Hoofdstuk 3 Bevindelijk-gereformeerde spiritualiteit (inhoud)

De bevinding zélf kan ook een bevindelijk theoloog niet meten, natuurlijk. Gelukkig ook maar. Als je ’t dan ook maar niet suggereert (C. Blenk, emeritus N.H. predikant)!

1. Inleiding

Bevinding is de omgang met de Heere God en de ervaring van mijn geloof. (Vera)

Wat ik soms een beetje mis is dat er vanuit de opleiding (SPH, red.) niet echt aandacht is voor je persoonlijke beleving en overtuigingen. Anders geloven, betekent namelijk niet: minder geloven (E.F.)

Ja, ik ervaar dat de Heere God mijn leven leidt. Als voorbeeld noem ik mijn vriend, die ik heb leren kennen in het dorp waar ik nu woon. Ik heb gebeden om een vriendschap en ik ervaar dat mijn gebed is verhoord. Ik heb ook troost en steun ervaren bij het ziekbed en sterven van mijn moeder. Ik was 14 jaar toen zij overleed. (Vera)

In dit hoofdstuk wordt de inhoud van bevindelijk-gereformeerde spiritualiteit besproken. In het volgend hoofdstuk wordt de vorm besproken. De inhoud van bevindelijk-gereformeerde spiritualiteit noemen we ook wel de ‘gestalte’ en in de vorm van bevindelijk-gereformeerde spiritualiteit wordt wel onderscheiden tussen de binnenhorizon respectievelijk buitenhorizon. In dit onderzoek hanteer ik de tweedeling inhoud en vorm.
Een van de vormen van christelijke spiritualiteit, namelijk de bevindelijk-gereformeerde spiritualiteit, wordt verder uitgewerkt. Ik maak weer gebruik van citaten uit interviews met bevindelijk-gereformeerde (oud) studenten van de afdeling SPH van de CHE. We exploreren verder het begrip bevinding. Wat is bevinding? Er zijn verschillende definities. Er zijn ook verschillende karikaturen. Op karikaturale omschrijvingen van bevindelijk-gereformeerden wil ik niet ingaan. Niet zelden getuigt het gebruik van karikaturen van onvoldoende of geen kennis en het ongecensureerd toepassen van opborrelende vooroordelen. Tijdens mijn onderzoek heb ik er genoeg gehoord: Bevindelijk-gereformeerden zouden wereldvreemd zijn, per definitie neerslachtig, alleen relaties aangaan binnen eigen kerk, de vrouwen zouden onderdrukt worden, de predikanten zouden over de mensen heen walsen met hun leer. Ik heb deze geluiden voornamelijk gehoord van mensen die eens tot een bevindelijk-gereformeerde geloofsgemeenschap behoorden, maar daaruit zijn weggegaan, en van mensen die zich nauwelijks verdiept hadden in deze kerken.
Een aantal studenten van de CHE heeft mij meer inzicht gegeven in het verschijnsel bevinding en bevindelijk geloven. Door hun geloofsverhalen aangesproken en niet zelden geraakt, ben ik mij meer gaan verdiepen naar de betekenis van de geloofswoorden en geloofsverhalen van bevindelijk-gereformeerde studenten. Zij schonken mij hun vertrouwen door openhartig te vertellen over hun “verborgen omgang” met God. Op grond van de interviews met studenten en enkele deskundigen op het gebied van reformatorische spiritualiteit ben ik tot een voorlopige werkdefinitie gekomen. Daarbij ben ik uitgegaan van enkele kernbegrippen die ik in vrijwel iedere definitie beluisterde. Centraal in bijna alle interviews staan de woorden “ervaring” en “relatie”. Ik heb deze woorden of hun synoniemen verwerkt in de definitie. Deze definitie heeft haar wortels in de algemene definitie van christelijke spiritualiteit, die ook de twee kernwoorden “ervaring” en “relatie” bevat en die in het tweede hoofdstuk is behandeld:

Christelijke spiritualiteit is de doorleefde omgang met God, de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, die gestalte krijgt in mijn persoonlijk leven en in mijn omgang met medemensen.

De voorlopige werkdefinitie van bevindelijk-gereformeerde spiritualiteit luidt:

Bevinding is de aangevochten en beproefd gebleken geloofsomgang met de Here God en de ervaring van mijn geloof.

Het onderzoek heeft een persoonlijke kleur. Dat kan ook niet anders, want als onderzoeker voel ik mij verwant met en behoor ik tot de ‘behoudende’ confessioneel-gereformeerde stro¬ming binnen de gereformeerde ge¬zindte. Dat maakte het mogelijk in dialogische kwalitatieve inter¬views de geïnterviewden als ‘mede-onderzoekers’ te zien. Het werden ‘partici¬patieve in¬terviews’. Daarmee is in beginsel voldaan aan de eis tot morele verant¬woor¬delijkheid.
Ik bespreek in dit hoofdstuk de gestalte van bevindelijk-gereformeerde spiritualiteit aan de hand van de vier eerder besproken kenmerken (zie hoofdstuk 2): 1. Contemplatief bewustzijn, 2. gemeenschap, 3. bronnen van spiritualiteit en 4. handelen vanuit spiritualiteit. Vervolgens ga ik verder in op de relatie tussen God en mens bij bevindelijk-gereformeerden, die zich onder andere uit in het verbond. Vervolgens beschrijf ik de voornaamste kernwoorden van bevindelijk-gereformeerde spiritualiteit zoals die door gelovigen beleefd worden, met name wedergeboorte en bekering.

2. Gestalte van bevindelijk-gereformeerde spiritualiteit

De omgang met de Here God is goed. Ik doe dit door te bidden en bijbel te lezen. Ik weet dat ik christen ben en ik twijfel niet over zijn bestaan (Wietske)

Ik zie God als mijn Leidsman, Koning en als Iemand die naar mij luistert en mij neemt zoals ik ben. Als ik dingen moeilijk vind bespreek ik die met God en dit voelt goed. Ik voel me wel eens onzeker als ik naar andere mensen kijk die hun omgang met God goed kunnen verwoorden. Maar als ik daarvoor bid laat God mij zien dat ik net zoveel waard ben als die mensen. (Lydia)

Een van de geïnterviewden, ‘Vera’, heeft mij de eerder genoemde werkdefinitie aangereikt, Bevinding is de omgang met de Heere God en de ervaring van mijn geloof. Ik heb voor deze definitie steun bij collega–theologen en theologiestudenten gevonden, allen behorend tot de orthodox-ge¬reformeerde i.c. bevindelijk-gereformeerde gezindte. Deze definitie werd breed ondersteund door eigen definities c.q. definities die bovengenoemde kernwoorden bevatten.
Het woord ‘bevinding’ is geen alledaags woord en ik vroeg me af waar het vandaan komt. Het woord “bevinding” komt in de bijbel uitsluitend voor in Romeinen 5:4, en dan alleen in de Statenvertaling. Het werkwoord zou uit het Grieks kunnen worden vertaald met “toetsen”. De afgeleide substantiefvorm krijgt dan de betekenis van “toetsing”, “goedkeuring”, “beproefdheid”. De Vulgata geeft het woord “bevinding” weer met “probatio”, terwijl Luther het vertaalt met “Erfahrung”. De reeks in Romeinen 5:3-5 geeft een stringente opgaande lijn aan: de verdrukking bewerkstelligt volharding, de volharding bewerkstelligt dat de toets wordt doorstaan en dat bewerkstelligt hoop en die hoop beschaamt niet, omdat de liefde van God is uitgestort in onze harten door de Heilige Geest die ons gegeven is.
Het reformatorisch geestelijk leven heeft altijd een onmiskenbaar zielkundige inslag gehad. In de beroeringen en roerselen der ziel heeft zich het geestelijk leven van deze periode duidelijk verindividualiseerd. De omgang van de gelovige mens met God is niet openbaar. De gelovige kan alleen over dit geheimenis of mysterie spreken, als woorden niet tekort schieten. In de Reformatie sprak men over het geheimenis of mysterie van de mens als geestelijk wezen in zijn relatie met God. Hiermee wordt bedoeld de geheel eigen wonderlijk en tere spiritualiteit, het persoonlijk geestelijk leven van de reformatorische christenen, van hun ascese in de wereld en hun puritanisme ten aanzien van het leven. Het is opvallend hoe in de hedendaagse publicaties over christelijke spiritualiteit weer gesproken wordt over dit ‘geheimenis’. Van der Meulen haalt in dit verband het verhaal van de Emmaüsgangers aan en zegt: Wie meeloop, echt luistert en stilstaat wat op het hart ligt, zal ook de gelegenheid krijgen, waarin de betekenis van de Schrift mag worden ontsloten (Lucas 24: 25-27). In zijn dissertatie gaat Douma uitvoerig in op de functie van de pastor als mystagoog. In een bundel van Blommestein werkt hij dat verder uit. In de mystagogie gaat het vooral om concrete hulp bij het gaan van de spirituele weg: de pastor is de ander behulpzaam bij het zoeken en vinden van de ervaring van Gods oneindige nabijheid.

2.1 Contemplatief bewustzijn, een unieke weg

Bevinding is in mijn hart voelen dat wat God zegt in Zijn Woord ook voor mij van toepassing is. Bevinding wordt volgens mij ook wel omschreven als het ervaren dat de Heere in je werkt, zodat je de vruchten van bekering aan iemand kunt zien. Toch denk ik dat dit moeilijk is om zo te zien als je er zelf middenin zit. (Rebekka)

Bevinding komt op uit de Schriften en is de gelovige bevestiging van de gemeenschap met en kennis van God in Christus, door de Heilige Geest, die getoetst wordt in het concrete leven, onder strijd en aanvechting en die consequenties heeft voor het leven in deze wereld (P. Buitelaar).

De gelovige is zich bewust van de werking van God in het leven door de Heilige Geest. Dit bewustzijn kan verschillende vormen aannemen. De gelovige denkt, voelt of ervaart dat God spreekt. God kan spreken in de stilte, door middel van het Woord in de kerk, de klank van een orgel, een lichtstraal in de slaapkamer. Ik heb vele voorbeelden gehoord van vormen of wijzen van Gods spreken tot de mens. Reeds in de Nadere Reformatie lag de hoofdkleur van het palet van de spiritualiteit in het innerlijke, diepdoorleefde, mystieke en bevindelijke van het leven des geloofs.

Ik ga met hem om als een Vader, maar ook een soort trooster. Ik vraag hem veel dingen, en zoek troost bij Hem op momenten dat ik het moeilijk heb. Tja ik ga er wel vrij mee om, en heb ook mijn ups en downs. De ene keer merk ik dat ik veel meer met God leef, dan de andere keer. Maar vaak als ik zonder Hem probeer te leven ga ik me wel ontzettend rot voelen (Debora).

De Heere heeft veel tot mij in de kerkdiensten gesproken. God heeft tegen mij gezegd dat er een weg is tot Hem en dat mijn zonden vergeven kunnen worden. (Lydia)

Het begrip ‘bevinding’ is gekleurd door de Nadere Reformatie die een smallere en verinnerlijkte versie is van de calvinistische reformatie, terwijl het begrip ‘spiritualiteit’ in onze tijd vaak een bredere betekenis heeft en niet alleen op het christendom betrekking hoeft te hebben. In dit boek kies ik voor een combinatie van beide begrippen. Het begrip ‘bevinding’ is een vertrouwd begrip in de orthodox-gereformeerde gezindte. De pietas is de innerlijke houding van de gelovige, de gestalte van het hart, als vrucht van de kennis van God en de kennis van zichzelf. Ik sluit met deze begripsbepaling aan bij Johannes Calvijn (1509-1564). Calvijns verstaan van het Woord en het werk van de Geest, en in het licht hiervan zijn visie op de objectieve en subjectieve factoren in het kennen van God, is bepalend voor zijn spiritualiteit. De ervaren of geleefde bevindelijk-gereformeerde spiritualiteit gaat gepaard met aanvechting en vreugde, temptatio et gaudium. Het groeien in een heilig leven bestaat uit bekering, die volgens Calvijn voortkomt uit “een oprechte en ernstige vreze Gods” en die bestaat in “de doding van ons vlees en de oude mens”, mortificatio, en “in levendmaking des geestes”, vivificatio. De Heidelbergse Catechismus spreekt in dit verband van “de afsterving van de oude mens” en “de opstanding van de nieuwe mens”.

