dacht even dat hij het begreep, maar dit kon niet waar zijn. Toen hij ’s zondags de vader met zijn kinderen in de bank zag zitten wist hij het zeker. De dochter heeft inderdaad hulp nodig. Het zal je maar gebeuren dat een kind zo’n verhaal over je vertelt.
Enkele maanden later werd de predikant getipt door de zedenpolitie. Het meisje had aangifte gedaan en zat tijdelijk bij een vriendin. Va-der had 48 uur vastgezeten. Hij ontkende alles. Hoe kon zijn doch-ter zoiets over hem vertellen. Hij wilde een afspraak met de dochter maken, maar ze wilde zij hem niet ontvangen.

Het gebeurt nog steeds dat predikanten zeggen dat ‘dit’ in hun gemeente niet voorkomt. Nog niet zo lang geleden was dit geluid ook te horen bij on-derzoekers, therapeuten en andere deskundigen. De verhalen van incest-slachtoffers werden afgedaan als fantasie. Ook moeders, naaste familiele-den en onderwijzers konden wij tot deze groep rekenen die zeiden of uit-straalden: “Dit kan niet waar zijn!”

7.2 Mythe: Zo gaat dat in die culturen!
De cultuurtheorie is misschien de grootste oorzaak van het feit dat de hulpverlening geen actie heeft ondernomen in gevallen waarvan men wist dat incest plaatsvond of waar men het vermoedde. In nogal wat publicaties komen wij het ver¬haal tegen van het Ierse meisje Noreen Winchester. Het meisje is uit de sloppen van Belfast afkomstig en is vanaf haar elfde jaar door haar vader ernstig seksueel misbruikt. Op haar zeventiende heeft ze haar vader vermoord. De zaak Noreen Winches¬ter is door een aantal des-kundigen onderzocht. Eén van die mensen zei, dat incest bij hun subcul-tuur hoorde. Zij zouden er anders tegen¬aan kijken dan wij. Veel kinderen worden gedwongen incest als “positief” voor hun opvoeding te zien of als tegenprestatie aan vader, omdat alle andere alter¬natieven een nog ernsti-ger vorm van kindermishan¬deling tot gevolg zouden hebben. Is er dan sprake van een keuze?

De Winche¬sterkinderen hadden zich neergelegd bij geweld en incest en dat incest behoorde tot het ‘normale cultuur¬patroon in dit soort wijken’. Deskundigen meenden dat de bewoners er een andere me-ning op na hielden over incest dan andere mensen en er niet nood-zakelij¬ker¬wijs door geschaad werden.

7.3 Mythe: Incest is een teken van een liefdevolle rela¬tie:
Het meisje, het slachtoffer, kan sterke gevoelens van genegen¬heid voor haar vader ontwikkeld hebben. Bij een scheiding van dochter en vader kan het meisje haar (enige) bron voor haar gevoelens van genegenheid kwijt-ra¬ken. Sommige psychoanalytici menen dat incest ontstaat op grond van Oedipale wensen van het slachtoffer. Albach (1993) besteedt in haar dis-sertatie uit¬voerig aandacht aan deze Freudiaanse theorieën van na 1897. Nelson plaatst daarbij twee kanttekeningen: In de eerste plaats stelt zij de vraag of incest een symptoom is van een slecht functio¬nerend gezinssys-teem. Veel persoonlijke proble¬men, waaronder bijvoorbeeld alcoholisme, gees¬telijke ge¬stoord¬heid, een laag normbesef, kunnen oorzaken zijn dat ouders te kort schieten bij het geven van goede leiding en verzorging aan hun kinderen.
In de tweede plaats stelt Nelson zich de vraag of vaders die echt om hun kinderen geven hun kinderen emotionele ellende zouden willen aandoen door ze in zo’n liefdevolle val te laten lopen. Het kind heeft immers, in te-genstelling tot een ver¬krachte vrouw, geen uitwijkmogelijk¬heid. Ze blijft afhankelijk voor bescherming en verzorging van haar ouders. Toch kan het meisje de incest met gemengde gevoe¬lens beleven. Soms blijft er een schijn van genegenheid over.

7.4 Mythe: Het kind roept ‘het’ wakker
In de onderzoeken komen we nogal eens tegen dat jonge meisjes heel ero-tisch zijn en dat mannen daartegen geen verweer heb¬ben. Naömie heeft bruine krullen en maakt daarmee de mannen “dol”, zei haar moeder. Op zo’n paradoxaal antwoord op een signaal van een kind voelt een kind zich niet begrepen, schuldig en afgewezen. Voor sommige volwassenen hebben jonge meisjes en jon¬gens een erotische uitstraling hebben, maar dat dit nooit een misbruik kan rechtvaardigen. Het idee dat kinderen hun vader kunnen verleiden of “aanmoedigen” is voornamelijk terug te voeren is op de Freudiaanse theorie dat alle kinderen een fase van incestueuze verlan-gens ten opzichte van hun ouders doormaken.

7.5 Mythe: De vrouw maakt deel uit van de samenzwering:
Hier komen we de medeplichtige moeder weer tegen. Naömie heeft een co-alitie tussen moeder en oom Henk ervaren. Oom Henk kon in de badkamer komen, oom Henk mocht pianoles geven als moeder met tante Gea aan het wandelen was, oom Henk was een voorbeeld in de kerk en nam uit liefde de vaderrol over.
Over moeders van seksueel misbruikte kinderen is veel geschre¬ven, zowel door slachtoffers als door hulpverleners en onder¬zoekers. We komen nogal eens tegen dat de dochter een moeizame relatie heeft met haar moeder. Uit onderzoeken komt naar voren dat dochters meestal zeggen een slechte band met hun moeder te hebben. Ook zou de moeder (in)direct bij de in-cest betrok¬ken zijn als ‘silent partner’.

7.6 Mythe: De man is een gestoord individu:

Op zaterdagmiddag ging hij altijd naar een seksshop. Voor tien euro keek hij tien minuten door een ruitje naar een blote dame. Op zater-dagavond las hij een preek van een van de oudvaders. Op zondag zat hij twee maal in de kerk. Op zondagmiddag wilde hij zich ont-spannen. Die tijd was voor hem. Neen, voor hem en zijn dochter. Dat vertelde zijn dochter tien jaar later na een college “Verraden Ver-trouwen”. Ze vertelde dat haar vader een draaideur patiënt was. In en uit een inrichting. Hij had iets wat je tegenwoordig ‘borderline’ noemt, vertelde ze. En hij had iets heel slechts. Het was de satan of zijn ziekte of beide. Maar zij wilde niets meer met de kerk te maken hebben. Ook niet meer met haar vader. Twee jaar na ons gesprek schreef ze mij een brief dat ze zeker wist dat God niet bestond. We hebben toen koffie gedronken en gepraat over het bestaan van God. We waren met z’n tweeën. Of was er een Derde?

In veel onderzoeken komen we tegen dat een aanzienlijk per¬centage van de daders òf alcoholist òf geestelijk gestoord is. De on¬derzoeken komen evenwel niet tot een eensluidend beeld van de dader. In alle ge¬vallen van de vader-dochter incest is er sprake dat de (pleeg)vader, de incest¬dader de grenzen van zijn kind heeft overschre¬den. Uit veel onderzoeken blijkt dat er sprake is van een kluwe¬n¬gezin of multi-problem-ge¬zin, de pathologie van de verweven¬heid. Sommige vaders hebben het gevoel, dat hun doch-ters hun eigen bezit zijn waar ze recht op hebben. Er wordt wel eens ge-sug¬gereerd dat het in een incestueuze re¬latie betrokken meisje pas pro-blemen krijgt als de buitenwacht zich ermee gaat be¬moeien. Nagenoeg alle incestslachtoffers vertel¬len evenwel iets anders. In het zevende hoofdstuk van dit deel geven wij een aantal typolo¬gieën van daders.

Hoofdstuk 2 Je mag niet bij mij spelen!

1. Inleiding

Moeder had liever niet dat ze vriendinnen mee naar huis nam. Als Naömie haar vroeg waarom er geen vriendinnen bij haar mochten spelen, zei ze dat het zo’n drukte gaf. Naömie vond het wel prettig en ook veilig als er kinderen kwamen spelen. Ze haatte de stille een-zame dagen met haar moeder. Want dan kwam oom Henk vaak langs. Voor de gezelligheid zei moeder dan. Vooral de zondag was een nare dag. In de kerk zag ze oom Henk al zitten. In die aparte bank. Dan was het een andere oom Henk en niet de man die met zijn grote handen onder haar truitje zat. Ja, hij deed nog veel meer, maar daar durfde ze in de kerk niet aan te denken. Want oom Henk zei altijd dat zij een zondig meisje was, omdat ze van die mooie brui-ne krullen had en zo’n lekker zacht lichaam. Moeder had ook al eens gezegd: “Je bent een slechte meid en je maakt alle mannen dol met die bruine krullen!” Naömie moest altijd met haar moeder na de kerk koffie drinken bij oom Henk en tante Gea. Tante Gea vroeg dan of ze bleven eten. Dat deden ze altijd. Na het eten en na het dutje van oom Henk vroeg oom Henk bijna altijd of ze nog zin had piano te spelen. Dat had ze niet, maar moeder wilde even wandelen met tan-te Gea. En haar nichtjes waren meestal naar hun vriendinnen. Als ze alleen was met oom Henk kon ze nergens heen. Meestal probeerde ze dan een ander meisje te zijn. De ene keer was ze een engel op een witte wolk, de andere keer danste ze als een elfje in de tuin. Dan was het allemaal minder erg. ’s Avonds zat ze weer met moeder in de kerk De gemeenteleden hadden met moeder te doen. Een moeder die ook vader moest zijn. Gelukkig was oom Henk er, wist ie-dereen. Want oom Henk speelde met me. Met mijn geluk. Tot het brak.

Wat gebeurt er achter de gordijnen van een gezin waar incest wordt ge-pleegd? Waar meisjes als Naömie wonen en waar mannen als oom Henk op bezoek komen? Het is een stille geheime wereld in de beleving van het kind. En kinderen bewaren hun geheim, omdat niemand naar hen luistert. Het incestgezin heeft twee ‘gezichten’, net als de incestdader, een binnen-kant en een buitenkant, een binnenwereld en een buitenwereld. Er is een groot verschil tussen de binnen¬wereld van het gezin en de buitenwereld.

Het was een keurige man die in de hoofdstraat van het dorp een he-renmodezaak had. Hij had tal van maatschappelijke en kerkelijke functies in het dorp. Iedereen in het dorp kende hem en hij kende iedereen. Zijn vrouw en beide dochters waren minder in beeld. Het verhaal deed de ronde dat zijn vrouw vaak in de grote stad bij haar moeder zat. Het huwelijk boterde niet. Natuurlijk niet, want zij gaf zich niet voor het dorp. En mannen en vrouwen die zich niet gaven werden buitengesloten. Voor haar geen maatschappelijke of kerkelij-ke functies. Zijn oudste dochter gaf zich ook voor van alles en nog wat. En aan haar vader. Toen ze over haar vader sprak met de men-tor van haar klas was het huis en een dag later het dorp te klein. Ze had geen leven meer. Beide dochters gingen bij moeder in de grote stad wonen. Het hele dorp had met de man te doen. Ook toen hij een half jaar later veroordeeld werd. Het was maar goed dat moeder en dochters in de grote stad bleven.

Binnenwereld: Met deze ‘wereld’ bedoel ik alles wat zich ‘achter de gordij-nen’ afspeelt in het incestgezin, zoals: Hoe gaan de gezinsle¬den met elkaar om? Wie heeft het in het gezin voor het zeggen? Wie voelt zich veilig en wie voelt zich nooit veilig in het gezin? Wie is degene die misbruikt en wie wordt misbruikt? Kenmerkend voor deze gezin¬nen is dat de sociale con¬tac-ten met de buiten¬wereld zijn niet zelden be¬doeld om een (‘fatsoenlijk’) beeld voor de buren en de buurt op te houden. Het lijken goed geïnte-greerde gezinnen, die vaak bij allerlei school en kerkelijke activiteiten be-trokken zijn, maar dat beeld stemt niet overeen met het wèrkelijke gezin. Het leven van het gezin achter de gordijnen, de bin¬nen¬we¬reld, is verdeeld. De sfeer onderling in de woon¬kamer is anders dan in de kinderkamer. Zo heeft het woord ‘dou¬chen’ voor sommige gezinsle¬den een dubbele beteke-nis. En de vader die onder de schemerlamp de krant of aan tafel uit de Bij-bel leest is een andere vader dan de vader ‘s nachts de slaap¬kamer van zijn dochter(tje) bin¬nensluipt. En de vader die op vrijdag het kerk¬blad rondbrengt en op zaterdag actief is bij de bazaar is een andere vader dan de vader die met zijn zoontje wil mas¬seren als moeder haar koorrepetitie heeft.
Buitenwereld: Hiermee bedoe¬len wij hoe de buren, de buurt, de gemeente het gezin zien. Het ‘model’ gezin dat in een rijtjes¬huis woont, op zondag twee maal naar de kerk gaat en altijd klaar¬staat voor een ander straalt harmonie uit. De buitenwereld merkt vrijwel niets van het leven achter de gordij¬nen. En als dan de incest ter sprake komt zal de buitenwereld reage-ren met ongeloof, ver¬bijstering, bagatel¬liseren of nege¬ren. De werkelijkheid is ook zo schok¬kend, dat het ook niet te bevatten is wat er ge¬beurt is.

2. In een gewoon rijtjeshuis

Vader ging door het leven als een bekende Nederlander. Moeder ont-leende haar status aan die van hem. Vader zat in een driedelig uni-form in tal van clubs en moeder in een dure Maison de Bonneterie outfit eveneens in tal van clubs. Dochter hoorde nergens bij. Vader had alleen interesse in haar schoolprestaties en moeder in het milieu van haar vriendinnen. Toen ze veertien was kreeg vader belang-stelling voor haar lichaam. Achter zijn overgemanierde persoonlijk-heid bleek een perverse man schuil te gaan. Een ambtsdrager die kon vloeken en de meest banale dingen zeggen. Dat werd me duide-lijk toen hij mij op een avond belde. Ik had met zijn dochter gepraat. Om mij te beschermen had ze gezegd dat ze met de gymleraar had gesproken. De man viel stil toen hij begreep dat ik regelmatig in zijn gemeente voorging.

Incest kan ik àlle gezinnen voorkomen, maar in bepaalde gezin¬nen komt het kennelijk vaker voor. Wij zijn in nagenoeg alle onder¬zoeken te¬gen-gekomen dat incest in alle milieus voorkomt, maar dat sommige kinderen ken¬nelijk meer risico lopen in¬cestslachtoffer te worden.

Iedere keer weer zijn mensen verbijsterd, als ze horen dat incest heel dicht in hun buurt heeft plaats gevonden, zonder dat zij er iets van hebben gemerkt. Dat kan voor een deel verklaard worden uit de chantage en manipulatie, die de volwassenen vaak gebruikt om te zorgen dat niemand het merkt. Voor een ander deel kan het isole-ment verklaard worden uit de grote afhankelijkheid binnen het ge-zin. Dat geldt voor het kind maar ook voor de moeder (www.seksueelmisbruik.nl).

Bij incest lijkt het veelal om een stabiel en respectabel gezin te gaan, maar in werkelijk¬heid blijkt het een ‘multi-problem’ of chaotisch gezin te zijn. Diverse onderzoeken hebben aangetoond dat seksueel misbruik vooral sa-menhangt met de opvoedingssituatie en het sociaal-emotionele klimaat in het gezin. Ook waar sprake is van een tekortschieten van ouders vanwege ziekte, psychische stoornissen, alcoholmisbruik e.d. blijken kinde¬ren kwets-baar voor misbruik. Emotionele verwaarlozing van kinderen is eveneens kenmerkend voor gezinnen waarbinnen incest voorkomt. Vaak ziet men dat een kind voor een ouder moet zorgen, in plaats van omgekeerd. Of van het kind worden de aandacht en zorg gevraagd, die normaal van een ouder zouden moeten komen. De emotionele verwaarlozing komt ook tot uitdruk-king in het feit dat misbruikte meisjes een tekort ervaren aan gezonde ge-negenheid en aandacht. Ze worden veel minder geknuffeld dan andere kinderen, terwijl ze daarnaast weinig ruimte krijgen zich te ontplooien. Bo-vendien is er ook vaak sprake van min of meer ernstige vormen van licha-melijke mishandeling. Hoe ernstiger deze vormen van verwaar¬lozing, hoe groter de kans op seksueel misbruik.

Marloes vertelde dat ze met haar invalide vader op een boerderij woonde. Ze was de jongste. Haar zusters en broers waren al vroeg het huis uitgegaan en haar moeder was enkele jaren geleden over-leden. Marloes moest na haar dood haar rol overnemen. Ze zat in het eerste jaar van de opleiding Maatschappelijk Werk en Dienstverle-ning en volgde het keuzevak Verraden Vertrouwen. Na een van de colleges vertelde ze een deel van haar levensverhaal: “Hij zat in een rolstoel, maar kon nog best veel zelf. Ik moest hem alleen helpen met aan en uitkleden. Later moest ik hem ook helpen met douchen. Wanneer hij eenmaal in het douchestoeltje zat deed hij zelf de rest. Hij riep als ik hem moest helpen afdrogen. Hij werd hulpbehoevender en ik werd ouder. Ik kreeg steeds meer weerzin, want soms leek het of hij het ook wel makkelijk of fijn vond dat ik hem hielp. De wijkver-pleegkundige hoefde niet te komen. Hij wilde niet steeds een andere vrouw in de badkamer. Ik kon dat ook wel begrijpen. ’t Ja en zo ging het steeds verder. Ik zat eigenlijk helemaal aan hem vast. De hele familie vond het geweldig dat ik een privé verpleegster voor hem was. Ik vond het wel vreemd dat hij vaak een erectie had. Maar daar kunnen mannen niets aan doen, dacht ik. Toen ik eens onverwacht vroeg uit school kwam stond hij onder de douche te zingen. Het douchestoeltje stond op de hal. Toen brak er iets in me. De andere week ben ik op kamers in Ede gaan wonen.

Er is geen verband tussen misbruik enerzijds en sociaal economi¬sche sta-tus, geografische spreiding en godsdienstige opvattingen in het gezin an-derzijds. Dit laatste, namelijk dat misbruik dus ook niet minder voorkomt in godsdienstige milieus, is overigens opmerkelijk. Ge¬zien de beleden normen en waarden zou verwacht mogen worden dat die beschermend zouden werken tegen seksueel misbruik, maar daarvoor werden geen aanwijzingen gevonden.
Kortom: Machts en seksueel misbruik blijken niet gereserveerd te kunnen worden voor bepaalde gezinnen of groeperingen, die vervolgens als boos-doeners vervolgd kunnen worden.

3. De moeder in het gezin

Ze was een goede echtgenote en een goede moeder voor drie doch-ters. Ik twijfelde er geen moment aan nadat ik een uur naar haar had geluisterd. Haar man was ambtenaar. Hij had een management-functie. Na verloop van enkele huwelijksjaren bleek haar man ook homoseksuele contacten te hebben. Dat kwam uit toen hij enkele dagen werd vastgezet omdat hij verdacht werd dat hij een twaalf-jarig buurjongetje had misbruikt. Haar wereld was in elkaar gestort. Toen ze dacht steun te ontvangen van haar gemeente bleek de voorganger alleen variaties te kennen op het woord “vergeving”. Ze vond geen erkenning voor haar gekwetstheid. Ze voelde zich dubbel bedrogen. Niet erkend als partner en niet als vrouw. Hoewel ze nog wel bereid was iets aan haar huwelijk te repareren, wilde haar man niet naar de wereldlijke of kerkelijke “garage”. Het huwelijksboek werd gesloten. Jaren later kreeg ik een brief van de ex-echtgenoot. Hij meende dat ik het over hem had gehad in een lezing. Hij wenste niet als voorbeeld misbruikt te worden. Als iemand zich in een van de voorbeelden herkent, dan is dat toeval en wellicht ook schokkend. Deze zin schrijf ik de laatste jaren in ieder artikel of boek.

In veel incestgezinnen gaat de oudste dochter vaak functioneren als ouder van het gezin. Geleidelijk gaat het kind niet alleen allerlei taken uitvoeren maar daar ook verantwoordelijkheid voor nemen. Langzaamaan wordt het kind de verzorger van het gezin. Ook ten opzichte van de andere kinderen wordt de ouderrol opgenomen. Het zorgende kind beleeft deze rol als een verplichting, waarbij alles van de kant van het kind komt en de anderen binnen het gezin geen enkele verplichting heeft om iets terug te doen. Het kind gaat zijn eigenwaarde opbouwen rond het besef “verantwoordelijk” te zijn voor de verzorging van de anderen. Op den duur ervaart het kind dat het zelf geen enkel recht meer heeft.
De moeder wordt in de meeste onderzoeken beschreven als een passieve vrouw, die veel ziek is of afwezig en die vooral vaak zwijgt. Een veel¬ voor-komend ver¬schijnsel is dat de dochter langzaam de verant¬woor¬delijkheden van moeder overneemt. De moeder zou de signalen die het slachtof¬fer (ongetwijfeld) uit¬zendt niet (kunnen) opvangen, negeren of zelfs de incest oogluikend toestaan. Het blijkt nogal eens dat het slachtof¬fer in zo’n geval meer moeite heeft met moeder dan met vader. Het slachtoffer vindt dat moeder beter had moeten weten. Naömie had het gevoel dat moeder en oom Henk een coalitie vormden. Ze zich onveilig in haar eigen huis, want voor oom Henk was er geen drempel. Moeder luisterde niet naar de signa-len van Naömie, omdat ze loyaal was met haar zwager.
In de literatuur, maar ook in de hulpverlening gaan tal van verhalen en mythes over de moeder in het incestgezin. Veel hulpverleners wijzen haar als “hoofd¬schuldige” aan. Zij noemen een aantal oorzaken waardoor de in-cest mede door de moeder mogelijk gemaakt zou zijn. 1. De vrouw zou in seksueel opzicht tekort schieten. 2. De vrouw is zelf in het verleden mis-bruikt (en zou daarom onbewust incest in haar gezin in de hand werken) 3. De vrouw zou er op cruciale momenten niet voor haar kinderen zijn (bij-voorbeeld ten gevolge van geestelijke labiliteit b.v. verslaving). Deskundi-gen zijn het oneens over de rol van de moeder. Het staat buiten kijf dat steun van de moeder voor het slachtoffer onontbeerlijk is. Van slachtoffers horen wij nogal eens dat hun moeder weigerde hen te geloven toen ze de incest naar buiten brachten. De moeders zeggen daarentegen iets anders. Dit heeft waarschijnlijk te maken met de schokkende ervaring bij de ont-hulling van het incestgeheim. We komen in de literatuur minstens vijf ty-pen moeders tegen. Ik ben nog enkele typen tegengekomen in mijn con-tacten met moeders, slachtoffers en daders. De eerste vijf typen moeders omschrijft Bruinsma (1994) als volgt:

3.1 De onderdrukte moeder
Deze moeder is vaak zelf ook slachtoffer van de vader van het slachtoffer, haar echtgenoot, die met zijn macht het hele gezin tiranniseert. De moe-der heeft in het gezin een ondergeschikte positie en kan haar essentiële rol niet vervul¬len. In de eerste levensja¬ren zijn vooral ook de wederkerige be-trekkingen tussen moeder en kind van belang. De moeder staat niet zelden bloot aan fysieke en seksuele mishandeling. In economische zin is zij van haar man afhankelijk. In de relatie met het slachtoffer is er vaak sprake van een rolomkering. Moeder gaat zich als kind gedragen en de dochter als moeder. Het gevolg is nogal eens openlijke of verborgen gevoelens van ja-loe¬zie ten opzichte van haar kind.

3.2 De assertieve moeder
Deze moeder voldoet op het eerste gezicht niet aan het beeld dat een bui-tenstaander heeft van een moeder van een incestslachtoffer. Daarom vindt ze in de regel weinig gehoor bij de hulpverlening. Ze stelt zich onafhanke-lijk op en probeert zelf de touwtjes in handen te houden. Haar regelzucht leidt op velerlei fronten tot afstand en verwijdering. Het gevolg is dat haar man (nog) meer aandacht voor zijn kinderen krijgt.

3.3 De gewantrouwde moeder

Ze begon haar brief met de opmerking dat ik zeker geen tijd voor haar had. Een wat onaardige aanhef van een brief. Vervolgens schreef ze dat ze bij veel hulpverleners en predikanten was geweest en nergens begrepen werd. Ik hield ook de boot af. Ik had allerlei ar-gumenten, maar de sfeer in de brief voelde niet goed. Toen ze belde ging ik overstag. Ze begon het gesprek, zoals ze de brief begonnen was. Ze heeft veel weerstand en ze projecteert, dacht ik. Dat deed ze ook en al luisterend kreeg ik de fouten van alle hulpverleners en predikanten over me heen. Ik vroeg haar waarom ze dacht dat ik haar zou kunnen helpen. Dat wist ze niet en ik ook niet. Ontevreden namen we van elkaar afscheid. Enkele dagen later kreeg ik weer een brief met opnieuw een wat onaardige aanhef. Ze schreef dat ze bij veel hulpverleners en predikanten was geweest en nergens begrepen werd. Ik had haar begrepen en de boot afgehouden. Nu hoefde het niet meer.

Deze moeder blijkt in veel gevallen al gescheiden te zijn. Ze ver¬toont een wat wrokkende houding, die terug te voeren is op ei¬gen onverwerkte schuldgevoelens. Zij beschuldigen hun eigen kind nogal eens medeplichtig geweest te zijn aan de incest. Hun houding roept bij anderen (ook bij hulp-verleners) schuldgevoelens op. Ze blijft zo lang in schuld en wrokgevoe-lens steken.

3.4 De schipperende moeder
Deze moeder neigt er toe, net als de onderdrukte moeder, de in¬cest te ba-gatelliseren. Er heeft een rolverwisseling binnen het gezin plaatsgevonden. Moeders wordt verweten dat zij er belang bij hebben dat de incest optreedt en doorgaat. Er zouden twee categorieën incestgezinnen bestaan: het ge-zin waarin beide ouders belang hebben bij de incest en het gezin waarin de man zijn vrouw en zijn kinderen in eigendom houdt. Er wordt nogal eens benadrukt dat zij geneigd zijn eerder voor hun echtgenoot te kiezen dan voor hun dochter, het slachtof¬fer, als het bijvoorbeeld om therapeutische situaties gaat. Het kind voelt zich alleen en nauwelijks opgewassen tegen haar ouders. Moeder maakt deel uit van de samenzwering. Moeder probeert een compromis tot stand te brengen tussen de incestpleger en het slacht-offer in de hoop dat het gezin zo bijeen kan blijven. Zij doet daarom een sterk beroep op de loyaliteit van de andere gezinsleden.

3.5 De medeplichtige moeder
Deze moeder doet soms vrijwillig, maar vaak onder dwang mee aan de in-cest. Ze kiest partij voor de man en laat het slachtoffer en de andere kin-deren in de steek.
De moeder die niet in het rijtje voorkomt, maar die ik tòch wil noemen is de on¬wetende moeder. Het is gebleken dat een aantal moeders werkelijk van niets van het misbruik van hun kind(eren) afwist. De incestdader is in staat een incestsitu¬atie te creëren die voor de meest intieme naasten ver-borgen blijft.

3.6 De af¬wezige moeder.
Deze moeder behoort haar kind tegen alles te beschermen, ook tegen va-der. Een afwezige moeder kan die bescherming niet bieden. Sommige au-teurs noemen dit de oorzaak van het seksueel misbruik. Als voorbeelden komen wij tegen: de dood van moeder, ziekte, veelvuldige zwangerschap-pen, aversie tegen de seksuele rela¬tie.

3.7 De biddende moeder
Deze moeder geeft alles wat ook haar overkomt in handen van de Here. Zij zegt dat ze niet in staat is in te grijpen in haar gezin of de dader aan te spreken. Het is geen onwil, maar veeleer onmacht iets aan de situatie te veranderen. De vader is vaak een dominante man die alles regelt en be-slist. De moeder is niet in staat haat vermoedens of de signalen van de kinderen op een gelijkwaardige open manier met hem te bespreken. De moeder neemt nogal; eens een berustende en lijdende houding aan. Het gebed is voor haar een grote steun. In het gebed kan ze haar zorgen en verdriet met de Here bespreken. Dat geeft haar moed en kracht om staan-de te blijven.

3.8 De over-gelovige moeder

Tijdens een lezing vroeg een moeder of ik geloofde in de kracht van de Heilige Geest. Ik vind dat altijd moeilijke vragen, omdat ik nooit goed weet wat iemand daar nu precies mee bedoelt. En dat vroeg ik dan ook maar: “Mevrouw, mag ik u vragen waarom u dat vraagt?” Dat was wat tegen het zere been, maar ze antwoordde licht gepi-keerd: “Het lijkt wel of u alles in handen van mensen geeft. God is groot!” Ik knikte. Ik geloof dat natuurlijk ook. “Hebt u te maken met incest?”, vroeg ik om weer naar het thema terug te keren. “Ja, domi-nee, mijn dochter is jaren misbruikt door haar oom. We hebben veel gebeden. Voor hem en voor haar! God heeft hem aangeraakt en nu is hij veranderd. Mijn dochter heeft hem vergeven!” Ik wist niet zo goed wat ik daar op moest zeggen. Ik had veel vragen, maar die stel je niet een, twee, drie met zo’n honderd hoorders op je lip. “Heeft uw dochter nog hulp of begeleiding gehad?”, vroeg ik een beetje schuchter. “Neen!” Na de lezing hoorde ik dat het om een meisje van tien ging. Misbruikt door haar oom. Wat weet zo’n kind van de kracht van de Geest? Geeft de Geest geen kracht om vaak vele jaren de verwoestingen in een kinderleven te repareren. Als dat nog lukt?
Ik dacht aan Naömie, die nu 26 jaar is. Ik ken haar als student en toen hebben we vaak met elkaar gepraat. Toen ze afgestudeerd was hebben we af en toe contact gehouden. Ze wil niets meer van de kerk weten. Moeder is inmiddels met oom Henk getrouwd. Ze is niet op de bruiloft geweest. Moeder vroeg haar of ze niet dankbaar was voor alles wat zij en oom Henk voor haar hebben gedaan. Hoe oud was ze ook al weer toen oom Henk voor het eerst gemeenschap had met haar? Elf, twaalf jaar?

Deze moeder gelooft dat God de dader heeft vergeven en gelooft met hem dat er steeds een nieuw begin mogelijk is. Beleden schuld is immers verge-ven schuld. Het is op zich mooi dat beide ouders vervuld zijn van nieuw moed en het leven weer aan kunnen met kracht van de Geest. Het gevaar is dat het slachtoffer bij dit nieuwe begin vergeten wordt en de nieuwe ge-loofskracht van de ouders als een ontkenning van haar toestand ervaart.

Hoofdstuk 3 Kinderen van de rekening

1. Inleiding

Naömie vroeg zich meer dan eens af hoe haar leven er uit gezien zou hebben als haar vader niet vertrokken was. Ze kon het zich niet goed voorstellen. Soms droomde ze erover. ’s Nachts, als ze niet kon sla-pen. De dromen over een echte liefdevolle vader verdreven de pijn in haar onderbuik die ze zo vaak voelde. En de pijn van de woorden die oom Henk haar vaak had toegebeten als hij haar misbruikte. “Mijn lieve poppie”. Maar ook “mijn duivelse sletje”. En dan fluisterde hij vreselijke woorden. Woorden die uit dezelfde mond kwamen als de liederen ’s zondags. De man in de witte onderbroek was een andere man dan de man in het zwarte pak. Oom Henk sprak ook over God. Eigenlijk alleen op zondag. Dat was een andere God dan de God van juf Martha. De God van de juf leek ver weg. Ze voelde zich in de steek gelaten door God van de juf, omdat Hij oom Henk nooit heeft laten stoppen.

