Veur de preek juli 2019

Er zijn van die ontmoetingen die je bij blijven, zoals de gesprekken met de oude Jacob, die zich vaak – net als aartsvader Jacob – een zwerver voelde. Ik heb hem leren kennen in een bakhuisje bij een grote oude boerderij. Hij was niet meer van de kerk, dat had zijn schoondochter mij telefonisch laten weten. Maar als ik langs wilde komen, moest ik het zelf weten.

De schoondochter vertelde me dat hij wel doof was en vaak hetzelfde vertelde, maar hij begreep alles nog. Eigenlijk, zo wilde ze mij doen inzien, hoorde hij in een tehuis, maar ze wilde het nog even aankijken, want de zorg kwam wel op haar neer! ’s Morgens kwam er een zuster van de thuiszorg om hem te wassen en hem daarna in de stoel aan de keukentafel bij het raam te zetten. ’s Avonds kwam er een andere zuster om hem in bed te stoppen. Neen, de schoondochter had wel hulp, ze wilde zeker niet klagen. ’t Was meer haar schoonvader, die nooit tevreden was.

Verder hoefde ik niet bij haar op de boerderij te komen. En zeker niet bij haar man. Ze hadden zich laten uitschrijven. Wel acceptgiro’s van de kerk, maar geen bezoek, neen daar deden ze niet meer aan mee. Nu, de dominee wist nu hoe wel het in elkaar stak.

Op een morgen ging ik kennis maken en reed naar de boerderij, liep naar het bakhuisje, zag geen bel, deed de deur open, en stond meteen in de keuken, die ook slaapkamer was. De oude Jacob zat aan de keukentafel en zei: “U bent de dominee?” Hij knikte me vriendelijk toe. “Mijn schoondochter vertelde mij dat u eens langs zou komen, maar zo snel….” Hij maakte een gebaar met zijn hand en zei: “Gaat u zitten…” Ik ging bij hem aan de keukentafel zitten.

Hij stak meteen van wal en vertelde over de boerderij en hij wees door het raampje naar de stal: “Heeft mijn opa nog gebouwd!” Hij vertelde over zijn vader die al vroeg was overleden, op zijn 19e al boer was, neen doorleren was er niet bij, en over zijn moeder die alleen met vijf jonge kinderen en een boerderij achter bleef.

Hij vertelde verder over zijn vrouw, met wie hij 57 jaar getrouwd was geweest. Hoe goed ze het samen hadden gehad en hoe stil het nu was… “Dat is ze!” En hij wees naar een foto op de TV. “Ik ben nu al weer vijf jaar alleen. ’t Went nooit!” Toen vertelde hij over de zuster van de morgen en de zuster van de avond…

En over de maaltijden in de vriezer die hij zelf opwarmde in een koekenpan… Hij sprak niet over zijn schoondochter of zoon. Wel zei hij dat hij niet meer op de boerderij kwam. Voorzichtig zei ik: “U woont hier in het bakhuisje. Uw zoon en schoondochter wonen…?” Meteen was hij stil en keek me strak aan. “Dat is beter voor hen en voor mij!”

Wat een verhaal, een verdriet, achter een paar woorden. “Het zit niet goed en dat komt niet goed… Maar ik heb m’n geloof…” En hij noemde als voorbeeld de verlamde man, die door vier vrienden bij Jezus werd gebracht. Niet door de deur, maar door het dak.

Op zijn tafel lag een dikke stukgelezen Bijbel. “Dat is onze trouwbijbel! Ik lees iedere dag een stukje…” Hij kreeg tranen in zijn ogen. “Zou u nog eens willen lezen? Als de dominee het leest is het zo mooi. Dat verhaal over die verlamde man …?” Ik pakte de grote Bijbel. Keek even voorin. Ik zag de rouwkaart van zijn vrouw en hun trouwtekst: “Ik en mijn huis zullen de Heere dienen.” Ik las het verhaal over de vier vrienden die een vijfde, verlamd op een matras, bij Jezus brachten.

Daarna hebben we samen gebeden. Gewoon aan God verteld dat het leven mooi is, maar ook moeilijk. Dat er veel om te danken is, maar als je op je einde moet wachten aan een keukentafel in een bakhuisje met een koude oorlog naast de deur, dat het dan ook niet altijd meevalt.

Een paar maanden later vertelde ik in de aula van de begraafplaats, na een CD van een streekzanger en Vivaldi’s ‘Vier Jaargetijden’, over de verlamde man, die bij Jezus werd gebracht. Zijn vier vrienden lieten hem aan vier touwen zakken door het dak tot aan de voeten van de Heiland… Ik vertelde ook, dat hun vader, de oude Jacob, dit zo’n mooi verhaal had gevonden. Dat het verhaal betekent, dat Jezus niet kijkt langs welk kerkelijk pad of via welke richting mensen tot Hem komen, maar dat Hij kijkt naar de mens, het hart van de mens.

De zoon zat op de eerste rij en zat aandachtig te luisteren. En toen de organist aan het einde van de dienst “Heer wees mijn Gids” speelde, kreeg hij het ineens te kwaad. Na mijn overdenking in de aula liepen we achter de kist naar het graf, waar vier bejaarde dragers de kist aan vier touwen lieten zakken in de aarde, aan Jezus’ voeten, zoals ook in het verhaal staat…

Er zijn van die ontmoetingen die je bij blijven.