De Heere spreek tot mij door de preek of soms door een psalm wat we zingen. Ook wel door orgelspel. Soms ook door een zonnestraal die door het raam naar binnen straalt, als weerspiegeling van Gods beloften en trouw. (Hanna)

Mijn gebedsleven bestaat vooral hieruit dat ik mijn vragen/problemen aan de Heere voorleg en Hem vraag of Hij mij hierbij wil helpen. In de eerst plaats dan vooral of Hij ook aan mij die bekering wil schenken en daarna om de tijdelijke dingen. Ook vraag ik Hem of Hij mij eens wil maken met de weg die Hij voor mij besloten heeft. (Rispa)

In de kern van het christelijk geloof schuilt de gedachte dat mensen, hoe eindig, zwak en zondig ze ook zijn, een relatie met de levende God kunnen hebben. Bevindelijk-gereformeerden zien de relatie tussen God en mens primair als een zaak van innerlijke bevindingen. Het gaat om een zuivere relatie met God. Voor bevindelijk gereformeerden is het niet genoeg gelovig christen genoemd te worden en de christelijke dogma’s te onderschrijven. Het geloof voor de bevindelijk-gereformeerden moet een persoonlijke en levende werkelijkheid worden. Zij moeten de leer ‘bevinden’ en in ‘in het hart ervaren’, voordat ze God en hun naaste lief kunnen hebben, en voordat ze op vergeving van zonden en een eeuwig leven mogen hopen.

Ik kan er ook verdriet over hebben als ik mij te weinig kan richten op God. Bidden is voor mij in de eerste plaats mijn leven voorleggen aan God en ook zijn Zegen over mijn activiteiten vragen. In het bidden ervaar ik duidelijk dus bergen en dalen. Toch kan ik ook bidden als ik niet echt ervaar dat God aanwezig is. Dit komt doordat ik ook echt geloof dat God bestaat. (Esther)

Het bevindelijke geloofsleven wordt gekenmerkt door een sterk verlangen en de zekerheid om tijdens het aardse leven reeds zicht te hebben op het leven bij God in het Hemels Paradijs. Het verkrijgen van deze zekerheid is niet gebaseerd op rationeel inzicht en zelfs niet op geloven alleen. Een zaligmakend en waarachtig geloof wordt door de Here God Zelf, via de Heilige Geest, in het hart van de mens gelegd die het als waar ervaart. Het geloof kan dus alleen door de Here God aan de mens gegeven worden. De grootste geloofsvraag van de bevindelijke gelovige is dan ook: wanneer is Gods Geest in mij aan het werk? Deze “innerlijke omgang” speelt zich doorgaans in het verborgene van het leven af en wordt gekenmerkt door liefde voor de Here. Er is ook in bevindelijke kringen een verschil tussen de levenswijze die door liefde wordt bepaald en een bestaan dat door zelfbetrokkenheid wordt gekenmerkt. Bij bevinding, de zuivere omgang met God, is er sprake van onbaatzuchtige liefde (1 Kor. 13). Bij bevindelijkheid verwijst de christen uiteindelijk naar zichzelf en niet naar Christus. Het verschil tussen bevinding en bevindelijkheid kan ook worden omschreven als een leven dat zich richt op de dood als omvorming in heerlijkheid en een bestaan dat verstrikt raakt in de doodsdrift. In de relatie tussen God en mens worden alle theologische noties en loci bevindelijk ver¬staan en ingevuld. Er brandt bevindelijk vuur in. Men moet ze persoonlijk en existentieel, onder inwijding en inleiding van de Heilige Geest, uit eigen diepe doorleving en doorvoe¬ling kennen (2 Tim.3:16,17). Noodzakelijk is een radicale ommekeer voor ieder mens: wedergeboorte en voortdurende bekering. Dit benadrukken van bevinding, wedergeboorte en bekering veroorzaakt een fundamentele kloof met andere gereformeerden (zij die in het spoor van A.Kuyper traden): bij bevindelijk-gereformeerden worden de gedoopte gemeenteleden geacht on¬bekeerd te zijn.
De bevindelijk-gereformeerden willen voortgaan in het spoor van de Dordtse vaderen. Vooral de Dordtse Leerregels uit 1618/19 zijn de basis voor hun bevindelijk spreken en doorleven.

2.1.1 Drie-eenheid

Zijn nabijheid geeft me troost en rust om weer verder te kunnen. Het contact met God is voor mij nooit beangstigend. Wel kan ik mij heel klein voelen. Zeker op die momenten dat ik besef dat ik, als zondig persoon, tegenover de grote heilige God sta. (Esther)

Mijn omgang met de Here God zou ik omschrijven als heel dichtbij en heel ‘natuurlijk’. Hiermee bedoel ik dat dit in mijn dagelijks leven is verweven. Hij is mijn Vader in de hemel maar daardoor is Hij niet ver weg. Mijn relatie met Hem is niet zoals ik die met een vriend heb. God is heilig en staat hierdoor ook ‘boven’ mij, wat betekend in mijn leven dat Hij almachtig is. Omdat ik Zijn kind ben kan ik altijd bij Hem terecht en probeer ik ook te leven zoals Hij dat van mij vraagt. (Abigaïl)

Volgens de bevindelijk-gereformeerde leer, in aansluiting bij de klassiek-christelijke traditie bestaat God uit drie Goddelijke Personen, de Heilige Drie-eenheid: God, de Hemelse Vader, God, Zijn Zoon en God, de Heilige Geest. Alle drie zijn ze God, even goddelijk en niet los van elkaar te zien. Zij kunnen toch zelfstandig handelen. De kern van het geloof wordt gevormd door het leven, lijden en sterven van de Here Jezus. Toen Adam en Eva Gods gebod hebben overtreden, kregen zij daarvoor als straf de eeuwige dood. Dit betekende dat het leven van de mens eindig zou worden en dat de mens zou sterven. Het betekende vooral dat de band tussen God en mens verbroken was en dat mensen vanuit zichzelf deze breuk nooit ongedaan zouden kunnen maken. De Here Jezus werd als Redder en Verlosser door God de Vader vanuit de hemel naar de aarde gezonden om die breuk te herstellen. Dat kon alleen doordat Hij Zelf heeft geleden en is gestorven. Zijn opstanding uit de dood betekende een overwinning op de dood, een herstel van de breuk en een geopende weg naar het Hemels Paradijs. In bevindelijke kring wordt de Here Jezus wel genoemd: “De Held bij Wien hulpe besteld is”. De gemeenschap tussen God en Adam vóór de zondeval wordt in de gereformeerde theologie gewoonlijk werkverbond genoemd ter onderscheiding van het genadeverbond na de zondeval.

Discussie
Op welke wijze komt de SPH-er nu deze “Contemplative awareness” tegen? Ik denk in de eerste plaats in zijn eigen leven als gelovige. Niet alleen uit de interviews, maar ook in de trainingen pastorale counseling of in een keuzevak als “Spiritualiteit en Hulpverlening” of in de onderzoeken van het lectoraat, o.a. “Beschouw met mijn ogen”, blijkt dat het overgrote deel van de studenten ervaren dat de Here hun leven leidt. Een grote groep studenten voelt zich geroepen tot dit werk. Hun studie voor het beroep van SPH-er is een antwoord op die roeping. Vanuit hun eigen spiritualiteit ontmoeten ze cliënten in het SPH – veld. Ze kijken naar deze mensen, vaak mensen met een moeizame socialisatie met als gevolg talloze littekens, als mensen die iets is overkomen en die hulp nodig hebben. Om die hulp te kunnen geven bereiden zij zich niet alleen voor door middel van hun studie, maar ook in hun omgang met God. Vele studenten spreken openlijk over hun gebedsleven waar cliënten een plaats in hebben. Op de vraag op welke wijze zij Gods aanwezigheid ervaren, gaven zij verschillende antwoorden. Zij ervaren God niet alleen in de kerk, maar zeker ook in hun dagelijks leven in de ontmoetingen met mensen. Zij zijn zich bewust dat een ontmoeting zelden ‘toevallig’ is en dat in een ontmoeting veelal een opdracht besloten ligt. Vanuit die ervaring zijn er nogal wat studenten die in hun vrije tijd, vakantie of na hun studie een deel van hun leven inzetten in projecten van zending of evangelisatie.

2.2 Gemeenschap, een unieke relatie
Bevindelijk-gereformeerden vormen een deel van de christelijke kerk, dat teruggaat op de Nadere Reformatie in de traditie van Calvijn en de verwerking daarvan in de Nadere Reformatie. De gelovigen vormen hechte gemeenten die ’s zondags trouw twee maal samenkomen, soms ook door de week, in kleine, grote of zeer grote ge¬meenten. Onder bevindelijk-gereformeerden is die groep te verstaan die zich onderscheidt van de orthodoxe en de moderne gereformeerden. De orthodox gereformeerden, zoals bijvoorbeeld de vrijgemaakt gereformeerden, zijn wel orthodox in de leer maar kennen de bevinding niet, althans, worden geacht die niet te kennen. De moderne gereformeerden kennen noch de orthodoxe leer noch de bevinding. Het valt buiten het kader van dit boek uitgebreid in te gaan op de verschillende orthodox-gereformeerde kerkgenootschappen. De bevindelijk-gereformeerden met ca. 250.000 gelovigen vormen een minderheid binnen de protestantse kerken. Het belangrijkste zelfstandig kerkgenootschap binnen de bevindelijk-gereformeerde kerken, de Gereformeerde Gemeenten in Nederland en Noord-Amerika, houdt vast aan het absolute gezag van de Bijbel op alle terreinen van het leven. Ook heeft men de gereformeerde belijdenis. Deze ligt vast in de zogenoemde Drie Formulieren van Enigheid. Daarnaast oriënteert men zich sterk op de theologie uit de tijd van de Nadere Reformatie. In de leer en de prediking van de Gereformeerde Gemeenten en de aanverwante kerken worden de volgende zaken benadrukt: het gezag van de Bijbel: de Bijbel is van ‘kaft tot kaft’ Gods onfeilbare woord; de onbekwaamheid van de mens om tot Gods eer te leven; daaruit voortvloeiend de noodzaak van wedergeboorte en bekering en persoonlijk geloof in Christus; de weg waarin de Heilige Geest deze zaken werkt, en hoe de gelovige dit persoonlijk beleeft, de bevindelijk-gereformeerde spiritualiteit; het leven in Christus: de christen ervaart zichzelf steeds meer als nietig en onwaardig, en ziet van daaruit steeds meer heerlijkheid in God en Christus.

Soms probeert God me wakker te schudden waar ik nu weer mee bezig ben. Soms is Hij ook erg bemoedigend. (Joëlle)

Ik denk dat God door middel van Zijn Woord aan ons duidelijk wil maken wat Hij bedoelt. De Heilige schrift spreekt tot mij doordat ik bepaalde stukjes uit de Bijbel op mijzelf betrek en daar over na ga denken. Ik vind het verrassend dat ik telkens weer nieuwe stukjes ontdek waar zoveel moois in staat. (Lydia)

Op welke wijze kan de gelovige enige zekerheid krijgen? Vaak wordt de persoonlijke beleving genoemd van de uitwerking van het Woord Gods. Het Woord bestaat in wet en evangelie. Nadrukkelijk wordt ook de wet genoemd als een voorbereidende stap het evangelie te verstaan. De verhouding tussen wet en evangelie is heilsordelijk. De Heilige Geest werkt door middel van wet kennis van zonden, verslagenheid des harten en wanhoop uit. Door middel van het evangelie brengt de Heilige Geest een zondaar tot de kennis van Christus en tot geloof. Door het geloof eigent men zich Christus en al Zijn weldaden persoonlijk toe. Zo ontstaat er vrede en blijdschap. De zonde wordt gehaat. Het geloofsleven blijft evenwel een aangevochten zaak. Indien de gelovige zich wedergeboren weet, uit welke kenmerken blijkt dat dan? Het antwoord ligt in de Zaligsprekingen (Matt. 5), waarin verschillende kenmerken van een christen genoemd worden: een christen is arm van geest, een christen treurt, een christen is zachtmoedig, een christen dorst naar gerechtigheid, hij is barmhartig, hij is rein van hart, hij is vreedzaam, hij wordt vervolgd omwille van de gerechtigheid, mensen smaden en vervolgen en spreken liegende alle kwaad (Vlastuin 1993, p.24).

2.2.1 Het verbond

Ik geloof in God als mijn schepper. Hij heeft een doel met ieder mens en dus ook met mij. Dat doel hebben we misgelopen omdat we zondigen en een zondig hart hebben. God houdt zoveel van ons en dus ook van mij dat Hij mij weer tot dat doel wil brengen. Daarvoor moest eerst Zijn Zoon sterven en ik geloof in Hem. Hij wil mij nu heiligen en weer tot dat doel brengen waarvoor ik ben geschapen. Hij leert mij weer Hem groot te maken en mijn leven op Hem te richten. Dit is door diepe liefdesrelatie die God met mij wilde aangaan. God is de eerste in mijn leven en ik bid of Hij dat altijd zal blijven en dat er niemand tussen zal komen (Janine).

Het Verbond is ook een waarlijk persoonlijke gemeenschap, wijl het den mensch in den mensch, het hart, den persoon, bindt aan den levenden God met een liefde sterker dan de dood, met een vertrouwen, waaraan alle ander vertrouwen niet meeris dan een beeld, met een geloof, dat alles van God durft verwachten, want Hij is de Heere, die geeft, wat Hij belooft (Van der Zanden: 120).