In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de gevolgen van kindermishan-deling en van incest of seksueel misbruik in het bijzonder. Een gezin is de plaats bij uitstek waar een kind zich veilig zou moeten voelen. In het gezin vertrouwt het kind de ouders, broers, zusters, grootouders, ooms en tantes en de huisvrienden. Een of meerdere van die vertrouwde personen maakt het voor het kind onveilig. Deze persoon of personen verraden van het ver-trouwen van het kind.

2. Een zonde en een misdrijf

Naömie: “Op catechisatie had de dominee de Tien Geboden behan-deld. Ook het vijfde gebod. Eerst heb ik goed geluisterd, maar na tien minuten ben ik afgehaakt. De dominee sprak over vaders en moeders die veel om hun kinderen geven. Dan is het niet zo moeilijk om hen te eren. Mijn vader zag ik nooit meer. Mijn moeder leefde haar eigen leven. Ze was de grote vriendin van Oom Henk. De man die ik moest zien als een soort pleegvader. Een man die ik toen steeds meer ging haten. Ik walgde van zijn lucht, zijn handen, zijn zweetoksels, zijn schaamhaar. “Eert uw vader en uw moeder, opdat uw dagen verlengd worde”. Maar dat was het laatste wat ik wilde. Vaak dacht ik dat ik beter dood kon zijn. Ik was nog maar een kind. Twaalf, dertien.”

Als een volwassene een kind verwaarloost, mishandelt of misbruikt, een vader of een moeder, een pleegvader of een pleegmoeder, een broer of een zus, een oom of een tante, een oma of een opa of wie dan ook, dan begaat hij of zij een grote zonde en pleegt hij een misdrijf. In de bijbel wordt deze zonde duidelijk omschreven en in het Wetboek van Strafrecht dit misdrijf. Ouders of familieleden die een kind verwaarlozen, mishandelen of misbrui-ken falen als betrouwbare ouder of betrouwbaar familielid. Het is nog steeds niet duidelijk waarom volwassenen dit gaan doen. Uit onderzoek onder ver¬waarlo¬zende, mishandelende en misbruikende ouders kan niet worden aangegeven waarom de ene ouder wel en de andere niet verwaar-loost, mishandelt of misbruikt. Dus de oorzaak van incest of seksueel mis-bruik staat in geen enkel wetenschappelijk onderzoek duidelijk omschre-ven. Er kunnen wel allerlei factoren zijn die “incestbevorderend” werken en zo kunnen verbanden gelegd worden. Het kan zijn dat de leefomgeving van de dader kil is, dat hij een afstandelijke relaties heeft met zijn vrouw, dat zijn vrouw vaak weg is of ziek of carrière maakt. Het kan ook zijn dat de man een gebrekkig of niet-ontwikkeld intiem leven heeft. Wat we ook vaak lezen is dat hij gevangen zit in een gewoonte of verslaving en dat hij niet op eigen kracht uit dat systeem kan breken. Wat echter ook de oor-zaak is, het is nooit een excuus om deze zonde te begaan en dit misdrijf te plegen. Aanhou¬dende spanningen en ruzies tussen gezinsleden kunnen leiden tot vijandige gevoe¬lens tussen gezinsleden. De nare sfeer en de on-veiligheid worden dan in het gezin niet zelden weggedronken of de gezins-leden gaan zo vaak mogelijk weg. In zo’n sfeer kan er nauwelijks sprake zijn van een liefdevolle opvoeding zoals God dat van ons vraagt. Het kind zal in een onveilige en ruzieachtige sfeer de geloofsbeleving van de ouders als onecht of gespleten beleven. Het kind moet rekening houden met twee vaders. Een vader die aan tafel bidt voor het eten en een vader die vloekt als de jenever op is. Een vader die hand in hand met zijn dochter naar de kerk loopt en een vader die haar bont en blauw slaat als hij door zijn vrouw is afgewezen.

3. Thuis is het niet pluis

Naömie: “Ik zal nooit een blauwe auto kopen! Die van oom Henk was blauw. Als ik zijn auto van oom Henk voor het huis zag staan, wilde ik het liefst terug naar school. Moeder zou dan vragen waar ik zo laat vandaag kwam. Ik moest dan weer jokken en dan liep ik de hele avond met een schuldgevoel rond. Moeder was ook wel eens niet thuis als de blauwe auto voor de deur stond. Oom Henk deed dan klusjes voor moeder in het huis of in de tuin. Als ik eenmaal de keu-kendeur open had gedaan wist ik of ik veilig was of niet. Maar, ik kon dan niet meer terug.”

Het is niet zo moeilijk voor te stellen dat een kind dat in een sfeer van ver-waarlozing, mishandeling en misbruik opgroeit eigen overlevingsstrategie-en zoekt. Het kind is vatbaar voor negatieve invloeden in het gezin, op school of binnen de vriendengroep. We noemen dit vakmatig “risicofacto-ren”. Met het benoemen van wat er gebeurt zijn we er niet. Hoe moeilijk is het niet een kind met een negatief of destructief zelfbeeld te begeleiden. Het zelfbeeld is op te vatten als alles wat een kind denkt en ervaart tegen-over zichzelf, een constellatie van houdin¬gen tegenover de eigen persoon. Die houdingen kunnen allerlei vormen aannemen en leiden tot verschillen-de zelfbeelden. Het kind vraagt zich af: Ben ik wel gewenst? Wie ben ik (nog) in het gezin? Wie ben ik (nog) op school? Wie ben ik (nog) in de kerk? Wat voeg ik toe aan vriendschap onder mijn vrien¬den en vriendin-nen? Het zelfbeeld ontwikkelt zich door inter¬acties in het gezin, de school, de kerk en de vriendengroep. In de eerste jaren is het kind totaal afhanke-lijk van de ouders. Als zijn ouders het verwaarlozen of afwijzen gaat het kind zichzelf zien als iemand van geringe waarde. Het kind wil toch ook ie-mand zijn en zal op een andere wijze de aandacht proberen te trekken. Een gering zelfbeeld vergroot de kans op psychische instabiliteit en sociaal iso-lement en kan zich uiten latere leeftijd in crimineel of promiscue gedrag. Naömie heeft later een sociale studie gevolgd en een leuke baan gekregen. Maatschappelijk gezin was zij een succesvolle student die meteen een baan had. Wat de mensenniet wisten was haar voortdurende worsteling met zichzelf en met anderen. Haar zelfbeeld was zwaar beschadigd. Vaak voel-de ze zich een prostituee en had ze het idee dat alle oudere mannen haar wilde misbruiken. Dat gaf nogal eens conflicten in de privé of werksfeer. Daarnaast had ze in haar omgaan met oudere mannen ook iets uitda-gends. Sommige mannen vertaalden dat op hun eigen wijze en waren ver-baasd of beledigd als Naömie niet op hun avances inging. Dit is ook precies de valkuil waar veel hulpverleners en pastores in kunnen stappen. Een ero-tiserende communicatie van een slachtoffer is een signaal en een pro-bleem, geen uitnodiging tot een hernieuwd seksueel misbruik.

Vooral in de jeugdgevangenis heb ik geleerd dat veel jeugdigen die pro-bleem- of crimineel gedrag vertonen in hun jeugd zijn verwaarloosd, mis-handeld of misbruikt. In de gevangenis zie je door een vergrootglas wat er in een kinderleven vernield kan worden. Ik kan nog steeds niet begrijpen hoe volwassenen Psalm 127 kunnen zingen en dat kostbare erfdeel van de Here kapotmaken. Ik citeer een regel uit het derde vers: “Wie kind’ren voortbrengt tot Gods eer, verkrijgt een erfdeel van de Heer.”

De kans op mishandeling en geweld in een gezin is aanwezig als er sprake is van een of meerdere verschijnselen in het gezin:
a. De ouders hebben een gebrekkig of negatief zelfbeeld. Wat ze zelf niet in hun winkel hebben halen of verrekenen ze met kun kind.

Mijn vrouw en ik zaten op de tribune van een grote sporthal. We ke-ken gespannen naar vier grote matten waar de top van de Neder-landse jeugdjudoka’s streed om het kampioenschap. Een vader naast ons schold met grove woorden zijn tot het uiterste strijdende zoon uit. De zoon verloor. Hij keek schuin naar de tribune. Zijn vader deed zijn duim omlaag en zei nog een vreselijk woord. Tranen blon-ken in de ogen van de puber. Even later zag ik hem alleen in een hoekje van de grote sporthal zitten. Hij zocht troost bij zijn blikje co-la. Toen hij na een uur zijn sporttas bij vader kwam halen had vader nog het een en ander te verrekenen. De jongen vermande zich en zei dat hij de trein naar huis zou nemen. Kwaad liep hij de sporthal uit.

b. De ouders verwachten te veel van het kind. Hoe hoger de verwachtingen zijn, hoe minder de ouders oog hebben voor problemen en teleurstellingen die nu eenmaal inherent zijn aan het opvoeden van kinderen. Een baby kan er niets aan doen dat het een ‘huilbaby’ is en de ouders geen nacht-rust gunt. En een verstandelijk gehandicapt kind is niet verantwoordelijk voor de extra zorg die de ouders moeten geven als het vijf maal per dag een schone luier moet hebben.
c. De mogelijkheden van kinderen om aan verwachtin¬gen van ouders te voldoen zijn beperkt. Ook de mogelijkheden om aan verwach¬tingen die men van zichzelf als ouder en opvoeder heeft kunnen beperkt zijn. Niet ie-dere ouder heeft voldoende pedagogische vaardigheden om het kind op te voeden en situati¬onele factoren als bijvoorbeeld gezinsgrootte kunnen lei-den tot het gevoel te falen als opvoeder.
d. De verwachtingen van het ene kind in het gezin kunnen botsen met die van de andere kinderen, maar ook met de ouder of opvoeder. Kinderen die mishandeld zijn hebben hun jeugd in het gezin nogal eens als een ‘ge-vecht in een arena’ ervaren.

Na een preekbeurt in een groot dorp nodigde mijn collega, die in de pastorie naast de kerk woonde, mij nog even uit voor een kopje kof-fie. Hij zei niets over de preek, wel dat de kerkzaal vol zat bij een vreemde dominee. Eenmaal binnen werd ik aan zijn vrouw en vijf dochters voorgesteld. Mijn collega noemde hun naam en meteen de klas van het gymnasium waarin ze zaten. De jongste zat niet op het gymnasium. “Met haar lukt het allemaal niet zo!” Het meisje keek hem emotieloos aan. [zin is weg] Toen we even later aan de praat raakten vroeg mijn collega waar ik het gymnasium had gedaan. Toen ik vertelde dat ik eerst twee jaar op de Eerste Christelijke Ambachts-school volksbuurt had gezeten, veerde de jongste dochter op. “Nou, en u bent nu professor!” Ik zei: “Nou ja, ik heb wel wat bijles gehad!” Iedereen keek verbaasd. De jongste dochter lachte.

4. Kindermishandeling
In deze paragraaf maak ik onderscheid tussen vier vormen van kindermis-handeling: lichamelijke geestelijke -, seksuele – en religieuze mishande-ling. De eerste drie vormen worden uitgebreid in de literatuur besproken. Aan de vierde vorm wordt nauwelijks aandacht besteed. Ik denk dat het goed is voor opvoeders en hulpverleners, maar ook bijvoorbeeld voor stu-denten aan een PABO, iets te weten van een gezond geloofsklimaat en een pathologisch geloofsklimaat. Ik denk dat de grenzen niet goed te trekken zijn, maar het gaat mij meer om het beschrijven van enkele kenmerken, zodat wij de noodsignalen van een kind herkennen of de betekenis van vreemd gedrag of verbazingwekkende uitspraken kunnen plaatsen.

4.1 Lichamelijke mishandeling
Vroeger golden volgzaamheid en onvoorwaardelijke gehoorzaam¬heid als richtlijnen voor de opvoeding die met ‘harde hand’ werden afgedwongen, tegenwoordig vindt men een dergelijke wijze van opvoeden niet meer ac-ceptabel. Fysieke mishandeling kan betekenen: het slaan, al of niet met voorwerpen als een stuk hout, schoppen, branden met vuur of heet water, bloot¬stellen aan extreme kou, krachtig door elkaar schudden (“shak¬ing”) en bewust laten vallen. Fysieke verwaarlozing komt tot uiting in zaken als: onthouden van medische zorg en voeding, slechte hygiëne, onvoldoende slaap, niet adequaat gekleed gaan en veel zonder toezicht alleen zijn. Ver-waarlozing kan ernstige gevolgen hebben voor de lichamelijke en geestelij-ke ontwikkeling van het kind.

4.2 Psychische mishandeling

Een student, slachtoffer van psychische kindermishandeling, vertel-de: “Mijn vader was een koude harde man. Neen, hij heeft me nooit aangeraakt, nooit een klap gegeven, maar zijn woorden waren als dolksteken in mijn ziel. Hij negeerde mij soms dagen. Als grote man zei hij niets, gaf geen antwoord, zei geen ‘welterusten’ tegen een ventje van tien. Mijn moeder was altijd bang voor hem. Het ergste vond ik als er bezoek kwam, dan was hij de liefste vader die een kind zich kon wensen. Ja, en daarom heb ik met de kerk gebroken. Niet om het geloof of zo, maar omdat die man er nog ieder zondag staat. Ja, hij is ook dominee! Hij wordt op handen gedragen. Door ieder-een! Min één”

We spreken van psychische of geestelijke kindermishandeling wanneer een kind zich voelt afgewezen, gekleineerd, geterroriseerd, geïsoleerd, gecor-rum¬peerd of geëxploiteerd wordt. Van psychische verwaarlozing is sprake wanneer het kind onvoldoende koestering, stimulans, gevoelen van veilig-heid en geborgenheid ervaart. Psychische kindermishandeling is vaak ook non-verbaal, zoals in bovenstaand voorbeeld, wanneer op subtiele wijze het gevoel van eigenwaarde van het kind ondermijnd wordt. Psychisch mis-handelde kinderen hebben minder contact met andere kinderen. Zij helpen en troosten hun klasgenoten minder. Aan de andere kant zijn het “alle-mansvrienden”, omdat ze zo’n grote behoefte hebben aan warmte en lief-de.

4.3 Religieuze mishandeling

Een slachtoffer vertelde: “Mijn opa zei altijd tegen mij dat ik een ver-loren kindeke was. Ik niet alleen, maar eigenlijk alle meisjes in mijn gemeente. En omdat ik toch verloren was, was het niet zo erg dat we samen vieze dingen deden. Toen opa overleden was kreeg ik rust. Alleen oma herinnerde mij aan opa. Vooral als ik daar bleef eten. Dan vertelde ze over opa. Over hun gelukkige leven samen en hoe ze hem miste. Het leek of het over een andere opa ging. Opa was nu in de hemel. Oma wist het zeker. Ik niet..”

De religieuze kindermishandeling ben ik niet in de literatuur tegengeko-men. Toch wil ik binnen het kader van dit boek deze vorm apart noemen om zo meer nadruk te leggen op de verantwoordelijkheid van christelijke ouders hun erfdeel op te voeden naar Bijbelse waarden en normen. De ou-ders en allen die betrokken zijn bij de christelijke opvoeding hebben de verantwoordelijkheid het kind vertrouwd te maken met bijbelse waarden en normen. Als zij als opvoeder leven en handelen naar bijbelse waarden en normen zal het kind dat ook ervaren in het opvoedingsklimaat. Kinderen hebben al vroeg besef van goed en kwaad. Zij zullen al gauw merken of zij terecht of onterecht worden beloond of gestraft. Er is sprake van religieuze kindermishandeling als een kind onte¬recht gestraft of mishandeld wordt met de Bijbel in de hand en Gods naam op de lippen. In naam van God zijn vreselijke dingen gebeurd en gebeuren nog steeds onvoorstelbare dingen. Het Woord wordt misbruikt voor eigen bevrediging of sublimeren van on-lustge¬voelens of minderwaardigheidsgevoelens. Hoewel de term ‘mishan-deling’ erg zwaar is, wil ik onder deze paragraaf ook de situaties noemen waarin kinderen als het ware ‘toeschouwer’ worden bij de ziekte of de pro-blemen van hun ouders. Het kind kan de verandering van moeder of vader niet begrijpen en daardoor er ook niet mee omgaan.

Een vrouw die spontaan even koffie kwam drinken in de pastorie ver-telde: “Ik heet Jolanda en ik ben acht jaar getrouwd met Piet. We hebben drie kinde¬ren, drie, zes en acht jaar. Enige tijd geleden con-stateer¬de de specialist bij mij een onge¬nees¬lijke vorm van kanker. Ik schikte me in mijn lot, was boos op God, maar ik vind ook veel steun en troost in mijn geloof. On¬bewust nam ik steeds meer afscheid van mijn gezin. Tegen mijn kinde¬ren zei ik steeds: “Mamma gaat naar een mooier huis dan hier op aarde.” Piet zag wel hoe weinig de kin-deren van mijn woorden begrepen, maar hij durfde er niets van te zeggen. Hij was misschien wel dankbaar dat ik rust gevonden had en mijn ziekte heb aanvaard. De kinderen, vooral de oudsten, sloven zich gewel¬dig uit om ons “aardse” thuis maar gezellig te maken. Ik zag ineens dat ik het niet goed deed. Ik ben nog moeder. Tot het einde.”

4.4 Relationele en seksuele mishandeling
De term seksuele kindermishandeling of seksueel misbruik van kin¬deren geeft duidelijker dan incest aan dat het om verwerpelijk gedrag gaat. An-derzijds is deze term ook weer te ruim voor ons onderwerp. Een seksuele aanranding van een kind op straat valt er ook onder en daarover gaat het niet in dit boek. Hetzelfde geldt voor allerlei vormen van lichamelijke mis-handeling. Overigens lijken seksuele en lichamelijke mishandeling vaak samen te gaan.

Toen ik docent godsdienst was aan een scholengemeenschap vertel-de een meisje uit mijn mentorgroep HAVO-4 dat ze een relatie had met een Marokkaanse man van dertig. Niemand wist ervan. De man was getrouwd. Het meisje voelde zich schuldig, maar als ze hem zag smolt ze. Tot ze door hem in elkaar werd geslagen omdat ze met een jongen van veertien naar de film was geweest.

Een week later vertelde een ander meisje uit een VWO- groep over haar vader, die ook van mannen hield en van plan was bij zijn vrouw en kinderen weg te gaan. Enkele jaren geleden kreeg ik een brief van haar. Ze was niet vergeten dat ze met mij over haar geheim had kunnen praten. Het was ook heel wat om te horen dat je vader een vriend heeft van wie hij meer houdt dan van je eigen moeder. Ze stond op het punt te trouwen. Ze schreef, dat ze nog wel contact had met haar vader. Haar moeder was hertrouwd. In dezelfde brief schreef ze dat ik haar vader wel moest kennen. We stonden jaren geleden in hetzelfde predikantenboekje.

In hetzelfde jaar vroeg Els om een gesprek. Els zat in de examenklas van de HAVO. Ze had veel vrienden en vriendinnen. Het klikte tus-sen ons. Na een van de lessen sprak ze me aan. Ze keek ernstig en vroeg of ze mij kon vertrouwen. We zaten tot ver na schooltijd in de school. “Fijn dat ik u kan spreken. Ik wil mijn verhaal wel eens kwijt. Is het veilig bij u? Praat u er met niemand over? Het gaat niet om u, maar om de gymleraar.” Ze boog wat voorover en fluisterde: “Ik voel me niet zo op mijn gemak bij hem. Ik ben wel goed in turnen en daarom mag ik veel voordoen. En ik weet wel dat hij me wel eens moet aanraken. Maar, ’t is toch net of hij mij speciaal uitkiest. Be-grijpt u?” Ik knikte en zei dat ik het begreep. Ik wist natuurlijk niet wat ik begreep, maar ik voelde me ook wel gevleid dat dit leuke meisje mij in vertrouwen nam.

Het zijn zomaar enkele ervaringen uit de tijd dat ik zelf bij het middelbaar onderwijs werkte. In een volgend hoofdstuk ga ik verder in op de begelei-ding van slachtoffers en daders van seksueel misbruik.

5. De incestsituatie
We hebben over kindermishandeling gesproken en diverse vormen be-noemd. Een specifieke vorm van kindermishandeling is seksueel misbruik. Een van de vormen van seksueel misbruik is incest. Wanneer de dader de eerste stap heeft gezet om een kind te gaan misbruiken, blijkt de incestsi-tuatie zich in de meeste gevallen verder te ontwikkelen. Het lijkt wel of het slachtoffer in een vangnet terechtgekomen is waar ze niet meer uit kan. Steeds als ze zich beweegt komt een ander deel van haar lichaam vastte zitten. Haar positie in het gezin wordt erdoor bepaald en ook de posities van de gezinsleden ten opzichte van elkaar worden erdoor beïnvloed. Door psychische druk wordt het kind gedwongen het geheim voor zich te hou-den en eigen gevoelens en gedachten te onderdrukken. Noodge¬dwongen worden bepaalde overlevingsstrategieën ontwikkeld. Slachtoffer en dader gaan een eigen taal spreken die voor de andere duidelijk lijkt, maar waar-van het slachtoffer alleen de betekenis weet. Naarmate het kind zich zelf-standig ontwikkelt kan het toegroeien naar onthulling van het geheim. Die stap blijkt echter buitengewoon moeilijk. Vaak wordt die dan ook niet ge-zet. Naömie kwam in het vangnet van oom Henk. De eerste stap leek on-schuldig, zelfs aardig. Oom Henk bood aan zijn nichtje pianoles te geven. Voor het aanbod had hij al haar bruine krullen, haar meisjeslichaam, haar onschuld in zich opgenomen. Het was een bewuste stap om pianoles aan te bieden. Hij wilde het kind in zijn kamer hebben. De kamer met de bruine lederen stoelen. Hij wilde naast haar zitten op de pianokruk. Hij wilde stap voor stap haar vertrouwen verraden om zijn lusten te bevredigen.

5.1 De positie van het kind in het gezin
Het seksueel misbruik plaatst het kind in een zeer moeilijke positie in het gezin. Het meisje wordt naast dochter ook het liefje en de minnares van de dader, bijvoorbeeld de vader. Ze wordt een rivale van moeder of haar plaatsvervangster. De rollen worden omgekeerd: de dochter gaat taken van de moeder overnemen, bijvoorbeeld de zorg voor jongere broertjes en zusjes. In de literatuur wordt dit verschijnsel ook wel als ‘surrogaat-ouderschap’ of “parentificatie” aangeduid. Dit kan gebeuren in een klimaat waar de relatie tussen man en vrouw niet goed is. Vaak hebben moeder en dochter ook een slechte verstandhouding. Zo kan er emotioneel een grote afstand tussen hen zijn. Veel meisjes zwijgen tegen hun moeder over hun geheim. Toch hopen ze dat ze eens iets zal merken en haar zal bescher-men. In de praktijk gebeurt dit niet altijd. Dit kan komen doordat de moe-der niets in de gaten heeft. De gevolgen van het misbruik van haar kind schrijft ze toe aan andere oorzaken. Soms kan een moeder het wel degelijk in de gaten hebben, maar ontkent ze het misbruik angstvallig. De waarheid zou haar wereld ineen doen storten. Er kan bijvoorbeeld de angst zijn dat het gezin uit elkaar valt en daarom sluit ze haar ogen en hart voor het kwaad wat er gebeurt in haar gezin. Ook zijn er moeders die op de hoogte zijn van het misbruik omdat het kind het haar verteld heeft. De praktijk wijst uit dat weinig moeders in staat zijn om in te grijpen en hun kind te beschermen. In het vorige hoofdstuk is uitvoerig over de moeder in het ge-zin geschreven.

Naömie vertelde, dat ze zich vaak een vreemde in haar eigen huis voelde. Ze moest altijd opletten: Staat de blauwe auto van oom Henk voor de deur? Gaat de telefoon en is het oom Henk die zichzelf uit-nodigt? Moest ze extra pianoles hebben voor het kinderkerstfeest, wat betekent dat ze een hele lange middag alleen met oom Henk is? Naömie had niet het gevoel dat moeder rekening met haar hield. Dat bleek toen ze een week met een vriendin ging wandelen in Oosten-rijk. Naömie kon bij oom Henk en tante Gea logeren. Ze had gehuild en gesmeekt niet daar te hoeven logeren. Maar moeder had gezegd dat ze ondankbaar was, want het waren van die lieve mensen. En moeder wilde ook wel eens iets voor zichzelf. Toen moeder haar kof-fer had gepakt en op het punt stond te vertrekken, stopte de blauwe auto voor de deur. Toen oom Henk binnenkwam was moeder in de keuken. Hij fluisterde in haar oor: “We maken er een gezellige week van, lief sletje van me…”

Voor seksueel misbruikte kinderen is de reactie van hun moeder bepalend. Wanneer de moeder het verhaal van de incest niet gelooft is dit een zeer pijnlijke ervaring voor het kind. Het kind voelt zich afgewezen en buitenge-sloten. Naömie’s moeder wilde bij voorbaat niets horen over een mogelijke foute omgang van oom Henk met haardochter. Het signaal werd niet alleen genegeerd, maar erger, moeder kwetste haar kind door haar te verwijten dat ze mooie bruine krullen had. Die krullen zouden de oorzaak zijn dat mannen naar haar keken en zelfs aan haar zouden kunnen zitten. Als ze misbruikt of verkracht zou worden, dan is dat de schuld van het meisje met de bruine krullen. Hoe kan een kind van twaalf dat begrijpen? Hier ligt de basis voor een stoornis waar ze jaren later voor in psychotherapie moet. In haar dossier staat dan wellicht iets als “cliënt lijdt aan pathologisch schuld-gevoel”.
Uit de casus Naömie in dit boek blijkt dat het voor ene kind vrijwel onmo-gelijk is incest te voorkomen of onder het misbruik uit te komen. Het kind is dan ook nooit verantwoordelijk voor de incest. Ook niet als het kind in de ogen van een volwassene uitdagend lacht, te veel met haar heupen draait of mooie bruine krullen heeft. Sommige kinderen verzetten zich passief. Ze houden zich slapende wanneer de dader langskomt. Anderen rollen zich stijf in hun dekbed en gaan op hun buik liggen. Indirecte vormen van ver-weer, zoals zich onttrekken of zoveel mogelijk de dader vermijden, komen veel voor. Direct verweer, zoals vechten, bepraten, tegenstribbelen roept vaak agressie op van de dader.
Een slachtoffer vertelde:

“Tegenstribbelen had geen effect. Ik vocht, spuugde, krabde. Later probeerde ik zoveel mogelijk niet thuis te zijn. Hij was veel sterker. Verzet had nooit effect. Ik kon me alleen innerlijk, geestelijk verzet-ten. Hij trok zich er niets van aan. Hij zag hoe bang ik was. Bang dat hij me iets zou doen.”
Welke vorm van verzet kinderen gebruiken, maakt niet uit. De dader gaat toch meestal zijn gang op grond van zijn overwicht en van de behoefte zijn macht en lust te bevredigen.
5.2 Innerlijk overleven
Om de zeer pijnlijke ervaringen te kunnen doorstaan en in emoti¬oneel op-zicht te overleven, neemt het kind toevlucht tot psychisch verzet. In de li-teratuur wordt dit ook wel aangeduid als innerlijke overlevingsstrategie. Globaal kunnen er drie patronen onderschei¬den worden:
De eerste strategie is die van verdringing en ontkenning. De ervarin¬gen zijn zo pijnlijk dat ze weggeduwd worden. ‘Ik vergat het en stopte het weg’. of ‘Het was net alsof het niet gebeurde, ik deed net of het niet ge-beurde. Het is een zwart gat in mijn geheugen.’ Dit kan tot gevolg hebben dat volwassen vrouwen zich delen van de incestervaring niet meer kunnen herinneren. De inhoud van de verdrongen ervaringen, die als het ware on-dergronds doorwerkt, kan regelmatig terugkomen in de vorm van paniek-aanvallen of enge dromen. De volgende mogelijkheid om aan de pijnlijke realiteit te ontkomen, is te vluchten in de fantasie.
Slachtoffer vertelde:

Ik verhuisde altijd als ik de trap hoorde. Voor hij boven was zat ik op mijn eigen wolk. Ik was de witte maagd en noemde mezelf Maria. Als hij klaar was kwam ik weer beneden. Ik waste mij dan uitgebreid aan de wastafel. Daarna stapte ik weer in mijn lichaam. Maria werd weer Mary. Soms ging het te snel. Ik had dan nog even Maria moeten blij-ven. Op de wolk voelde ik geen pijn. Als Mary wel. Pijn in mijn onder-buik. Van voren, van achteren. Pijn aan mijn borsten. Maar wat het meest zeer deed was als ik de trap weer hoorde. Dan ging moeder en vader naar bed. Soms hoorde ik ze lachen, ruzie maken, vrijen. Het lukte me dan niet meer om op mijn wolk te komen. ’s Morgens zaten we weer aan tafel. Moeder, vader, zoon en dochter. Dan vroeg vader ook nog: “En Mary, lekker geslapen?”

De tweede strategie is fantaseren. Sommige kinderen verzinnen een vriendje of een vriendinnetje met wie ze hun gevoelens kunnen delen. ‘Wanneer mijn broer mij mis¬bruikte, praatte ik van binnen met mijn vrien-din over de vakantie’. Een derde strategie is het uitschakelen van het ge-voel.
Een slachtoffer vertelde:

“Wanneer mijn opa gemeenschap met mij had was ik net een heli-kopter. Ik hing in de hoek van de ka¬mer en zag van een afstandje wat er met mij gebeurde. Ik hoorde hem hijgen. Ik zag het zweten. Ik vroeg me zelfs af: wat is hij allemaal aan het doen?”

Het gevolg van deze strategie kan zijn dat vrouwen later het verhaal van de incest als het ware gevoelloos kunnen vertellen. Het is niet altijd even duidelijk voor de omgeving of het bij bo¬venstaande overlevingsstrategieën gaat om onbewuste of bewuste processen.
Een slachtoffer vertelde:

“Ik heb bij u de colleges Verraden Vertrouwen gevolgd. Ik wil ge-woon eens met u praten. Niet dat ik problemen heb hoor! Sinds kort heb ik een vriend. Hij is acht jaar ouder en getrouwd. We werken in hetzelfde paviljoen van de instelling. Ik liep er stage. Enfin, we pra-ten veel, later een vriendschappelijke knuffel, we gingen steeds ver-der. Hij heeft een scheiding aangevraagd. Dat is best moeilijk, want zijn vrouw is gek op hem en ze hebben twee kleine kinderen. Maar, ’t is zijn business. Dat lijkt allemaal hard en egoïstisch. Zo was ik niet. Zo ben ik geworden. Ik was dertien toen mijn broer seks met me wil-de hebben. Hij was achttien. Het is een ruwe lelijke jongen. Heel ver-nederend. Ik was een soort pop voor hem. Ik moest me eerst verkle-den. Veel te kleine jurkjes aantrekken en dan zo naar zijn kamer gaan. Ik moest hem verleiden. Natuurlijk wilde ik niet. Maar dan kon hij zo een pluk haar uit mijn hoofd trekken of mijn oor er bijna af-draaien. Ik was doodsbang voor hem. Hij zei dat vader alles wist. Mijn vader had geen enkele rol in het gezin. Het was een stille vreemde man. Mijn zus liet hij altijd met rust. Toen zij getrouwd was ging ik vaak bij hen logeren. Mijn zwager is een hele lieve vent. Toen hij met me wilde knuffelen voelde ik me vereerd. Ik vond het fijn. Ik wilde hem wat teruggeven. Ik voelde me wel schuldig tegenover mijn zus, maar gelukkig heeft ze nooit iets gemerkt. Nou ja, ik wil maar zeggen. Het zal allemaal wel mij eigen schuld zijn. Mijn broer, mijn zwager, mijn vriend. Een gewone relatie is niet voor me wegge-legd. Het klopt precies wat u in uw colleges zegt. Een incestslachtof-fer heeft moeite met relaties. Maar, ik probeer er wel wat van te ma-ken. Ik heb genoeg ingeleverd. Op catechisatie heb ik de dominee eens uitgelachen. Hij had een heel verhaal over seks voor het huwe-lijk. Wat allemaal mocht en niet mocht en wat God er van vindt. Ik heb al zes jaar seks en voorlopig trouw ik niet. [stilte] Sorry, dat had ik niet moeten zeggen. U bent toch ook dominee?”