Het gereformeerd protestantisme en dus ook bevindelijk-gereformeerden hechten grote betekenis aan het verbond voor het geloofsleven. De verhouding tussen God en mens is een verbondsverhouding. We spreken van twee vormen van verbond tussen God en mens. De gemeenschap tussen God en mens voor de zondeval wordt in de gereformeerde theologie gewoonlijk werkverbond genoemd ter onderscheiding van het genadeverbond na de zondeval en vooral met het oog op het proefgebod, waaraan Adam moest gehoorzamen (Van der Zanden: 37). Het verbond is door de mens verbroken. Wanneer God met de mens verzoend wil worden, moet Hij zich opnieuw aan de mens openbaren. We spreken dan van het genadeverbond. Dit verbond van de herschepping is gegeven in de Middelaar Jezus Christus. Hij is Immanuël, God-met-ons (Jes. 7:14). Zowel de afstand als de ethische scheiding tussen God en mens is door Christus opgeheven. Een openbaringsgeschiedenis van eeuwen komt in Hem tot haar doel: Hij is de beloofde en verwachte Messias (Van der Zanden: 59).

2.2.2 Twee stromingen over het verbond

Ik denk dat God mensen uitverkoren heeft die bij hem mogen horen voor altijd. Ik weet niet of ik daarbij hoor. Dit maakt mij soms bang. Ik denk dat het voor iedereen kan en dat God geen onderscheid maakt in mensen. Ieder kan zalig worden en tot God komen. (Lydia)

Toen ik de stap nam om echt te gaan geloven heb ik hier bewust niet bij stil gestaan. Nu zie ik het juist als heel fijn en positief. Ik ben geen Christen op grond van mijn eigen daden en persoon, maar omdat God mij heeft uitgekozen. Ik vind het heel erg dat zo veel mensen die ik ken bij ons in de gemeente hier bij blijven “hangen”. Ook mijn moeder, zij durven niet te geloven dat ze “echt” bekeerd zijn, omdat ze te slecht zijn. Ik geloof dat we God kunnen houden aan Zijn belofte. Zijn belofte is dat als we God oprecht aanroepen, Hij ons zal redden, dat is juist zo mooi, Hij doet het en Hij wil het! (Mirjam)

Vaagt u wat een gelovige allemaal op God moet verlaten en wentelen? Ik antwoord: Dat is nogal wat, maar we kunnen die vraag toch met één woord beantwoorden, namelijk: alles!

Binnen de gereformeerde gezindte zijn twee stromingen te onderscheiden. De bevindelijke stroming met haar nadruk op de verkiezing, de orthodoxe stroming met haar accent op het verbond. Beide stromingen opereren in een beslotenheid en verzuiling. Daarnaast is er de modern-gereformeerde stroming, maar deze stroming wordt door de overige gereformeerden nauwelijks meer als gereformeerd erkend. Bij Calvijn horen ‘dicht bij God leven in de meest concrete werkelijkheid’ en predestinatie¬leer dicht bij elkaar. Verkiezing is begenadigd leven. Dit aspect geeft aan Calvijns spiritua¬liteit een enigszins elitair karakter. Verkiezing heeft een positieve betekenis. Ze wil zeggen, dat zo met God leven een begenadigd, een gezegend leven is. Volgens Augustinus zijn we van het begin tot het einde van ons leven totaal van God afhankelijk voor onze verlossing. Een van zijn meest geliefde bijbelteksten is: Zonder Mij kunt gij niets doen (Joh.15:5). Een genade en zegen pro¬duceren wij niet zelf, maar die ontvangen wij.
Kortom: Voor bevindelijk-gereformeerden geldt als hèt kenmerk de ‘bevinding’ met een grote nadruk op Gods uitverkiezing.

2.2.3 Uitverkiezing of verbond

Zonder er iets van af te doen dat wij tot Gods verbond behoren, zal in de prediking moeten doorklinken dat er twee soorten kinderen van dat ene verbond zijn; wedergeboren mensen en niet-wedergeboren mensen. De huiver hiervan moet worden gevoeld. Het is geen van¬zelfsprekende zaak als mensen wel geloven. Het is een groot gevaar als de prediking de in-druk wekt dat ieder reeds gelovig en wedergeboren is. Wedergeboorte is een machtig won¬der van de Heilige Geest. Niet ieder serieuze kerkganger heeft deel aan Christus. De duivel gelooft zelfs in God en siddert, maar deelt niet in de verzoening van de Zaligmaker (Jak. 2:19).

Bij bevindelijk-gereformeerden bestaat geen eenduidige opvatting hoe de Here God ie¬mands uitverkiezing kenbaar maakt en dus over de manier waarop de uitverkiezingsleer beleefd moet worden. Er bestaat evenwel een grote eensgezindheid over de opvatting dat het besef van zonde en ellende, alsmede de noodzakelijke aanraking van de zondaar door God en Zijn Heilige Geest, het fundament is van de bevindelijke leer. Door de zonde is het contact met God verbroken, maar de mens begeert de relatie met God weer te herstellen. Hij ervaart ‘droefheid naar God’. De uitverkiezing en de verwerping schrijven we vooral toe aan God de Vader. Hij be¬stuurt ons leven en bepaalt wie er zalig wordt en wie niet. De verkiezende Vader vraagt geen offer, maar gééft het offer van Zijn Zoon. De leer van Gods verkiezing bedoelt ons te vernederen en tot aanbidding te brengen. Het leert ons dat de zaligheid buiten onszelf ligt. Dat is verootmoedigend en bevrijdend. In Gods soevereiniteit schittert het God-zijn van God. Gods eeuwig welbehagen is het fundament van het evangelie.

2.3 Bronnen, een unieke strijd
Een echte bevindelijke preek graaft heel wat dieper dan de psychoanalyse. Zij ziet de onmogelijke situatie van de mens in zijn opstandigheid, voor God. De kern van het probleem van het mens-zijn, de relatie tot God en de schuld daarin, gaat zij niet zorgvuldig uit de weg, zoals de psychologie pleegt te doen. Daar gaat zij juist op in. (A.A. van Ruler) De bron van de bevindelijk-gereformeerden is de Bijbel. Daarnaast zijn dat de Drie Formulieren van Enigheid. De prediking is in de eerste plaats Woordverkondiging en uitleg van de Bijbel. Daarnaast is de prediking ook het middel waardoor God het ware geloof aan zijn kinderen wil geven via de werking van vrije genade. Het ware geloof komt tot stand door kennis van eigen ellende, kennis van Gods verlossing door Christus en een leven in dankbaarheid aan God voor de verlossing uit de macht van de duivel, de zonde en de wereld. Het verkrijgen van het geloof is worsteling tussen aanvechtingen en vreugden. In vele preken wordt steeds uitvoerig op ervaringen van het hart ingegaan. Bevindelijk-gereformeerden maken onderscheid tussen echt en niet-echt geloof. Het echte geloof is een gave van de Heilige Geest. Niet alle kerkgangers echter hebben het ware geloof. Velen in de kerk hebben juist dit ware geloof niet. Zij worden aangespoord om daarom te bidden en daarnaar te zoeken. De scheiding tussen echt en onecht komt in deze prediking heel nadrukkelijk naar voren. Men noemt dit onderscheid ook wel separerende of onderscheidenlijke prediking. Separeren doet men in de prediking ook tussen kinderen Gods, hen wordt het heil geschilderd en die (nog) niet van God zijn, de kinderen des duivels, hen wordt de eeuwige pijn geschilderd. Tussen de kinderen van God is een onderscheid in de mate waarin ze zijn gegroeid in het geloof. In de prediking wordt de onderscheiding tussen Gods kinderen benoemd. Men spreekt dan over standen in het geestelijke leven.

God betrek ik overal bij. Omdat de meeste studenten een relatie hebben met God en hierin ook open zijn, komt God vaak naar voren in de gesprekken. We vertellen situaties waarbij God op ons werk duidelijk zichtbaar was. Wat we dan allemaal heel bijzonder vinden. In voorgaande jaren praatten we ook vaak over God als er studenten waren die het moeilijk hadden. Studenten die later meestal ook stopten met de opleiding. Of over een bijbeltekst wat je hebt gelezen en wat je niet begrijpt (Jacoline)

Door gebedsverhoringen, door ontmoetingen en gesprekken die ik heb ervaar ik dat God mijn leven leidt. Maar ook dat hij me leidt doordat als ik nu terugkijk op mijn leven er rottige momenten waren. Ik zie nu dat God me heeft behoed voor het maken van verkeerde keuzes. Ik ervaar God het meest door anderen heen, door wat ze zeggen en ontmoetingen (Janneke).

Als je het Woord wil horen, moet je onder de prediking zitten. Ik zie bevinding ook als Gods leiding in mijn leven.( Als je nat wilt worden moet je in de regen gaan lopen, zo ook met de prediking van Gods Woord, als je het wilt horen moet je eronder gaan zitten). (Sara)

2.3.1 Kernbegrippen van de bevindelijk-gereformeerde spiritualiteit

Ik geloof dat de Heere weet wat goed is en ik zal het misschien later verstaan. De Heere wil in Zijn voorzienigheid ook leiden. Zo heeft de Heere ook mijn huidige werkplek gegeven. In Zijn voorzienigheid opent God soms wegen, maar Hij sluit ze ook. Ik vraag me dan ook vaak af of ik het zelf zo graag wil, of dat het Gods weg is. (Rebekka)

Je kunt wel zeggen dat je Christus aanvaardt als de Zaligmaker, maar Christus is (als ik dat zo zeggen mag) nooit los verkrijgbaar. Het geloof in Christus kan niet gepaard gaan met een levenswandel waarbij er veel mee door kan. (C.S.L. Janse in “Terdege”, 27 oktober 1998)

Wanneer we over bevindelijk-gereformeerde spiritualiteit spreken, kan dat alleen in een bepaalde “taal”. Deze bevindelijk-gereformeerde taal omvat een aantal kernbegrippen of grondwoorden die kenmerkend zijn voor deze vorm van spiritualiteit. In de onderstaande paragraaf worden beknopt enkele begrippen weergegeven. In de bevindelijk-gereformeerde spiritualiteit, de spiritualiteit van de Nadere Reformatie of de beweging van de “Oude Schrijvers”, gaat het om de persoonlijke beleving of bevinding van de waarheid of het heil, zowel naar zijn uitwendige als naar zijn innerlijke zijde. De rechte leer vraagt om een rechte doorleving en uitleving. Centraal staat hierbinnen de wedergeboorte, de persoonlijke bekeringservaring, waarbij de mens afstand neemt van het vorige, zondige leven en het verlangen krijgt zich met hart en mond, woord en daad tot de navolging van Christus over te geven. De piëtas, vroomheid, is dan ook onlosmakelijk verbonden met de precisitas, dat is een nauwgezette en strenge levenswandel naar bijbels licht.

Zonde – en schuldbesef

Zonder dat er aanleiding voor was, hebben wij het vertrouwen in God opgezegd. Wij duldden Hem niet boven ons. We hebben door de eenvoudige daad van het eten van de verboden boom tot uitdrukking gebracht dat wij zelf op Gods troon willen zitten en onze eigen wetten willen maken (Gen. 3:1-6). De schuld van deze daad rust op ieder mens, omdat God het eten van deze boom op de rekening schrijft van ieder (Rom. 5:18-19). Ieder mens heeft de (eeuwige) dood verdiend (Rom. 3:19). Wij zijn strafwaardig. Dezelfde neiging die in het hart van Adam was, leeft in ieders hart. Wij negeren God en verzetten ons tegen Zijn heerschappij. In de kleinste kinderen blijkt dat zij het kwaad niet hoeven te leren, maar dat het in hun hart aanwezig is. Alle geweld en oorlogen in deze eeuw zijn slechts een bevestiging van de belijdenis dat de mens niet goed is, maar een boos hart heeft. Alle zaden van kwaad leven in ieders hart. (N.H.Gemeente Opheusden)

Ik heb ook dagen dat ik achteraf denk: wat heb ik toch weinig aan de Heere gedacht of wat heb ik eigenlijk gebeden? Het kan soms ook sleur zijn en dan doe ik het zo gedachteloos. Ook mijn gebeden zijn met zonden bevlekt en ook daarin heb ik vergeving nodig. (Rebekka)

Het is een ontdekking aan mijn zonden en mijn verdorvenheid, die zo sterk is dat ik Christus niet meer kan loslaten. Een verlangen naar vrede met Hem en een weten dat Hij mijn Borg is, mijn Vader, die ook voor mij zorgt. (Hanna)

De Heere is heilig en rechtvaardig. Hij heeft de mens goed geschapen en kan als God geen zonden toelaten. Soms voel ik dat ik niet alleen zonden doe, maar ook zonde ben. Ik heb net als Adam en Eva de neiging om als God te willen zijn. Ik denk dat ik wel weet wat goed voor mij is. Toch heeft God Zijn Zoon naar deze wereld gezonden om alles te voldoen, zodat er in Hem nog vergeving van alle zonden is. Hij wil dit niet geven aan mensen die menen zelf nog wel wat te kunnen, maar juist aan hen die zelf Hem niet kunnen dienen. Dan weet ik dat de Heere ook mij nodigt. Ik vind het lastig om iets over de omgang met de Heere te omschrijven. Ik lees de Bijbel als Gods Woord, waardoor Hij ook vandaag nog tot mij spreekt. Toch voel ik een zekere terughoudendheid (schroom) om het voor mezelf toe te passen. Eerlijk gezegd is dat een strijd die ik steeds in me voel. (Rebekka)

Want ieder mens is door zonde geneigd een verkeerd getuigenis van zichzelf te geven. David zei dat hij was afgesneden van Gods ogen, terwijl dit niet zo was (Psalm 31:23). De Laodicensen dachten dat hun staat goed was, terwijl Christus zei dat ze ellendig en jammerlijk waren (Openbaring 3:17). Opdat u zich niet vergisse in deze belangrijke zaak, moet u alle middelen gebruiken om een goed oordeel te kunnen vellen en ook bereid zijn om eerlijk over uw eigen staat en uw vrede met God te oordelen (Scudder, p.307)

Zonde is een zedelijk kwaad. De meeste namen die in de Schrift worden gebruikt voor ‘zonde’ duiden op het zedelijk karakter. De betekenissen van het woord ‘zonde’ in zowel het Hebreeuws als in het Grieks duiden de zonde aan als een daad die het doel mist, namelijk het doel van ons leven om God te verheerlijken. Andere betekenissen van het woord ‘zonde’ zijn: gebrek aan eerlijkheid en oprechtheid, verlaten van het aangewezen pad, overtreding of verbreking van het verbond.
Vaak wordt ‘zonde’ ook vertaald met woorden als ‘schuld’, ‘ontrouw’ en ‘verraad’ (Rietdijk 1991: 114).

In het Oude Testament worden vier verschillende woorden gebruikt om de zonde weer te geven: 1. Het meest voorkomende woord is chata’ (zondigen) en chat¬tat (zonde). In het gewone leven betekent chata’ ‘missen’, ‘het doel missen’, ‘in gebreke blijven’. Hier wordt de zonde vooral aangeduid als een misstap, een misstap die geen onschuldig karakter draagt, maar die een mens voor God schuldig stelt. Er schijnt de gedachte in te zitten, dat een mens in beweging is, maar hij beweegt zich in een verkeerde, averechtse richting en zo mist hij zijn bestemming. In Job 5:24 heeft het werkwoord chata’ de betekenis: iets missen wat men zoekt. In Spreuken 19:2 staat: en die met de voeten haastig is, zondigt. Er is dus steeds sprake, van dat de mens door zijn eigen handels¬wijze mislukt; niet dank zij een lot, maar door zijn eigen verkeerde daad mist hij het gestelde doel. Nadruk ligt op het kwade eindresultaat van het menselijk handelen, niet op de verborgen, innerlijke bedoelingen. De tweede term is pasja’. Deze uitdrukking ziet de zonde vooral onder het aspect van het zich tegen God verheffen. In het gewone spraakgebruik heeft het ook iets van insubor¬dinatie. Er zit een gedachte in van trouw¬breuk en tegelijk van opstan¬digheid. (I.Kon.12:19; II Kon.1:1; 3:5; 8:20; Jes.1:2 en Hos.8:1). De derde term is sjega. Dit wil vooral aangeven een zonder opzet dwalen (Num.15:25 en 26; I Sam. 26:21). Sommige vertalers spreken van een zekere tragische kijk op de zonde. In de zonde zit blijkens deze term iets dat de mens behalve schuldig ook beklagenswaardig maakt. Deze term komt vooral in de Psalmen, Spreuken en Profeten voor. Om de verkeerde gezindheid van de mens aan te geven kent het Hebreeuws het woord ‘awon. Niet alleen de zondige daad, maar ook de zondige wil komt daarin tot uitdrukking.
In het Nieuwe Testament lezen we steeds hoe de zonde kenmerkend is voor de menselijke existentie. Het Nieuwe Testament kent de mensen onder het aspect van hun zonden en schuld. Zonde is evenals in het Oude Testament daadwerkelijke opstand tegen God, voortkomend uit en zich vertonend in vijandschap jegens God. Deze vijand¬schap kan een vroom en goddeloos, een Joods wettisch of een Grieks heidens gezicht hebben. Heel het heilshandelen Gods in Jezus Christus is gericht op de verlos¬sing uit de zon¬demacht en daarmee ook op de vergeving van de zonden. Deze verlos¬sing houdt in dat de mens wordt wat hij naar Gods bedoeling is: een schepsel, dat God ten volle de genadige, reddende, soevereine Heer laat zijn, die Hij is en daarom er van af ziet lot en leven in eigen handen te nemen. In het Grieks onderscheiden wij enkele woorden die een formele aanduiding zijn van de zonde en die hierin overeenkomen, dat zij in de synoptische evan¬geliën altijd in verbinding staan met vergeving. Dit zijn vooral de woorden: hamartia, paraptooma en opheilema. Daarnaast wordt een andere groep van woorden gebruikt, adikia, anomia en poneria, die het kwaad naar zijn inhoud en naar de vorm waarin het optreedt nader omschrijft. Deze woorden komen daarin overeen, dat zij in de synoptische evangeliën in tegenstel¬ling tot de eerder genoemde groep, niet in verband staan met vergeving, maar met toerekening en oordeel. Het meest gewone woord, hamartia, spreekt van het missen van het doel of de bestemming. Misschien mogen wij erin horen, dat de mens door te zondi¬gen, zijn bestemming: God verheerlij¬ken, mist. Het woord brengt ons onder het oordeel Gods, maar tegelijkertijd ligt hierin echter, waar God een persoon¬lijk God is, de mogelijkheid tot vergeving. In het woord paraptooma horen we meer het ‘vallen’.
In de Dordtse Kerkorde wordt het onderscheid gemaakt tussen heimelijke en openbare zonden. Men haalt hiervoor o.a. psalm 90:8 aan: Gij stelt onze ongerechtigheden voor U, onze heimelijke zonden in het licht Uws aan¬schijns.
De hamartiologie, leer over de zonde, neemt een grote plaats in het bevindelijk–gereformeerd geloofsleven in. Dat geen mens iets dat voor God geheel goed is kan doen wordt in de bevindelijke traditie altijd in verband gebracht met de zondeval. Zonder dat er aanleiding voor was, hebben wij in Adam het vertrouwen in God opgezegd. Wij duldden Hem niet boven ons. We heb¬ben door de eenvoudige daad van het eten van de verboden boom tot uitdrukking ge¬bracht dat wij zelf op Gods troon willen zitten en onze eigen wetten willen maken. De schuld van deze daad rust op ieder mens, omdat God het eten van deze boom op de rekening schrijft van ieder. Ieder mens heeft de (eeuwige) dood verdiend. Wij zijn strafwaardig. Dezelfde neiging die in het hart van Adam was, leeft in ieders hart. Wij negeren God en verzetten ons tegen Zijn heerschappij.
Door de zondeval is er dus een breuk gekomen in de verhouding tussen de Here God en de mens. Die heeft haar verwoestende doorwerking in de relaties tussen mensen onderling. In huwelijk, gezin, familie en vriendschappen ontstaan breuken. Door het verzoenend werk van de Here Jezus is herstel mogelijk van de verstoorde relatie tussen God en mens. Na de zondeval leven alle mensen met de erfzonde. Daarnaast speelt de zonde van de mens een grote rol. De bewustwording van de zonde wordt gezien als een eerste stap op weg naar bekering. Men hoort dan: ‘De wet is een tuchtmeester tot Christus.’ In de zonde staat de mens voor God. Volgens Augustinus is de gehele mensheid door de zondeval aangestoken. Ons denken is verduisterd en verzwakt door zonde. Voor Augustinus betekent het feit dat we zondaars zijn, dat we ziek zijn en dat we geen duidelijke diagnose van onze eigen ziekte kunnen geven, laat staan die genezen. God schenkt de gelovige genade, zodat hij genezen, vergeven en hersteld kan worden. De genade is Gods grootmoedige, onverdiende aandacht voor de mens. Zij omvat heel de mens en kan daarom niet anders dan een alomvattend antwoord van hem vragen: Zo zult gij den Here, uw God, liefhebben met uw ganse ziel, en met al uw vermogen (Deut¬.6:5). De zonde is een reli¬gieuze grootheid en draagt geen overwegend moreel karakter. Zij vormt niet de overtreding van een abstracte regel – van een waarde -, maar de schending van een persoon¬lijke band. Het is een schending van de relatie waarin de mens als beeld Gods tot God als zijn Schepper en Wetgever staat.
De begrippen ‘zonde’ en ‘schuld’ liggen in elkaars nabijheid, maar er zijn verschillen: Zonde wordt alleen gebezigd in godsdienstig taalgebruik. Zonde is er alleen voor een mens die de dingen wil zien in relatie tot God. Het begrip schuld kan ook worden gebruikt bui¬ten de relatie met God en is een ruimer begrip.
Ik wil tenslotte, ook met het oog op de hulpverlening, nog enkele opmerkingen maken over rijp en onrijp schuldgevoel. Het verschil is gelegen in datgene waarover men zich schuldig voelt en in de wijze waarop men schuld beleeft. Onrijp schuldgevoel is schuldgevoel dat nog niet in beweging is en waar nog niet aan gewerkt kan worden of beleden. Rijp schuldgevoel is het vermogen zichzelf lief te hebben of de ander vergiffenis te schenken, een kenmerk van een rijpe persoonlijkheid. Vergiffenis bevrijdt de mens uit de greep van de onom¬keerbare ge¬schiedenis: door zich met God te verzoenen wordt de mens in staat gesteld vergeving te schenken en te ontvangen. In de Bijbel komt de profeet Jesaja, vermoedelijk geen persoon met een opvallend zondig verleden, tot een schuldbelijdenis waarin rijp schuldge¬voel spreekt. Wee mij, ik ga ten onder, want ik ben een man, onrein van lippen (Jes.6:5). Een ander voorbeeld is de boetpsalm van David, psalm 51, toen de profeet Natan bij hem gekomen was, nadat hij overspel gepleegd had met Batseba.

Wedergeboorte
De wedergeboorte gebeurt op en bepaald ogenblik door Woord en Geest. Het moment waarop, kunnen wij nooit nauwkeurig vaststellen. Wedergeboorte komt openbaar in geloof en bekering. Het gaat dus om het werk van God met de mens. Dat werk doet God door gebruik te maken van het Woord, in de prediking of in het persoonlijk lezen van de Bijbel. God doet dat door Zijn Heilige Geest. Petrus leert ons dat: Gij Die wedergeboren zijt, […] door het levende en eeuwig blijvende Woord van God (Rietdijk 1991: 110).

De wedergeboorte is wel het begin van het geestelijke leven, maar staat niet los van verdere ontwikkelingen daarin. Uit de wedergeboorte komt de bekering tot God en het geloof in Christus voort. De mens bekeert zich als gevolg van de oproep tot gehoorzaamheid aan het Woord van God. Hij vernedert zich onder de hand van de Here, die hem in zijn geweten aanspreekt op zijn zonde en zondigheid. De wedergeboorte duidt dezelfde gebeurtenis aan als de bekering, maar dan gezien vanuit het standpunt van God en zijn soevereine actie in het tot stand brengen van deze bekering.

Er was hartelijk berouw, er was geloof en er was bekering van zijn oude leven. Ziedaar, de wedergeboorte van Zacheüs.