5.3 Het geheim doorbroken
We hebben gezien dat het kind opgroeit met een geheim. Wie kan zich voorstellen wat het is voor een meisje als Naömie niet te kunnen praten over wat oom Henk haar aandoet? Leven met beelden van een volwassen man die het mooiste wat er is liefdeloos in bezit neemt? In emotioneel op-zicht raakt het kind verward in allerlei gevoelens. Ervaringen lopen door el-kaar heen. Later wordt er voor dit gedrag een mooie naam verzonnen door een deskundige. Het slachtoffer zal niet gauw haar geheim onthullen en zelf om hulp vragen. Ze voelt wel aan dat er te veel belangen op het spel zijn. Niemand kan de chaos overzien als zo’n geheim uitkomt. Dus zeker een getraumatiseerd kind niet! Belangrijk is hier de signalering van de bui-tenstaanders, mensen als juf Martha of tante Gea, dat er iets is met het kind.
Wanneer kinderen in de puberteit en adolescentie komen, groeit ook hun behoefte aan eigenheid. Ze willen een eigen persoonlijkheid zijn. Dat be-tekent losser van het gezin komen en een eigen leven opbouwen. Dat is lastig en bedreigend voor de dader. Wanneer de vader de dader is kan hij hierop reageren door zijn doch¬ter veel te controleren. De kans is dan aan-wezig dat het meisje van huis wegloopt en haar geheim onthult.

Een dader vertelde

“Ik wilde niet dat mijn dochter naar de disco ging. Die ritmische mu-ziek zou haar gevoelens losmaken. En weet u wie daar allemaal rondlopen? Ze ging wel naar avonden van de kerk en wel eens naar een jongerenavond. U hebt ook wel eens op zo’n avond gesproken. Over de gevangenis. Dat had ze mij verteld. Ik weet nu dat dit niet goed van mij was. Ik hield me voor de gek. Ik leer dat in die dader-groep. Ik was eerst woedend op haar. Zij heeft het naar buiten ge-bracht. Het moest wel zo gaan. Ik ben nu alles kwijt. Mijn gezin, mijn werk, de gemeente. Ja, ik voel me wel geslagen. Maar, ’t is ook mijn eigen schuld. Ik ben ook de mens die tot alle kwaad geneigd is. Ik wist dat de satan veel macht had. Maar dat hij zoveel macht over mij zou hebben? Mijn dochter is nog nooit op bezoek geweest. Ze wil me nooit meer zien heeft ze tegen mijn broer gezegd. Dat kan ik ook wel begrijpen. Ik moet dit kruis dragen op het eeuwige Golgotha en we-ten dat het voor mij geen nieuwe dag wordt.”

5.4 Intrekken of bagatelliseren van het incest-verhaal
Een kind dat vertelt over haar geheim, krijgt vaak te maken met ongeloof en weerstand vanuit de omgeving. Volwassenen kunnen er van uitgaan dat kinderen die zo’n verhaal vertellen onbetrouwbaar zijn. Dit wordt be-vestigd doordat kinderen in tweede instantie hun verhaal kunnen intrek-ken of bagatelliseren. Op het moment dat een kind het geheim onthult, kan er druk van¬uit het gezin komen om het verhaal in te trekken. Het kind krijgt verwijten naar zich toe geworpen. De kans is aanwezig dat het kind het verhaal weer intrekt en het misbruik kan doorgaan. Zo kan het gebeu-ren dat meisjes weglopen of vluchten door op jonge leeftijd te trouwen of een opleiding ver van huis te gaan volgen, zodat ze op kamers kunnen gaan wonen. Het gebeurt nogal eens dat dan een volgend kind het slacht-offer kan worden. Zo kunnen binnen één gezin meerdere kinderen mis-bruikt worden zonder het van elkaar te weten.
6. Incestslachtoffer
Seksueel misbruik is zo oud als deze wereld, maar het heeft zich eeuwen-lang aan de openbaarheid onttrokken. Het taboe is nog maar een tiental jaren geleden doorbroken. Onderzoeken stellen onomstotelijk vast dat sek-sueel misbruik geen zeldzaam verschijnsel is. Het komt voor in alle lagen van de bevolking, zowel in als buiten het gezin. Seksueel misbruik komt dus ook in kerkelijke kringen voor en er is (tot op heden) geen studie die aantoont dat het seksueel misbruik in kerkelijke kringen meer of minder zou voorkomen. De schuld werd (en wordt) dikwijls bij het slachtoffer ge-legd. Eind zeventiger jaren kwam daarin een kentering. In de jaren tachtig verschijnen er meerdere studies die het aloude beeld van het schuldige en medeplichtige slachtoffer bekritiseren. In dit verband wordt vaak de studie van Draijer aangehaald naar de omvang, aard en gevolgen van seksueel misbruik bij meisjes. Uit het onderzoek blijkt dat ca. 15% seksueel mis-bruikt zijn door familiele¬den. Het incestslachtoffer zal vroeg of laat signalen uitzenden. De vraag is: wie vangt die signalen op? Het blijkt dat vrijwel alle incestgevallen aan het licht komen via het slachtoffer of via vrienden of vriendinnen van het slachtof¬fer. In enkele gevallen via bijvoorbeeld een mentor of ambtsdra¬ger.
Er gaat heel wat aan vooraf aan strijd, angst en ver¬driet, voor een slachtof-fer of een ander gezinslid ook maar iets aan de buiten¬wereld durft te ver-tellen. Vaak is er op vage sig¬nalen niet gereageerd, omdat ze te onduidelijk waren of omdat men er geen raad mee wist. De capacitei¬ten van kinderen ten aanzien van waarneming, geheugen, reproductie etc. staan ter discus-sie indien het kind getuige is van een straf¬baar feit. De capaciteiten wor-den vaak sterk betwist als het kind slachtof¬fer is van een zeden¬misdrijf. Het ge¬sprek met het in¬cestslachtoffer is een interactief proces en verloopt via het uitlokken van een spontaan verhaal naar het stellen van al¬gemene en meer speci¬fieke vragen. Het kind is de informant omtrent zijn ervaring van een gebeurtenis of si¬tuatie en van zijn eigen emoties en gedrag. Het kind kan dan vage sig¬nalen uitzenden, bijvoorbeeld in de vorm van het ach¬teruitgaan van leerpres¬taties, teruggetrokken gedrag op school of op een club, vereniging of catechi¬satie, een glazige- of af¬wezige blik tijdens de les of het groepsge¬sprek, het afbreken van vriendschappen en het ver-mijden van lichamelijk contact. Een ander aspect is de geloofwaardigheid van het incestslachtoffer. De gevolgen van incest zijn afschuwelijk. Er is veel over geschreven. In vrijwel alle artikelen, boeken en onder¬zoeken over incest is te lezen hoe het kin¬derleven verwoest wordt. Het ‘kind’ in het kind sterft langzaam en om te over¬leven moeten de kinde¬ren zich als volwasse-nen gaan gedragen. Dat kan alleen als het zich ‘splitst’. Er is een leven ’s nachts met daden die het daglicht niet kun¬nen verdragen en er is een le-ven overdag. De vader ’s nachts is een andere vader dan overdag.

Men schat men dat één op de vier à misbruikte kinderen een jongen is. De gevolgen van seksueel misbruik van jongens zijn groot. De jongen lijdt niet alleen onder het misbruik, maar ook onder de beelden die de omgeving van hem creëren. Onder het beeld “echte mannen zwijgen” gaan gevoelens van angst, schaamte en verwarring schuil. Menige jongen krijgt identiteits-problemen en worstelt met vragen en gevoelens van ontluikende homosek-sualiteit die hij niet kan of wil plaatsen. Door al deze gevoelens en de angst dat zijn geheim onthuld wordt raakt de jongen in een isolement. Wanneer hij tòch de moed heeft zijn geheim te onthullen zal hij nogal eens stuiten op mensen die hem niet (meteen) erkennen als slachtoffer. Dijkstra (1996) spreekt over het flinkheidsbeeld bij jongens dat gekenmerkt wordt door: zelfstandigheid, zelfredzaamheid en onkwetsbaar¬heid. Het gevolg is dat de “eenzame held” niet in staat is intimiteit met sekse genoten te delen. Zijn angst is dat het seksueel misbruik zijn mannelijkheid zou diskwalificeren. Immers: “Echte mannen worden geen slachtoffer!” Seksueel misbruik werkt bij jongens en meisjes door in hun relaties. Het is moeilijk een relatie aan te gaan en moeizaam om de relatie te onderhouden. Vaak is de rela-tieproblematiek de reden van een eerste contact met de predikant. Achter de relatieproblematiek schuilt dus een wereld aan verwarring en verdriet. Incest is een misdrijf en van dit misdrijf kan aangifte gedaan worden. In de regel is het zo dat hoe ouder het kind hoe meer het ook bij een discus-sie over een eventuele aangifte betrokken kan worden. Voor jonge kin-deren geldt in de regel dat het misbruik stopt als er (een dreiging) van aangifte is. Voor oudere kinderen en vol¬wassenen geldt dat zij beslissen of er aangifte gedaan wordt of niet. Ook bij verjaarde misdrijven is het moge-lijk aangifte te doen. Dit kan een therapeuti¬sche werking hebben.

7. Gevolgen van incest
Toen ik de eerste incestdaders ontmoette, in de gevangenis of in de pasto-rie, had ik het gevoel dat ik goede gesprekken voerde met redelijke man-nen. Later leerde ik weer van afweermechanismen die incestdaders gebrui-ken in het gesprek. Een van de afweermechanismen is een goed gesprek voeren met bijvoorbeeld een predikant. Toen ik de eerste incestslachtoffers sprak en ik hoorde wat hen overkomen was, moest ik mijn beeld bijstellen over daders. Waren het wel van die goede gesprekken die ik gevoerd had? Waren het wel redelijke mannen? Ik ontdekte na ieder gesprek dat de ge-volgen ernstiger waren dan ik had vermoed en in mijn eerste artikelen over incest had opgeschreven.
Wat bepaalt nu de ernst van de gevolgen van incest? Hier zijn meerdere factoren te noemen. In het algemeen kan gesteld worden dat hoe ernstiger het misbruik is, des te erger de gevolgen zijn. Ook de leeftijd van het kind draagt bij aan de ernst van de problemen; hoe jonger het kind is wanneer het misbruik begint, des te ernstiger zijn de gevolgen. Vrouwen, die door meerdere personen zijn misbruikt, hebben meer problemen. De context, waarin het misbruik plaatsvindt, is ook bepalend. Be¬halve het misbruik als zodanig, kunnen ook de sfeer van liefdeloos¬heid en de emotionele ver-waarlozing ernstige gevolgen hebben en de doorwerking van het misbruik verergeren. Men hoort wel eens zeggen: De dader is niet zover gegaan, ze is maar een enkele keer betast, dus de gevolgen zullen wel meevallen.

Een collega vertelde

“Collega ik zit met een man in mijn gemeente die, laat ik het zo zeg-gen, ernstig handtastelijk is geweest bij zijn zeventienjarige dochter. Slimme meid, studeert, heeft van pa een eigen appartement in Lei-den gekregen. Hij ziet er trouwens ook goed uit! ‘k Moet nog eens vragen hoe hij dat doet. ’t Is geen kwaaie. Ik ken hem goed. Hoe dan ook: hij is over de schreef gegaan. Nu schijnen beiden er geen moeite mee te hebben. Alleen zijn vrouw. Kwam erachter dat hij wat heeft gehad met zijn dochter. Huis te klein. Neemt die meid het voor haar pap op! Weet je wie nu weg is? Precies! Mams! Belde ze mij of ik raad wist. Ik kende manlief. Dochter nog een tijdje bij mij op cate-chisatie geweest. Ik denk dat het allemaal met een sisser afloopt. Hoe zou jij nu met die mama omgaan?”

Het meest bepalend voor de ernst van de gevolgen is niet de aard van het misbruik, maar de betekenis die het kind aan het misbruik geeft. Hoe het kind zich ten tijde van het misbruik heeft gevoeld, hoe machteloos en schuldig, bepaalt in grote mate de klachten op langere termijn. Belangrijk is hierbij het gevoel geen controle of vertrouwen in de eigen weerbaarheid te hebben. Andere factoren, die bijdragen aan de ernst van de gevolgen, zijn onder andere de karaktereigenschappen van het kind en de steun, die het kind vanuit de omgeving gekregen heeft.

7.1 Lichamelijke gevolgen van incest
Het misbruik kent niet alleen verschillende vormen, maar kan ook verschil-lende gradaties. We kunnen globaal vier gradaties onderscheiden:
Licht: een eenmalig incident van relatief ‘onschuldig’ karakter zoals betas-ting van de geslachtsdelen boven of onder de kleding. De dader gebruikt geen dwang, maar het kind ervaart het wel als ongewenst.
Matig: eenmalige of meermalige betasting van de geslachtsdelen onder de kleding of masturbatie in bijzijn van het kind. Het kind is in geringe mate afhankelijk van de dader. Die oefent geen lichamelijke dwang uit, maar zet het kind wel onder druk of vraagt het om geheimhouding.
Ernstig: Hieronder verstaan we (pogingen tot) penetratie of wederzijdse masturbatie. Het kind is afhankelijk van de dader. Het misbruik houdt mi-nimaal een jaar aan. De dader gebruikt lichamelijke dwang of psychische manipulatie.

Naomi: “Hij misbruikte me minstens één maal per week. Op donder-dagmiddag. Maar soms ook na een repetitie van het koor of als ik bij hem en tante Gea moest logeren. Het gaat allemaal geleidelijk. Steeds verder. Voor je het weet heb je een leven als een getrouwde man en vrouw. Hij vertelde altijd dat ik de oorzaak was. Ik wekte de lust in hem op. Als ik zou praten zou hij wel middelen weten dat ik van school zou moeten, misschien zelfs verhuizen. Dat was voor een kind niet te overzien. Ik heb eigenlijk nooit tegengestribbeld. Ik voelde me ook vaak schuldig omdat ik zelf naar zijn huis ging. De eerste aan wie ik het vertelde, iemand die jeugdwerk deed in de kerk, vroeg zich verbaasd af waarom ik dan bleef gaan? Nou, die snapte ook niets van hoe het werkt.”

Zeer ernstig: meermalig, langdurig seksueel misbruik (penetratie), dat mi-nimaal een jaar aanhoudt. Het kind is afhankelijk van de dader. Die chan-teert het kind of gebruikt lichamelijk geweld.
Het misbruik kan de volgende lichamelijke klachten tot gevolg hebben: hoofdpijn, buikklachten, rugpijn, maagklachten en hyperventilatie, zonder dat daar een aanwijsbare lichamelijke oorzaak voor is; slaapproblemen. Naast deze (psycho) somatische klachten kunnen er een aantal licha-melijke problemen zijn, die verband houden met het misbruik, zoals onge-wenste kinderloosheid en vroege baarmoederoperaties. Ten gevolge van alle problemen kunnen vrouwen kalmerende en slaapmiddelen gaan ge-bruiken. Het gevaar is aanwezig dat ze eraan verslaafd raken. Dit geldt ook voor alcohol en roken.

7.2 Psychische gevolgen van incest
Het onderzoek van Draijer (1988) wijst uit dat vrouwen met mis-bruikervaringen meer en ernstiger psychische problemen hebben dan an-dere vrouwen. De angst die het kind als slachtoffer heeft meegemaakt kan zich later uiten in angsten, paniekreacties, depressiviteit, achterdocht, een-zaamheid, gevoelens van minderwaardigheid, gespannenheid, piekeren, concentratiestoornissen en slaapproblemen. Op enkele psychische gevol-gen gaan we verder in: 1. onvermogen om te vertrouwen, 2. woede, 3. schuldgevoelens, 4. angst en 5. negatief zelfbeeld.

Een slachtoffer vertelde:

“Wij hebben twee kinderen gekregen, maar daar heb ik het heel moeilijk mee. Ik weet niet wat liefde geven is, weet niet hoe ik de kleine dingen aan hen door kan geven. Ik ben een moeder die de ene dag lief is en de volgende dag niet meer kan, die zelf geen kind is geweest. Incest loopt door tot in de volgende generatie. De incest heeft van mijn leven een puinhoop gemaakt. Ik voel me niets en nie-mand, ben tot op de bodem vernietigd. Ik ben redelijk intelligent, maar ik kan er niets mee doen, ik ben te labiel, te emotioneel en te agressief.”

7.2.1 Onvermogen om te vertrouwen
Het kind ontdekt dat de ouders van wie het afhankelijk is, het kwaad toe-brengen of toelaten. Het kind voelt zich verraden en in de steek gelaten. Het verraad is des te erger wanneer de betreffende ouder voor het mis-bruik als liefhebbend is ervaren. Wanneer de moeder het verhaal van de incest niet gelooft of het kind niet beschermt, voelt het kind zich ook door haar in de steek gelaten. Kinderen blijven op zoek naar warmte en aan-dacht, maar tegelijker¬tijd blijven ze op hun hoede. Ze verlangen naar ver-trouwen en vei¬ligheid, maar zijn er tegelijkertijd bang voor. Het kan gebeu-ren dat ze in hun gedrag volwassenen uitlokken of op de proef stellen om te zien of ze werkelijk te vertouwen zijn. Eenmaal volwassen kunnen vrou-wen blijvend moeite houden met het ontwikkelen van een vertrouwensrela-tie met een ander. In sommige gevallen vermijden vrouwen persoonlijke, intieme relaties hun leven lang. Hun vertrouwen is voorgoed geschonden.

7.2.2 Woede
Kinderen, die seksueel misbruikt zijn, hebben veel woede in zich vanwege de aangedane vernederingen. Boosheid op de dader, of boosheid op de moeder die hen niet beschermde. Kinderen kunnen op verschillende ma-nieren reageren. De meeste kinderen hebben moei¬lijkheden met het uiten van deze gevoelens. Ze zijn niet in staat om de agressie te uiten, maar richten die naar binnen toe, naar zichzelf. Het kind wordt dan depressief en vertoont teruggetrokken gedrag. Na verloop van tijd kan de onderdrukte woede leiden tot vormen van zelfvernietigingsgedrag. Zelfverwondingen (bijv. zichzelf snijden of branden), anorexia nervosa (zichzelf uithongeren) of suïcidepogingen kunnen hiervan het gevolg zijn . Er zijn ook kinderen die gevoelens van boosheid wel kunnen uiten. De woede kan zich richten op vriendjes, vriendinnetjes, buren, leerkrachten, enz. Ze doen dit door bijv. druk, opstandig gedrag te vertonen. We noemen dit ook wel ‘acting-out gedrag’. Op school kan dit veel gedragsproblemen geven. In de puber-teit lopen sommigen weg of komen in aanraking met alcohol en drugs. Seksuele losbandigheid en prostitutie kunnen pro¬blemen gaan geven. De gedragsproblemen staan bij deze kinderen op de voorgrond, maar dit kan de depressiviteit verhullen.

7.2.3 Schuldgevoelens
Bijna alle personen, die misbruikt zijn, voelen zich schuldig over het seksu-ele misbruik, zeker na het bekend worden van het gebeuren. Een kind voelt zich verantwoordelijk voor het seksueel misbruik. Dit heeft te maken met o.a. de overlevingsstrategie die met name jonge kinderen aanleren. Kleine kinderen voelen aan dat ze in hun bestaan afhankelijk zijn van hun ouders. Wanneer de ouder een mishandelen¬de ouder is, is dit voor het kind onverdraaglijk en levensbedreigend. Het houdt vast aan het beeld van de liefhebbende ouder en schuift de schuld op zichzelf. Zo kunnen misbruikte kinderen zich heel aanhan¬kelijk gaan gedragen t.o.v. degene die hen mis-bruikt. Een andere bron van schuldgevoelens is de boosheid en woede op de dader of anderen. Deze als het ware verboden gevoelens roepen schuldgevoelens op. Het kind heeft in het gezin vaak de positie van surro-gaatouder. We wezen hier reeds eerder op in dit hoofdstuk. Vanuit deze positie van verantwoordelijkheid en de loyaliteitsgevoelens kan het kind zich de zorgen en narigheden van de gezinsleden aantrekken en zich daar schuldig over voelen. Soms kan het lichaam van het meisje tijdens het misbruik reageren met erotische prettige gevoelens of een reactie van be-vrediging. Dit buiten de wil van het meisje om. De vrouw voelt zich verra-den door haar lichaam. Ook deze verwarrende gevoelens, kunnen schuld-ge¬voelens oproepen. Tot slot kunnen vrouwen zich schuldig voelen over het feit dat ze voor het misbruik bepaalde voorrechten of beloningen kre-gen (bijv. aandacht, geld, cadeau’s).

7.2.4 Angst
Naast schuldgevoelens is angst één van de belangrijkste emoties, waarmee misbruikte vrouwen te maken hebben. Zoals angst voor de dader, angst voor zijn dreigementen, angst voor herhaling van het misbruik. Er kan angst, verwarring en bezorgdheid zijn over even¬tuele schade aan het eigen lichaam, als gevolg van de lichamelijke pijn die het misbruik gedaan heeft. Uit het misbruik kunnen ook andere angsten voortvloeien: angst voor mannen, angst om aangeraakt te worden, angst voor het donker enz. De angsten kunnen hevige vormen aannemen en uitgroeien tot allerlei fobie-en, die langdurig werkzaam zijn.

7.2.5 Negatief zelfbeeld
Seksueel misbruik is een ervaring die de persoonlijkheid diep aantast. De wil, wensen en gevoelens van het kind worden genegeerd. Inces¬tueuze gebeurtenissen vinden plaats zonder dat het kind er controle op heeft. Dit geeft gevoelens van hulpeloosheid en machteloosheid. Het kind faalt in ei-gen ogen; het kan er immers niets aan doen. Het kind geeft het geloof in de eigen weerbaarheid op omdat eerdere verzetspogingen niet hielpen. Het zelfvertrouwen brokkelt af. Incest betekent een schending van de lichame-lijke integriteit. Het kind wordt niet als persoon gerespecteerd, maar wordt gebruikt ter bevrediging van behoeften van de dader. Het kind voelt zich vies, lelijk, slecht en waardeloos. Deze gevoelens werken door tot in de volwassenheid. In de praktijk blijkt dat misbruikte kinderen, vrouwen het gevoel hebben dat ze nergens recht op hebben. Ze durven niet voor zich-zelf op te komen. Deze gevolgen behoren tot de ‘harde kern’ van de trau-matisering. Door de seksuele ervaringen kunnen vrouwen een hekel krij-gen aan hun eigen lichaam. Sommigen zijn als het ware boos op hun li-chaam en doen zichzelf pijn. Anderen vinden het afschuwelijk zichzelf in de spiegel te zien of zichzelf aan te raken.

7.3 Religieuze gevolgen van incest

Naömie: “Ik heb geen jeugd gehad. Ik was nog maar een kind toen mijn vader wegging. Oom Henk was er eigenlijk altijd. In mijn huis, in mijn hoofd. Ook al was hij bij zijn eigen gezin, dan nog was hij er: in de badkamer, in mijn slaapkamer. Hij was er ook op school, als de juf Martha mooie verhalen over gelukkige kinderen vertelde. In de kerk zat hij in een aparte bank met andere broeders. Op die broeders was niets aan te merken. Zij gingen staan bij het gebed. Zij gingen aan tafel bij het Heilig Avondmaal. Zij gaven de dominee een hand onder de preekstoel. Oom Henk hoorde ik altijd zingen. Hij was best muzikaal. Bij moeilijke psalmen nam hij de gemeente mee. Hij wilde altijd een pluimpje van mij. “Heb je mij gehoord Naömie?” vroeg hij dan. Ik vond het ook oneerlijk. Mijn moeder was alleen en ik was al-leen. Hij had een compleet gezin. Wat kwam hij bij ons halen? Of kwam hij alleen voor mij? Was het alleen zijn eigen begeerte of ver-slaving? Als kind dacht ik wel eens: Zou God op donderdag slapen? Want dan kreeg ik pianoles. Tante Gea was dan nooit thuis. Trou-wens, ik denk het nog wel eens.”

7.4 Relationele en seksuele gevolgen van incest
Seksueel misbruikte kinderen voelen zich vaak sociaal geïsoleerd omdat ze ervaringen hebben meegemaakt waarvan ze denken dat an¬dere leeftijds-genoten die niet meemaken. Seksuele toenaderingspogingen van de part-ner roepen meteen onaangename herinneringen op aan het misbruik. Bij sommigen is sprake van afkeer van partners en aanrakingsangst. Door het misbruik ontstaat er verwarring over de eigen (seksuele) identiteit. Er kan zorg bij het kind bestaan over eventuele beschadigingen aan het eigen li-chaam, ook als er geen geweld is gebruikt. In een aantal gevallen heeft het seksueel misbruik blijvende fysieke schade tot gevolg. Een ander probleem kan zijn dat seksueel misbruikte kinderen zich uitdagend en seksueel ver-leidelijk gaan gedragen. Ze hebben geleerd dat dit gedrag een manier is om aandacht te krijgen. Ze hebben de neiging alle relaties seksueel in te kleuren, want ze hebben niet ge¬leerd dat aandacht en genegenheid te on-derscheiden zijn van seksuele prikkeling. Kinderen kunnen blijvend moeite houden met het geven en krijgen van liefde. Dit kun je zien wanneer ze bijvoorbeeld in pleeggezinnen of tehuizen geplaatst worden. De kans be-staat dat het kind of de jongere, de vroegere seksuele ervaringen gaat herhalen met bijv. de groepsleiding. Zo kan het ook gebeuren dat een jon-gere in contact met bijv. de predikant of leerkracht de relatie seksueel gaat inkleuren. Seksueel misbruik kan ernstige gevolgen hebben voor het latere huwelijksleven. Het onderzoek van Draijer (1990) wijst uit dat misbruikte vrouwen meer seksuele problemen hebben dan vrouwen zonder dergelijke ervaringen. Wat we vaak in de praktijk tegenko¬men is dat vrouwen angst hebben voor lichamelijk contact. Ze kun¬nen er niet van genieten. Niet zel-den komen er nare herinneringen naar boven, die het seksueel contact be-lemmeren. Soms treden er pijnklachten op bij gemeenschap. Deze klachten kunnen zowel in verband staan met lichamelijke factoren (inwendige ver-wondingen of infecties) als psychische factoren (herinneringen aan zeer pijnlijke ervaringen). Hoe moeilijk deze problemen kunnen zijn, horen we in de volgende uitlatingen:

“Ik beleef er zelf geen plezier aan. Ik moet steeds bedenken dat het niet mijn vader is die aan mij zit, maar mijn man van wie ik houd. Ik ben verdrietig en wil graag de seksuele relatie met mijn man verbe-teren.”

“Ik was alle gevoel kwijt. Ik heb een negatief beeld van mijzelf. Met name voel ik mij schuldig. Mijn lichaam, daar is niets moois meer aan.”

”Ik voel mij nog steeds vies. Soms raak ik in paniek onder het vrijen. We houden dan op.”

Een ander probleem wat kan ontstaan ten gevolge van seksueel mis¬bruik is dat vrouwen seksuele activiteit geheel gaan vermijden. Dit kan spanningen geven naar de partner. Promiscuïteit kan een ander gevolg zijn van seksu-eel misbruik. Seksueel misbruikte meisjes kunnen al op jonge leeftijd sek-suele relaties aangaan met mannen buiten de familie. Deze contacten wis-selen veelvuldig. Sommige vrouwen belanden uiteindelijk in de prostitutie.

Hoofdstuk 4 De dader
1. Inleiding

Juf Martha had in de klas wel eens verteld over een potloodventer in het park in de buurt van de school. Ze had de kinderen gewaar-schuwd voor de man in de lange regenjas. Het leek van buiten een nette man. Het zou je oom kunnen zijn, een vader van een gezin, een ouderling van de kerk. En toch deed deze man dingen die heel erg waren. Het is niet alleen verkeerd, maar ook een zonde om zo met je lichaam om te gaan. Juf Martha had er ruim de tijd voor ge-nomen. Naömie dacht aan oom Henk. Wat zou de juf zeggen als zij zou horen wat oom Henk met haar deed en wat zij met oom Henk moest doen? Dat was niet alleen heel verkeerd, maar ook heel zon-dig. Naömie snapte niet dat oom Henk op zondag in een aparte bank met andere mannen zat. Soms mocht hij de dominee een hand ge-ven. Alle mensen van de kerk hielden van oom Henk. Ze zouden haar nooit geloven als zij zou vertellen dat hij ook een soort potlood-venter was. Alleen niet in het park, maar soms in haar eigen kamer-tje.

De gevolgen van incest zijn afschuwelijk. Er is inmiddels veel over ge-schreven. In vrijwel alle artikelen, boeken en onder¬zoeken over incest is te lezen hoe het kinderleven verwoest wordt. Het ‘kind’ in het kind sterft langzaam en om te over¬leven moeten de kinde¬ren zich als volwassenen gaan gedragen. Dat kan alleen als het zich ‘splitst’. Er is een leven ’s nachts met daden die het daglicht niet kunnen verdragen en er is een le-ven overdag. De vader ’s nachts is een andere vader dan overdag. Het al-gemeen incestverbod in Leviticus 18:6 laat geen enkele twijfel toe: incest is een grote zonde en er is sprake van meervoudige ontrouw. De incest-dader heeft het verbond met de Here, zijn echtgenote en zijn kind ge-schon¬den. Dit verbond heeft te maken met de Heilige en het is een af¬beel-ding van Gods trouw. God geeft waardigheid en eer aan deze status. Dit unieke verbond dankt zijn oor¬sprong aan Hem, die de mens schiep als man en vrouw, bestemd voor el¬kaar, die hen als gehuwden riep tot vervulling van hun roe¬ping. Binnen het huwelijk kunnen kinderen geboren worden. Zij zijn een erfdeel van de Here. De incestdader schendt dus het unieke verbond met zijn Schepper, met de vrouw van zijn ver¬bond, maar gaat bo-vendien niet met zijn erfdeel om, zoals de Here dat van hem verlangt. Het verbond rust op het fun¬dament van liefde en vertrouwen. De man die op deze wijze het verbond schendt, verraadt het vertrouwen.
In bijna alle gevallen zijn mannen de plegers van seksueel misbruik. Ooms en broers maken ieder een kwart van de daders uit. Vaders en vaderfigu-ren zijn bijna in een op de vijf gevallen daders. In de overige gevallen gaat het om broers, ooms, grootvaders en huisgenoten. Soms begint het seksu-eel misbruik geleidelijk. Bijvoorbeeld met op schoot zitten, naar bed bren-gen en stoeien, waarbij dit op een gegeven moment ‘uit de hand loopt’. In veel andere gevallen begint het echter onverhoeds. Er is niet zelden sprake van charme en chantage in het contact. De dader zegt bijvoorbeeld: “Wij hebben samen een mooi geheim.” Hij gebruikt zijn charme. Hij kan vervol-gens ook zeggen: “Ik wil datje daar met niemand over praat, wantan-ders…” Dan is er sprake van chantage. Deze manier van omgaan met een kind is erg verwarrend. Kinderen zullen doorgaans zwijgen, omdat ze de gevolgen van het spreken, van het onthullen van het geheim, niet kunnen overzien. Met de titel “Twee mensen hebben een geheim” heb ik al veel le-zingen gegeven. Ik merk dat deze eenvoudige beelden om het seksueel misbruik uit te drukken herkend worden. Zowel het slachtoffer als de dader ervaren de gevolgen van het geheim vaak als een last. Zij komen daardoor niet zelden in een isolement. Het isolement heeft invloed op het algehele functioneren van het slachtoffer en de dader. Het is vaak een verwoesten-de invloed.

2. Gij zijt die man!
De dader is: vader, broer, pleeg¬vader, opa, oom of iemand die in het gezin leeft. In de regel wordt het functioneren van het gezin in sterke mate be-paald door zijn gedrag. Als dan zijn ‘geheim’ openbaar wordt, als een ander zegt Gij zijt die man! (II Samuël 12:7), dat kan een kreet van zijn slachtof-fer, een rechercheur of een predikant zijn, dan zou hij zich schuldig moe-ten voelen. Het is de titel van mijn proefschrift dat gaat over de pastorale zorg voor daders. De woorden van de profeet Nathan zouden moeten door-klinken door in de incestsituatie. Zoals koning David zich betrapt en aan-geklaagd wist, zo zou ook het geweten de dader moeten gaan spreken. Tal van afweer¬mechanis¬men worden gebruikt om het gewicht van Nathans woor¬den te ont¬krachten en het geweten tot zwijgen te brengen. Zo wordt een slachtoffer vaak voor een tweede maal verkracht.

3. Wie is de dader?
Er is geen algemeen profiel van daders te geven. Daders komen voor in al-le lagen van de bevolking. Er is geen enkele aanwijzing dat christenen meer of minder incest zouden plegen. Dat is niet gemakkelijk om op te schrijven in een boek dat gaat over pastoraat en incest. Als predikant die iedere zondagmorgen de Tien Geboden voorleest in de gemeente had ik graag iets anders opgeschreven. Het brengt mij bij het diepe beself dat de mens tot alles in staat is.
Wij kunnen de volgende al¬gemene karak¬teris¬tieken van dader noemen:

1. Aan incestdaders zijn in verreweg de meeste gevallen sociaal aange-paste mensen aan wie niets te zien is. Er zijn geen uiter¬lijke kenmer-ken. Veelal maakt de dader een wat afstandelijke indruk en vraag je je na een ontmoeting af of je werkelijk contact hebt gehad. De dader ver¬schuilt zich vaak achter een façade van sociale en kerkelijke con-tacten waardoor het een gerespecteerd mens lijkt. Achter het masker van aangepastheid gaan perverse ongecontroleerde driften schuil. De dader is meestal een man met twee gezichten, twee levens, twee gewetens. Oom Henk was echtgenoot, vader van twee dochters, een gerespecteerd lid van de kerk, zelfs ambtsdrager. Hij speelde piano-bij het koor, gaf pianoles, was reserve organist. Achter de façade van sociale en kerkelijke contacten ging een perverse man schuil. Een man die vele jaren een kind misbruikte en verkrachtte.
2. De vader is doorgaans over¬betrokken bij het gezin. Hij bepaalt en beperkt het leven van de andere gezinsleden tot in de punt¬jes. Oom Henk regelde met Naomi ’s moeder welke jurk ze aan moest bij een kerstuitvoering waar ze piano moest spelen.
3. De dader pleegt een misdrijf dat anders is dan andere seksuele mis-drijven. Incest binnen een gezin onderscheidt zich van ieder ander sek¬sueel geweld, omdat het binnen een klimaat van ver¬trouwen en door bekenden van het kind of de fa¬milie gebeurt. Niemand ver-wacht dat een ouder het vertrouwen van een kind verraadt.
4. De dader binnen het gezin maakt misbruik van zijn macht en positie. Hij sluit coalities, heeft bondgenoot¬schap¬pen en onderhoudt een pa-radoxale- en patholo¬gische com¬municatie met het slachtoffer. Oom Henk had een coalitie met Naomi’ s moeder. Oom Henk’ s woorden hadden een dubbele boodschap. Er was geen verschil tussen “Je bent mijn lieve poppie!” of “Je bent mijnkleine sletje!”
5. De dader heeft een karakterologisch, psychisch en moreel tekort. Hij compenseert zijn tekorten. Hij gebruikt daartoe geveinsde vriende-lijkheid, tal van sociale relaties en gedraagt zich als een moraalridder in de kerkenraad. Een dader die zijn beide dochters ernstig heeft misbruikt vertelde in de gevangenis dat hij niet van lipstick hield. Zijn dochters hoefden er niet als hoeren bij te lopen.

4. Typen daders

“Vindt u dat het slachtoffer de dader moet vergeven?”, vroeg een man op een lezing over incest. De manier waarop hij de vraag stelde maakte me kriebelig en ik vermoedde dat hij zelf het antwoord al wist. “Ik heb nogal moeite met het woordje ‘moet’ als het om verge-ving gaat.”, zei ik. “Dan hangt het dus van het slachtoffer af of een dader een nieuwe start kan maken. Daar heb ik moeite mee!”, zei de man. Dat hij er moeite mee had kon je horen aan zijn stem toen en zien aan zijn gelaatsuitdrukking. ’t Werd erg stil in de zaal vol ambtsdra¬gers. Ik had ook ging zin de stilte te doorbreken en liet de woorden van de vragensteller nog even nawerken.
“Zou u iets over slachtoffers kunnen vertellen. Ik bedoel, laat ik zeg-gen, waarom ze het zo moeilijk vinden om hun vader te vergeven. Of wie hen ook heeft misbruikt…” Een van de weinige vrouwen was gaan staan. Onzeker keek ze om zich heen. Was er een machtsstrijd aan de gang? Ontstonden er partijen? Zoals zo vaak als je over een dergelijk gevoelig onderwerp spreekt of preekt?
Ik hoorde mezelf vertellen over een meisje dat me veel had geleerd. Ik zie haar nog zitten. Ze zag eruit als een vrouw die gebukt ging onder verdriet en zorgen. Iemand die aan het leven en aan mensen leed. Maar ze was pas 19. Ze had me aange¬sproken na een lezing: “U heeft over mijn vader geschreven?”, vroeg ze schuchter. “Ten-minste, dat denk ik. Die man in uw boek Verraden Vertrouwen zou mijn vader kunnen zijn. Hij heeft mij leven kapot gemaakt…” Tranen stonden in haar ogen. “Ga even zitten !” Ik was geschrokken en aangeslagen. Natuur¬lijk had ik niet over háár vader geschre¬ven. Maar die vader in mijn boek, zo’n vader, was dus ook háár vader: een man die zijn dochter heeft verkracht. Een vader die dit meisje, zijn eigen kind, heeft. “Want, dominee, zoals u hem beschrijft…”, zei het meisje. “Zo was hij niet…?”, vroeg ik tegen beter weten in. “Nee, ’t was veel erger…” ’t Had geen zin om te zeggen, dat het haar va-der niet was. En ze nam mij kwalijk dat ik als man van de kerk te gemakke¬lijk het woord verzoening in mijn mond nam. Ik zou toch be-ter moeten weten? Ja, dankzij haar wist ik het nu beter, maar niet beter dan zij. “Dominee, hij moet de gevolgen van zijn daden dra-gen. Hij heeft het ‘kind’ in mij vermoord. Ik ben er nog wel, maar vraag mij niet wat het mij kost. Misschien komt er een moment dat ik hem alles kan zeggen. Dat moment is er nu nog niet. Eerst moet ik mijn verhaal nog honderd keer uitschreeu¬wen, voor ik hem een maal kan zien. Later schreef ze mij een brief, dat ze bang was dat ze te fel was geweest, te onbeleefd tegen een dominee. Maar ik had van haar geleerd hoe moeilijk het is werkelijk over verzoenen te praten als er menselijkerwijs onverzoenlijke daden zijn ge¬beurd. Ik ben voorzich-tiger geworden. Ik preek dat de Here Jezus gestorven is tot een vol-komen verzoening van al onze zonden. Dus Hij is ook gestorven voor de zonden van de incest¬dader. Maar de gevolgen van zijn zonden blijven huizenhoog staan. “Mijn vader heeft me al zo vaak geschre-ven of ik hèm wil vergeven. Hij kan niet met de gedachte leven een dochter te hebben die niets meer van hem wil weten. Daar lijdt hij onder. En, hij kan zich bijna niets meer herinneren. Maar, ’t is pas vier jaar geleden gestopt. Nu is hij 41. Ach, hij heeft zoveel kapot gemaakt. Hij zegt dat hij lijdt. Zou hij zich kunnen voorstellen hoe ik me voel? Ik durf niet te denken aan een vriend, een man, een rela-tie. Neen, voor mij is dat niet weggelegd, denk ik. En, ik zou graag een normaal leven leiden. Trouwen in een witte jurk. Moeder wor-den…”

Zoals in het voorgaande al is aangegeven komen we incest tegen in alle geledingen van de samen¬leving. Er zijn verschillende inde¬lingen van in-cestdaders gemaakt. In mijn dissertatie en andere publicaties heb ik steeds gekozen voor de indeling van Bullens’ (1988). Hij heeft op grond van per-soonlijkheidskenmerken van daders een indeling gemaakt die ik duidelijk vind. Het gaat om de volgende typen: 1. de autoritaire dader, 2. de kinder-lijke dader, 3. de geperverteerde dader en 4. de gelegenheidsdader. Van-uit de hulpverleningspraktijk is deze indeling duidelijk herkenbaar.

4.1 De autoritaire dader
De dader vertelde op mijn vraag iets meer over het misbruik van zijn doch-ter te vertellen het volgende:

“Zoiets gebeurt als er verder niemand thuis is. Ze probeerde dan wel smoezen te verzinnen om weg te komen. Huiswerk en zo. Maar daar trapte ik niet in. Ik ben ook niet gek. Ik zei gewoon ‘Naar boven!’ Ja, dan begreep ze het wel. Neen, weerstand heeft ze nooit geboden. Waarom vraagt u dat eigenlijk? Ik dacht dat ik bij een dominee zat en niet bij de politie.”

Het woorden boek omschrijft het begrip autoritair als ‘eigenmachtig’. Het gebruik van de eigen macht ten koste van de ander is dan ook wat op de voorgrond staat in het optreden van de autoritaire dader. Als we dan den-ken aan een kind dat afhankelijk is van een vader, een grootvader of een oom, komt meteen de vraag op: Welke keus heeft een kind? Het misbruik overkomt haar. Ze kan niet uit de incestsituatie. De incestsituatie is zo dif-fuus en dwingend, dat ook al zou het kind er uit willen, het geen mogelijk-heden ziet. Uit diverse onderzoeken is bekend dat seksuele bevrediging niet het grootste motief is, maar vooral het laten gelden van macht. We zien bin¬nen incestgezinnen dat naast de vader, ook broers een bepaalde autoritaire positie innemen ten opzichte van hun zussen. Binnen incestge-zinnen heersen dus dikwijls uitgesproken meningen over mannelijkheid, vrou¬welijkheid en seksualiteit. Het blijkt bijvoorbeeld uit de houding van de echtgenoot die meent recht op seksualiteit te hebben. Vanuit de hierboven beschreven verhoudingen en opvattingen is het niet verwonderlijk dat in een aantal situaties niet alleen vaders, maar ook broers en soms zelfs grootvaders en ooms bij het seksueel misbruik zijn betrokken. De behoefte aan macht uit zich in seksueel misbruik, maar ook op allerlei andere levens-terreinen. In een aantal situaties worden mensen, ook buiten het gezin, duidelijk geïrriteerd door een dergelijke autoritaire opstelling of er wordt afkeurend gere¬ageerd omdat het machtsvertoon gepaard gaat met bruut geweld. Er zijn ook autoritaire daders die overkomen als zeer respectabele mensen. Ze worden gewaardeerd in maatschappelijk opzicht en als gezins-hoofd. Hun gezinnen zijn ordelijk en netjes: “Daar hebben de ouders ten-minste nog gezag!” Dit maakt het voor de slachtoffers van autoritaire da-ders nog moeilijker om met hun verhaal te komen. Want wie gelooft dàt nu van dat keurige gezin. De autoritaire dader weet dit en kan van dit gege-ven misbruik maken. De autoritaire dader is over het algemeen zeer gevoe-lig voor mensen met werkelijk gezag. Tegenover iemand met karakter ver-bleekt het autoritaire gedrag.

4.2 De kinderlijke dader
Een dader vertelde:

“Ach, we hadden het zo goed samen. We waren kameraden, we lach-ten, dolden, stoeiden. We voelden elkaar aan. Met m’n dochter kon ik meer bespreken dan met m’n vrouw. Mijn vrouw is niet kwaad, niets dan goed over haar. Maar, ’t is meer een dame dan een maatje. Ja, met m’n dochter deed boodschappen en we kookten samen, we zorgden samen voor de was, we wasten samen de auto. Weet u, u kunt het geloven of niet, maar door haar ging ik me zelfs anders kleden. Ik kocht een spijkerbroek, een T-shirt en ik liet zelfs mijn snor staan. Dat vond ze zo mooi! Wat er nu allemaal gezegd en be-weerd wordt kan ik niet meemaken. Misschien is het stoeien wel eens wat te enthousiast geweest. Maar wat er in het proces-verbaal staat. Schande! Ik durf die woorden niet eens in mijn mond te ne-men.”

In tegenstelling tot de autoritaire dader stelt de kinderlijke incest¬dader zich meer passief en afhankelijk op. Dit type mannen zoekt dikwijls een emotioneel sterke vrouw, waarvan onbewust verwacht wordt dat zij aan de kinderlijke behoefte tegemoet zal komen en haar echtgenoot zal steunen. De seksuele relatie met een volwassen vrouw blijkt nogal eens onbe-vredigend, omdat dit contact angst oproept. Angst voor volwassen vormen van intimiteit en angst om niet te voldoen als man. De kin¬derlijke dader neemt binnen het gezin meer de rol van een kind aan dan die van echtge-noot en vader. Dit betekent niet een kinderachtig of kinderlijk gedrag, maar er is sprake van emotionele onrijpheid. Hierdoor zoekt de kinderlijke incestdader emotionele aansluiting bij een niet-volwassen vrouw en pro-beert met haar een intimiteit te be¬leven, waaraan hij wel, maar het slacht-offer geen behoefte heeft. De dader beschouwt het slachtoffer als plaats-vervangende partner voor wat betreft zijn emotionele en seksuele behoef-ten. Daarnaast blijft de volwassen partner nodig als steun om het gezins-en maatschap¬pelijk leven te kunnen blijven leven. Deze vaders hebben te weinig afstand tot hun kinderen; er zijn te vage grenzen. Dikwijls blijken de incestueuze verlangens zich langzaam te ontwikkelen. Bijvoorbeeld wanneer een dochter zich lichamelijk aan het ontwikkelen is, kan dit leiden tot behoefte het lichaam te strelen en te willen bezitten. Maar ook de kin-derlijke dader gebruikt dwang bij seksueel misbruik. Deze dwang bestaat doorgaans niet uit bedreiging, maar neemt subtieler vormen aan.

“Toen zei hij: ‘Jij bent mijn mooie meisje!’ Maar toen hij had gezegd dat ik het in het begin toch ook fijn vond, toen wist ik het niet meer. Echt ik wist het niet meer en ik kon bijna niet meer denken. Maar dat ik het achteraf afschuwelijk vond wist ik zeker, maar dat durfde ik hem niet te zeggen.”

De kinderlijke incestdader doet een beroep op de loyaliteit van het kind, door zich afhankelijk op te stellen. Zijn onmacht gebruikt hij als machts-middel. Hij probeert wel de relatie gelijk¬waardig te maken in de ogen van zichzelf en het slachtoffer. Maar in werkelijkheid bestaat zo’n gelijkwaardi-ge relatie niet. Het gaat hier om een verkapte machtsrelatie, waarin de da-der alleen uit is op bevrediging van zijn behoeften. Onderzoeksgegevens tonen aan dat van de kinderlijke daders, vaders het meeste dwang gebrui-ken. Wanneer ooms e.d. daders zijn blijkt er minder sprake te zijn van dwang, omdat zij meestal veel positieve aandacht aan de slachtoffers ge-ven. Vaak ontbreekt dit thuis, zodat deze extra aandacht belonend werkt.

4.3 De gelegenheidsdader
Een dader vertelde:

“Ja, ik huurde regelmatig een pornofilm. Ging ik lekker kijken, ’s avonds, als mijn vrouw aan het werk was. Toen, met die drank in mijn kraag is het bijna ge¬beurt. Ik geloof dat we ook behoed worden voor ergere zonden. Gelukkig kwam mijn vrouw thuis. Zij trof ons aan en is meteen naar de politie gegaan. Neen, er was geen bewijs. ’t Was ook wel een beetje overdreven. Maar ik begrijp haar wel. Je leest zoveel in de kranten. Het is eenmaal. Maar nooit meer!”

Er zijn mannen die door een slechte beheersing van hun driften, het lezen van pornoboekjes, het huren van seks DVD’s, overmatig alcoholmisbruik e.d. tot inces¬tueus gedrag komen. Soms wordt dit ontdekt voordat er een inces¬tueuze relatie met een vast patroon ontstaat, zoals in bovenstaand voorbeeld. In vergelijking met de bovengenoemde typen, zijn er meer slachtoffers buiten dan binnen de eigen familie die seksueel misbruikt wor-den. Binnen deze categorie betreft het naar verhouding vaker jeugdige da-ders. Het zijn meer adolescenten die zich willen bewijzen dan vaders. Op-vallend is ook hier dat de daders achteraf aangeven dat meer het machts-gevoel, dan de seksuele bevrediging op de voorgrond stond.

4.4 De geperverteerde dader
Een slachtoffer vertelde:

“Weet u, dominee, eerst had ik een paar maal per week last van mijn broer. Toen mijn vader erachter kwam wilde hij ‘het’ ook. En, hij wil-de steeds meer. Toen die abortus ter sprake kwam was hìj het slachtoffer en iedereen geloofde hem. Ik ben het huis uitgegaan. Het kon me allemaal niets meer schelen. Ik had veel vriendjes. Toen was het mijn vader die overal beweerde dat ik met iedereen het bed in dook. Maar, hij was eigenlijk de eerste. De eerste die met mij echt gemeenschap had. Hij heeft mij ook zwanger gemaakt.“

Bovenstaande term is afgeleid van het woord pervers, wat betekent: ab-normaal, onnatuurlijk. Deze mensen komen we in de reguliere hulpverle-ning nauwelijks tegen. Er is sprake van een duidelijk aan¬wijsbare persoon-lijkheidsstoornis. Zij gebruiken seksueel geweld vanuit hun pathologie, waarbij het misbruik vaak met mishandeling gepaard gaat. De gevolgen op den lange duur zijn meestal duidelijker zichtbaar dan bij andere incest-slachtoffers. Soms zijn de gevolgen ervan zodanig dat ernstig letsel op-treedt. Het zijn voor velen van ons onvoorstelbare situaties.

De hiervoor beschreven indeling is niet volledig. In de praktijk dragen da-ders soms kenmerken van verschil¬lende typen. Bovendien is het goed om op te merken dat de besproken persoonlijkheidskenmerken en eigenschap-pen nooit rechtstreeks aan incest gekoppeld mogen worden. De kenmer-kende overeenkomst tussen alle daders is het misbruik van macht in een seksueel kader. Deze macht wordt ook misbruikt om hoe dan ook te voor-komen dat het slachtoffer de feiten naar buiten brengt. De dader gebruikt daartoe afweermechanismen.

5. Blijf uit mijn buurt
Daders stralen iets uit van afstand, hoe aardig en voorkomend ze ook kun-nen zijn. Die relationele afstand is een kenmerk van een afweermechanis-me. Om zijn geheim te bewaren communiceert de dader op een bepaalde wijze. Ongeacht van wat hij zegt (inhoud) voel je dat je uit de buurt moet blijven (betrekking). In een eerste contact zijn daders vaak gespannen. Gelijk een betrapte fraudeur zien zij plotseling hun sociale bestaan be-dreigd. Naar welke kant ze zich ook wen¬den, overal: in het gezin, de fami-lie en vrien¬denkring, op het werk en in de kerk dreigen gezichtsverlies, verach¬ting en uitstoting. Geslagen, maar niet verslagen probeert de in-cestdader de ander van meet af op het verkeerde been te zetten. Hij maakt gebruik van ‘verdedigingen’ of afweer¬mechanismen. We onderscheiden de volgende:

5.1 Rationaliseren
Een dader vertelde:

“Ja, beste dominee, ‘t klink allemaal wat zwaar. Maar, ik ben niet haar eigen vader, maar haar pleegvader. En bovendien had ze de nodige er¬varing, om het zo maar te zeggen. Meisjes van vijftien zijn al hele vrouwen. U kent dat wel? Hebt u zelf kinderen? Neen, ’t is na-tuurlijk niet goed. Ik heb wellicht een foutje gemaakt. Maar dat men het incest noemt gaat veel te ver!”

Het mest voorkomende afweermechanisme is wellicht het rationaliseren. Het rationaliseren heeft als functie het verklaren, goed praten, veront-schul¬digen, rechtvaardigen en bagatelliseren van het verwerpelijke gedrag¬. In colleges leg ik het vaak zo uit, dat gevoelens in je buik als het ware naar je hoofd worden getransporteerd. Wanneer je de gevoelens kunt benoe-men, kun je ze meestal ook wat beter hanteren. En dus op een afstand zet-ten. Het proces van rationaliseren komt veelvul¬dig voor bij daders. De rati-onalisatie vervangt dus als het ware de werke¬lijke reden van het gedrag omdat deze te confron¬terend of te pijnlijk is.

5.2 Beschuldigen
Een dader vertelde:

“Ze was mijn nichtje en logeerde regelmatig bij ons. Nou, ze wist precies waar Abraham de mosterd haalde. Kijk, dominee, meisjes van dertien zijn niet meer zoals vroeger. Wat ze met haar blik, haar li-chaam, deed, durf ik niet eens te vertellen. Het is eigenlijk een schande dat ik zo behandeld wordt. In de eerste plaats zou ik maar eens naar die ouders kijken!”

Het beschuldigen als afweermechanisme komt voor als de dader alle schuld bij het slachtoffer legt. Hij spreekt er dan zo over, alsof zij de aanleiding geweest zou zijn voor de incest. Het is een efficiënt afweermechanisme, maar zeer kwetsend en bedreigend voor het kind. Wat moet een kind zeg-gen als haar verweten wordt dat ze mannen dol maakt met haar bruine krullen, zoals Naomi ’s moeder zei?

5.3 Ontkennen
Een dader vertelde:

“Iedereen gaat er nu van uit dat ik dader ben. Het bewijs is er niet en zal ook nooit geleverd kunnen worden. Maar het is een teken van deze rijd dat de klager, het zogenaamde slachtoffer, meteen geloofd wordt. Iemand van een kerkelijk orgaan zei ook: “Wij gaan altijd achter het slachtoffer staan!” Ik vraag me dan af waar de objectivi-teit is. Ik denk dat u ook die houding hebt. Zeg u nu eerlijk: Vind u mij een incestdader?”

De incestdader kan op verschil¬lende mani¬eren ont¬ken¬nen dat hij voor het gebeurde verantwoordelijk is, zelfs al geeft hij toe dát er incest in zijn ge-zin is ge¬pleegd. Vanuit zijn standpunt gezien is die houding heel begrijpe-lijk. De in¬cestdader heeft immers veel te verliezen. Daarom zal hij vrijwel nooit de hele verantwoordelijkheid voor het misbruik op zich nemen. Bo-vendien ligt hij daarvoor meestal ook te veel met zijn eigen verwarde ge-voelens in de knoop.

5.4 God vergeeft me toch wel!
Een dader vertelde:

“Wat fijn dat u mij opzoekt. Ik wist wel dat een domi¬nee mij niet zou
laten vallen. U zult wel be¬grij¬pen, dat ik hier eigenlijk niet thuishoor.
Maar de politie, ook maar gewone mensen na¬tuurlijk, heb¬ben die verhaaltjes van mijn dochter en vrouw voor waar gehouden. Kijk, ik ben
natuurlijk niet brand¬schoon. Maar wie is dat wel? We staan allemaal
schuldig voor de Hemelse Rechter. Maar dat hoef ik u natuurlijk niet te
vertellen. Ik zal het u uitleggen hoe ik in de gevangenis ben terecht-ge
komen. Maar, neem eerst een stoel, trou¬wens ik heb maar één stoel.”

Godsdien¬stige motieven wor¬den vrijwel niet in de litera¬tuur vermeld. Het algemeen incestverbod in Leviticus 18:6 laat geen enkele twijfel toe. Incest is een grote zonde en er is sprake van meervoudige on¬trouw. De incest-dader heeft het verbond met de Here, zijn echtgenote en zijn kind ge-schonden door te zondigen tegen het zevende gebod. En hoe kan het kind het vijfde ge¬bod – Eert uw vader en uw moeder – naleven? De incestdader kan zich beroepen op zijn zondaar-zijn, zoals alle mensen dat zijn, als ook op Gods vergeving en ‘vlucht’ daardoor uit ieder gesprek. Hij hanteert in zijn spreken over zijn geloof veelal rigide reli¬gieuze waarden en normen. Maar voor zijn eigen on¬ver¬antwoorde daden heeft hij geen oog. Zij staan haaks op verkondigde prin¬cipes. Door afweermechanismen, zeker ook door godsdienstige afweermechanismen in woorden waarmee het slachtof¬fer vertrouwd is, maakt de dader het slachtoffer mede verantwoordelijk en be-reikt dat zij blijft zwijgen.

Een incestdadertherapeut vertelde:

“De dader brengt hoererij te pas en te onpas ter sprake. Soms doet hij dat onopvallend, door zijn dochter aan te kijken als aan tafel een bijbelge¬deelte wordt voorgelezen, bijvoorbeeld: ‘Zij ver¬liet ook haar hoererijen niet; gebracht uit Egypte; want zij hadden bij haar in haar jeugd gelegen, en zij hadden de te¬pels haars maagdoms betast, en zij hadden hun hoererij over haar uitge¬stort.’ ”(Ez.23:8 SV).

6. Achtergronden
Tot nu toe hebben we ons beperkt tot het zichtbare gedrag van de incest-dader. Aan deze gedragskenmerken liggen psychische me¬chanismen ten grondslag. We zullen in dit boek niet ingaan op de achter¬liggende factoren van de verschillende persoonlijkheidsstructuren. Wel bespreken we een aantal psychologische factoren waarmee we geconfronteerd worden en die betrekking hebben op de meeste daders.

6.1 Kwetsbaarheid
Veel daders voelen zich kwetsbaar, ondanks wat ze willen uitstralen of ons doen geloven. Dit veroorzaakt een overgevoeligheid voor wat door de da-der als kritiek, vernedering of vijandigheid wordt ervaren.

Naömie vertelde over oom Henk, dat ze hem als kind een grote ster-ke gevaarlijke man vond. Toen ze hem enige tijd geleden op een fa-miliereünie zag, had ze met hem te doen. Ze vond hem niet alleen een enge man, maar ook een zielige man toen ze bedacht wat hij al-lemaal van haar gestolen had. Ze vroeg zich af hoe hij het geheim toch al die jaren voor zijn vrouw en kinderen verborgen heeft kun-nen houden? Zijn vrouw, tante Gea, kwam nog naar haar toe en zei dat ze het zo jammer vond dat ze in de loop der jaren uit elkaar ge-groeid waren. Ze was altijd erg op haar nichtje gesteld geweest. Net als oom Henk.

6.2 Isolement
Bij veel daders zien we een gevoel van leegte of isolement. De dader voelt zich geïsoleerd van zijn omgeving, hoewel hij aan diezelfde omgeving deelneemt. Werkelijke gezonde of bevredigende intieme relaties zijn er niet en een gevoel van hechting en erbij horen wordt gemist.

Een vrouw van een dader vertelde dat haar man haar in alles contro-leerde. Niet alleen haar post, ook de geschiedenis in haar PC, haar mobiele telefoon, haar contacten met collega’s, alles. Door het dwangmatig alles willen controleren van de man voelde de vrouw zich steeds meer een gevangene in haar eigen huis. De man ontwik-kelde een kleine paranoïde psychose en raakte zo zijn vrouw kwijt. Trouwens ook zichzelf.

6.3 Slecht ontwikkeld gevoelsleven
De incestdader is zich in het algemeen weinig bewust van zijn gevoe¬lens. Hij kan hierin niet differentiëren, dat wil zeggen dat hij de verschillende gevoelens en emoties niet bewust kan ervaren of benoemen. In zijn bele-ving is het één groot, onbestemd gevoel van onvrede of zich ‘rot voelen’ dat zijn stemming bepaalt.

Op de vraag wat de dader voelde toen hij zijn dochtertje misbruikte, keek hij alsof hij de vraag niet had begrepen. Hij vertelde dat hij zo bezig was met zichzelf dat hij niet begreep wat het kind doormaakte. Dat bleek uit wat hij na enig nadenken zei: “U moet begrijpen dat ik daarna altijd meteen het bed verschoonde. Ja, soms was ze verdrie-tig. Ik gaf haar dan een ijsje. Dan lachte ze weer. Het was een vrolijk kind!”

6.4 Machtsmisbruik
Daders gaan ieder op hun eigen wijze met deze gevoelens om. De autori-taire dader laat deze grondstemming niet in zijn bewustzijn toe en over-compenseert zijn gevoelens, door in zijn handelen op overdreven manier het tegenovergestelde te bewijzen. De kinderlijke dader toont bovenge-noemde gevoelens meer en doet juist vanuit bijvoorbeeld zijn hulpeloos-heid of eenzaamheid, een beroep op het slachtoffer. In alle gevallen wordt de innerlijke onmacht gecompenseerd door machtsmisbruik.

In een vergadering van een werkgroep over ‘godsdienst en incest’ vertelde een van de aanwezige predikanten over een dader die zijn kind dwong te danken na het misbruik. Dit onvoorstelbare voorbeeld van misbruik van macht en van Gods naam schokten allen diep.

6.5 Geen verantwoordelijkheidsgevoel
Het is een algemeen gegeven dat de dader de verantwoordelijkheid voor eigen daden uit de weg gaat en hierop zeer moeilijk aanspreekbaar is. Het duidelijkst komt dit naar voren wanneer een incestslachtof¬fer de feiten be-kend heeft gemaakt: een groot aantal daders ontkent, een klein aantal daders geeft toe. Echter, bijna altijd is het gedrag erop gericht om er zelf zo goed mogelijk vanaf te komen en zichzelf daarbij vrij te pleiten. Dit kan variëren van brute ontkenning tot gedeeltelijke bekentenissen waarbij God tot getuige wordt geroepen.

Toen ik met een dader sprak over het misbruik van zijn elfjarige zoon, keek hij mij niet begrijpend aan. “Kunt u zich voorstellen wat u in het leven van uw zoon hebt aangericht?”, vroeg ik. De man rea-geerde als door een wesp gestoken en stelde geïrriteerd een weder-vraag: “Wie zegt dat hij het onplezierig vond?”

6.6 Slachtoffers worden daders
Een verleden van verwaarlozing en misbruik is geen reden of excuus zelf tot misbruik over te gaan. Uit onderzoek is gebleken dat incestdaders meer dan anderen vroeger zelf zijn geconfronteerd met seksueel geweld binnen het gezin. Ook zijn er cijfers die aantonen dat een relatief hoog percentage van hen emotioneel is verwaarloosd.

Bij vrouwelijke daders kon ik me weinig voorstellen. Als ik haar te-genkwam op de ring in de gevangenis leek het een nette vrouw met een goede opleiding. Op het gedetineerdenoverleg hoorde ik iets over haar jeugd. Een ingewikkelde theorie hoe geschiedenissen zich herhalen. Wat haar als meisje was overkomen was meer dan ver-schrikkelijk. Hoe kun je dan hetzelfde doen bij je eigen kinderen, vroegen enkele mensen zich af? Enkele deskundigen gaven ant-woord. Ik geloof niet dat veel mensen het begrepen. Ik begreep het niet. Of wilde ik het niet begrijpen?

7. De kansen op gedragsverandering
De vooruitzichten op gedragsverandering bij de behandeling van incest-daders zijn helaas niet gunstig. In de meeste gevallen mogen we niet veel verwachten van eigen motivatie of inzet van de incest¬dader om verande-ringen te bewerkstelligen. Dit zal alleen het geval zijn wanneer dit duidelijk in zijn voordeel zal zijn en hij geen andere uitweg ziet. En dan nog is er vaak geen sprake van innerlijke veran¬dering, maar meer van aanpassing aan de wensen van de omgeving.