Sommige verhalen binnen de gemeente over bevinding neigen naar het sektarische. Enkele mensen (mannen) leggen de lat langs je geloof (wedergeboorte, ervaring, visioen) en bepalen de route. Soms wordt de ‘Leer van Breevaart’ boven de Bijbel verheven. Ik denk wel eens, dat bij sommige mensen bevinding geen (ware) bevinding is. Er wordt veel over het gevoel gepraat. Ik ben ook wel eens bang dat mensen elkaar (bijna) napraten om er ook bij te horen. (Ruth)

Het begin van de heilsweg wordt bij bevindelijk-gereformeerden heel belangrijk geacht. De wedergeboorte vindt plaats wanneer de Heilige Geest de aansluiting tot stand brengt tussen de prediking en het horen naar de prediking. Dat is vrije genade. De Geest moet op een gegeven moment de oren van de mens besnijden: Hardnekkigen en onbesnedenen van hart en oren, gij verzet u altijd tegen de Heilige Geest (Handelingen 7:51). Wie biddend heeft geworsteld met het Woord, wordt door de Geest op een gegeven moment het verlossende inzicht geschonken. Mensen die dit hebben meegemaakt beschrijven het als een plotselinge gebeurtenis (Paulus, Augustinus, Luther, Calvijn, Wesley, Hendrik de Cock). Dit moment wordt bewust meegemaakt als een moment van opnieuw geboren worden: de wedergeboorte. In de wedergeboorte komt de eeuwige verkiezing van de God onze existentie binnen. Uit deze wedergeboorte of levensverandering komt een heel leven van ondervindingen, ontdekkingen en ervaringen in de relatie met God voort. Dit kan men aanduiden als “de weg van Gods kinderen”. Deze weg kent een bepaalde orde. De mens leert zichzelf kennen in zondigheid en vijandschap tegenover God en leert God kennen in Zijn strenge rechtvaardigheid, maar ook in Zijn liefdevolle barmhartigheid. Het begrip wedergeboorte of levendmaking staat in de gereformeerde spiritualiteit centraal, zelfs nog meer dan het begrip rechtvaardiging. De Bijbel spreekt over het leven van de wedergeboorte op drieërlei manier: 1. In de zin van de vernieuwing van het aardrijk bij de wederoprichting van alle dingen als Christus wederkomt (Matth. 19:28); 2. Als het begin van het nieuwe leven. De wedergeboorte in engere zin. Het is een totale vernieuwing van de mens. ; 3. Het leven der wedergeboorte als voortgang van het nieuwe leven als een beginsel van heiligmaking. De wedergeboorte is dus het begin van het geestelijk leven en van alle geestelijke daden en gedachten. Geloof en wedergeboorte vallen samen. Er is immers geen leven dan door de vereniging met Christus en het geloof is het middel daartoe. In Johannes 3 legt de Here Jezus aan de Farizeeër Nicodemus uit dat elk mens ‘opnieuw geboren’ moet worden om in echt contact met God te kunnen komen (‘het Koninkrijk Gods zien’): Jezus antwoordde en zeide tot hem: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, tenzij iemand wederom geboren worde, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien (Joh. 3:3). De Heiland wijst Nicodemus op de noodzaak van levensvernieuwing en Hij wijst tevens de weg daartoe. Nicodemus leefde tot nog toe uit de wet, maar hij moest leren leven uit Gods genade. Deze nieuwe geestelijke geboorte is het werk van de Heilige Geest in het leven van de nieuwe gelovige (Joh. 3:5-8). Andere termen die voor deze geestelijke gebeurtenis gebruikt worden zijn: ‘tot geloof komen’, ‘tot bekering komen’, ‘de Here aannemen’. Na de wedergeboorte gaat het dan verder met een veranderingsproces dat vaak ‘levensheiliging’ wordt genoemd. Onze Hemelse Vader wil ons door zijn Geest steeds meer omvormen naar het beeld van de Here Jezus. Want wie in Christus is, is een nieuw schepsel geworden. Het oude is voorbij gegaan (II Kor. 5:17). De kracht van de zonden is gebroken, hoewel de wortel van alle zonden nog wel aanwezig blijft. Het stenen hart wordt in de wedergeboorte een vlesen hart: En Ik zal u een nieuw hart geven, en zal een nieuwen geest geven in het binnenste van u; en Ik zal het stenen hart uit uw vlees wegnemen, en zal u een vlezen hart geven (Ez. 36:26). De wijze waarop wedergeboorte tot stand komt, is verschillend. Het gaat gepaard met droefheid en blijdschap, geloof en ongeloof, strijd en overwinning, vallen en opstaan, (temptatio et gaudium). Dit is de gewone weg van God. De omschrijving van A Brakel is karakteristiek. Als pastor kon hij zeggen: “Zo leidt God mensen!” De wedergeboorte geschiedt in de diepte der ziel en onttrekt zich aan alle zielkundig onderzoek. Zij is het werk Gods, en dus een zaak des geloofs. Het begrip komt tot uiting in de vorm van een persoon¬lijke, innerlijke vernieuwing van de mens door de Geest. Het is een volmaakt genadewerk in dode zondaarsharten. Dus niet als een universeel proces dat op vernieuwing van de schepping is gericht. De mens leert zichzelf aan zijn zonden kennen (zondekennis) en krijgt het daarvan benauwd. Zijn geweten klaagt hem aan (Calvijn). Aanvankelijk is er ook een strijd in de mens: Is dit wel voor mij bestemd? Is dit wel de stem van God die ik hoor? Word ik wel tot het ambt geroepen? De mens gaat deze toestand vreselijk vinden, lijdt daaraan en snakt naar vergeving, verzoening en verlossing. Vanuit deze toestand wordt hij een zoeker naar verzoening en vernieuwing, van waarachtig geluk. Van dit proces gaat hij later ook “spre¬ken” (“praters”).

In zijn ‘Redelijke Godsdienst’ behandelt Wilhelmus à Brakel de vraag, waaraan iemand het eerste begin van zijn wedergeboorte kan kennen. Hij zegt daarop dat het te herkennen is aan de eerste daad des geloofs. Vraagt iemand dan: wanneer een mens die eerste geloofsdaad oefent, dan zegt À Brakel dat we dit niet precies kunnen weten en ook niet hoeven te weten. Aan de ene kant geldt: de eerste heftige overtuiging van zonde was waarschijnlijk nog geen geloofszaak en aan de andere kant geldt: het geloof was er waarschijnlijk al voordat de eerste bewuste kennismaking met Christus plaatsgreep. Het is volgens Ds. À Brakel ook niet nodig te weten wanneer de wedergeboorte of eerste oefening van het geloof er precies was, als je maar, zo benadrukt hij, op goede gronden vanuit Gods Woord kunt besluiten dat je gelooft en dus wedergeboren bent.

Kortom: De Bijbel spreekt in I Petrus 1:23 over wedergeboorte: “Gij die wedergeboren zijt, niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad, door het levende en eeuwige blijvende Woord van God.” Uit het verband van deze tekst blijkt dat het gepredikte Woord wordt bedoeld. Aan het slot van dit hoofdstuk staat: “En dit is het Woord, dat onder u verkondigd is.” Jacobus geeft eveneens aan dat het nieuwe leven door het geloof in het Evangelie wordt voortgebracht (Jak. 1:17-18).

De Heere stort Zijn liefde uit in de harten door de Heilige Geest. Daardoor gevoelt een wedergeborene liefde tot God en tot de vromen. Wat ze eerst haatten hebben ze dan lief. Wat ze vroeger beminden haten ze voor zover het hen hindert in de liefde tot God en Zijn volk. Hun oprechte liefde blijkt daaruit, dat zij vaak bedroefd zijn over het feit dat ze de Heere en Zijn kinderen soms zo moeilijk lief kunnen hebben. Zij zijn bedroefd omdat de liefde tot de zonde en de wereld, hun inwonende oude mens, zo dikwijls de kop opsteekt. Dan moeten zij met Paulus klagen: “Zo vind ik dan deze wet in mij, als ik het goede wil doen, dat het kwade mij bijligt. De wedergeborenen zien zichzelf in hun verloren staat. Zij zien de genade als kostbaar en noodzakelijk, zij zien het geluk van de vromen. Zij zien hun eigen onmacht, dat de Heere alles in hen moet werken en dat zij het niet hebben.

De wedergeboren mens heeft in zijn ziel plaats gemaakt voor Christus. De inwendige Christus is de scopus, waar het op aan komt. Men leert zijn namen, werken en kwaliteiten in persoonlijke bevindingen kennen. De onthulling van Hem als Middelaar, Borg en Hoofd vindt onder verlichting en indachtigmaking van de Heilige Geest plaats. Zoals enkele van de geïnterviewden de Borg in dit verband ook noemden:

De Heere laat mij dan zien (niet alleen verstandelijk weten) wie ik eigenlijk wel ben voor Hem. (Hoe zondig, terwijl Hij de mensen juist goed geschapen heeft.) Hij laat mij zien dat ik Hem verdriet doe en geen eer geef. Wanneer de Heere dit zelf laat weten en beleven, wil Hij ook laten zien wie Hij is en een verlangen geven om wel (en alleen maar) te willen leven tot Zijn eer. Hij zal ook persoonlijk laten weten dat desondanks wie ik ben, Hij mij wil vasthouden en een Borg voor mijn ziel wil zijn. (Sifra)

Het is een ontdekking aan mijn zonden en mijn verdorvenheid, die zo sterk is dat ik Christus niet meer kan loslaten. Een verlangen naar vrede met Hem en een weten dat Hij mijn Borg is, mijn Vader, die ook voor mij zorgt. (Hanna)

Als kenmerken van de wedergeboorte kunnen we noemen: 1. De Here God raakt de mens aan. De mens heeft dat niet zelf in de hand. Hij gaat zich schuldig en ellendig voelen en wordt overtuigd van zijn zonden. 2. De mens gaat geloven in de Here Jezus Christus als zijn Verlosser. Dit geloof is niet de vaststelling dat ik een kind van God ben. Geloven is vluchten tot Christus omdat we schuldig zijn. 3. Tenslotte is een wezenlijke trek van de wedergeboorte de bekering. Geloof kunnen we vergelijken met de levenssappen die een boom opzuigt, terwijl de bekering de zichtbare groei van de boom is. In de drie kenmerken van de wedergeboorte herkennen we de drie elementen van de Heidelbergse Catechismus: ellende, verlossing en dankbaarheid.
Wedergeboorte

Waarom heeft het zolang geduurd,
voordat ik tot U kwam?
Waarom begreep ik niets toen U
mij in Uw armen nam?

‘k Heb steeds geweten van het kruis,
maar ging mijn eigen weg.
‘k Had van nieuw Leven niet gehoord,
men had het niet gezegd.

Maar toch was er dat stil verlangen,
om U te kennen Heer.
Ik wist alleen niet hoe het moest,
U legde het in mij neer!

Nu mag ik altijd met U gaan,
en U gaat met mij mee.
Zo kom ik echt behouden aan,
in het land van pais en vree.

Heerlijk is het om zo te leven,
in Uw gemeenschap Heer.
Dit alles heeft U mij gegeven,
te leven tot Uw eer.
(dichter onbekend)
Bekering

Ik ben zowel bij mijn pap als bij God teruggekomen en ze hebben me met open armen ontvangen, nee, ze kwamen zelfs op me afrennen! Mijn leven is helemaal veranderd. Ik ben helemaal veranderd. De verhoudingen thuis zijn nog nooit zo goed geweest. Met alcohol gaat het ook steeds beter. Ik heb het nu zo afgebouwd dat ik zo ongeveer 4-6 glazen wijn per week drink. Met de sterke drank is het al heel lang afgelopen. Ik drink niet meer om dronken te worden, maar omdat ik wijn kan waarderen. Met pieken en dalen. Het blijft moeilijk om er tegen te vechten, eigenlijk vecht ik tegen de duivel. En ik ben ook nog wel eens dronken, maar nooit meer zo erg dat ik het niet meer weet, maar af en toe ga ik nog wel eens te ver. Vaak betrap ik me er nog op dat ik het soms nog gewoon nodig heb. Maar eraan toegeven is wat anders. Zolang ik maar dicht bij God blijf komt het wel goed. (Dieudonnée, 3e jaars SPH)

Ik ben hierin wel eens tekortgeschoten in gesprekken met bepaalde mensen. Dat ik hen niet genoeg gewezen heb op de noodzaak van bekering (zoals dat bij ons in de kerken gedaan wordt). (Sifra)

Ik zie het als een dagelijkse bekering. De Heere moet je daartoe de kracht geven. Uit jezelf wil je niet. Het is een ‘markt van vrije genade’. Ik wil hiermee zeggen dat God met zijn armen wijd openstaat en wij onze handen er maar in hoeven te leggen, maar wij mensen lopen er graag voorbij. De ene keer zijn we dichtbij de andere keer veraf. Dat betekent niet dat je moet toezien maar blijven vragen om kracht. (Sara)

God nadert eerst tot de zondaar. Wij zijn als mensen zondaar en kunnen niet naar de Heere gaan. Zelf kunnen wij niets doen aan onze bekering. Het moet alles van de Heere komen. Het is alleen Zijn grote goedheid en genade dat Hij ons hart wil vernieuwen tot eer van Hem. (Rispa)

Bekering betekent: berouw hebben en terugkeren, zowel in het denken als in het handelen. Wij worden overreed dat wij buiten God leven. De Heere laat ons bijvoorbeeld een overheersende zonde in ons leven zien (Rietdijk 1991: 26). De catechismus zegt (in Zondag 33) heel nauwkeurig wat waarachtige bekering is. Het is een droefheid omdat ik God door mijnzonden vertoornd heb (berouw) en het is een blijdschap in God door Christus (omkeer in het denken). Anders gezegd: Het is een lust hebben in het doen van de geboden van God (omkeer in het uiterlijk leven). Het is een omkeer naar God toe of een terugkeren naar God.