5. Moeilijke gesprekken

1. Inleiding
Een slachtoffer vertelde:

“Ik neem het mijn moeder kwalijk dat ze mijn signalen nooit heeft opgemerkt!” Met boze bruine ogen keek Trudy me aan. Ze had het al vaker verteld. Haar vader was de dader, maar haar moeder was vol-gens haar medeplichtig. Hoe was het anders mogelijk dat zij nooit heeft geweten wat zich jaren op hun zolder heeft afgespeeld? Trudy had een paar maal tegen haar moeder gezegd dat ze het onplezierig vond dat haar vader zomaar op haar kamer kwam. Ze wilde het liefst een slot op haar kamer, maar dat vond moeder onzin. Moeder had haar signalen afgedaan met opmerkingen als: “Je vader is nu een-maal op je gesteld!” of “Je bent zijn oogappeltje!”. Daarna was het gesprek afgelopen. Moeder ging weer aan het werk in de keuken en zij bleef onthutst in de woonkamer achter. Ze durfde ook niet verder te praten, want vader en moeder hadden al zo vaak ruzie. Trudy was nu zelf moeder van drie dochters. Het verleden droeg ze als een last met zich mee. Haar man wist wel dat er “iets” gebeurd was, maar sprak er liever niet over. Hij vond zijn schoonvader wel een aardige vent. Trudy heeft twee problemen en daar hebben we al enkele ma-len over gepraat. Haar vader staat op een verkiesbare plaats voor de kerkenraad en de kans is groot dat hij ouderling wordt. Hij is daar best mee ingenomen. De manier waarop hij met de predikant omgaat stoort haar. Ze kerken in dezelfde gemeente. Ze heeft al eens ge-probeerd met de predikant te praten, maar voor ze het wist kreeg ze een preek over schuld en vergeving. Ze zit met nog iets, dat ze ook als heel zwaar omschrijft. Haar dochters willen graag bij opa en oma logeren. Dat wil ze beslist niet, maar de reden kan ze niet zeggen. Ze is erg bang dat haar vader hun zevenjarige dochter ook gaat mis-bruiken, want de logeerkamers zijn op zolder. Toen hij onlangs op zijn verjaardag het kind op zijn schoot trok en haar “mijn oogappel-tje” noemde, brak er iets in haar. Enkele dagen na die verjaardag heeft ze nog geprobeerd met haar moeder te praten, maar die rea-geerde erg verontwaardigd: “Ik weet wel dat je een hekel aan je va-der hebt!” Nu is Trudy aan het einde van haar Latijn. Of ik dat kan begrijpen? Ik kon het wel begrijpen. Terwijl ze zo zat te vertellen had ik de balans op gemaakt. Trudy was opgegroeid in een onveilig en kil gezin, was als puber misbruikt, misschien wel verkracht. Was vroeg getrouwd om vroeg het huis uit te zijn. Over haar man sprak ze nooit. Ze worstelde met haar ouders, hun afweer en ontkenningen, maar het bleven toch haar ouders. Bij haar predikant kon ze niet te-recht. Ik durfde mijn ”balans” niet aan haar te vertellen, maar zij had al begrepen wat ik dacht en zei: “Dominee, ik leef nog voor mijn kin-deren. Ik geniet iedere dag van hen. ’s Avonds dank ik God dat ik moeder mag zijn. Ik bid ook voor mijn ouders, ja ook voor mijn moe-der, want zij hebben zich later te verantwoorden. Tja, en dan kan ik rustig gaan slapen.”

Enkele weken na ons laatste gesprek belde Trudy geheel overstuur met het verhaal dat haar man een relatie met een jong meisje had. “Ik voel me weer gebruikt, misbruikt, afgeschreven, grof vuil!” Kort daarna verbrak ze ook met mij het contact. Ze wilde niets meer met de kerk, dominees, ou-derlingen, gemeenteleden te maken hebben.
In dit hoofdstuk bespreek ik hoe we met incestslachtoffers en daders kun-nen omgaan. Dat is niet gemakkelijk, maar er zijn wel enkele richtlijnen te geven om in gesprek te blijven en geen brokken te maken. Voor slachtof-fers, daders, familieleden of wie dan ook in de incestsituatie geldt dat het vragen om hulp een grote stap is. Onwillekeurig zendt het slachtoffer of iemand die met haar begaan is signalen uit die verwijzen naar het geheim van incest dat onthuld wil worden. Vaak is aan het kind te merken dat er iets helemaal fout zit. Het is van groot belang signalen te herkennen. Het is goed zich vooraf te reali¬seren dat veel van de vrou¬wen en mannen, die als kind seksueel benaderd of misbruikt zijn, hebben gezwegen. Er lijkt een klimaat te ontstaan dat slachtoffers eerder hun geheim durven te onthul-len. Ik schrijf dit met enige aarzeling, omdat ik nog veel slachtoffers te-genkom die jaren hebben gezwegen. Het is daarom onjuist en het getuigt van weinig kennis van zaken als men zegt, dat slachtoffers “altijd” naar een hulpverlener of predikant kunnen gaan. Men gaar dan voorbij aan de drempel die vaak hoog is en in veel gevallen te hoog.

2. Professioneel luisteren
Het opvangen van signalen bij meisjes in de puberteit of de adoles¬centie is lastiger dan bij jongere kinderen. Ook in gevallen van ernstig en lang¬durig misbruik is er oppervlakkig gezien ‘niets’ aan de slach¬toffers te merken, wel kunnen zij soms een wat geïsoleerde en depres¬sieve indruk maken, die ook bij niet seksueel misbruikte leef¬tijdgenoten kan voorkomen. Wat ik als een van de schrij¬nend¬ste kenmerken van slacht¬offers heb gehoord is het ver-haal dat zij geen jeugd hebben gehad. Dat blijkt uit zinnen als: “Ik kan me niet herinneren dat ik een dag onbezorgd kon spelen.”, “Ik was altijd op mijn hoede. Kwam hij thuis? Was hij thuis?” Veel kinderen hebben zich eenzaam, verlaten, buitengesloten of ongewenst gevoeld. Na het onthullen van het geheim door het slachtoffer kan dit erger worden en de relatie met gezins- en fami¬lieleden verbroken worden. Niet zelden wordt het slachtof-fer verweten, zelfs al zijn het jonge kinderen, dat zij de oorzaak van alle ellende is. Wanneer ik dit zo schrijf ben ik mij bewust dat het verhaal van het slachtoffer niet “zomaar” verteld wordt. Er zullen heel wat condities moeten zijn wil zij het geheim onthullen. Dat geldt in veel sterkere mate voor de dader. Meestal zal hij zeggen dat er geen verhaal of een verzon-nen verhaal is. Een van de basiscondities is dat een slachtoffer vertrouwen in de ander heeft. Dat betekent dat de ander niet op de loop moet gaan met haar geheim. Dat is overigens niet altijd gemakkelijk. Het luisteren naar een levensverhaal kan de hulpverlener of de pastor of wie dan ook in een moreel of pastoraal dilemma brengen. Het is niet zo dat degene die luistert ook het dilemma moet oplossen. Het bij de ander blijven, luisterend aanwezig, kan het begin van de oplossing zijn.

Mariska had eerst een mail gestuurd over haar vriendin die het zo moeilijk had. “Ik heb bij u de colleges Verraden Vertrouwen gevolgd. U hebt aan het begin gezegd dat studenten altijd even bij u langs kunnen komen als ze met iets zitten. Dat heb ik goed gehoord. Ik zit met iets. Of liever: mijn vriendin.”
Een week later zaten Mariska en ik aan de koffie in een van de spreekkamers van de school. Ze stak meteen van wal en vertelde over haar vriendin, hoe moeilijk dat het thuis was met alleen een va-der en een oudere broer. Haar oudere zus is al drie jaar getrouwd. Mariska vertelde verder hoe haar vriendin haar moeder nog iedere dag miste, hoewel ze vijf jaar geleden was overleden. Ze was gezakt voor de HAVO. Dag en nacht had ze bij haar moeder gewaakt. Haar vader is een afstandelijke man die helemaal opgaat in zijn zakenrela-ties en ook niet veel thuis is. Haar oudste broer is het type student die veel feest en toch alle tentamens haalt. Alle meiden zijn gek van hem. Ze moest even diep ademhalen. Ik luisterde aandachtig. Ze waardeerde dat ik haar niet onderbrak en haar alle ruimte gaf. Dat bleek uit wat ze verder vertelde: “Ik vind het fijn dat u zo luistert en niet gauw klaarstaat met waardeoordelen. Om het maar eerlijk te zeggen en ik hoop dat u niet boos wordt: het gaat over mezelf. Mijn zus moest trouwen. Mijn zwager zat daar niet erg mee. De rest van de familie wel. Het was de kerk en de goede naam en het milieu waar mijn zwager uitkwam. U kent dat allemaal wel. Ik was veel bij mijn zus en zwager. Mijn zwager en ik hebben een bepaald gevoel voor humor. We dollen ook wel met elkaar. Dit ging lang goed. Toen ze gingen verhuizen was mijn niet helemaal opgeknapt o.k. en ze zat met die kleine. Mijn zwager en ik hebben het nieuwe huis geverfd, muren gesausd, laminaat gelegd. Het nieuwe huis was een dik uur rijden van hun oude. Enfin, na een dag en een avond klussen had-den we niet altijd zin naar huis te rijden. In het begin was het overal een rotzooi en dan pakten we een hotelletje. Dat hadden we natuur-lijk niet moeten doen. Ik wil hem helemaal niet de schuld geven. Ik denk dat het wel van hem is uitgegaan, maar ik was zeventien. Ik had gewoon behoefte aan warmte en liefde. Ja, en kennelijk hoort daar dan ook seks bij. Ik ben echt dubbel, maar het is gewoon hart-stikke fout van me. Vooral omdat het niet bij een keer bleef. En als ik het zeg moet ik gewoon weer blozen. Ik voel nog steeds veel voor die vent. Dat weet hij. En…

Ik heb als mannelijke docent naar dit verhaal geluisterd in een neutrale spreekkamer. Mariska heeft de keus gemaakt met mij te praten. Het was mijn verantwoordelijkheid na mijn “ja” een ruimte te zoeken en een sfeer te creëren waarin ze haar verhaal ook kon vertellen. Het lijkt een open deur en toch wil ik het noemen. De sfeer in een spreekkamer is anders dan in een kamer van een studente. De sfeer om ’s middags 16.00 uur in een drukke school is anders dan ’s avonds 22.00 uur in een bruin café. Luiste-rend aanwezig zijn is anders dan opdringerig nieuwsgierig. Luisterend naar de tragiek van een meisje is anders dan met rode oren alvast de bladzijde omslaan. Moeilijke gesprekken vragen een goede voorbereiding en zelf-kennis van degene die “ja” zegt. Waar het in het bovenstaande verhaal omgaat is, dat een volwassen man incest pleegt met zijn jongere schoon-zus. Hij maakt misbruik van haar behoefte aan vaderlijke aandacht. Hij overschrijdt het vriendschappelijke wat er tussen een zwager en een schoonzus kan ontstaan door bewust een hotel te boeken. De tragedie in het verhaal benoemen vraagt een professionele attitude. De romantiek of erotiek vliegt dan al gauw de glazen deur van de spreekkamer uit.

3.Onthulling van het geheim
Op welke wijze gaat het slachtoffer met haar geheim om? Ze geeft haar geheim niet zomaar prijs. Ze kan de stap zetten om naar een bekende, een vriend, een leraar, een predikant te gaan. De ander kan dan condities scheppen zodat het praten over haar geheim wat eenvoudiger wordt. De confrontatie met het incestslachtoffer kan bij de an¬der gevoe¬lens oproepen van woede, onmacht, walging, gêne, on¬geloof en verontwaardiging. Dege-ne die het verhaal hoort voelt zich vaak overrompeld als hij van de incest hoort. “Hoe is dat mogelijk in dat gezin?” Vanuit een gevoel van on¬geloof of ver¬bijstering kan hij het te snel opnemen voor de ‘keurige dader’ of juist met de klompen door de porseleinkast lopen en daardoor het slachtoffer in een nog moeilijker positie brengen.

Enkele jaren geleden werd ik door een collega gebeld over een geval van incest in zijn gemeente. Hij had erg te doen met een catechisant van vijftien jaar, die hem in vertrouwen had verteld misbruikt te worden door haar vader. De collega ging met een bewonderens-waardige dapperheid op de vader af en sprak hem op zijn zonden aan. De man luisterde rustig, zei een en ander voor kennisgeving aan te nemen, en liet vervolgens de predikant weer uit. Vervolgend belde hij de voorzitter van de kerkenraad met de mededeling dat hij een aanklacht tegen de predikant zou indienen. Enkele weken later kreeg de predikant ook een kerkelijke commissie over de vloer. On-dertussen waren er in de gemeente partijen ontstaan, pro en contra de predikant. De dochter was opgenomen op een psychiatrische af-deling van een ziekenhuis. Dat was voor velen het bewijs dat het kind inderdaad verhaaltjes had verteld. Enkele maanden later werd de vader gearresteerd. Hij bleek toch dader te zijn. Vele gemeente-leden schaamden zich diep en wisten zich geen houding tegen naar de predikant en zijn gezin. De predikant had enige tijd afstand ge-nomen en voor halve dagen gewerkt. Nu is hij in gesprek met een beroepingscommissie. Zijn vrouw wil niemand van de gemeente meer zien. Ze bezoekt alleen af en toe een meisje op een psychiatrische afdeling van een ziekenhuis.

Om met het incestslachtoffer in gesprek te blijven dient men zich van een aantal zaken bewust te zijn. De onthulling van het geheim is moeilijk en kwetsbaar voor het slachtoffer.

1. Gebruik de taal, de woorden die bij de leef¬tijd van het kind passen. Probeer met aandachtig luisteren en een opmerking dat je er iets van begrijpt inhaar wereld te komen. Gebruik geen moeilijke woorden, praat niet te verhullend of alleen in de ‘tale Ka¬naäns’, maar ook niet te plat of te grof. Lui¬ster naar het verhaal achter de signalen van het slachtoffer. Probeer niet in één keer de ‘kluwen’ van relaties, coalities en belangen in het gezin of de familie te ontwarren.
2. Het slachtoffer kan in het gesprek op een minder rechtstreekse ma-nier signalen af¬geven. Niet alleen met woorden,maar ook bijvoor-beeld door te vertellen dat ze zich minder goed verzorgt, problemen met eten heeft, zichzelf soms beschadigt omdat ze haar lichaam haat, allerlei psycho¬somatische klachten heeft zoals bijvoorbeeld hoofdpijn en buikpijn.
3. Het slachtoffer kan vertellen over haar moeite met jongens en man-nen, met aanraken, met samen in een ruimte zitten. Ze kan ook ver-tellen dat ze juist veelvuldig contacten heeft met jongens en man-nen en zich als een ontremd meisje gedraagt.
4. Het slachtoffer kan zelfs vertellen meisje over extreem uitdagend of provocerend gedrag of drank of drugsmis¬bruik.
5. Het slachtoffer kan in haar verhaal de ander willen sparen. Verschil-lende loyaliteiten kunnen door elkaar heenlopen. In het bovenstaan-de voorbeeld zou overleg met het slachtoffer over de te volgen pro-cedure veel ellende hebben doen voorkomen.

4. “LAST”
In het gesprek zijn we vaak te invullend bezig. De onthulling van het ge-heim laat zich niet dwingen. Misschien zijn er verschillende gesprekken nodig of haakt het slachtoffer na enkele gesprekken af. Dat heeft zeker niet altijd te maken met de ander, maar vaak dat het spreken over het ge-heim iets doet met het slachtoffer. Bijvoorbeeld dat sommige zaken weer herbeleefd worden, pijn en vernedering worden weer gevoeld. Het spreken over het misbruik vraagt niet alleen tijd, maar ook energie en moed. Niet ieder slachtoffer heeft dat in voldoende mate. Het gevaar is dat we al gauw denken waar het over gaat. We zijn dan te snel en te invullend bezig. We denken al gauw dat we weten wat het slachtoffer wil vertellen of we willen zelf gaan vertellen. Als we het verhaal van de Emmaüsgangers lezen kun-nen we veel van Here Jezus leren. Hoe voerde Hij nu een pastoraal gesprek en welke fouten maakte Hij niet (Lucas 24:13-35)? Hij luisterde en obser-veerde wat er in de ander omging. Hij begon niet meteen met interprete-ren, concluderen, adviezen of waardeoordelen te geven. Hij was luisterend aanwezig en geïnteresseerd in het gesprek met de Emmaüsgangers en Hij merkte hun bedrukte gelaat op (Lucas 24:17). Wat Hij hoorde, voelde en zag maakte hij bespreekbaar. Hij was ook niet gekwetst dat ze Hem niet meteen herkenden. Ik noem nu enkele punten die het pastorale gesprek kunnen verstoren en zelfs blokkeren. Ik noem eerst enkele misvattingen en relatief eenvoudig op te lossen luisterfouten. Vervolgens ga ik verder in op enkele veel gemaakte fouten in de pastorale gespreksvoering: interpreta-ties, waardeoordelen, adviezen, voorbarige conclusies en zelfmededelin-gen.
Om in gesprek te blijven met het slachtoffer hanteer ik een ezelsbruggetje, dat ik uitgebreid heb beschreven in een ander boek (Borst 2004). Ik noem dit het “LAST” – principe. De letters staan voor Luisteren, Aansluiten, Sa-menvatten en Teruggeven. Deze niet-directieve of victim-centered wijze van communiceren geeft de ander veel ruimte en veiligheid om het geheim bij stukjes en beetjes te onthullen. Met luisteren bedoel ik aandachtig luis-teren, de zinnen in je opnemen, in een luisterhouding zitten, uitstralen dat de woorden binnenkomen. Met aansluiten bedoel ik dat opmerkingen of vragen betrekking hebben op het onderwerp wat het slachtoffer in het hier-en-nu vertelt. Dus wanneer een slachtoffer vertelt over wat haar is over-komen tijdens een logeerpartij bij een oom, is het niet relevant waar die oom woont en of hij lid van een kerk is. Wat relevant is dat het slachtoffer kan vertellen wat haar in het daar-en-dan is overkomen. Met samenvatten bedoel ik in korte frisse zinnen samenvatten wat de ander heeft gezegd. Dat geeft niet alleen structuur aan het gesprek, maar geeft ook begrip. Dit is een lastig punt. Meestal helpt het als een samenvatting begint met: “Ik hoor je zeggen, dat…” Met teruggeven bedoel ik dat je door middel van een opmerking of vraag iets teruggeeft om het gesprek verder te structu-reren en het slachtoffer als het ware uit te nodigen zelf het begin van een antwoord te laten formuleren. Bijvoorbeeld: “Ik heb je horen zeggen dat je de logeerpartijen bij je oom als afschuwelijk hebt ervaren. Bedreigend ook. Wat je daar is overkomen draag je nog steeds met je mee. We zitten nu samen te praten hoe het voor jou is om die zwarte bladzijden uit je leven een plekje te geven, sommige hoofdstukken te verwerken. Klopt dat? [re-actie] Waar ik nu behoefte aan heb is te weten met wie je dit verhaal ver-der hebt kunnen delen? Een volgende “T” zou kunnen zijn: “Wat heeft het delen van dit verhaal jou nu opgeleverd?”

5. Signalen van kinderen in het contact
Waaraan kunnen ouders, leerkrachten, verzorgers merken dat een kind seksueel misbruikt is? Het zijn moeilijke gesprekken met slachtoffers. Voor-alook omdat niet alles in woorden kan worden gezegd.

1. Kinderen zwijgen of praten zeer moeizaam over seksueel misbruik. Ze schamen zich, voelen zich schuldig of zijn bang dat de pleger en zijzelf het nog moeilijker krijgen als het misbruik naar buiten komt.
2. Meestal krijgen ouders, leerkrachten of verzorgeers argwaan door terloopse opmerkingen van het kind dat er iemand aan hem of haar heeft gezeten.
3. Wanneer daar verder op ingegaan wordt kan het kind blauwe plek-ken laten zien of vertellen over pijn in de vagina of anus.
4. Als het kind steeds hetzelfde verhaal vertelt, daarbij iedere keer overstuur raakt en als het zegt dat het geheim moet blijven, dan zijn dat aanwijzingen voor een geloofwaardig verhaal.

Er bestaan wel lijstjes met klachten, symptomen en opvallende gedragin-gen van kinderen die kunnen wijzen op misbruik. Maar die signalen zijn niet specifiek voor seksueel misbruik en kunnen ook het gevolg zijn van andere problemen van het kind, zoals echtscheiding van de ouders, het overlijden van een familielid, klasgenootje of huisdier of problemen op school. Hieronder staat zo’n lijstje. Kinderen die seksueel misbruikt zijn ge-ven daarover lichamelijk en geestelijk signalen af. Elk signaal op zich bete-kent niet dat het kind misbruikt is maar bij meerdere signalen moeten ou-ders en andere opvoeders vragen stellen aan het kind of advies vragen aan een hulpverlener. Het gaat hier om plotselinge gedragsveranderingen van jonge kinderen tot ongeveer tien jaar.

Wat is typisch seksueel gedrag van kinderen en wat niet?
1. Peuters en kleuters van ca. twee tot vijf jaar zijn nieuwsgierig naar hun eigen lichaam en vooral naar dat van anderen.
2. Ze spelen met hun geslachtsdelen en zijn gefascineerd door bloot, kijken en bekeken worden.
3. Ze vinden het heerlijk om overal gestreeld te worden. Dit is de tijd voor stereotype seksspelletjes zoals bijvoorbeeld ‘doktertje spelen’.
4. Ook ‘vieze’ woorden als poep, pies, piemel zijn leuk.
5. Basisschoolkinderen van ca. zes tot twaalf experimenteren ook met hun lichaam, maar meer in het verborgene. Ze gaan zich schamen.
6. Ouders reageren meestal afkeurend of verontrust voorzover ze ervan op de hoogte zijn. Het maakt het voor het kind wel moeilijk te vertel-len als het deze ‘spelletjes’ ook doet met een ouder iemand, iemand als oom Henk.
7. Pubers van ca elf tot dertien worden in beslag genomen door li-chaamsveranderingen.
8. Een op de drie zestienjarigen heeft seksuele ervaringen tot en met geslachtsgemeenschap. Vlak voor hun achttiende verjaardag heeft ongeveer de helft van de jongeren hun eerste geslachtsgemeen-schap.
9. Een klein deel van de jongeren geeft te kennen dat zij worstelen met hun identiteit en homoseksuele verlangens hebben.

De hier beschreven seksuele uitingen komen voor en duiden niet op sek-sueel misbruik. Alleen seksueel gedrag dat in het geheel niet past bij het ontwikkelingsstadium van het kind, kan een aanwijzing zijn dat er misbruik in het spel is. Voorbeelden hiervan zijn bijvoorbeeld: niet bij de leeftijd pas-send ‘seksueel’ spel, dwangmatig seksueel gedrag, extreem veel masturbe-ren, erg vaak tonen van geslachtsdelen, bij herhaling praten over seks, niet bij de leeftijd passende kennis over seks en seks in tekeningen.

6. Signalen bij volwassenen
In het bovenstaande heb ik genoemd dat een open luisterende houding van belang is. Verder dat slachtoffers vaak via een omweg tot stukjes van de kern komen. Het komt niet vaak voor dat een slachtoffer in een gesprek haar geheim onthult. Afhankelijk van het verbale vermogen van het slacht-offer, maar ook van bijvoorbeeld het aantal sessies psychotherapie, zal ze haar verhaal handen en voeten geven.
Bij het luisteren naar volwassenen hanteer ik eveneens het “LAST” principe. In de “S” laat ik merken dat ik niet verbaasd of verontwaardigd ben, maar dat ik betrokken ben en dat ik meer verhalen heb gehoord. Ik wil niet al-leen het exclusieve van een verhaal halen, maar daarmee ook de drempel verlagen. Ik bedoel hier niet mee dat ik het verhaal als levenstragiek niet erken en de moed het te vertellen respecteer. Om het nog anders te zeg-gen. Wanneer ik als predikant of docent mijn eigen verontwaardiging of walging etaleer, heeft het slachtoffer er niet zelden een probleem bij.

7. Het dubbele taboe bij jongens
Er is steeds meer aandacht voor jongens als slachtoffer van incest of ander seksueel misbruik. Jongens zien zichzelf vaak niet als slachtoffer. Jongens kunnen er ook last van hebben dat het lijkt of ze het zelf wilden, bijvoor-beeld doordat ze een erectie hadden tijdens het misbruik. Omdat daarop tot voor kort zo’n groot taboe rustte,was het voor jongens moeilijk en vaak onmogelijk hun geheim te onthullen. Ze ervaren het vaak niet als seksueel misbruik. Ze voelen wel dat er iets niet klopt, maar laten het maar zo… Vaak hebben ze een sterke band met de dader – of hebben het gevoel dat de dader in bepaalde opzichten zelf ook slachtoffer is. Er zijn veel overeen-komsten tussen het misbruik van meisjes en dat van jongens. In deze pa-ragraaf noem ik enkele verschillen.
“Ik vind het heel moeilijk om onder woorden te brengen, want er zijn geen namen voor bij mannen en jongens. Zelf vind ik dat er met mij ongewenste intimiteiten zijn gebeurd. Mijn groei van jongen naar man is verstoord (…).” (Dijkstra)

Tenminste één op de twintig mannen is als jongen seksueel misbruikt, zo blijkt uit onderzoek. Dat is dus vijf procent van alle Nederlandse mannen (ca. 400.000 mannen). Sommige mannen zijn één keer misbruikt, anderen veel vaker. Waarschijnlijk liggen deze cijfers hoger. Recente cijfers laten zien dat één op de drie aanmeldingen van seksueel misbruik een jongen betreft. Van de aangemelde kinderen onder de tien jaar is ongeveer de helft een jongen.
“Ik heb nooit begrepen waarom mijn tante, als ik bij haar lo-geerde, me telkens in het kruis en in de billen betastte.” (Uit: Uit de schaduw. Brochure Fiom)
In het gesprek kan de jongen of man vertellen over het onbegrip dat hij bij eerdere pogingen om hulp te vragen heeft ervaren. Veel houden er geen rekening mee dat incest of ander seksueel misbruik ook bij jongens kan voorkomen. En ander punt wat vaak wordt genoemd is dat jongens zich toch kunnen verweren? Net als bij het misbruik van meisjes geldt ook hier dat de dader misbruik maakt van macht om de jongen tot seks te dwingen. De jongen is vaak afhankelijk van de dader. Daardoor kan hij zich moeilijk verweren. Het slachtoffer is vaak afhankelijk (gemaakt) van de dader. Naarmate het misbruik langer duurt, kan het steeds moeilijker worden om het geheim te onthullen. Een andere mening die vaak gehoord wordt is, dat de misbruikte jongens homoseksueel zouden zijn. Er zijn homoseksuele en heteroseksuele mannen die als kind misbruikt zijn. Mannen die uitein-delijk vertellen over het misbruik hebben vaak moeite om er woorden aan hun geheim te geven. Ook hier geldt het “LAST” principe en de condities van veiligheid en vertrouwen.
Kun je als hulpverlener zien dat een jongen is misbruikt? Er zijn inderdaad signalen die kunnen wijzen op misbruik. Bijvoorbeeld:
• concentratieproblemen;
• plotselinge gedragsverandering, acting out, terugtrekken;
• angst voor aanraking;
• minderwaardigheidsgevoelens;
• onhandelbaar of onverschillig gedrag;
• (seksueel) agressief gedrag, vernielzucht;
• verslaving;
• fysieke en psychosomatische klachten;
• moeite om anderen te vertrouwen;
• prostitutie.
8. Samenvatting aandachtspunten bij het gesprek met slachtoffers
In het gesprek met een slachtoffer horen we vaak:

• Woorden en gevoelens, uitstraling, non-verbaal tegenstrijdig;
• Lichaamshouding vaak gesloten, afwerend; soms juist uitdagend;
• Negatief zelfbeeld: Ik ben niemand; Ik ben mislukt;
• Verhaal klopt niet bij de leeftijd;
• Verhalen over moeite om anderen te vertrouwen;
• Verhalen over fysieke en psychosomatische klachten;
• Het verhaal is te abstract of juist te concreet, shockerend;
• Boodschap over verloren, verdwenen jeugd;
• Ik heb last van minderwaardigheidsgevoelens;
• Ik moest “moeder” zijn (parentificatie);
• Verwarring drie C’s (Contact, Charme, Chantage);
• Relationele problemen; knipperlicht; homoseksualiteit;
• Geloofsvragen: Waar was God?; Vertekend vaderbeeld, Vaderbeeld;
• Ruzie, splitsing in het gezin, familie, school, gemeente;
• Bij ernstige incest: MPS, dissociëren;
• Therapeutentaal;

9. De dader is een ander verhaal
De reacties van de omgeving op incestdaders kunnen sterk variëren. De een vindt hem weerzinwekkend en wil niets meer met hem te ma¬ken heb-ben. Men laat hem dan volledig links liggen. Anderen zeggen: hij heeft als mens fouten gemaakt, maar gezien zijn achtergronden is dat begrijpelijk. Hij is zelf slachtoffer. Of: we mogen hem niet veroordelen. Dat is aan God, die hem ook vergeven wil. Hiertussen bevindt zich nog een scala van ande-re mogelijkheden. Hoe men reageert wordt sterk medebepaald door eigen ervaringen en de relatie tot de dader. Het maakt wel wat uit of de incest-dader de scriba van de wijkgemeente is, een eigen broer, de buurman van twee huizen verderop, of een volslagen onbekende. Zo zouden er nog meer factoren zijn te noemen die een rol spelen bij de beoordeling van het ge-drag van de incestdader en die daarmee onze houding bepalen. Als we in gesprek raken met de incestdader kunnen schuld en vergeving ter sprake komen: Het gesprek over schuld en ver¬geving is moeilijk en moeizaam, omdat de incestdader in de regel zich niet bewust is van zijn schuld of de-ze zal ver¬schuiven of ontkennen. Wanneer de ander naar de incestdader heeft geluisterd en de schuld en vergeving ter sprake zijn geweest is er in vele gevallen een scharnie¬r¬moment. Dit moment kan alleen de in¬cestdader aangeven. Is het mogelijk dat hij zijn schuld ten volle belijdt, daar ook de verantwoor¬delijkheid voor neemt en de gevolgen onder ogen ziet? Uit wat hij met zijn schuldge¬voelens ten opzichte van God, het slach¬tof¬fer en de gemeen¬te heeft gedaan zal blijken of er – op welk niveau dan ook – verge-ving en aanvaarding mogelijk zijn. Op grond van het Evangelie mag de in-cestdader na het belijden van zijn schuld tegenover de Here, het slachtof-fer en de gemeente, zich door God aanvaard we¬ten. Maar de gemeen¬te kan grote moeite hebben met het ‘tempo’ van schuldbesef en schuld belij-den van de dader. Het slach¬toffer heeft veelal meer tijd nodig dan de in-cestdader als het om vergeven, aanvaarden en verzoenen gaat. In vele gevallen moeten in¬cestslachtoffers zich onder langdu¬rige psychotherapeu-tische behandeling stellen en is hun eerste doelstelling het leren ver¬werken van eigen verwondingen en littekens. In het zoeken naar mogelijkhe¬den om verder te leven met de mogelijkheden die het slachtoffer heeft kan het voor¬komen dat er (voorlopig) geen plaats meer is voor de dader in het le-ven van het slachtoffer. Hij is het immers die de ver¬wondin¬gen en littekens heeft toege¬bracht.

Tenslotte willen we enkele criteria noemen die we van wezenlijk belang vinden bij de gedragsbepaling t.a.v. de incestdader.

• Incest of seksueel misbruik is onder alle omstandigheden strafbaar, zo¬wel vanuit de burgerlijke wet als vanuit de Bijbel.
• De dader is volledig verantwoordelijk voor zijn gedrag.
• We helpen niemand, zowel slachtoffer als dader, door dit zon¬dige en strafbare gedrag te verzwijgen of te bedekken.
• Omdat de dader zelf meestal geen verantwoordelijkheid nemen zal, is het belangrijk dat de omgeving hem steeds weer met zijn verant-woordelijkheden confronteert. Men moet hierin radicaal zijn en niet meegaand of toegevend.
• Dit dient op een zeer duidelijke manier te gebeuren. Mensen aan wie de dader gezag toekent, zullen hierbij het meeste effect sorteren.
• Een duidelijke afwijzing van het gedrag mag er niet toe leiden dat de persoon wordt afgewezen. We zijn in de grond van ons hart niet beter als een dader. Dit kan tot uiting komen door iemand niet aan zijn lot over te laten of te isoleren.
• Na het bekend worden van de feiten kunnen daders suïcidaal gedrag vertonen. Men dient hierop bedacht te zijn en wanneer men hiervan signalen krijgt, is het noodzakelijk deskundige hulp in te roepen.
• Men dient slachtoffer, dader en gezinsleden, alsook de chris¬telijke gemeente door geen sensatie te wekken, of roddelcam¬pagnes op te zetten.
• De omgeving dient alert te blijven op eventuele herhalingen van het misbruik.
• Wanneer een dader bekent en berouw toont (wat een enkele keer voorkomt) heeft hij veel steun en begeleiding nodig. Men kan ook concreet helpen door iemand niet of zo min mogelijk in de gelegen-heid te stellen anderen seksueel te misbruiken.
t
“Hij loopt erbij alsof hem niets te verwijten valt!” Ik had een vrouw aan de lijn, die over haar man en gezin vertelde. “Met mevrouw Van Meteren. Ik heb uw boek “Verraden Vertrouwen” gelezen en ik moet u zeggen dat het uiterst pijnlijk van toepassing is op mijn levenssi-tuatie. Mijn man heeft er een puinhoop van gemaakt. Ik heb nooit op hem kunnen rekenen. Maar dat hij ook gemeen was, overspelig, met zijn eigen dochter, dat had ik in de verste verte niet kunnen ver-moeden! Toen mijn dochter vorig jaar vertelde wat hij al maanden deed, wat hij aanrichtte, wat hij geprobeerd heeft. Te erg om te ver-tellen! Ja, toen heb ik hem meteen de deur uitgezet. Dacht u dat ik steun kreeg? Neen! Ik kreeg de halve gemeente over me heen. De dominee bood zelfs zijn caravan aan! Iedereen keek naar hem om en ik zat alleen met een brok boosheid!” Ik luisterde naar mevrouw Van Meteren, die het even nodig had haar hart te luchten. “Boosheid en verdriet…”, vulde ik aan. “Natuurlijk, dominee, verdriet. Heel erg veel verdriet!” Haar stem klonk zachter. Ze vertelde dat de dominee haar een maal had bezocht. Hij had nauwelijks geluisterd, maar wel veel gezegd over schuld en vergeving. Ze wist niet eens meer wat alle-maal. Haar dochter ging niet meer naar de kerk. Ze gaat al enkele maanden naar een andere kerk. Zij gaat nog wel naar haar eigen kerk. Het is wel hard om na de dienst alleen naar huis te gaan. Haar ex wordt nogal eens op de koffie gevraagd. Hij is zielig en zit midden in de winter op een camping. Ik zie dat hij steeds meer zijn plaats weer inneemt. Altijd en overal aanwezig! Dat zal ook wel aan mij lig-gen, maar ik kan het haast niet verdragen. Als ik hem zo zie praten en lachen met de andere mensen. Ja, ook met de dominee! Ik vraag me wel eens af wie nu de dader is en wie het slachtoffer. Mijn doch-ter heeft helemaal niemand van de kerk gezien! Iedereen weet dat ze nu in therapie is. Dacht u dat dit voor de lol is? Enkele weken ge-leden belde mijn dominee. Hij was nogal geïrriteerd. Waarom? Omdat ik met u had gebeld. Ja, u bent wel van een andere kerk. Natuurlijk. Maar ik mag toch bellen met wie ik wil? En u hebt ten minste geluis-terd. Enfin, toen was bij mij de maat vol. Afgelopen zondag ben ik met mijn dochter mee gegaan. ’t Was wel wennen in zo’n andere kerk. Na de dienst bleven vrijwel alle mensen koffie drinken. Komt nota bene die dominee aan ons tafeltje zitten. Aardige vent! Hij zegt tegen me: “U hebt heel wat meegemaakt heb ik begrepen van uw dochter!” Ja, toen zat ik ineens te janken in die zaal. ’t Heeft me goedgedaan. Volgend weekend ga ik met m’n dochter naar Antwer-pen. ‘k Zal die dominee van m’n dochter een kaartje sturen. En U na-tuurlijk!

Ontmoet men de dader in een pastorale relatie dan is er sprake van een ge¬loofs¬gesprek. In zo’n gesprek en achter het aanspreken op de zonde van incest horen we ook: U bent niet alleen; U be¬hoort er ook bij. Men moet de in¬cest¬dader confronteren met zijn schuld tegen¬over de Here, zijn kind, zijn vrouw en gezin en de gemeente. Maar hij moet ook zijn angsten en verlan-gens kunnen bespreken en er moet ruimte zijn voor bemoediging, troost en uitzicht. Men is luiste¬rend bij de dader, maar spreekt ook aan namens dè Ander. Van¬uit deze pastorale grond¬houding worden dan levens¬problemen, angsten en verlan¬gens, besproken. Die ruimte is er ook, want alle leden van de gemeenschap ervaren steeds weer dat zij worden aangevoch¬ten door de zonden en door het lot, door de moeiten en het lijden. De zonde is gèèn lot, maar keuze en dáárom ook schuld, die dient te worden beleden voor de Here en de naaste. Als de verloren zoon thuis¬komt, belijdt hij: Va-der, ik heb gezon¬digd tegen den Hemel, en voor u (Lukas 15:21). Als Da-vid, na de ontmaskering door Nathan, ontdekt wat hij heeft misdaan, roept hij uit: Tegen U, U alleen, heb ik gezon¬digd en gedaan, dat kwaad is in Uw ogen (Psalm 51:6).
Het gesprek over schuld en ver¬geving is moeilijk en moeizaam, omdat de incestdader in de regel zich niet bewust is van zijn schuld of deze zal ver-schuiven of ontkennen. (Het onderwerp ‘schuld’ in pastoraal perspectief bespreek ik in het volgende hoofdstuk.) Daarom leggen wij de nadruk naast de luisterhouding en de meer algemene reacties op het aanspreken en het confronteren van de incestdader met zijn schuld. Hierin ligt een be-langrijk ver¬schil met de psy¬cho¬thera¬peuti¬sche benadering, waar in de regel de cliënt leert leven met zijn schuld en niet gesproken wordt over het belij-den van schuld en vergeving.
Wanneer men naar de dader heeft geluisterd en de schuld en vergeving ter sprake zijn geweest is er in vele gevallen een scharnie¬r¬moment. Dit moment kan alleen de in¬cestdader aangeven. Is het mogelijk dat hij zijn schuld ten volle be¬lijdt, daar ook de verantwoor¬delijkheid voor neemt en de gevolgen onder ogen ziet? Uit wat hij met zijn schuldge¬voe¬lens ten opzich-te van God, het slach¬tof¬fer en de gemeen¬schap heeft gedaan zal blijken of er – op welk niveau dan ook – aanvaarding mogelijk is. Op grond van het Evangelie mogen wij na de vergeving, ons antwoord op onze persoon¬lijke schuld, door God aanvaard weten.
De gemeen¬te kan grote moeite hebben met het (‘tempo’ van) schuldbesef en schuld belijden van de dader. Het slachtoffer heeft in vele gevallen veel meer tijd nodig dan de in¬cestdaders als het om vergeven, aanvaarden en verzoenen gaat. In vele gevallen moeten in¬cestslachtoffers zich onder langdu¬rige psychotherapeu¬tische behandeling stellen en is hun eerste doelstelling het leren ver¬werken van eigen verwondingen en littekens. In het zoeken naar mogelijkhe¬den om verder te leven met de mogelijkheden die het slachtoffer heeft kan het voor¬komen dat er (voorlopig) geen plaats meer is voor de dader in het leven van het slachtoffer. Hij is het die de verwondingen en littekens heeft toege¬bracht. We moeten dan zeggen dat dit een van de consequenties is van de daden en dat een beroep op de be-de ‘vergeef ons onze schul¬den, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren’ niet een ‘oplossing’ is voor de relaties tussen incestdader en slach¬toffer, maar in vele gevallen een moei¬lijke strijd die het slachtoffer voert met haar ‘hemelse Vader en haar aardse vader’.

10. Meer-sporen-beleid:
Het belang van het meer-sporen-beleid maak ik duidelijk de hand van de positie van een predikant die met incest of seksueel misbruik te maken krijgt. De predikant komt in de regel eerst in contact met het incest-slachtof¬fer. Na dit (eerste) contact komt hij vrijwel onmid¬dellijk voor de keuze te staan of hij bereid is om het incest¬slacht¬offer, de incestdader, de moeder¬ en eventueel meerdere gezin¬sleden te (blijven) begelei¬den. In de reguliere hulpverlening is al langere tijd sprake van een drie- of meerspo-renbeleid in de opvang- en begeleiding van in¬cestgezinnen. Het meer-sporen¬beleid krijgt ges¬talte in de eenheid van (in¬stel¬lings) doel¬stelling, af-stemming van de theoretis¬che-¬en thera¬peutische moti¬even van behan-delaars en de concrete invulling van de hulpverlening. Van de predikant als pas¬torale hulpver¬lener zou het¬zelfde gezegd kunnen worden. Hij ziet zich in vrijwel alle gevallen genoodzaakt om meerdere leden van het in-cestgezin pastoraal te bege¬leiden. Op grond van het boven¬staande en uit ons onderzoek moeten wij zeggen dat dit voor hem eveneens on¬mogelijk en zelfs on¬verantwoord is. De predi¬kant kan bijvoor¬beeld door middel van collegiale samen¬werking en samenwer¬king met regu¬liere hulpverleningsin-stellingen, een pas¬toraal meer¬sporen¬beleid cre¬ëren. Op deze wijze kan hij pas¬toraal verant¬woord werken en beschermt hij zichzelf tegen mogelijke (over)-iden¬tificatie met het in¬cestslachtoffer of de in¬cestdader.

Hoofdstuk 6 Het taboe doorbroken?

1. Inleiding
In dit hoofdstuk gaat het over de gemeente en als daar een geval van in-cest bekend wordt. De meer theologische paragrafen over incest zijn in het volgende hoofdstuk opgenomen. Er is geen duidelijke scheidslijn tusen het vorige hoofdstuk, dit hoofdstuk en het volgende. Binnen de gemeente voeren we moeilijke gesprekken, zoals beschreven in het vorige hoofdstuk. De gemeente komt samen binnen het geopende Woord van God. Dat is anders dan een voetbalclub of een zelfhulpgroep voor incestslachtoffers. Het ‘ja’ dat we binnen de gemeente voor God en elkaar hebben uitgespro-ken schept verplichtingen. Daarover gaat dit hoofdstuk. Het geopende Woord, bron van de wijsheid, geeft duidelijke richtlijnen hoe wel met elkaar moeten omgaan als mensen geschapen naar Zijn beeld. Het is ook duidelijk in wat we beslist niet mogen of wat een afschuw is in de ogen des Heren. Daarover gaat met name het volgende hoofdstuk.

2. Incest in de zware kerken
Enkele dagen na mijn promotie op het onderzoek “Gij zijt die man!”, een onderzoek naar de pastorale zorg voor incestaders, kreeg ik verschillende verzoeken om in TV of radioprogramma’s te komen. Ik kijk daar met ge-mengde gevoelens op terug.

“U hebt het probleem van incest in de zware kerken onderzocht. Komt het daar nu vaker voor dan in andere kerken of buiten de kerk?” De interviewer had de dissertatie kennelijk niet gelezen. Ge-duldig legde ik uit dat ik niet weet of incest binnen de zware kerken meer voorkomt dan in andere kerken of buiten de kerken. Wat we weten uit onderzoeken is dat incest in alle milieus, dus ook in alle kerkelijke milieus, voorkomt. Ik zei er verder bij, dat ik zou hebben verwacht dat incest binnen de kerken minder zou voorkomen, omdat de mensen daar toch iedere zondag de Wet horen of minstens een leefregel hoe we verantwoord met elkaar zouden moeten omgaan, zoals door God bedoeld. “Wat is u dan opgevallen?” was een van de volgende vragen. Ik vertelde dat ik onder de indruk was dat met name in de zware kerken de zonde van incest wordt benoemd. Wan-neer incest aan het licht komt is er doorgaans geen sprake van het onder de pet houden, maar van een zich bewust zijn van een moei-lijke en vaak crisisachtige situatie. In die situatie moet worden ge-handeld, zoals dat van ons wordt gevraagd. Geoordeeld wordt er door de aardse en de hemelse rechter. Een vrouwelijke theoloog die door de omroep bij het interview was uitgenodigd kon zich niet voor-stellen dat dit klopte. Ze had een beeld van zware kerken, zwarte broeders, grote petten waaronder van alles en nog wat verborgen bleef. Toen ik vroeg uit welk onderzoek ze die gegevens had of waar ze dat minstens gelezen had, reageerde ik te mannelijk.

Ik heb geen antwoord gekregen van mijn vrouwelijk collega. Wel een ui-terst man-onvriendelijke blik. Gelukkig was het een radio-uitzending. En-kele maanden later kreeg ik een uitnodiging voor een conferentie over godsdienst en incest. Om een afspiegeling van de kerken in het forum te krijgen moest er ook een zware dominee worden uitgenodigd. Wat te im-pulsief zei ik “neen”. Later stond ik bewuster achter mijn “neen”. Ik vind dat de nood van incestslachtoffers en daders in de kerken zo groot is, dat deze strijd tussen zwaren en lichten, orthodox en feministisch, mannen en vrouwen en wat er nog meer aan verschillen zouden zijn, niet bijdraagt aan een betere pastorale zorg voor slachtoffers en daders in onze kerken. Wat mijns inziens wel een bijdrage zou zijn is, dat in de kerkelijke nota’s van vooral mijn eigen kerk (PKN) aandacht zou zijn voor de breedte van de kerk. Enkele voorbeelden waarom veel nota’s nauwelijks in de meer ortho-doxe kringen landen: 1. In veel nota’s lezen we over preventie. We lezen niet over de catechismusprediking. Deze prediking, dus ook de behande-ling van Zondag 41, brengt de zonde van incest onder de aandacht van de gemeente; 2. In veel gemeenten wordt de kerkelijke tucht gehanteerd. Wanneer een dader onder tucht staat betekent dat veel voor hem en voor de gemeente. Dit kunnen moeilijke discussies zijn en grote beslissingen eisen van een predikant en een kerkenraad; 3. In veel gemeenten zijn ambtsdragers mannen en kan er dus geen vrouwelijke ambtsdrager ver-trouwenspersoon of contactpersoon voor seksueel misbruik zijn; 4. In be-houdende gemeenten is het geheel ongebruikelijk om de liturgie ter dis-cussie te stellen. De gemeente hecht aan de eeuwenoude liturgie en er-vaart die geheel niet als verouderd, laat staan als vrouwonvriendelijk of in-cestbevorderend; 5. Het komt mij bijna arrogant voor dat een bepaalde stroming meent te moeten zeggen wat juist of onjuist is in de religieuze socialisatie van vrouwen en mannen. Ik heb het voorrecht regelmatig te mogen voorgaan in gemeenten waar soms meer dan duizend mensen rit-misch of niet-ritmisch zingen: “Voed het oud vertrouwen weder, zoek in ’t Hoogsten lof uw lust (Psalm 42:3).” Vanaf de eeuwenoude hoge preekstoel zie ik alle vrouwen en meisjes meezingen. Met of zonder hoed.

3. Weet wat je doet

Enige tijd geleden mocht ik een lezing houden voor een groep men-sen die zich vrijwillig of professioneel bezighouden met het begelei-den van slachtoffers van seksueel geweld. Het was een bijeenkomst die georganiseerd was door een instelling voor professionele psycho-therapie en een interkerkelijke werkgroep die zich met ‘godsdienst en incest’ bezighoudt. De leden van de werkgroep verkondigden een mening over hoe het er in de kerk aan toegaat als een slachtoffer hulp zoekt. Ze etaleerden enkele afschuwelijke voorbeelden. Ik vroeg me later in de discussie af of dit nu kenmerkend was voor de context van de kerk of dat het voorbeelden waren van ambtdragers die ge-woon een cursus gespreksvaardigheden hadden moeten volgen. Het was een goede avond. Ik kreeg nogal wat waardering en handen na de lezing van kerkelijke en onkerkelijke deelnemers. Later aan de borrel sprak ik met enkele psychologen. Het begeleiden van incest-slachtoffers en incestdaders is vakwerk en vraagt een goede voorbe-reiding, studie en training. Dat geldt voor mannen, vrouwen, des-kundigen in de hulpverlening en deskundigen in het pastoraat.

In verschillende kerken zijn de laatste jaren handreikingen en protocollen opge¬steld. Commissies buigen zich over klachten van slachtoffers van sek-su¬eel geweld. In de christelijke pers is veel minder aandacht voor incest dan een jaar of tien geleden. Het taboe op incest lijkt enigszins doorbro-ken. Ik schrijf “lijkt”, want al wordt er gemakkelijker over geschreven en gesproken in onze kerken, veel slachtoffers lopen nog met een geheim dat zij niet kun¬nen of durven vertellen. Ik merk dat aan de brieven zonder af-zender, aan de telefoontjes zonder nummerweergave, aan de vragen na lezingen en aan een en¬kele boze reactie van een ambtsdrager die vindt dat ik “de vuile was” bui¬ten hang. Komt incest nu minder voor? Nu er meer aandacht voor het voorko¬men van incest is, zou de gedachte kunnen ont-staan dat “het” ook min¬der voorkomt. Dat betwijfel ik. Ik heb in ieder geval nergens een onder¬zoek ontdekt dat mijn twijfel wegneemt. Het taboe lijkt dus doorbroken, maar of de drempel voor een incestslachtoffer lager is om het geheim te onthul¬len? Ondanks alle publicaties, protocollen en commis-sies in de kerken denk ik dat er nog heel veel kinderen en volwassenen met een geheim rondlo¬pen. Het is maar de vraag wie er nu geholpen is nu het taboe op het spreken over incest doorbroken lijkt. In mijn gesprekken met incestslachtof¬fers heb ik een en andermaal ontdekt dat sommige ge-heimen nooit onthuld worden, ook al is de straf op zwijgen levenslang.

Een kerkelijke functionaris had mij gevraagd een lijstje te geven van instellingen of personen die in mijn ogen geschikt waren incest-slachtoffers en daders te begeleiden. Ik werd ook gevraagd er enke-le te noemen die per se niet geschikt waren. Niets vermoedend stuurde ik het lijstje op. Ik had het beter niet kunnen doen. Lijstjes gaan op een groot kerkelijke bureau een eigen leven leiden. Via dui-zend omwegen kreeg ik boze mensen aan de lijn die mij vroegen waarom zij minder of niet geschikt waren dit werk te doen. Meer dan tien jaar later durf ik wel weer zo’n lijstje te maken. Ik ben nog strenger geworden. Dat komt omdat ik er steeds meer van begrijp. Hoe moeilijk het is incestslachtoffers en daders te begeleiden. Het vraagt een grote deskundigheid, een multidisciplinair team binnen een instelling, eigen supervisie etc. Dat kon ik niet uitleggen aan de diverse boze mensen. Ook niet aan een coördinator van vrijwilligers die een maal per maand een avond hun oor en hart beschikbaar stel-len voor alle mogelijke problemen. Hij was ervan overtuigd dat het een deel van Gods werk was en dat kon toch niet mislukken?

In deze twee paragrafen heb ik expliciet en verhalenderwijs aangegeven dat het begeleiden van incestslachtoffers en daders geen gemakkelijk werk is. In alle gevallen, dus zowel binnen de hulpverlening als binnen het pas-toraat, vraagt het om een gedegen basiskennis van wat incest is, daar-naast een brede ervaring in hulpverlening en pastoraat en vooral ook goe-de gesprekstechnische vaardigheden. De mensen die dit in huis hebben, hebben de deskundigheid te helpen of om door te verwijzen.

4. In mijn gemeente komt het niet voor!

Op de maandelijkse vergadering van de ring van predikanten was ik uitge¬nodigd een lezing te verzorgen over incest met als titel ‘Verra-den Ver¬trouwen’. Het was een eind rijden voor een bescheiden boe-kenbon en een bos witte chrysanten. Tegen collega’s zeg ik niet gauw ‘neen’ en zo arri¬veerde ik in een grote ongezellige zaal van een kerk uit de jaren der¬tig. Het was een gemêleerd gezelschap dat de breedte van de oude volkskerk vertegenwoordigde. De ene collega droeg een T-shirt met een vakantieopdruk van Saint Tropez en de ander had een driedelig grijs pak aan. Na mijn lezing en na een kop-je kerkkoffie waren er veel vragen. De meeste vragen heb ik al eens moeten beantwoorden. Veel opmerkingen hoorde ik ook niet voor het eerst. Waar ik van opkeek was de opmerking van een col¬lega, die zich met moeite van zijn stoel verhief, beide handen met ingehouden irritatie om de leuningen geklemd en zei: “ Ik sta meer dan dertig jaar in het ambt en ik heb nog nooit van incest gehoord!” Na deze opmerking liet hij de leunin¬gen los en plofte weer in zijn stoel. Hij keek me vragend aan. Ik had kunnen vragen hoe hij luistert in pas-torale gesprekken, maar ik wilde de goede sfeer niet bederven. Dus kwam ik niet verder dan een in¬voelend knikken. Het werd muisstil en dat was wellicht de beste reac¬tie. In de lezing had ik verteld, dat in-cestslachtoffers door hun stilte spreken. Soms heb je dat na dertig jaar ambtsbediening nog niet in de gaten.

De laatste vijftien jaar heb ik honderden lezingen en colleges mogen geven over incest. Het gevolg was dat ik talloze gesprekken met incestdaders, in-cestslachtoffers, familieleden van incestslachtoffers en ambtsdragers heb gevoerd. Ik heb vele verhalen gehoord en uit al deze informatie is mij dui-delijk geworden dat er verschillende ‘groepen’ incestdaders en incest-slachtoffers zijn te onderscheiden. Ik bedoel geen onderscheid in typen slachtoffers en daders, maar op welke wijze wij in de kerk met slachtoffers en daders omgaan. Een en ander is afhankelijk van de huwelijks – of ge-zinssituatie en wie in zo’n relatie nog tot de kerk behoren. Er is een groep daders die geen enkele band meer met de kerk heeft. Deze groep zullen wij binnen de kerk dan ook nauwelijks tegenkomen. Zij zullen als regel geen beroep doen op een ambtsdrager. Er is een groep die weinig of geen contact met de kerk heeft, maar die pastorale begeleiding wel op prijs stelt. Er is een groep die kerkelijk betrokken en meelevend is en die pastorale begelei¬ding noodzakelijk acht om de gerezen problemen het hoofd te bie-den. Incestslachtoffers zijn eveneens in ‘groepen’ in te delen. Er is een groep die teleurgesteld en verbitterd de kerk de rug toe heeft gekeerd. Er is een groep die weliswaar niet kerkelijk betrokken is, maar wel pastorale begeleiding op prijs stelt. En er is een groep die betrokken en meelevend is en die pastorale begeleiding noodzakelijk acht om verder te kunnen in het huwelijk- en gezin, maar ook in de kerk. Wanneer er een pastoraal contact is als reactie op een vraag of een signaal, is het goed na te gaan of pasto-rale begeleiding gewenst is. In de oriëntatiefase wordt wederzijds verkend of het vruchtbaar is het contact voort te zetten. Het kan zijn dat na de ori-entatiefase, soms niet meer dan een gesprek, de ambtsdrager tot de con-clusie komt dat bijvoorbeeld psychotherapeutische hulp de meest geëigen-de hulp is en dat pastorale begeleiding vooral steunend en bemoedigend is. Incest komt in iedere gemeente voor als we de cijfers over incest seri-eus nemen. Niet iedere gemeente heeft mensen in huis die zich dat reali-seren. Zolang dat nog niet het gevoel is blijft het voor incestslachtoffers kil in de kerk.

5. Een mens naar Gods beeld

“Toen zeide Nathan tot David: Gij zijt die man!” (II Samuël 12:7)

Het gebeurt vaak dat ik voor een lezing of conferentie wordt gebeld door de voorzitter of secretaris van een vereniging of classis met de vraag of ik een gedeelte uit de bijbel wil opgeven en enkele liederen. Meestal noem ik dan II Samuël 12 en vraag te lezen tot de woorden “Gij zijt die man!”. Dat is de titel van mijn proefschrift over pastoraat en incestdaders. De woorden werden gesproken door een dappere profeet tegen de machtige koning David. De koning herkende tot zijn grote ontzetting zichzelf in het verhaal. Daarna veranderde zijn leven, omdat hij inzag wat hij had aangericht en verwoest. Verder geef ik vaak Psalm 127 op en dan met name het derde vers waar we zingen: “Wie kind’ren voortbrengt tot Gods eer, verkrijgt een erfdeel van de Heer.” Wanneer wij als ouders zo’n erfdeel uit de hand van de Here ontvangen moeten wij het koesteren en liefhebben. Hoe is het mo-gelijk dat mensen dit Godsgeschenk misbruiken en verkrachten? De mens is immers geschapen naar Gods beeld? Dit erfdeel van God wordt verkwan-seld door ontrouw, omdat een vader of moeder of wie ook de dader is een kind begeert, misbruikt en overspel pleegt.

6. De ouder-kind relatie in bijbels licht

Naömie: “Ik begreep wel dat het een klap voor mijn moeder was dat mijn vader ineens was vetrokken. Of misschien zag ze het ook wel aankomen. Wat ik haar kwalijk neem is dat ze zich helemaal aan oom Henk overgaf. Figuurlijk dan. Of misschien ook wel letterlijk. Want hij was er vaak als ik uit school kwam en soms leek het of ik niet wel-kom was in mijn eigen huis. Maar als kind ga je van alles denken. Ik leefde in afzonderlijke werelden. De wereld van mijn huis, mijn ka-mer, was best veilig. De wereld van school. Juf Martha was een lieve juf. Ik had misschien haar wat meer in vertrouwen moeten nemen. De wereld van oom Henk. Zijn stinkende handen. Soms ruik ik in-eens weer die geur. Dan weet ik hoe “het” begon. En als hij klaar was moest ik vaak een psalm spelen. De wereld van de kerk. De kerkdiensten, de catechisatie, de meisjesvereniging. Veel mooie woorden. Ik hoorde er eigenlijk niet bij. Ik liep met een groot geheim. Als dat uitkwam kon ik me nergens meer vertonen. Ja, er was nog een wereld. ’s Nachts als ik wakker lag. Dan praatte ik wel eens met God. Misschien was het ook wel bidden. Gewoon om Hem te vertellen wat me allemaal overkwam. Op donderdagavond durfde ik nooit te bidden.”

Waar het seksueel misbruik plaats heeft tussen volwassenen, bijvoorbeeld ouders, grootouders, ooms of tantes, en kinderen is het van belang dit te plaatsen tegen de achtergrond van wat de Bijbel zegt over de opvoeding en de ouder-kind verhouding. Het is algemeen bekend dat deze relatie van zeer groot belang is voor de algehele ontwikkeling van het kind. Het ze-vende gebod, gij zult niet echtbreken, veronderstelt een monogame huwe-lijksrelatie. (Gen¬.2:23,24; Deut.17:17; I Cor.7:2; I Tim.3:2). Overspel is niet alleen ontrouw tegenover de man of vrouw met wie een huwelijk ge-sloten is of een kind dat als erfdeel van God aan ouders is toevertrouwd, het is ook ontrouw tegenover God. Incest of bloedschande door¬breekt die van God gegeven orde. Dit geldt ook ten aanzien van de aanver¬wantschap. De aanver¬wantschap werd geacht dezelfde band te hebben als de bloed-ver¬want¬schap (Leviticus 18:17). Deze verboden kunnen herleid worden tot het verbod op incest. Iemand die incest pleegt maakt Gods’ erfdeel kapot.

6.1 Ouderlijk gezag

Naomi: “Oom Henk was ook vader. Van twee dochters! Ik denk dat mijn nichtjes nooit hebben geweten wat hun vader deed. Ook tante Gea niet. Thuis was hij een voorbeeld. Een echte vader. Hij was streng. Z’n eigen dochters moesten meer dan netjes zijn. Nooit uit. En als ze eens weggingen naar een avondje van de kerk, ging hij ze halen. Het was allemaal zo dubbel.”

Ouderlijk gezag is afgeleid en doelmatig gezag (Ps. 127:3, Rom. 13:1, Ef. 6:4). Alle gezag, ook ouderlijk gezag, is ontleend aan God. Ook kinderen zijn geen ‘eigendom’ van de ouders, maar van God. Ouders hebben de op-dracht hun kinderen op te voeden naar Gods geboden. Gezag moet dien-stig zijn aan het doel van een christelijke opvoeding. Vanuit hun eigen be-trekking tot de Here, zullen de ouders hun kinderen trekken naar de liefde tot Jezus.

6.2 Ouders zijn voorbeeld
Ouderlijk gezag heeft een voorbeeld – of modelfunctie (Ps. 103:13; Mal. 1:6, 2:10, Luk. 11:11-13, Rom. 8:15, 13:1, Gal. 4:7, 26). De ouders zijn een model of voorbeeld. Mede door de afhankelijkheid van de ouders wor-den kinderen door dit voorbeeld zeer sterk bepaald in hun (latere) opstel-ling tegenover anderen met gezag. Wanneer de eigen ouder(s) onveilig en onbetrouwbaar blijkt, zal men niet leren zich aan (het gezag van) anderen toe te ver¬trouwen. De ouder-kind relatie staat in de Bijbel ook model voor de ver¬houding tussen God en Zijn volk. Ze worden Zijn ‘kinderen’ ge-noemd, Hij is hun ‘Vader’, Christus is hun oudste ‘broeder’ en de Kerk is hun ‘moeder’.

6.3 Grenzen
Ouderlijk gezag is begrensd (Luk. 10-37, Hand. 5:39, Ef. 6:4, Col. 3:21). Een beschadigende opvoeding (lichamelijk, psy¬chisch of geestelijk) gaat tegen het geheel van Gods Woord in. De normen van dat Woord vormen de begrenzing voor het uitoefenen van het ouderlijk gezag. Uit deze gege-vens komt duidelijk naar voren dat het vijfde gebod nooit gebruikt kan worden als middel tot onderdrukking of misbruik van kinderen door de ou-ders. Wanneer daarvan sprake is worden grenzen overtreden, die ingrijpen van buitenaf noodzakelijk kun¬nen maken. Het voorgaande biedt houvast om vervolgens in te gaan op de aard van seksueel misbruik.

7. Incest is een zonde en een misdrijf
Incest is een zonde en een misdrijf. Voor een misdrijf moet een misdadiger voor de wereldse rechter verschijnen. Voor een zonde moet een zondaar voor de hemelse Rechter verschijnen. Het Wetboek van Strafrecht is duide-lijk over het misdrijf incest. De Bijbel is dat ook. Deze paragraaf gaat over incest in gezinnen die behoren tot de gere¬formeerde gezindte. Daardoor wordt deze ervaring onvermijdelijk verweven met de beleving van de godsdienst. Bijvoorbeeld op deze manier.
Jantien (18 jaar) is jaren achtereen seksueel misbruikt door haar va-der. Soms meerdere malen per dag. Haar vader bleek haar tot seksu-eel contact te hebben ge¬dwongen, waarbij hij haar verzet brak door bijvoorbeeld op te merken: ‘Als jij ooit nog bekeerd wilt worden, kun je maar beter niet zo brutaal zijn’. Ook dreigde hij met Gods straffen als ze het zou wagen de gebeurtenissen naar buiten te brengen Je mag je ouders immers niet te schande maken. Ondertussen ging haar vader aan het avondmaal en genoot groot respect bij een deel van de kerke-lijke gemeente. Na het bekend worden van de incest ontkende hij echter in alle toon¬aarden en binnen de kerkenraad en de gemeente is het verhaal van Jantien met ongeloof ontvangen. Ze wil niets meer met de kerk te maken hebben. De gedachte aan bidden en bijbellezen maakt haar opstandig. Als ze aan God denkt voelt ze zich door Hem in de steek gelaten.