In het bevindelijk kerkelijk spraakgebruik worden de woorden ‘bekering’ en ‘wedergeboorte’ nogal eens door elkaar gebruikt. We zien dat ook in de Nederlandse Geloofs Belijdenis en in de Dordtse Leerregels. Wedergeboorte en bekering zijn niet van elkaar te scheiden, maar wel te onderscheiden. Met wedergeboorte bedoelen we de levendmaking, het begin van het nieuwe leven van de gelovige. Dit wordt ook wel de eerste bekering genoemd. In het ‘normale’ bevindelijk kerkelijk spraakgebruik betekent ‘bekering’ het functioneren van het nieuwe leven uit de wedergeboorte. Bekering manifesteert zich dus na de wedergeboorte als we denken vanuit de ‘orde des heils’.

Iedereen zal erkennen dat hij, als hij zeker wist dat hij geloof had, niet zou twijfelen aan zijn rechtvaardigmaking of aan Gods liefde jegens hem in Christus. Velen vrezen echter dat zij geen geloof hebben of dat het zo klein is, dat het hen nooit door alle tegenheden heen kan dragen tot het einde, zodat ze zalig worden (Scudder, p.245).

Vooral in het Piëtisme werd de noodzaak van een toegeëigend geloof beklemtoond, in samenhang met bekering. In het algemeen bedoelde men met bekering de totale innerlijke transformatie van de gelovige. Gedacht van uit de wedergeboorte kan er van een werkelijk geloof pas sprake zijn, als God Zelf, via Zijn Heilige Geest, de gelovige in zijn hart laat ervaren dat er iets aan het veranderen is. De bekering begint dus met de wedergeboorte en valt samen met de eerste bekering en vervolgens moeten wij dagelijks bekeerd worden, de dagelijkse bekering. Deze dagelijkse bekering is volgens Zondag 33 van de Heidelbergse Catechismus hetzelfde als heiliging. Bij bevindelijk-gereformeerden gaat het vooral om de vraag wanneer de erkenning dat ze niets kunnen en willen doen voor hun eigen heil overgaat in de innerlijke ervaring daarvan. Want die innerlijke ervaring is het teken dat Gods Geest aan het werk is. In het Nieuwe Testament kennen we daar twee woorden voor: metanoia, wat verandering der gezindheid betekent en episstrophê, wat verandering van levenswandel betekent (Hand. 3:19; Heidelbergse Catechismus, Zondag 23).

De ouderlingen van de gemeente stellen dat, wanneer iemand belijdt een kind van God te zijn zij de rechtvaardigmaking moet beleefd hebben zoals zij die voorstellen. Voor hen ziet de rechtvaardigmaking er als volgt uit: Een zondaar wordt in de vierschaar van de consciëntie, het geweten gedaagd voor God als rechter. God de Vader is rechter. De duivel en het eigen geweten van de zondaar zijn de aanklagers. God eist Zijn beeld van de zondaar. De zondaar kan daar niet meer aan beantwoorden en voelt en erkent de dood schuldig te zijn. Op het moment dat God de Vader als rechter het vonnis uit moet spreken dat deze zondaar verworpen moet worden treedt Christus tussen beiden en spreekt de zondaar vrij. Hij toont de Vader Zijn tekenen die zien op het offer dat Hij bracht voor de zondaren en pleit bij de Vader voor deze zondaar. Hier vindt de vrijspraak plaats en ontvangt de zondaar vergeving van zonden. Deze rechtvaardigmaking vindt, volgens hen, plaats als die persoon al langer ‘op de weg is’. Zij stellen dat de weg die God met een mens gaat een weg is met verschillende ‘stations’ die beleefd moeten worden. En pas een heel eind op de weg vindt de rechtvaardigmaking plaats. Deze rechtvaardigmaking zou heel visionair beleefd moeten worden. Zij kunnen het ook in verschillende kleuren en stijlen vertellen. Meestal is het een heel verhaal. Persoonlijk kan ik hier helemaal niet in mee! Paulus, de Bijbel, leert de rechtvaardigmaking van een zondaar door het geloof en niet de rechtvaardigmaking van een doorgeleid kind van God. Op het moment dat een zondaar de toevlucht neemt tot Christus om gereinigd te worden in Zijn bloed is de zondaar in de ogen van God rechtvaardig. De persoon zelf kan dan nog het getuigenis van de Heilige Geest in zijn hart missen maar de Heilige Geest zal hem dan leren dat hij in Christus rechtvaardig is voor God. God ziet ons dan niet meer in onszelf, maar in Zijn Zoon. Het geloof en de rechtvaardigmaking zijn onvoorwaardelijk. Ik hoef niet aan een bepaalde voorwaarde te voldoen, dus eerst dit of dat meegemaakt te hebben. De praktijk is wel dat wij Jezus pas nodig hebben als wij ervaren hoe ellendig onze staat uit Christus is. Toen Abram geroepen werd en hij gehoorzaamde aan God werd deze gehoorzaamheid hem tot rechtvaardigheid gerekend. Hij was toen nog niet besneden, dus was het onvoorwaardelijk. Abel (Hebreeën 11) had het getuigenis bekomen dat hij rechtvaardig was. Ik vind het ‘verhaal’ van de rechtvaardigmaking niet terug in de Bijbel. Alleen het hoofdstuk over Jozua de hogepriester lijkt er op. Verder lees ik nergens dat personen, bijvoorbeeld David in de ‘vierschaar geleid is’. Ik zal niet zeggen dat God niet zo’n weg gaat met iemand maar het is geen voorwaarde. (Ruth)

Een aantal bevindelijk-gereformeerden gelooft in de theologie van de “vierschaar”. In de bekering richt de Here God Zijn rechtbank op in het geweten en overtuigt de zondaar van zijn zonden en geeft hem inzicht in zijn ellendestaat. De zondaar raakt in zijn ellendestaat diep doordrongen van zijn eigen zondigheid. De Here God brengt de zondaar tot bekering en berouw, “God arresteert je”, geeft kennis van de weg der zaligheid door het geloof in Jezus Christus, brengt tot verlangen, tot hongeren en dorsten naar Christus en Zijn gerechtigheid. De zondaar is niet in staat zelf ‘genoeg’ ellendekennis te stimuleren. De Here God moet dit doen: “God ontbloot de mens.” Hij moet de mens bekeren, want bekeren is genade, een liefdegift. De mens kan daar niets toe of afdoen. Bij de zondaar ontstaat vrees en beven voor God als Rechter: “God velt de mens neer.” De Heilige Geest brengt daarna vrede in het geweten door de vrijspraak in de hof van het geweten af te kondigen: “God ziet naar je om.” Door dit bijzonder getuigenis van de Heilige Geest wordt de zekerheid verkregen dat men deelt in Gods vergiffenis en aangenomen is tot Zijn kind en erfgenaam.

Ik kreeg opening en toegang tot God en raakte mezelf kwijt, en kreeg ontsluiting langs en door welke weg het hoge Wezen zichzelf toegankelijk heeft gemaakt in de tussenkomst van de Zoon Zijner liefde. Die is het Offer geworden bij de Vader om de misdaad, de straf die op de zonden bedreigd lagen, weg te nemen. Ik heb wel acht dagen het gevoel en de heilige bevatting daarvan omgedragen. Wat een zalig leven en zalig zijn, als het geloof zijn vrucht ontsluit, om door het geloof te zien, op de Onzienlijke.

De bekering voltrekt zich veel meer op de voorgrond van ons zielenleven dan de wedergeboorte. De meest bekeringen vinden plaats aan het einde van de puberteitsperiode. Aan het einde daarvan treedt sterk naar voren de drang tot verdieping, tot het zoeken van een nieuwe en hogere eenheid. Ten aanzien van bekeringen kunnen we twee typen onderscheiden: 1. Degenen die willen breken met hun vorige leven en gaan zelf aan het werk (de bekering van Dieudonnée); 2. Bij anderen ligt het accent voornamelijk op zelfovergave, zij gevoelen zich vooral passief, zij worden bekeerd. Bevindelijke geloven onderscheiden in het bekeringsproces drie fasen: de fase van de ellende, de fase van de verlossing en de fase van de dankbaarheid. Ook hier zien we weer, net als bij de wedergeboorte, de delen van de Heidelbergse Catechismus. Deze drie fasen moeten beleefd en doorleefd zijn wil men kunnen spreken van een ware bekering. De fasen zijn niet strikt van elkaar te scheiden. Een gelovige die in de fase van de dankbaarheid leeft, kan regelmatig worden aangevochten door een diep besef van zijn ellendestaat en door het gevoel van de Here verlaten te zijn. We spreken dan van voortgaande bekering, wat een onderdeel van de heiligmaking is, en waarin we onderscheiden een: a. vernieuwde bekering, na tijdelijk afdwalen terugkeer tot God (Luc.22: 31,32) en b. dagelijkse bekering, waaronder verstaan wordt ‘het voortdurend kruisigen van den ouden en aandoen van den nieuwen mensch’.
Kan ieder mens nu zo gemakkelijk het moment van zijn bekering aangeven? De gezaghebbende theoloog Wisse vraagt zich dat ook af:

Ik twijfel of ik wel genade bezit, want de juiste tijd van mijn bekering kan ik niet aangeven. Evenmin kan ik nauwkeurig in mij aanwijzen de manier van die bekering en de verschillende trappen waarlangs God mij heeft geleid (Wisse, p.42).

Wat geeft Wisse als antwoord? Het is niet absoluut nodig dit te kunnen en het mag evenmin een door Gods Woord gestelde voorwaarde heten. Velen gaat het als de blindgeborene. Het hóe van hun behoudenis kunnen zij niet onder woorden brengen. Wel dàt zij behouden zijn: één ding weet ik, dat ik blind was en nu zie.
Kortom: Bekering is een totale vernieuwing, die begint in ons hart en zich openbaart in berouw over de zonden en in een nieuwe levenswandel. Het is geen eenmalig gebeuren, maar is telkens weer opnieuw nodig. De bekering komt in dit leven nooit tot volmaaktheid. Daarom is er ook een gerichtheid op de toekomst van het Koninkrijk Gods: de wederkomst van Christus.

Toeëigening

Tot je laatste snik heb je te kampen met ‘de driehoofdige vijand’: de duivel, de wereld en het ‘eigen verdorven vlees en bloed’.

Het doel van mijn leven zou ik dan nog moeten zoeken. Ik denk dat mijn leven dan veel meer getekend zou zijn door twijfel. Ik denk dat ik ook erg op mezelf gericht zou zijn en zou gaan zoeken naar het ‘goede’ in mijzelf wat ik met anderen wil delen. Als het goede namelijk niet buiten mezelf te vinden zou zijn, zou ik het denk ik in mezelf gaan zoeken. Ik kan me in ieder geval niet voorstellen dat ik zonder mijn geloof zou leven. (Esther)

Ik weet waar ik voor leef en waar ik naar toe leef: wat het doel is van mijn leven. Geloven geeft me daarom vaak ook blijdschap. Ondanks dat ik vaak aan het zoeken ben naar God is er ook wel een ‘zeker weten’ dat God bestaat en aanwezig is. Dat geeft me die zekerheid. Toch kan ik ondanks dat ik weet dat God bestaat ook wel twijfel hebben en verdriet over mijn tekortkomingen. Toch zou ik in de eerste plaats willen zeggen dat geloof me blijdschap geeft. (Esther)

Bij de toeëigening van het heil gaat het om de toepassing van het heil dat Christus heeft verworven aan het hart van de mens. De Here Jezus is in de wereld gekomen om het heil van de verzoening met God en de vernieuwing van ons leven tot stand te brengen. Dat heeft Hij gedaan door Zijn kruis en opstanding. Daardoor heeft Hij ook de Heilige Geest verworven. Ook dat behoort tot de verwerving van het heil. De Heilige Geest past door Christus het heil toe aan onze harten, zodat we troost en kracht mogen ervaren en een levende hoop mogen hebben op de verlossing (Vreugdenhil 1999: 56). Anders gezegd: In de eerste plaats is er een zekerheid die verankerd ligt in de belofte van het evangelie. Vervolgens is er een zekerheid die aan het geloof zelf, waarmee men het evangelie omhelst, eigen is. Deze is het resultaat van de in de consciëntie plaatsvindende persoonlijke toeëigening van de beloften van het evangelie. Vervolgens zijn er de zekerheid op grond van de inwendige werkingen des Geestes in de mens en de zekerheid die men concludeert uit de goede werken als uitwendige vruchten des Geestes. Bij deze twee laatstgenoemde soorten zekerheid speelt het zelfonderzoek met behulp van kenmerken een beslissende rol.