Uit zo’n verhaal wordt duidelijk dat incest binnen een christelijk gezin een enorme geestelijke ravage kan aanrichten. Hoe werkt een incestervaring binnen een christelijk gezin door in iemands geeste¬lijke ontwikkeling?

7.1 Een splitsing tussen leer en leven
Uit onderzoek komt naar voren dat daders zelden gods¬dienstige redene-ringen gebruiken om daarmee de slachtoffers te pressen toe te geven aan seksueel misbruik. De godsdienst lijkt juist afgesplitst te worden van de praktijk van het misbruik. De Bijbel is duidelijk over het verbod op seksueel misbruik (b.v. Lev. 18, Lev. 20, 1 Kor. 5:1). Bij overtreding worden de man en de vrouw wie het betreft op gelijke wijze gestraft; er is dus geen sprake van enige ‘positieve discriminatie’ van de man. Uiteraard is van dit alles veel meer te zeggen, maar dat gaat het bestek van dit boek te boven.
Blijkbaar voelen de daders aan dat hun gedrag in geen enkel opzicht van-uit Gods Woord is te rechtvaardigen. Deze ontkenning van werkelijk gezag van de Bijbel werkt ook door in het gezinsleven in het algemeen. Veel slachtoffers spreken over het godsdienstige karakter van het gezin als ‘puur buitenkant’, als iets ‘dat nu eenmaal zo hoort’ of ‘een uiterlijk omhul-sel’ dat vooral vanwege sociale controle in stand wordt gehouden ‘want wat zullen de mensen er anders van zeggen’. Wanneer een dader evenwel wordt aangesproken op zijn zonde en schuld, zal hij afweermechanismen gebruiken. Een van die afweermechanismen is het bekennen dat hij “na-tuurlijk” zondaar is, maar dat hij daarin niet verschilt van andere mensen. Het zich verschuilen achter het zondige van de mens en het beroep doen op vergeving komen we veel tegen. Ik ga uitvoerig op de verschillende af-weermechanismen in in het zevende hoofdstuk dat specifiek over daders gaat.

7.2 Vervormd Godsbeeld
In een geestelijk en emotioneel gezonde ontwikkeling worden we gestimu-leerd volwassen te worden. Onder meer leren we geleidelijk aan onder-scheid te maken tussen wie onze ouders zijn, wie anderen zijn, wie wij zijn en wie God is. Het eigen zelf kan duidelijk worden afgegrensd van dat van anderen. Eigen gevoelens en gedachten wor¬den als zodanig herkend en onderscheiden van wat een ander vindt. Men heeft een eigen mening en dat wordt gewaardeerd. In zo’n opvoedingssituatie zijn er enerzijds duide-lijke ‘grenzen’ tus¬sen de personen, maar anderzijds geeft dat nu juist de mogelijkheid tot echt ‘contact’. Dat alles is nodig om op een veilige, realis-tische en hanteerbare manier relaties te kunnen leggen en onderhouden. Dat ontbreekt op pijnlijke wijze in incestsituaties. In plaats van gezonde grenzen is er een pathologische (zieke) vervlechting. Men weet niet wie men is of mag zijn, er is geen in de Bijbel verankerd bewustzijn van God en de ouders zijn in misvormende zin tegelijk aanwezig (in het – toelaten van – misbruik) en afwezig (als échte ouder). Deze elementen verdienen een nadere bespreking. We zien nogal eens boosheid en woede bij slachtoffers. Die vormen een natuur¬lijke reactie op de vernedering, ontkenning en kren-king die kenmerkend zijn voor seksueel misbruik. Slachtoffers van christe-lijke huize kunnen het daar heel moeilijk mee hebben. Je moet je ouders immers eren en fouten vergeven? Maar als je dat nu totaal niet kunt op-brengen en hen zelfs haat? Boosheid ook naar God: ‘Waarom liet Hij dat toe? Waar was Hij?’

7.2.1 Verminking van de eigen persoonlijkheid
Seksueel misbruik miskent en mishandelt de persoonlijkheid van het slachtoffer. In geestelijk opzicht heeft dit tot gevolg dat men het gevoel krijgt dat men er als mens niet mag zijn, dat men te slecht en te vies is voor God, of dat men door Hem wordt gestraft. Dat is ook begrijpelijk als men als dochter dingen te horen krijgt als ‘Jij bent mijn hoertje’ en ‘Jij bent slecht en je liegt altijd’. Illustratief voor de mogelijke gevolgen daarvan is deze uitspraak van een slachtoffer: ‘God vindt mijn leven toch waardeloos. Hij had net zo lief dat ik er niet was’. Gevoelens van zinloosheid, vaak cir-kelend rond de vraag ‘waarom?’, kunnen slachtoffers soms jarenlang ach-tervolgen.

“Tussen mij en God komt het nooit meer goed”, zei Naömie: ”Ik ge-loof dat ik wel meer plezier in het leven kan hebben als ik het ver-werkt heb. Maar Het is niet meer zoals vroeger. Ik heb te veel ‘mit-sen’ en ‘maren’. Dat zit me ook wel eens in de weg.”

7.2.2 Vervalsing van Gods zelfopenbaring
In christelijke gezinnen waar seksueel misbruik voorkomt, staat de zelf-openbaring van God niet zelden totaal haaks op het Godsbeeld dat in de opvoeding wordt doorgegeven. Dit heeft zeer ingrijpende gevolgen voor het geestelijk leven. Waar een vader zijn dochter misbruikt leidt hij haar niet tot de God van het Woord. Hij gaat er juist vierkant voor staan en be-neemt haar alle zicht op de Vader die Hij in Zijn Zoon Jezus Christus wil zijn. En als hij ondertussen aan de buitenkant leeft als christen, godsdien-stige rederingen gebruikt om zijn dochter er onder te houden, of zelfs dreigt met goddelijke straffen, brengt hij een vervalst beeld van God over. God krijgt dan in de ogen van zo’n meisje de beangstigende trekken van de eigen vader, maar dan in de overtreffende trap. Want vader is machtig, maar God is almachtig. Veel slachtoffers verwarren God met hun eigen va-der. Ze geven te kennen weinig van God te verwachten, want de eigen va-der had im¬mers ook nooit tijd en aandacht voor ze? Hij vernederde ze in het bijzijn van anderen, schold ze uit en maakte ze uit voor leugenaar¬ster. Een ander zegt: ‘De ogen van God prikken, net als die van mijn vader.’ Of, verwijzend naar de onberekenbare woede uitbarstingen van vader: ‘Ik heb het gevoel dat ik op mijn hoede moet zijn. God kan je pakken’. Men kan ook het gevoel hebben dat God zich schaart aan de kant van de vader. De splitsing tussen leer en leven en de verduistering van wie God werkelijk wil zijn, zorgen ervoor dat de slachtoffers het rechte zicht op God benomen wordt. Maar er zijn toch ook andere bronnen waaruit dit naar voren komt, zo kan men zich terecht afvragen. Denk aan de prediking, het bijbel¬lezen, meditaties enz. Die boodschappen maken (naar menselijke maatstaven ge-sproken) echter weinig kans om zuiver door te komen. Het slachtoffer is psy¬chologisch gezien zo afhankelijk gemaakt van de dader, dat het een bijna onmogelijke opgave is het Evangelie in zijn volheid te horen en daar-uit de consequenties te trekken voor wat er aan de hand is. Daarbij komt dat op de daarvoor geëigende momenten–bijvoorbeeld bij de behandeling van het vijfde en het zevende gebod – vaak voorbij wordt gegaan aan de realiteit van incest. Dat kan de slachtoffers be¬vestigen in hun idee onbe-grepen en verstoten te zijn. Een slachtoffer drukte dit als volgt uit:
Een slachtoffer vertelde:

“Elke zondag word ik weer met mijn neus op het vijfde gebod ge-drukt: ‘Eert uw vader en uw moeder’. Doe ik dat? Nee dus. Nog veel erger: soms haat ik mijn vader. Elke zondagochtend voel ik me schul-dig als ik hoor: ‘Eert uw vader’. Hoe moet ik mijn vader eren? Hoe kan ik aan ‘vader’ denken op een positieve manier? Als ik het woord vader hoor, dan komen er alleen negatieve dingen. Maar vanmiddag is Zon-dag 39 aan de beurt. Zal ik thuisblijven? Moet ik naar een preek luis-teren waarvan ik weet dat ik hem toch niet na kan komen? Dat ik naar mijn ouders moet luisteren, weet ik ook wel, dat is me wel duidelijk gemaakt door mijn vader. Eer ik mijn vader als ik vertel wat hij ge-daan heeft? Waarom werd er door de dominee in de preek de nadruk op gelegd dat wij als kinderen dingen doen waar onze ouders verdriet van kunnen hebben? Andersom gebeurt dat toch ook? Ik had het ge-voel dat alleen de kinderen zonden doen en onze ouders niet. Ik had zo gehoopt dat de dominee ook eens aan zou geven dat het soms heel moeilijk kan zijn om je ouders te eren en te gehoor¬zamen.”
7.2.3 Een geblokkeerd gebedsleven
Het valt nu te begrijpen dat het gebedsleven van de slachtoffers door dit alles zeer wordt benard. Soms hoor je: ‘Ik heb God gebeden dat het mocht ophouden, maar God hoorde niet’. Anderen ervaren de weg van het gebed als onbegaanbaar. Iemand die geen gevoel van liefde meer voor haar ou-ders kon opbrengen vertelde: ‘Ik kan niet meer bidden, want God accep-teert me alleen als ik me aanpas aan wat mijn ouders willen’. Een collega verwoordde het zo: ‘Bidden kan niet meer. Deze brug is door de dader op-gehaald. Dat is iets wat vaak voorkomt’. Een wel zeer schrijnend voorbeeld betreft een slachtoffer dat in radeloze angst voor haar vader in knielende houding bleef bidden, in de hoop dat hij (een ambtsdrager) haar met rust zou laten. Zijn reactie: ‘Je hoeft niet zo vroom te zijn, je had allang klaar kunnen zijn met bidden’. Alsof haar bidden iets was wat er niet toe deed en dat hij nu zijn ‘rechten’ op kwam eisen. Geconcludeerd kan worden dat de dader zowel de omgang met ande¬ren als met God blokkeert. Zo wordt het christelijke opvoedingsdoel – volwassenheid in Christus – faliekant gemist. Het zal inmiddels duidelijk zijn geworden dat veel slachtoffers worstelen met een verwrongen Godsbeeld. Naarmate de dader een grotere scheiding tussen leer en leven aanbrengt (b.v. wanneer de dader ambtsdrager is, aan het avondmaal gaat, gerespecteerd wordt vanwege zijn godsdienstigheid en dit alles combineert met ernstige psychische en lichamelijke mishande-ling van zijn zoon of dochter) kan dit in ernst toenemen.

7.2.4 Wie is God?
In het ontknopingproces moet men leren ontdekken wie God werke¬lijk is in onderscheid van wat de dader heeft voorgeleefd. Vooral als dat aan de or-de wordt gesteld zien we hoe sterk het beeld van de ouder vervlochten is met God. Men wil wel van de dader loskomen en zichzelf worden. Maar kan dat niet, omdat men bang is tegelijk God kwijt te raken. Vroeger waren ‘je-zelf zijn’ en bewustwording verboden. Dat stond gelijk met opstand die vervolgens vaak hard¬handig de kop werd ingedrukt. Vandaar de angst God tegen te krijgen of te verliezen als men eerlijk wil zijn tegenover Hem en zichzelf. De kluwen van al deze tegenstrijdige gevoelens en gedachten lijkt soms niet te ontwarren.

Een slachtoffer vertelde:

“Ik ben er nog steeds mee bezig om in het reine te komen met God. Toen moeder overleed bleef ik alleen achter met mijn vader. Alle bin-ding met God was weg. Alleen uit angst bleef ik naar de kerk gaan. Maar ik zat met mijn oren dicht in de kerk. Ik dacht bij mezelf: God kan het ook bekijken. Aanvankelijk ging dat goed en zo kon ik mijn angst wegstoppen. Ik bad niet en las de Bijbel niet. Ik wilde helemaal niet meer denken. Maar als ik alleen ben en in de put zit komt dat al-lemaal op me af. De Bijbel is dan heel bedreigend voor me. Ik twijfel er aan of ik eigenlijk wel bij God terecht kan’. ‘Ik wou dat ik aan God kon vragen wat Hij er nu van vindt. Hoe kijkt Hij tegen mijn vader aan? Ik kom er niet uit en kan er niet tegenop. Al die verwarring. Kennis van al die geboden ervaar ik soms als een belemmering. Dan denk ik: als ik dat allemaal niet zou weten, zou ik er ook geen last van hebben dat God alles ziet. Wat heb ik toch gedaan? Is het een straf? Ik kom er niet uit. Ik begrijp het niet. Is het misbruik ergens goed voor? Maar dat is toch onrechtvaardig?”

7.2.5 Kerkverlating
Uit onderzoeken blijkt dat slachtoffers vaak de kerk verlaten. Niet dat bijna ieder¬een onkerkelijk wordt. Wel blijken slachtoffers in meerderheid het oor-spron¬kelijke kerkverband te verlaten. Vanwege het feit dat de opvoeding in die context plaatsvond, maar ook door de soms geringschat¬tende reacties van ambtsdragers is dat te zeer verweven geraakt met de incestervaring. In het losmakingsproces kan men het kerk¬verband vaak niet vasthouden – of men wordt er onvoldoende door vastgehouden.

7.3 Geloofsverdieping
Na al deze narigheid kan men zich vertwijfeld afvragen of iemand seksueel misbruik nog wel als christen kan verwerken. Gelukkig maken we ook dat meer dan eens mee. Het schimmige beeld van God maakt geleidelijk aan plaats voor een waarlijk zien op Hem. Men kan soms zeggen: ‘God heeft er Zijn wijze bedoelingen mee gehad. Als dat allemaal niet was gebeurd was ik onafhankelijk van Hem gaan leven. Het heeft me ook dichter bij mijn man gebracht. Ik weet nu wat de rotte kant van het leven inhoudt. Maar Christus heeft dat alles ook meegemaakt en het heeft me tot Hem ge-bracht’.

Hoofdstuk 7 Godsdienst en incest

1. Inleiding

Er waren ongeveer vijftig kerkgangers in de dienst waarin ik mocht voorgaan. Ik had nooit in de grote kerk van de stad gepreekt. Ik zou ook nooit worden uitgenodigd. Het grote aantal vacatures en de ver-plichting om ringbeurten te vervullen bracht de kerkenraad op ande-re gedachten. Een van de ouderlingen vroeg bezorgd hoe lang ik preekte. Een ander was verbaasd dat ik een klassieke zwarte toga droeg met witte bef. Achter een bonte kerkenraad liep ik de enorme kerk binnen waar plaats was voor 1500 zielen. Ik had de vrijheid ge-nomen om mijn eigen Votum en Groet uit te spreken, omdat ik me niet herkende in de gezongen versie. Bovendien had ik nooit solo gezongen in een kathedraal, al was het dan voor lege banken. Ik merkte dat de kerkgangers aandachtig luisterden. De preek was aanmerkelijk langer dan ze gewend waren, maar niemand verliet vroegtijdig de kerk. Na de dienst passeerden allen de ouderling van dienst en de predikant, kregen een folder over een diaconaal project en twee maal een hand, en verdwenen door de metershoge deur het nog slapende centrum in. Een oudere vrouw hield even mijn hand vast en zei: “Dominee, dank u wel dat u de Wet weer eens hebt ge-lezen. De Wet wordt hier de laatste jaren niet meer gelezen. Dat is zeker ouderwets!”

Incest is een misdrijf en een zonde. In het kader van dit boek wil ik in dit laatste hoofdstuk aandacht besteden aan wat de Heilige Schrift zegt over deze zonde. Het is daarom belangrijk in de gemeente steeds te horen waarom God aan ons de Tien Geboden, met daarin vervat Zijn wetten, heeft gegeven. In bepaalde liturgische tradities bestaat bezwaar tegen het woord “wet”. Het woord wordt vervangen door “leefregel” of “richting”. In steeds meer gemeenten wordt de Wet niet meer gelezen. In dit hoofdstuk leg ik beknopt uit welke verboden er in de Bijbel staan met betrekking tot incest. Ik ben ervan overtuigd dat het noodzakelijk is voor de opbouw van het geloofsleven deze basis van de christelijke ethiek niet weg te stoppen.

De oudere collega stond mij in zijn boekenmuseum vriendelijk te woord. Hij was op de hoogte van mijn promotieonderzoek en wilde graag iets vertellen over wat zijn ervaringen in de gemeente waren met incestslachtoffers en daders. “Collega, onlangs heb ik drie avondpreken gehouden over incest: over Leviticus 18, het vijfde ge-bod en Zondag 41. Ik heb het verbod, de zonde van incest bij de naam genoemd en gezegd dat er slachtoffers en daders onder de preekstoel zitten. Ik heb ook gezegd dat de zonde van perversiteit, van seksualiteit die de Bijbel verafschuwt, ook in mij zit. Maar dat we allen deze zonden mogen benoemen, uitspreken en belijden. Enkele gemeenteleden zijn op die preken teruggekomen. Ook een meisje. Ik ben vorige week naar haar vader geweest. Ik had te doen met die man en toch heb ik hem aangesproken. Hij moet zich eens verant-woorden! De man wilde mij eerst aanvliegen. Ik heb hem mijn wang toegedraaid en gezegd: ‘Sla maar!’ Toen barstte hij in snikken uit.”

Aan dit kostbare gesprek denk ik nog wel eens terug. Deze collega kon in liefde de moeilijkste waarheid zeggen. Wat een erkenning voor het slacht-offer. Ik laat even buiten beschouwing of dit nu pastoraal gezien de meest optimale wijze van reageren is. Duidelijk is dat deze predikant het Woord en de Wet serieus neemt door hem te lezen, voor te lezen en eruit te leven. Nu is Leviticus 18 niet het bekendste voorbeeld uit de Bijbel als het over incest gaat. We denken misschien het eerst aan Lot. De geschiedenis van Lot met zijn dochters is een van de sprekendste voorbeelden van incest uit het Oude Tes¬tament (Genesis 19:30-38). Zijn dochters, die bevreesd wa-ren dat zij geen kinderen zouden krijgen, maakten hun vader dronken en hadden gemeen¬schap met hem. Zij werden zwanger en uit de oudste werd Moab geboren en uit de jongste Ben-Ammi. Als ik dit zo schrijf komen meteen enkele theologen in mijn gedachten die bestrijden dat het in dit gedeelte om incest zou gaan. Het valt buiten het kader van dit boek daar verder op in te gaan. In dit laatste hoofdstuk maak in enkele opmerkingen in Bijbels perspectief waarom de Here incest verboden heeft en waarom het dus ook in de gemeente veroordeeld moet worden. In dit hoofdstuk be-spreek ik ook het begrip ‘schuld’ en de kerkelijke tucht. In de diverse no-ta’s die binnen de grote kerken verschenen zijn is daar weinig of geen aandacht voor.

2. Incest in het Oude Testament:
Leviticus 18, 19 en 20 zijn drie hoofdstukken die bij elkaar horen. In de hoofdstukken 18 en 19 wordt gesproken over bepaalde ‘inzettingen en veror¬deningen’ van de Here God. Daaraan zouden de Israëlieten zich moe-ten houden. In hoofdstuk 20 komen de straffen op de overtredingen uit-gebreid aan de orde. In Leviticus 18:6 staat de algemene regel voorop en lezen wij het incestverbod. In dit gedeelte wordt nadrukkelijk stelling ge-nomen tegen de incestueuze praktij¬ken. De tekst wijst iedere vorm van in-cest af. Achter dit scherpe verbod staan de hoogheid en de majesteit van God: Ik (ben) de Heere! Geen geslachtsgemeenschap met enig bloedver-want ‘zijnes vleses’, dat wil zeggen met wie deel uitmaakt van zijn eigen ‘lijf’. Het gaat hier niet alleen tegen huwelijken, maar ook tegen het heb-ben van geslachtsgemeenschap. Dit wordt bewezen door het feit dat de wetgever voort¬durend gebruik maakt van de uitdrukking: ‘de schaamte ontbloten’, hetgeen steeds de gedachte opwekt aan onreine bedoelingen. Alle verboden rela¬ties worden genoemd: Niemand zal tot enige nabes-taande zijns vleses naderen, om de schaamte te ontdekken: Ik ben de Heere! Wanneer we de lijst uit Leviticus 18 nader bekijken is het opvallend dat de volle dochter niet expliciet wordt genoemd. Blijk¬baar was dit een horribile dictu, een voorbeeld dat te verschrikkelijk is om op te schrijven.

3. Incest in het Nieuwe Testament
In het Nieuwe Testament lezen we hoe de viervorst Herodes Antipas Jo-hannes de Doper gevangen liet zetten in de kerker van Machaerus. Dit hield verband met zijn huwelijk, dat hij gesloten had met Herodias, de vrouw van zijn half-broer Herodes Filippus. Herodias was een kleindochter van Herodes de Grote. Nadat Herodes Antipas zijn wettige vrouw, de doch-ter van de Arabi¬sche koning Aretas, verstoten had nam hij zich Herodias tot vrouw. Haar dochter Salome nam ze mee. De wegzending van zijn wettige vrouw is opvallend. De vraag is waarom Herodias de smadelijke wegzen-ding van de vrouw van Herodes Antipas eiste? De wettige vrouw was een Arabi¬sche prinses en haar wegzending moest aan het eigenlijk ongeoor-loofde huwelijk van Herodes Antipas met de vrouw van zijn broer een vroom tintje geven: nu hadden Galilea en Perea weer een gelovige en Joodse koningin! Johannes de Doper sprak hen aan op dit ‘verboden hu-welijk’ en ontmaskerde Herodias’ vrome schijn. Er heeft echtbreuk plaats-gevonden èn een verboden huwelijk is tot stand gekomen, het huwelijk met zijn schoon¬zuster. Johannes de Doper heeft openlijk tegen die verbin-tenis protest aan¬getekend. Johannes was immers naar het hof gegaan om Herodes op dat punt terecht te wijzen. Johannes de Doper heeft tegen Herodes Antipas gezegd dat het niet toege¬staan was om de vrouw van zijn halfbroer te trouwen. Herodes maakte zich dus schuldig èn aan echtbreuk èn aan bloedschan¬de. In de Eerste brief van Paulus aan de Corinthiërs spreekt Paulus de gemeente aan als blijkt dat een man gemeenschap heeft gehad met de tweede vrouw van zijn vader, wellicht zijn stief¬moeder, wat in de gemeente van Corinthe blijkbaar werd toegelaten, maar door Paulus streng veroordeeld. Zeer waarschijnlijk heeft Paulus niet lang na zijn ver-trek uit Corinthe gehoord van de ontucht binnen de gemeente en schrijft hij daarom deze vermanende brief. Kennelijk laten de gemeenteleden een gemeentelid dat met zijn stiefmoeder verkeert begaan. Er zijn andere voorbeelden van incest in de tijd van Paulus bekend. Cicero, tijdge¬noot van Paulus, vermeldt een verhouding van een vrouw te Rome met haar schoon-zoon. Hij noemt dit een tot nog toe ‘on¬gehoorde, ongelofelijke misdaad’.

4. Ieder mens is uniek

Naömie: “Hij zocht ook de muziek voor me op. Oom Henk regelde ei-genlijk alles. Moeder zag hem als een soort vader voor me. Ze wilde geen kwaad woord over oom Henk horen. Ik kon er met niemand over praten. Juf Martha had wel het een en ander in de gaten. Ze nam ook vaak de tijd voor mij. Maar meer heeft ze ook niet gedaan. Oom Henk koos de muziek uit die ik moest spelen. Ik haatte die mu-ziek. Een leuk kerstlied mocht ik nooit spelen. Hij bepaalde ook welke jurk ik aanmoest als ik op het kinderkerstfeest moest spelen. Ik was gewoon van hem. Zijn bezit. Vooral op donderdag. Dan was tante Gea nooit thuis.”

Ieder mens is in Gods ogen uniek. Geschapen naar Zijn beeld zijn er ontel-baar veel menselijke beelden. Dat de mens uniek is, is een wonder. Het gaat hier om de héle mens, inclusief zijn lichamelijkheid en seksualiteit. De hele mens dient Christus na te volgen in zijn doen en laten. Man en vrouw behoren naar elkaar, hun kinderen en anderen iets te weerspiegelen van Gods heerlijkheid. Dit uitgangspunt houdt tevens in dat de seksualiteit als aspect van het menszijn nooit verzelfstandigd, of op een ik-gerichte wijze gebruikt mag worden. Wanneer een kind als Naömie misbruikt wordt door een “vader” die haar leven gaat bepalen, beperken en verwoesten, kan het niet anders of het slachtoffer vraagt zich af wat de zin van het leven is. Naömie was dagelijks bezig te overleven. Hoe kon ze vrijdag verder leven na een donderdag waar oom Henk haar weer misbruikt en verkracht had? En hoe kon ze op zondag luisteren naar een preek over Genesis 1:26-29 als ze zich afvroeg wat ze in oom Henk van God kon zien?

5. De mens mag liefhebben en beminnen

Naömie: “Ik zal nooit vergeten hoe oom Henk ineens de badkamer binnenkwam. Ik heb me nooit geschaamd voor mijn lichaam. Ik heb er zelfs nooit over nagedacht. Ik was gewoon Naömie, zoals God mij bedoeld heeft, maar ik doe nog steeds de badkamer op slot.”

De mens is niet alleen uniek, maar mag ook liefhebben en beminnen. Het zijn gaven van God. Liefhebben en beminnen zijn gaven van de schep-ping. Seksualiteit is in zichzelf een goede gave Gods, waarvoor we dank-baar mogen zijn. Ook de zonde heeft daar geen verandering in gebracht, hoewel deze gave daardoor wel is aangetast.

6. De mens mag een ander mens niet misbruiken

Naömie: “Hoe kan een volwassen man een kind misbruiken? Ja, en het hield niet op bij zoenen en betasten. Hij heeft me van het mooi-ste wat ik had beroofd. Het ergste is dat ik er nooit met iemand over kon praten. Of misschien kon het ook wel, maar ik deed het niet. Ik ben de woorden van haar moeder nooit vergeten: ‘Je bent een slech-te meid en je maakt alle mannen dol met die bruine krullen.’ Ik voel me nog vaak slecht.”

De mens is uniek, mag liefhebben en beminnen, en daarmee zeggen we ook hoe kostbaar liefde is. Bij de woorden ‘uniek’, ‘liefhebben’ en ‘bemin-nen’ passen woorden als ‘respect’ en ‘trouw’. Daar passen geen woorden bij als ‘gebruiken’ en helemaal niet ‘misbruiken’ of ‘geweld’. Voor veel mensen wordt seksualiteit pas verwerkelijkt binnen het huwelijk. De verwerkelij-king van de seksualiteit wordt in de Bijbel als ‘één vlees zijn’ aangeduid. God heeft dat bestemd voor het huwelijk. Daarbuiten kan het ontucht, overspel of seksueel misbruik zijn en is het een zonde in de ogen van God en vaak ook een misdrijf. De man mag de vrouw niet overheersen. Gods Woord spreekt over de autoriteit van de man over de vrouw, maar die auto-riteit dient volkomen in dienst van het welzijn van de vrouw te worden ge-steld. Hier is de verwijzing naar Christus als Hoofd van de Gemeente, in de verhouding van Bruidegom en Bruid, veelzeggend en ont¬roerend. God houdt de echtelieden voor dat de seksuele omgang tot een gezond huwe-lijk behoort, maar man noch vrouw kan daaraan een recht op seksuele om-gang ontlenen. Laat staan dat een man recht zou hebben op seksuele om-gang met een dochter. De Bij¬bel geeft nergens aanleiding tot minachting van de vrouw. Van Augustinus is het rake woord: de vrouw genomen van het hart van de man, hoort aan zijn hart en niet aan zijn voeten. De Bijbel spreekt evenwichtig over seksualiteit. Alle facetten ervan worden geaccep-teerd. Wel wordt de beleving ervan genormeerd met het oog op het dienen van de Heere en elkaar. Daarbij wordt de seksualiteit niet miskend, maar evenmin verabsoluteerd. Pas binnen het kader van gehoorzaamheid aan God en liefde en trouw aan de huwelijkspartner, kan zich een gezonde seksualiteit ontwikkelen. Tussen geestelijk leven naar bijbelse maatstaven en het bedrijven van de liefde in de seksuele omgang behoeft en mag geen tegenstel¬ling bestaan. Buiten deze door de Bijbel aangegeven kaders dienen beheersing en onthouding betracht te worden. Seksualiteit is in de Bijbel geen recht, of een levensbehoefte die vergelijkbaar is met eten en drinken.

7. Schuld

Naömie: “En ik voel me altijd schuldig. Weet u waarom? Ik was al vijftien, zestien. Ik ging zelf naar oom Henk. Later heb ik vaak gedacht: Waarom ben ik niet thuis gebleven? En oom Henk deed dingen met me die soms ook wel eens vreemd voelden, niet helemaal eng of vervelend. En dan kon hij gemeen lachen. Hij zei dan steeds dat we samen een geheim hadden, samen spelen, samen genieten. Maar ik was hartstikke alleen.”

Onze twintigste eeuwse cultuur wordt gekenmerkt door de over¬tuiging van de mens eigen baas te zijn. De mens heeft moeite met het begrip ‘zonde’. Van schuld wil onze samenleving nauwelijks weten. Schuld betekent immers, dat er iemand is die ter ver¬antwoording roept. ‘Iemand’ die God is en die oor¬deelt over de mens is vrijwel uit het zicht van de cultuur verdwenen. De kern van de zonde is de goede rela¬tie met God doorbreken, doordat we ons tot het middelpunt maken en alles om ons eigen leven laten draaien. Alle zonde gaat mank aan liefdeloosheid. Dat is: God en de naaste niet van harte en met geheel onze ziel, verstand en kracht lief te hebben. We stel¬len onszelf in de plaats van God en we geven de medemens niet de ruimte, de steun en de liefde die hij nodig heeft om te floreren. Zeker bij een zonde als incest gaat deze omschrij¬ving geheel op. Wanneer iemand zich van zijn zonden bewust is en zijn schuld uitgesproken heeft is aanvaar¬ding van belang. In de rechtvaar¬diging van de goddeloze wordt zichtbaar de aanvaarding van de mens. Dit is het hart van de re¬formatorische theologie. Het pastorale klimaat speelt zich af in een klimaat van aanvaar¬ding. In de omgang met elkaar mag ervaren wor-den, dat we allemaal alleen van genade kunnen leven. Genade wil zeggen, dat God mensen on¬voorwaardelijk aanvaardt. Aan¬vaarding door¬breekt de angst en geeft ‘moed om te zijn’: daarom neemt elkander aan, gelijk ook Christus ons aangenomen heeft, tot de heerlijkheid Gods. Dat betekent dat relaties tussen christenen zich niet mogen afspe¬len inzake beoor¬deling en veroordeling. Leven van genade betekent ook leven in vrij¬heid. De aanvaarding door de predikant, hoe moeilijk ook als het om een seksueel mis¬drijf gaat, kan de weerspiege¬ling zijn van Gods aanvaar¬ding. Voor de relatie tussen de predi¬kant en de incestdader betekent de aanvaar¬ding van het begeleiden van het proces van het gaan-leven-uit-de-vergeving. De verge¬ving is een antwoord op persoon¬lijke schuld en we weten ons in deze situatie door God aan¬vaard. Dat is de ver¬zoe¬ning die niet te kort doet aan de gebrokenheid van het leven. De predikant wil een eind met die ander meel¬open, in zijn lijden delen, in de vreugde van de ver¬geving.

7.1 Uitspreken van schuld
We noemen als eerste aandachtspunt het uitspreken van schuldgevoelens, psychologisch als eer¬ste fase in de verwerking, theologisch als eerste fase van de ver¬geving. Ik heb geleerd om lang bij het gevoel van schuld stil te staan. Objectiefheeft een slachtoffer nooit schuld aan het misbruik. Toen Naömie vijftien-zestien jaar was had ze geen keuze om niet naar oom Henk te gaan. In die incestsituatie moest ze oom Henk gehoorzamen. Oom Henk misbruikte niet alleen haar lichaam, ook haar gevoel. Hij maakte misbruik van het feit dat Naömie voelde hoe haar lichaam haar verraadde. Ze heeft me daar vaak over verteld. De schuld zat zo diep dat je als predikant niet te gemakkelijk moet zeggen dat ze niet schuldig hoeft te voelen of dat ze zich ook vergeven mag weten door Christus. Het erkennen van de gevoelens van schuld en ze daarna bespreken lijkt me in de meeste gevallen de goede volgorde.
Theologisch gezien denken in dit verband aan het belijden van de zonden in de kerkelijke biecht of aan wat iemand in zijn gebed in een gemeenschap of alleen voor God uitspreekt over zijn schuld. Vanuit het schuld¬besef, het weten dat we de ander en dè Ander tek¬ort hebben gedaan, komt men tot een schuldbelijdenis. Schuldbe¬sef is recht¬streeks relatio¬neel: het betreft de Here God, de medemens of de gemeente. Oprecht schuldbesef zal ook om een belijden van de schuld vragen. Schuldbesef ont¬waakt als ons geweten ons gaat aan¬klagen. We hebben tegen de Here God en de naaste (incestslachtoffer, gezin) gezondigd. De Bijbel laat ons zien hoe de Here door Zijn Woord en Geest het sch¬uldbesef wekt en mensen tot schuldbelijden brengt. De belijdenis wordt uit-gesproken voor Gods aan¬gezicht. We lezen zelfs over een aansporing elkaar de zonden te belij¬den: Belijdt elkander de misdaden, en bidt voor elkander, opdat gij gezond wordt; een krachtig gebed des rechtvaardigen vermag veel (Jak.¬5:1¬6). Dan is daar ook de zegen van de schuldbelij¬denis, de inner¬lijke verruiming en bevrijding. Beleden schuld wordt vergeven schuld (Psalm 32:3-5). De schuldbelijdenis is een wezenlijk deel van het leven van het geloof en daarom van de liturgie van de samenkom¬ende gemeen¬te. Zij staat in het teken van de voorko¬mende genade van de Drieënige God. Ze veronderstelt de verkon¬diging van het heil. Daarom staat ze tussen Groet en Zegen, daar waar de Naam wordt uitgeroepen, waar de lofprijzing klinkt en de klacht.
Het uitspreken en belijden van schuld kan op velerlei manie¬ren: In de zondagse eredienst, waar het hart van de gemeente klopt, maar ook in een veel kleiner verband of ten overstaan van de pre¬dikant. Wij zijn met elk¬aar en voor elkaar in de gemeente aanwezig, een schu¬ld belijdende gemeente, wet¬end van vergeving en genade. Zij heeft een open oog voor wat er ge-beurt in de wereld en in mensenlevens en in haar liturgie stem geeft aan hen die geen stem meer heb¬ben, belijdende de Koning die het recht der armen en der verdrukten gelden doet.
In het uitspreken van de schuld zit nog een ander facet: wie er tegenover de ander voor durft uit te komen dat hij schuldig is, gefaald heeft, legt daarmee iets af van zijn vroegere fraaie image; er is een ver¬ootmoediging. Er is ook een beden¬kelijke kant aan het uitspreken, het belij¬den van schuld. De incestdader kan spreken over (zijn) schuld zonder zich schul¬dig te voelen. Hij kan ‘koketteren’ met zijn sch¬uld, maar ook zijn schuld-gevoelens cultiveren, eindeloos cirke¬len om zich¬zelf en zijn sch¬uld. Vooral het te snel of slechts ten dele uitspreken van een (gedeelte van de) schuld komen we bij in¬cestdaders tegen. Het is wel¬licht hun angst voor vera-ndering, om anders te wor¬den, klein en kwets¬baar te zijn, of zich over te moeten geven. Wie echt schuld belijdt en de vergeving blij aan¬vaardt, kan niet blijven zoals hij is, hij moet veran¬deren, hij wil ook verande¬ren. Een collectieve en litur¬gische schuldbelijdenis is vaak let¬terlijk te mooi om waar te zijn. De echte schuldbe¬lij¬denis maakt ons klein en weerloos en brengt aan het licht dat we ergens kwetsb¬aar zijn, we hebben dan niets meer om op terug te vallen.

Narramore noemt vier mogelijkheden om met schuld om te gaan. Deels over¬lappen ze de bovenstaande afweermechanis¬men:
1. Als eerste noemt hij de reactie op een schuldig gew¬eten. Iemand lijdt aan ‘self-punishment’ en ‘loss of self-es¬teem’. Dit is de wijze waarop Judas zijn sch¬uld heeft ver¬werkt: Hij ging heen en verhing zich: …en heengaande verworgde zichzel¬ven. In zijn boek ‘Zel¬frespect’, waarin hij evene¬ens de ver¬schil¬¬lende reac¬ties op schuldgevoelens bes¬chrijft, zegt hij door in te stemmen met het negatieve oordeel van anderen over jouw gedrag neem je deel aan zelfveroor¬deling.
2. Als tweede noemt hij het verbergen, het verstandelijk ver¬klaren van de schuld of op een andere wijze het ver¬dringen van de schuld.
3. Als derde noemt hij als reactie op schuld¬gevoelens het opstandig worden, ‘rebe¬llion’. Hij ziet dat in rel¬atie tot onze opvoeding. We kunnen als kind (on)bewust veel littekens hebben opgelopen, die onverwacht weer kunnen open gaan en die ons kwaad maken.
4. Als laatste noemt hij als reactie op onze schuld het belij¬den en het veranderen van het gedrag. Daarna ontstaat er ruimte. In dit verband noemt hij een ged¬eel¬¬te uit de brief aan de Galaten over de rechtvaar¬diging door het geloof. Want gij zijt allen zonen van God, door het geloof, in Christus Jezus.

7.2 Belijden van schuld
We noemen als eerste het uitspreken van schuldgevoelens, psychologisch als eerste fase in de verwerking, theologisch als eerste fase van de ver-geving. We denken in dit verband aan het belijden van de zonden in de kerkelijke biecht of aan wat iemand in zijn gebed in een gemeenschap of alleen voor de Here God uitspreekt over zijn schuld.

Naömie heeft zich vaak afgevraagd of ze oom Henk een brief zou sturen. Een brief waarin zij hem aanspreekt op wat hij heeft aange-richt in haar jonge meisjesbestaan. Wat hij haar heeft ontnomen. We hebben daar menigmaal over gepraat. Naömie wilde iets aan hem duidelijk maken, maar was ook bezorgd om zijn vrouw en kinderen. Zij wilde hun geluk niet breken. Uiteindelijk hebben we samen een brief opgesteld. Ze heeft hem door een vriendin laten bezorgen toen oom Henk alleen thuis was. Zijn schriftelijke reactie was onthutsend. Hij heeft zoveel voor het vaderloze meisje gedaan. Wat ze nu alle-maal in haar hoofd haalt? Laat haar moeder, inmiddels zijn vrouw, het allemaal maar niet horen. Naömie zei dat ze dit wel had ver-wacht. “Ik kom al jaren niet meer thuis. Ik heb nooit meegeteld. Ik was altijd te veel. Ik was nergens goed voor. Alleen voor pianoles. Neen, voor ná de les.”

Hoe komt men tot een schuldbelijdenis ? Vanuit het schuldbesef, het weten dat we de ander of dè Ander tekort hebben gedaan. Schuldbesef is recht-streeks relationeel, communicatief: het betreft de medemens, de groep, de gemeenschap, God. Schuldbesef uit zich in schuldbelijdenis en vraagt om vergeving. Schuldbesef ontwaakt als ons geweten ons gaat aanklagen dat we tegen God en de naaste (incestslachtoffer, gezin) gezondigd hebben, als we ons leven gaan zien in het licht van Gods Woord en Geest. Daarom dienen wij dit evangelische schuldbesef te onderscheiden van allerlei schuldge¬voelens. De Bijbel laat ons zien hoe de Here door Zijn Woord en Geest het schuldbesef wekt en mensen tot schuldbelijden brengt.
De belijdenis wordt uitgesproken voor Gods aangezicht. We lezen zelfs over een aansporing elkaar de zonden te belijden (Jak.¬5:16). Dan is daar ook de zegen van de schuldbelijdenis, de innerlijke verruiming en bevrij-ding. Beleden schuld wordt vergeven schuld.

Een dader vertelde:

“Het schuld belijden in de kerk heeft me goed gedaan. Ik voelde dat ik het moest doen. We hebben er naartoe gepraat. De dominee en ik. Wel tien maanden. Het kon ook voor de kerkenraad. Ik had de keu-ze. Ik wilde de verantwoordelijkheid van mijn zonden, wat ik mijn dochters en vrouw heb aangedaan, helemaal dragen. De dominee las een tekst. Hij vroeg mij of ik werkelijk berouw had. Ik zei “ja” en moest huilen. Daarna zong de gemeente ‘De Heer zal u steeds gade-laan’ (Psalm 121:4). En zo voel ik dat nu. Maar, makkelijk is het niet om naar de kerk te gaan. Er zijn mensen die me niet meer groeten. Maar ik blijf wel gaan.”

De schuldbelijdenis is een wezenlijk deel van het leven van het geloof en daarom van de liturgie van de samenkomende gemeen¬te. Zij staat in het teken van de voorkomende genade van de Drieënige God. Ze veronderstelt de verkondiging van het heil. Daarom staat ze tussen Groet en Zegen, daar waar de Naam wordt uitgeroepen, waar de lofprijzing klinkt en de klacht.
Het uitspreken en belijden van schuld kan op velerlei manieren: In de zon-dagse eredienst, waar het hart van de gemeente klopt, maar ook in een veel kleiner verband of ten overstaan van de predikant. Wij zijn met elkaar en voor elkaar in de gemeente aanwezig, een schuldbelijdende gemeente, wetend van vergeving en genade. Zij heeft een open oog voor wat er ge-beurt in de wereld en in mensenlevens en in haar liturgie stem geeft aan hen die geen stem meer hebben, belijdende de Koning die het recht der armen en der verdrukten gelden doet. In het uitspreken van de schuld zit nog een ander facet: Wie er tegenover de ander voor durft uit te komen dat hij schuldig is, gefaald heeft, legt daarmee iets af van zijn vroegere fraaie image. Er is een verootmoediging. Er is ook een bedenkelijke kant aan het uitspreken, het belijden van schuld. Iemand kan koketteren met zijn schuld, zijn schuldgevoelens cultiveren, eindeloos cirkelen om zichzelf en zijn schuld. Vooral het (te snel) uitspreken van een (gedeelte van de) schuld komen we bij in¬cestdaders tegen. Het is wellicht de angst voor ver-andering, om anders te worden, klein en kwetsbaar. Wie echt schuld belijdt en de vergeving blij aanvaardt, kan niet blijven zoals hij is, hij moet veran-deren, hij wil ook verande¬ren.

7.3 Vergeving en verzoening:
De zonden van de incestdader kunnen vergeven worden en er is verzoening mogelijk met dè Verzoener. Dit zal niet altijd te begrijpen zijn voor het in¬cest¬slachtoffer. Het incestslachtof¬fer kan zo beschadigd en gekwetst zijn, dat het nooit meer iets met vader, moeder of broer te maken wil hebben. Ook al heeft de incestdader zijn straf uitgezeten en begint hij aan een ‘nieuwe dag’, voor zijn incestslachtoffer kan dit anders zijn.

De incestdader heeft zich op vele fronten in het middel¬punt geplaatst. Hij heeft zich in Gods plaats gesteld en de mede¬mens, zijn eigen kind, niet de ruimte, de steun en de liefde hebben gegeven om zich te ontwikkelen en te floreren. Vanuit een diep schuld¬besef, oprecht berouw en een schuldbe-lijdenis zijn nieuwe relaties ¬mogelijk. Paulus helpt ons om het ver¬schil tussen oprecht berouw en wereldse rust over onze zonden te onderkennen. Hij onderscheidt in 2 Korinthiërs 7:10 tussen de droefheid naar Gods wil en de droefheid der wereld. Alleen de droefheid naar Gods wil wijst op een droefheid waarvan God het middelpunt is. De droefheid richt zich op de Here God. Ze is door Hem gewerkt en heeft in Hem haar maatstaf. Op grond van het bovens¬taa¬nde kan de berouwvolle in¬cestdader een beroep doen op Gods’ vergeving, maar dit nooit afdwingen van zijn slachtoffer. Een van de con¬sequenties van zijn mis¬daden kan zijn, dat er tussen dader en slachtof¬fer geen ver¬zoening mogelijk is. Er zijn vele voorbeelden van incestdaders die niet ve¬roordeeld zijn of hun straf hebben uitgezeten, terwijl hun slachtoffers nog in een psychiatrische klin¬iek verblijven of andere hulp hoeven.
Het aanspreken op de schuld zal in de meeste gev¬allen van de predikant moe¬ten uitgaan. De incestdader is onzes inziens schul¬dig tegenover de Here God, het sla¬chtoffer, zijn vrouw en de gemeente. Met nadruk noemen wij ook het slachtoffer en we citeren daarbij Ds. M. van Golverdingen: Van wezenlijk belang voor een relatie herstel is immers, dat de incestdader zelf tot een schulderkentenis komt en zijn schuld ook tegenover het slacht¬offer belijdt. De ‘schuld uitspre¬ken’ dient een duidelijke plaa¬ts in het pastorale gesprek te hebben. Dat kan aan de hand van bijvoor¬beeld de psalmen 32 of 51. Het met elkaar in gebed de zonde voor de Here God brengen behoort bij de strijd die aan de bevrij¬ding vooraf gaat. U de Here om kracht mag vragen ook voor hen uw schuld te belijden, om tegen uw dochters te zeg-gen: “Ik ben het die jullie kinderjaren, een deel van jullie leven heeft verwoest!”…

8. Dordtse Kerkorde
In de Dordtse Kerkorde wordt het onderscheid gemaakt tussen heimelijke en openbare zonden. Men haalt hiervoor o.a. psalm 90:8 aan: Gij stelt onze ongerechtigheden voor U, onze heimelijke zonden in het licht Uws aan-schijns. Het zijn de ar¬tikelen 72, 73 en 74 van de Dordtse Kerkorde. We geven de artikelen weer:

Artikel 72. Wanneer dan iemand tegen de zuiverheid der leer, of vromig-heid des wandels zondige, zoverre als het heimelijk is, en geen openbare ergernis gegeven heeft, zo zal de regel onderhouden worden, welke Chris-tus duidelijk voorschrijft, Mattheüs 18.

Artikel 73. De heimelijke zonden, waarvan de zondaar bij één in het bijzon-der, of voor twee of drie getuigen, vermaand zijnde, berouw heeft, zullen voor de kerkenraad niet gebracht worden.

Artikel 74. Zo iemand van een heimelijke zonde van twee of drie personen in liefde vermaand zijnde, geen gehoor geeft, of anderszins een open¬bare zonde bedreven heeft, zulks zal de kerkenraad aangegeven worden.

De kerkelijke tucht zegt, dat de zonden openlijk moeten zijn bedreven en ergernis hebben gegeven. Over iets, wat in het verborgene geschied is en niet bekend is geworden, kan de kerk geen oordeel uitspreken. De zonden die iemand in zijn eigen hart koestert, liggen voor zijn reke¬ning en niet voor rekening van de kerk. De kerk oordeelt alleen over wat in het open-baar bedreven is, of over datgene, wat, in het verbor¬gene bedreven, open-baar geworden is, en als zoodanig ergernis geeft. In het geval van incest is er sprake van primair een verborgen of geheime zonde als de zonde niet bekend is. Het wordt anders als iemand (van buiten de gemeente) een aanklacht bij de kerkenraad indient. De grens tussen geheim of verborgen en openbaar kan verschuiven.
Vooral binnen de Gereformeerde Gemeenten zijn dit bekende begrippen en wordt de kerkelijke tucht, in tegenstelling tot binnen de Nederlandse Her-vormde Kerk, een enkele uitzondering daargelaten, op deze wijze nog toe-gepast. Voor de toepassing van de kerkelijke tucht worden ‘rituelen’ ge-hanteerd, bijvoorbeeld het schuld belijden voor de kerkenraad of in de ere-dienst, die voor de betrokkenen van grote waarde zijn.

8.1 Tucht
De apostelen predikten niet alleen Gods Woord, maar oefenden ook de tucht in de gemeente uit. Zo worden Ananias en Saffira met de dood be-straft (Hand.5: 1-10), Simon de tovenaar uit Samaria wordt eveneens ge-straft (Hand.8) en de tovenaar Elymas (Barjezus) wordt met blindheid ge-slagen (Hand.13). Paulus vermaant de gemeente een incestdader (‘bloed-schender’) te vermanen en na onboetvaardigheid hem met de ban af te snijden. Hij neemt het de gemeente kwalijk dat zij nalatig zijn geweest ten aanzien van deze zondige situatie, die zelfs in de heidenwereld zijn weerga niet kent.
Kortom: De tucht heeft in de eerste plaats de betekenis van een pedagogi-sche functie. Zij beschermt niet alleen de zondaar, maar ook de gemeen-te.

8.2 Toepassing van kerkelijke tucht
Tucht is afgeleid van het woord ‘trekken’. Het gaat om toepas¬sing van het gepredikte Woord in de gemeente, in het hart van het leven van mensen. Zo wordt de persoon¬lijke zielzorg gebonden aan de prediking van het Evan¬gelie. Ze is niet een her¬haling van het gepre¬dikte Woord, Ze is zoeken van de vruchten van de prediking in het hart en in het leven, elkaar bij-staan in de gestal¬tegeving van het antwoord. De incestdader kan wel aan-gesproken worden, maar er hoeft dan geen tucht geoefend te zijn die past bij de omstandigheden. Zo kan er wel sprake zijn van een schuldbe¬lijdenis tegenover de kerkenraad, maar ziet men er niet op toe dat er een werkelij-ke belijdenis van schuld komt naar het in¬cestslacht¬offer. De kerkenraad kan tot bepaalde tuchtmaatregelen overgaan. In de praktijk zal dit ook bij uitzondering in met name de Gereformeerde Gemeenten in Neder¬land en Noord-Amerika gebeuren. De maatregelen bieden de incestdader houvast en de tuchtprocedure kan als ‘stok achter de deur’ fungeren om niet in herhaling te vervallen van het seksueel misbruik. Het ritueel van het schuld belijden, voor de kerkenraad of in de ere¬dienst, kan bevrijdend werken voor de incestdader. Wij maken evenwel de kanttekening dat het beleven en verwerken van de schuld door de incestdader in veel gevallen een an-der is dan het verwerken van het trauma door het incestslachtoffer. Zowel de incestdader als het incestslachtoffer maken doorgaans deel uit van een gezin. De predikant heeft te maken met een ‘multi-problem-family’ waar ieder gezins¬lid eigen trauma’s heeft opgelopen. Als een zonde in de ge-meente bekend wordt kan de kerkenraad een onder¬zoek instellen.
De kerkenraad zal onderzoeken of de aanklager eerst zelf broeder¬lijk zijne roeping heeft gedaan. Heeft de bes¬chul¬diger dat niet gedaan, dan moet hij daarover worden vermaand, en hangt het van den aard van de beschuldi-ging af, of de kerkenraad nu terstond verder gaat met de behan¬deling. Losse geruchten, praatjes, kwaadspreken, moeten geen aan¬leiding geven tot kerkelijke tucht.
Bij de eerste trap wordt de zonde, maar niet de naam van de zondaar in de gemeente bekendgemaakt. In het geval van een incestdader werd ’s zon-dags van de kansel voorgelezen, dat een van de broeders ‘onder de eerste trap van censuur stond, omdat hij tegen het zevende gebod had gezon-digd’. De kerkenraad kan nog een andere maatregel nemen, bij ‘hardnek-kigheid’ bijvoorbeeld, door de zondaar ‘van het Avondmaal des Heeren te houden’.
Incestdaders weigeren nogal eens ‘met de zonde te breken’ en verwerpen hardnekkig de vermaningen van de kerkenraad. De kerkenraad heeft dan kerkor¬delijk het volste recht tot het nemen van deze maatregel.
Bij de tweede trap wordt wel de naam van de zondaar aan de gemeente bekendgemaakt.
De derde trap is de afsnijding van de gemeente met het lezen van het formulier. In de praktijk heeft het gemeentelid dan al de kerk verlaten.

Besluit

Het is een ander boek geworden dan de oorspronkelijke uitgave. Dat kan ook niet anders, want in dit boek is een aantal van mijn ontmoetingen met men-sen, met slachtoffers en met daders, beschreven. In dit boek heb ik de lezer proberen mee te nemen in de stille geheime werelden van slachtoffers, van meisjes als Naömie. Naömie heeft is een gefingeerde persoon in wie ik tal van verhalen heb verwerkt. Alle verhalen samen geven een tragisch beeld van het mythische meisje. Zonder moeite kan in verhalen noemen van meisjes als Naömie. Ik heb veel mannen als oom Henk gesproken. In hem zijn ook verha-len verwerkt die ik heb gehoord. Zonder moeite kan ik verhalen noemen van mannen als om Henk. Ik wil hier mee aangeven dat in onze gebroken wereld en in onze kerken incest en seksueel misbruik niet tot het verleden behoren. De laatste vijftien jaar zijn er nogal wat boeken en artikel verschenen over dit onderwerp en de radio en TV hebben heel wat uitzendingen gemaakt. Het is niet gestopt en ik betwijfel of incest en seksueel misbruik verminderd zijn. Daarom ben ik dankbaar dat ook mijn derde boek over incest bij uitgeverij Groen-Jongbloed uitgekomen is. Ik heb het met dezelfde bewogenheid ge-schreven die ik zo’n twintig jaar geleden had toen ik de opzet voor mijn proef-schrift “Giij zijt die man!” met mijn leermeester praktische theologie, wijlen prof. dr. M.J.G. van der Velden, besprak. Zoals hij mij al die jaren heeft ge-steund, zo hoop ik door middel van mijn colleges en publicaties allen die in de kerk (en daarbuiten) slachtoffers en daders van incest en seksueel misbruik begeleiden tot steun te zijn.

Literatuur

Archer, G.L., Crimes and Punishments in: The Zondervan Pictorial Encyclopedia of the Bible. Vol.I. Grand Rapids Michigan 1978

Beerling, R.F., Een theologische en een wijsgerige benadering van schuld. in: Problemen rondom schuld. Baarn 1973
Bohren, R., Das Problem der Kirchenzucht im Neuen Testament. Zürich 1952.
Bolkenstein, H.M., Het Evangelie naar Marcus. Nijkerk 1985, p.138.
Bonar, A., Leviticus, London 1966.
Boor, W. de, Der Brief des Paulus an die Korinther. Wuppertal 1989
Borst, J.C., Gij zijt die man! Over de pastorale zorg voor incestdaders. (disserta-tie). Uitgeverij Groen, Leiden 1995
Borst, J.C., Temptatio et Gaudium. Bevinding in de orthodox-gereformeerde spi-ritualiteit. KUN Nijmegen 2003
Borst. J.C., Verraden Vertrouwen. Over de pastorale zorg voor incestslachtoffers en incestdaders. Jongbloed, Heerenveen 2004 4e gew. druk
Borst, J.C., Ik kan niet anders! in: Liefdevol oog en open oor. Handboek pasto-raat in de christelijke gemeente. Ed. H.C. van der Meulen. Het Boekencentrum, Zoetermeer 1999
Borst, J.C. 1999, Verraden Vertrouwen in: Liefdevol oog en open oor. Handboek pastoraat in de christelijke gemeente. Ed. H.C. van der Meulen. Het Boeken-centrum, Zoetermeer 1999
Borst, J.C., Gevangen in kwade verleiding. in; Hart en Handen, Bijbelstudies rond politiek en samenleving. Ed, A.L.Th. de Bruije, J. Hoek e.d. Boekencen-trum Zoetermeer 2001
Borst, J.C. en Veer, F. v.d. (red.), Christelijke hulpverlening, ons een zorg? Ede 2005
Borst, J.C., Eens een dief, altijd een dief? Over de pastorale zorg voor gedeti-neerden en hun familieleden. Jongbloed, Heerenveen 1996
Borst, J.C., Botsing en Richting. Over morele dilemma’s in de hulpverlening. CHE, Ede 2000
Borst, J.C., Houd mij vast! Pastoraat in en buiten de gemeente. Navigators Driebergen 2004
Bouwman, H., De kerkelijke Tucht. Kampen 1988
Brillenburg Wurth, G., Schuld en Straf in het licht van de Bijbelse verkondiging. Baarn 1963
Bruggen, J. van, Marcus. Het evangelie volgens Petrus. Kampen 1988
Bruinsma, F., Incesthulpverlening. Utrecht 1994

Calvijn, J., Commentaries on the Four Last Books of Moses arranged in the form of a harmony. Vol.III, Edingburgh 1855
Calvijn, J., De Evangeliën van Mattheüs, Markus en Lukas in onderlinge over-eenstemming gebracht en verklaard, Tweede Deel. Kampen 1892
Calvijn, J., Institutie of onderwijzing in de christelijke godsdienst. (Vert. A.Sizoo) Den Haag 1989. Eerste Deel, Boek II, hoofdstuk VIII
Calvijn, J., Uitlegging op den Zendbrief van Paulus aan de Corinthiërs.
Calvijn, J., Verklaring van de Bijbel. Harmonie van de laatste vier boeken van Mozes. Deel II, Kampen 1985
Castle, E.B., De opvoeding in de klassieke oudheid. Utrecht 1965.
Chill, A., The Mitzvot, the Commandments and their Rationale. Jerusalem 1990
Clorfene, C. and Rogalsky, Y., The Path of the Righteous Gentile,
Contesse, R.P. en Ellington, J., A Translator’s Handbook on Leviticus. N.Y. 1990
Conzelmann, H. en Lindemann, A., Arbeitsbuch zum Neuen Testament. Tübin-gen 1975/1988
Cullberg, J., Moderne Psychiatrie. Baarn 1988

Dessens, P.L., De Heilige Boeken van het Oude Verbond. Vulgaat en Neder-landsche Vertaling met Aantekeningen. ’s Hertogenbosch 1904

Elliger, K., Levitikus 18. in: Zeitschrift für die alttestamentliche Wissenschaft, 1955.

Frenken, J. en Stolk, B. van, Behandeling van incestplegers. Houten / Antwer-pen 1990

Gesenius, W., Handwörterbuch über das Alte Testament. Berlin 1915/1962
Gier, K. de (A), De Dordtse Kerkorde. Houten 1989
Gier, K. de (B), Toelichting op de Dordsche Kerkorde. Houten 1989,
Gispen, W.H., Het Boek Leviticus. Kampen 1950
Golverdingen, M. van, Aandachtspunten en problemen in het pastoraat bij in-cest. lezing voor het GLIAGG op 17-11-1990.
Grosheide, F.W., Wat leert het Nieuwe Testament inzake de tucht. Den Haag 1956.

Heitink, G., Gids voor het pastoraat. Kampen 1983
Heitink, G., Pastoraat als hulpverlening. Kampen 1984
Hendriksen, W., The Gospel of Mark. Edingburgh 1987, p.236.
Holladay, W.L., A Concise Hebrew and Aramaic Lexicon of the Old Testament. Leiden 1971.
Horjus, Y., Pastoraal Theologische scriptie over de tucht in het bijzonder binnen de traditie van het baptisme. (doctoraal scriptie) Utrecht 1994.
Kampen 1972

Keil, C.F. en Delitzsch, F., Commentary on the Old Testament, The Pentateuch, Vol.II. Grand Rapids, Michigan 1980
Kersten, G.H., De tucht in de Kerke Christi. Zeist 1908.
Knijff, H.W. de, Venus aan de leiband. Kampen 1987, p.180.
Knijff, H.W. de, Zonde en schuld: een blik in de geschiedenis, in:
Kok, J., c.s., Incest. Een informatieve en praktische handreiking in bijbels licht. Leiden 1991
Korte, G.J.N. de, Pastoraat als verzoening (diss.). Zoetermeer 1994
Kuiper, P.C., Hoofdsom der Psychiatrie. Utrecht 1975
Kutsch, E., Verpflichtung, in: J.Westermann, Theologisches Handwörterbuch zum Alten Testament. Band I, München 1984

Lieburg, F.A. van, De Nadere Reformatie in Utrecht ten tijde van Voetius Sporen in de gereformeerde kerkeraadsacta. Rotterdam 1989.
Lindijer, C.H., Schuld en pastoraat. Den Haag 1979

Maarsingh, B., Het huwelijk in het Oude Testament. Baarn 1963
Mueller, W.J. en Aniskiewicz, A.S., Psychotherapeutic Intervention in Hysterical Disorders. London 1986

Narramore, B., (B), De waarde van zelfrespect. Apeldoorn 1992
Narramore, B., No Condemnation. Rethinking guilt motivation in counseling, preaching, parenting. Michigan 1984
Niftrik, G.C. van, Kleine Dogmatiek. Nijkerk 1961
Noordzij, A., Levitikus. Kampen 1940
Noth, M.,Das dritte Buch Mose-Leviticus. Göttingen 1962, p.114-117.
P.C.Kuiper, P.C., Neurosenleer. Deventer 1975

Pattison, S., Discipline and Pastoral Care, Hfd.4 in: A Critique of Pastoral Care. London 1993
Pesch, R., Das Markusevangelium, I Teil. Freiburg 1984
Phillips, A., Ancient Israel’s Criminal Law. A New Approach to The Decalogue. Oxford 1970
Pop, F.J., De Eerste Brief van Paulus aan de Corinthiërs. Nijkerk 1978

Rasker, A.J., e.a., Problemen rondom de schuld. Baarn 1973
Ridderbos, H., Paulus. Ontwerp van zijn theologie. Kampen 1978
Roodenburg, H., Onder censuur. (diss.) Hilversum 1990.
Roubos, K., Bijbelse Instellingen in: Bijbels handboek. Deel I
Rushdoony, R.J., The Institutes of Biblical Law. The Presbyterian and Reformed Publishing Company 1973

Sander, M.N. Ph., en Trenel, M.I., Dictionaire Hébreu-Français. Paris 1965
Schegget, G.H. ter, Het innigst engagement. Het Onze Vader als zucht. Baarn 1991
Selderhuis, H.J., Huwelijk en Echtscheiding bij Martin Bucer. (diss.) Leiden 1994
Silbermann, A.M. (ed.), Pentateuch with Rashi’s Commentary. Jerusalem 5733/1932, Vol III

Ubbink, G., Het zondebegrip in de synoptische evangeliën (diss.). Amsterdam 1939
Ursinus, Z., Het Schatboek der Verklaringen van de Heidelbergse Catechismus deel 2. Leiden 1630/Houten 1989

Vaux, R. de, Hoe het Oude Israël leefde deel I. Utrecht 1978
Velden, M.J.G. van der, Actueel pastoraat, over de verhouding van prediking en zielzorg in: Actueel Evangelie bijdragen van vrienden aangeboden aan Dr.S.Meijers. Leiden 1990
Velden, M.J.G. van der, Wat is pastoraat ? in: Werkboek voor predikanten. Den Haag 1984
Velden, M.J.G. vander, Schuld en liturgie, in: Kontekstueel. 2/92
Vonk, C., De Voorzeide Leer. Barendrecht 1963
Vredenburg, J., DE THORA met Nederlandse Vertaling en Verklaringen. Amster-dam z.j.
Vriezen, Th.C., Hoofdlijnen der Theologie van het Oude Testament. Wagenin-gen 1949/1987

Zijlstra, W., Op zoek naar een nieuwe horizon. Nijkerk 1989
Zuidema, W., En God sprak tot Noach en zijn zonen, een joodse code voor niet-Joden? Baarn 1991

Prof. dr. J.C. Borst, M.A. is predikant (PKN), docent aan de PABO van de Chris-telijke Hogeschool Ede en hoogleraar praktische theologie aan de Evangelisch Theologische Faculteit in Leuven. Dominee Borst was o.a. tien jaar gevange-nispredikant in Rotterdam en Zutphen, diende de gemeente Apeldoorn en sinds 1998 parttime de gemeente Welsum.