Het geweten

Er wordt een accent gelegd op de bodemloze verlorenheid van het mens-zijn. Men verwijlt gaarne in het stuk van de kennis der ellende. Dat is geen hypochondrie. Integendeel, deze permanente ontlediging van de mens behoort tot die werkelijke, radicale objectiviteit. Het gaat om de mens zelf en God zelf. Daar is men echter zo maar niet. Voordat een mens werkelijk bij zichzelf is! En voordat hij dan werkelijk zichzelf loslaat en zich overgeeft aan God zelf, in zijn ongehouden genade! Dat gaat door diepten heen. En daar legt men in bevindelijke kringen de vinger bij. Men zoekt naar echtheid en werkelijkheid. Men zoekt naar grond. (A.A. van Ruler)

De consciëntie staat als werkplaats van de Geest in het innerlijke van de mens centraal, terwijl er grote nadruk valt op de uitwerking van het Geesteswerk en van de aanvechtingen door de satan op het gemoedsleven. Het Nederlandse woord ‘geweten’ komt van het gotische woord gewizo, dat getuige betekent. Het geweten is derhalve gezien als een aanklagende getuige van wat een mens doet of deed. Van Ruler zegt in dit verband, dat de mens oordeelt over zijn eeuwige staat. Hij oordeelt mee met God. Hij heeft een consciëntie. Het Woord, dat de kenmerken noemt, is rechter. De mens legt zich daarnaast voor het aangezicht van God als getuige.
De Puriteinen en Nadere Reformatoren wisten hoe belangrijk het geweten is. Zij wisten dat het bekeringsproces een proces van Aanvechtingen en Vreugden is. Het is een vluchten naar Christus en op die vlucht ervaart de worstelende mens: vrees, verslagenheid over de zonde, troost en vrede van de Heilige Geest.
Het is opvallend dat het woord geweten in het Oude testament onbekend is. Natuurlijk hebben ook de Israëlieten besef van hun overtredingen gehad. Zij hebben evenwel geen woord gehad voor een innerlijk orgaan, waarin dit besef zetelde. Sommige auteurs zijn van mening dat in het Oude Testament het woord ‘hart’ voor ‘geweten’ gebruikt wordt. Er zijn twee Hebreeuwse woorden voor hart: leb en lebab. Beide woorden komen zeer veel voor en het is onduidelijk of er verschil in betekenis bestaat. In sommige gevallen wordt het lichaamsdeel van de mens bedoeld. De meeste teksten gebruiken leb en lebab in meer overdrachtelijke zin als de zetel van geestelijke kracht. Een ‘rein’ hart betekent dan een ‘rein’ (of goed) geweten. Het woord geeft vooral de verhouding tussen God en mensen aan. In de Psalmen vinden wij enkele voorbeelden van de toepassing van het woord leb. In dit verband zegt Stolz: Wo ‘leb’ in den Psalmen von theologischer Bedeutung ist, erscheint das Wort innerhalb der Klage, und zwar entweder als Bezeichnung für das reine Gewissen des Betenden.
Het Griekse woord is suneid¬èsis wat afgeleid is van een werkwoord dat de betekenis heeft van: samen met iemand iets weten. In het Nieuwe Testament komen we het woord geweten meerdere malen tegen, vooral bij Paulus, in teksten waaruit blijkt dat het geweten een soort registrator van inner¬lijke motieven en gevoelens is. In het algemeen heeft ‘geweten’ bij Paulus de ook elders voorkomende betekenis van ‘weten van zich zelf’, in de zin van zedelijke zelfbeoordeling.
Calvijn spreekt over consciëntie (con-scientia = samen-weten) en hij verstaat daaronder: De consciëntie is iets tussen God en de mens, omdat ze niet toestaat, dat de mens in zichzelf onderdrukt, wat hij weet, maar hem zover achtervolgt, totdat ze hem tot schuldbekentenis brengt. Hij heeft de consciën-tie, het geweten, onderscheiden in een tweeër¬lei regering (‘macht’). De eerste soort van regering, de geestelijke consciëntie, heeft betrekking op het leven der ziel. De tweede soort regering, de tijdelijke jurisdictie, beweegt zich op het terrein van wat tot het tegenwoordige leven behoort, niet slechts op het gebied van voeding en kleding, maar ook van het voorschrijven der wetten, door welke de mens onder de mensen zijn leven heilig, eerbaar en zedig doorbrengt. De eerste heeft haar zetel in het inwendige des gemoeds; maar de tweede regelt slechts de uiterlijke zeden.
Kortom: De mens is een moreel wezen. Hij is geschapen naar het beeld van zijn Schepper. Wanneer hij het juiste doet, zal zijn hart hem bevestigen. Wanneer hij het kwade doet zal zijn hart hem veroordelen. As a moral being, man has a conscience.

2.4 Handelen, een unieke beelddrager

Ik bid voor de cliënten. Als ik ze bij naam noem dan bid ik bewust voor de desbetreffende. Omdat de groep nu erg groot wordt heb ik besloten om voor m’n eigen cliënten te bidden waarvan ik mentor ben. Anderen daar bid ik algemeen voor, uitzondering daargelaten. Ik bid vaak voor de mensen met wie ik niet goed kan samen werken. Omdat ik weet dat dit ook bij mezelf ligt en ik daar graag aan wil werken (Jacoline).

Mijn omgang met God is erg goed, en ik probeer om zoveel mogelijk in mijn dagelijks leven God er in te betrekken. Bij de keuzes die ik maak en bij de dingen die ik doe. Ik probeer elke dag stille tijd te houden en doe dat meestal ‘s ochtends als ik opsta. Dan ben ik fit en wil ik ook in gebed vragen of God mij die dag nabij wil zijn en of ik mensen tegen mag komen waar ik een goed gesprek mee kan houden of dat ik iets door mag geven van Gods liefde (Pauline).

Het is moeilijk terug te halen of iets psychisch disfunctioneren is of occulte belasting. Het ligt er maar aan uit welke kring je komt. Als je uit evangelische kring komt is iets al snel occulte belasting, kom je in de rechts reformatorische kringen is dat helemaal niet aan de orde (Jan).

Als we mensen in de groep hebben die bijvoorbeeld bij de satanskerk zijn geweest, dan hebben we daar een pastor voor. We beleggen dan geen bijeenkomst. Je hoort trouwens wel steeds minder over die kerk. Dit behoort duidelijk tot het vakgebied van bijvoorbeeld een pastor. Een SPH-er hoort in zo’n situatie te verwijzen, en moet hiermee zelf niet wat gaan doen (Jan).

De wijze waarop een mens existentieel en spiritueel in het leven staat, het leven beleeft, heeft invloed op en is bepalend voor het morele handelen. Wanneer dit handelen niet congruent is, zou de vraag naar de authenticiteit van de beleefde spiritualiteit gesteld kunnen worden.
Bevindelijk-gereformeerden streven er steeds naar te onderscheiden wat van God is en wat van de mens. Wat beïnvloedt de relatie met God negatief? Waar probeert het kwaad in de relatie binnen te komen? Het woord ‘bevinding’ verwijst naar de relatie die een gelovige met God heeft en die veel belangrijker is dan de relatie met een medemens.
Vijf en twintig jonge vrouwelijke bevindelijk-gereformeerde SPH–studenten van de CHE hebben hun geloofsverhaal verteld. Zij onderscheiden zich in hun geloofsleven en maatschappelijk leven van niet bevindelijk-gereformeerden op velerlei terreinen. Zij hebben allen gezegd gelukkig te zijn. Voor hen is het leven zonder de omgang met God leeg en zinloos. Door hun levensverhalen heen klinkt dat zij het leven zelf een wonder vinden dat hun verstand in alle opzichten te boven gaat.

Discussie
Wanneer studenten aan de studie beginnen, komen ze in de meeste gevallen van de middelbare school. Ze wonen nog thuis of zijn net op kamers gaan wonen. Hun spiritualiteit kent veel zekerheden en over morele kwesties valt niet zelden een strikte mening te beluisteren. Inherent aan hun levensfase is dat ze over weinig of geen morele kwesties hebben kunnen reflecteren. Een vak als WLO roept nogal eens verzet op en een begrip als ‘spiritualiteit’ wordt naar het land van New Age verwezen. Niet alleen door een vak als WLO, maar ook door de trainingsvakken als Sociaal Agogische Vaardigheden, groepswerk en supervisie, verwerven studenten competenties als reflecteren op o.a. hun eigen religieuze socialisatie. Het proces van “discernment” is dan al begonnen. De gevolgen van dit proces kunnen velerlei zijn.

3 Conclusie

Dagelijks probeer ik te bidden naar God om zo een relatie met God op te bouwen. Opbouwen omdat ik elke keer weer besef dat ik God zo vaak vergeet. Mijn omgang met God kenmerkt zich door mezelf afhankelijk te maken van Hem (wat ik overigens heel moeilijk vind). Ik ervaar in mijn dagelijks leven dat God bij mij is door situaties die in mijn leven komen. Ook ervaar ik Gods aanwezigheid op momenten dat ik het zelf niet meer kan maar dat Hij me sterkt (Jacoline).

De Heere wil in Zijn voorzienigheid ook leiden. Zo heeft de Heere ook mijn huidige werkplek gegeven. In Zijn voorzienigheid opent God soms wegen, maar Hij sluit ze ook. Toch blijf ik het moeilijk vinden om te weten wat Gods wil is in mijn leven. Ik wil ook heel snel Gods Woord naar mijzelf toewenden. Ik vraag me dan ook vaak af of ik het zelf zo graag wil, of dat het Gods weg is. (Rebekka)

De gestalte van bevindelijk-gereformeerde spiritualiteit is de relatie tussen God en mens, de verborgen omgang. De bevindelijk-gereformeerde leer bestaat uit drie Goddelijke Personen, de Heilige Drie-Eenheid: God, de Hemelse Vader, God, Zijn Zoon en God, de Heilige Geest. De kern van het bevindelijk geloof wordt gevormd door het leven, lijden en sterven van de Here Jezus. De Here Jezus is als Redder en Verlosser door God de Vader vanuit de hemel naar de aarde gezonden om die breuk te herstellen. In en door Christus vormen de gelovigen één heilige, algemene christelijke kerk. In de omgang met God spelen Temptatio et Gaudium, wat onder meer blijkt uit predestinatie, wedergeboorte en bekering en uit de rust en vreugde van hen die “doorgeleid” zijn en zicht hebben op de eeuwigheid. Uit de besproken kernbegrippen van de bevindelijk-gereformeerde spiritualiteit blijkt dat het om een strakke leer gaat, gefundeerd op een degelijke gereformeerde dogmatiek, die evenwel ook tot afsplitsingen en scheuringen heeft geleid. De bevindelijk-gereformeerde gezindte vormt weliswaar een stroming binnen de orthodox-gereformeerde protestanten, maar geen eenheid wegens de verschillen in het beleven van de bevindelijk-gereformeerde spiritualiteit.

Hoofdstuk 4 Bevindelijk-gereformeerde spiritualiteit (vorm)

1. Inleiding

Voor mij zijn kerkmuren niet heel belangrijk. Ik vind het alleen belangrijk dat het Woord van God recht gepreekt wordt. (Sippora)

Over mijn eigen gezindte spreek ik al snel kritisch. Ik vind het niet goed dat mensen zo-maar alles klakkeloos aannemen. Toch zijn het vooral de vormen waar ik kritiek op heb. Het inhoudelijke geloof is bij mij nooit onderwerp van kritiek. Ik merk dat ik de laatste tijd wel steeds meer heel positieve zaken begin te zien in de gemeente. Ik word er daardoor ook naar anderen positiever over. Ik denk dat dit komt omdat ik de ‘vormen’ steeds meer kan scheiden van het wezenlijke van de kerk. Ik zeg wel eens: de kerk is mensenwerk maar de gemeente is Gods Werk. In de kerk zijn er nog veel tekortkomingen. Naar mensen die niet gelovig zijn, spreek ik ech¬ter altijd positief over mijn kerk. Ik wil hen het positieve laten zien van het leven in een gemeenschap waarin we elkaar steunen en bemoedigen. (Esther)

We hebben de bevinding nodig, want de bevinding die wekt hoop en de hoop die be-schaamt niet, omdat de liefde Gods in het hart is uitgestort. Het moet bevindelijk beleefd worden dat we gevangen slaven zijn van de vorst der duisternis, dat we onder de macht der zonde liggen, maar het moet ook bevindelijk geleerd worden dat we verlost worden door die enige Verlosser.

In het vorige hoofdstuk kwam de inhoud van bevindelijk-gereformeerde spiritualiteit aan de orde. In dit hoofdstuk wordt de vorm besproken. De inhoud van bevindelijk-gereformeerde spiritualiteit noemen we ook wel de ‘gestalte’ of wel de binnenhorizon en de vorm van bevindelijk-gereformeerde spiritualiteit de buitenhorizon. In dit onderzoek hanteer ik de tweedeling inhoud en vorm. Een lidmaat van een bevindelijk-gereformeerde gemeente maakt deel uit van wat zij zelf vaak geloven: de ‘ware kerk’ of althans een manifestatie daarvan. Dit kerkbeeld heeft de volgende kenmer¬ken: 1. zuivere prediking van het Evangelie; 2. zuivere bediening van de sacra¬menten en 3. gebruik van kerkelijke tucht, die dient om de eerste twee kenmerken te kunnen handhaven. De bevindelijke kerken kenmerken zich door een fijnmazige cultuur. Ik bedoel met deze sociologische term een klimaat met een relatief sterke sociale con-trole. De leden van de kerkelijke ge¬meente kennen elkaar doorgaans en zijn van elkaars gezins -, en familieomstandigheden op de hoogte. De leden van de gemeente conforme¬ren zich veelal aan de kerkelijke uitgesproken en niet-uitgesproken regels. Het negatieve etiket dat bevindelijk-gereformeerden hebben, wordt door hen geaccepteerd. In feite doet het er niets toe. Men wil ook anders zijn. Veel gelovigen zijn naar binnen ge¬richt en hebben weinig boodschap aan de ‘buitenwereld’. Er kan zelfs sprake zijn van een besloten cultuur. Graafland betreurt dit en ziet hier ontrouw aan de opdracht die gelovigen indivi¬dueel en collectief hebben. Tegelijk blijft maatschappelijke acceptatie mogelijk door positieve groepseigenschappen, die aansluiten bij de hoofdtrekken van de samenleving. Voorbeelden hiervan zijn de acceptatie van de maatschappijstructuur en een burgerlijke instelling. Bevindelijk-gereformeerden leven, werken en studeren steeds meer in de maatschappij. Hoewel er zeker nog eigen organisaties, scholen en verenigingen zijn, is de Christelijke Hogeschool Ede een voorbeeld waar verschillende vormen van christelijke spiritualiteit samengaan. De Heilige Geest richt ons leven niet alleen in Christus op God, maar werpt ook de vensters open in de rich¬ting van het gewone leven. We spreken dan in navolging van Calvijn van “doorwerking in het gewone leven.”

2. Wat bevindelijk-gereformeerden belijden

Als u onder mensen verkeert, van welke aard dat dan ook is, moet u onder deze mensen met God wandelen.

Op het moment dat ik de leiding van God in mijn leven ervaar, voel ik rust. Ik ben me er niet altijd van bewust dat God mijn leven leidt, maar soms gebeurt er ineens iets waardoor ik er wel bewust van word. (Sippora)

Ik ervaar soms dat God mijn leven leidt maar ook regelmatig dat ik zelf m’n leven leid zon-der God. Omdat ik soms toch het gevoel heb dat ik het allemaal zelf doe. Toch weet ik dat God bij mij is en mijn leven leid met wat ik ook doe: Hij is bij mij. Dit ervaar ik door kleine maar ook grote gebeurtenissen. (Rachab)

De kerken van de Reformatie krijgen de benaming ‘gereformeerd’. Van later datum is de benaming ‘hervormd’. Het spreken over de ‘gereformeerde gezindte’ dateert uit de tijd van na de Afscheiding (1934), wanneer G. Groen van Prinsteren (1801-1876) het goed recht van ge-reformeerd denkenden gaat verdedigen. De gemeenschappelijke opvattingen en kenmer¬ken van het geloof binnen de bevindelijk-gereformeerden zijn:

Ja, Hij spreekt tot mij. Ik herken mij in de tekst: “Laat de kinderkens tot Mij komen.” (Markus 10:14) (Elisabeth)

1. De kern van het geloof; het belijden van de onvoorwaardelijke souvereiniteit van de vrije genade van God;
2. Nadruk op de leer van de uitverkiezing of predestinatie, volgens welke God van eeu-wigheid tot eeuwigheid besloten heeft wie zalig zal worden en wie niet;
3. Noodzaak van bekering, als bewijs van het uitverkoren zijn;
4. Het onderscheid tussen bekeerden en niet-bekeerden;

Ik ervaar het ook als heel uitdagend dat God mijn leven leidt. Ik ben benieuwd naar het plan dat Hij voor mij heeft in de toekomst en dat vind ik best spannend, het geeft mij ook veel rust. (Abigaïl)

5. De bevinding als strikt persoonlijke omgang met God als vrucht van de bekering;
6. Berusting in alles wat door de voorzienigheid van God de gelovige overkomt;
7. Lijdelijkheid als belijdenis van persoonlijke onmacht iets aan eigen zaligheid te kun¬nen doen;
8. Het belijden van de Bijbel als Woord van God, dat gezaghebbend is en spreekt over de Drie-eenheid, God, de Vader, God, de Zoon en God, de Heilige Geest, , het zondig zijn van de mens, verzoening door het bloed van Jezus Christus, ver¬kiezend handelen van God, noodzaak van wedergeboorte en persoonlijk geloof, leven tot Gods eer, gehoorzaamheid aan de Bijbelse geboden;
9. Begrenzing van het geloof: het belijden van het geloof der kerk, zoals omschreven in de “Drie Formulieren van Eenheid”, die in de Reformatietijd ontstonden: Hei¬delbergse Catechismus, Nederlandse Geloofsbelijdenis en Dordtse Leerregels;
10. Geloof dat de Bijbel het zuivere, door God geïnspireerde Woord is. Hiermee wordt bedoeld de Sta¬tenvertaling uit 1637;
11. Het geloof in de werking van de Heilige Geest, die het Woord van God toepast aan het hart van de gelovige;
12. Grote waardering voor ‘oude schrijvers’ uit de 17e en 18e eeuw;

2.1 Dag des Heren

Op de dagen voor de sabbat of de dag des Heeren, moet u deze gedenken (Exodus 20: 8,9) zodat u geen van uw aardse bezigheden ongedaan laat of tot dan uitstelt; vooral op zaterdag moet u zich daarop voorbereiden.

De dag bij uitstek waarop de mens God ontmoet en eert in de erediensten, twee maal per zondag, is de Dag des Heren. Het is voor de Nadere Reformatie een onbetwistbare zaak dat het vierde gebod moreel van aard is, dus altijd geldend. Het is niet genoeg dat de gelovige op die dag rust, hij moet heilig rusten. Omdat te doen moet hij reeds bij het ontwaken op de dag des Heeren onderscheid maken tussen deze dag en de andere dagen.
Voor de rechter stroming binnen de Confessionele Vereniging, de Gereformeerde Bond, de Gereformeerde Gemeenten en de andere orthodox-gereformeerde kerkge¬nootschappen en geloofsgemeenschappen, bijvoorbeeld “Thuislezers”, is de zon¬dagsrust vanzelfsprekend. Op de ‘Dag des Heren’ staat de kerkgang centraal en mag alleen het meest noodzakelijke werk gedaan worden. In de erediensten zingt men alleen psalmen. Er bestaan verschil¬lende uitgaven van psalmboeken. Men spreekt wel over de ‘oude berijming’ (1773). Er is een verschil in welk tempo de psalmen worden gezongen. De meeste bevindelijk-gerefor¬meerde gemeenten zingen niet-ritmisch.

2.2 Preek

De prediking vormt het hart van de gemeente. Hier vindt de bediening der verzoening plaats. De Heere gebruikt het persoonlijk onderzoek van Gods Woord, maar de publieke eredienst heeft een meerwaarde. Zoals men in het Oude Testament verlangde naar het heiligdom, zo neemt thans de openbare samenkomst van de gemeente deze plaats in. Hier is de tegenwoordigheid van de Heilige Geest in het bijzonder merkbaar in het beslag op de gemeente.

De prediking vormt het hart van de gemeente. Hier vindt de bediening der verzoening plaats. De gemeente wordt geboren uit het Woord van God. Iedere preek wordt gemaakt en gehouden vanuit het geloof dat God drie-enig is: Vader, Zoon en Heilige Geest. Zij zijn elk God en gelijkwaardig. Dit is een mysterie. Christus staat in het centrum van de prediking. Tegelijk beseffen we dat Hij is gezonden door de Vader en gezalfd met de Hei¬lige Geest. Ons leven wordt gedragen door de diepe overtuiging van de drie-eenheid. Dit noemen wij trinitarisch-christocentrische prediking.

In de prediking klinkt het dat God Die de wereld heeft geschapen, haar na de zondeval niet heeft losgelaten. Hij heeft de wereld die in het boze ligt zo lief gehad, dat Hij Zijn enigge¬boren Zoon heeft gegeven (Joh. 3:16). De Vader heet vaak rechtvaardig tegenover de barmhartigheid van de Zoon. Dat is een verkeerd godsbeeld. De Vader is barmhartig en rechtvaardig. De Zoon is eveneens barmhartig en rechtvaardig.

Ontdekkende prediking wordt vaak gezien als een prediking, waarin breedvoerig over de zonde wordt gesproken. Vaak gebeurt dit weinig concreet en persoonlijk. Wij verstaan onder ontdekkende prediking ook het openleggen van allerlei vormen van ongeloof, het opsporen van vluchtwegen om God uit handen te blijven en het onthullen van wangestalten in het geestelijk leven van de gelovigen.

Bevindelijke prediking heeft een ontdekkende en ontmaskerende werking. Er wordt on¬derscheid gemaakt tussen voorwerpelijke prediking en onderwerpelijke prediking. Het voorwerpelijke is de beschrijving van het heil buiten ons. Het legt de na¬druk op Christus, Zijn Persoon en Zijn werk. De onderwerpelijke prediking legt meer de nadruk op het werk van de Heilige Geest. Het on-derwerpelijke houdt zich bezig met het heil binnen ons. Er is zaligheid voor de mens en er is zaligheid in de mens. Het accent wordt gelegd op de genadewerking in het hart van de mens. Voor predikanten die sterk de nadruk leggen op het voorwerpelijke aspect, gaat het niet zozeer over de majesteit van het Woord van God, maar de onderwerpelijk gerichte gemeente verlangt vooral naar een verklaring van de weg. Men wil graag horen langs welke weg de ziel kennis krijgt van de weg, die God met een zondaar gaat en langs welke weg de ziel kennis krijgt aan de genade. In de prediking verlangt men tegenover de ‘objectiviteit’, de innige ‘subjectieve ‘bevinde¬lijkheid’, tegenover ‘voorwerpelijke’ de ‘onderwerpelijke’ prediking. De nadruk op bevin-ding is doorgaans op te vatten als een reactie tegen een veruitwendiging van het ge¬loofsleven in de kerk, tegen ‘geesteloze’ predikanten en tegen een ‘Kopfglaube’ in het religieuze leven. In de bevindelijke prediking wordt nogal eens verkondigd, dat er één ab¬soluut moment in de christelijke existentie is, het uur der minne (Comrie) of een ston¬detje der minne (Smytegelt); een moment dat gefixeerd kan worden en waar alles om draait. In dit ene moment zouden alle beslissingen voor tijd en eeuwigheid eens voor¬goed in principe vallen. Bij deze invulling van bevinding denkt men vooral aan theologen uit de Nadere Reformatie, zoals Schortinghuis, Het innige Christendom, Verschuir, Waarheid in het binnenste of bevindelijk godgeleerdheid (1737) en Smytegelt met zijn 145 preken over het gekrookte riet. (Verder is er te denken aan: Sicco Tjaden, Lodensteyn, Comrie, Hel¬lenbroek, Willem a Brakel). In een wereld waarin we steeds vaker horen dat God afwezig is en waarin dus de omgang van God en mens allerminst vanzelfsprekend is, is het van belang het thema van de aanvechting ter sprake te brengen. De aanvechting vormt een cruciaal thema als het gaat om bevindelijk preken. De prediking is in cri-sis. Gemeentele¬den zitten verlegen om een ‘heractualisering’ van de wedergeboorte. Dat zou kunnen aan de hand van de Heidelbergse Catechismus: De mens leert zichzelf kennen als schuldig en zondig in zijn eigenzinnig God-loos bestaan. De mens ontdekt zichzelf niet, maar hij wordt (aan zijn verlorenheid) ont¬dekt. Wij ontdekken Jezus niet, maar wij wor¬den door Hem ontdekt (voorbeeld Johannes 4). Het lijkt een passief gebeuren (en zo wordt het ook vaak gepredikt), maar het is een verbazing, verwondering, dat past bij een nieuw leven. Het ontdekt en geraakt worden door de Here God als de Heilige Geest in de mens begint te werken, is verrassend. Er treedt een breuk op, die de oude mens ver¬brijzelt en de nieuwe mens een nieuw leven geeft. De Heilige Geest maakt ons Christus bekend met wie wij ons verbonden mogen voelen.
Kortom: De vraag onder iedere prediking is: Moeten wij zoeken naar een luisterend leven, dat zo zuiver is afgestemd, dat stoorzenders van eigen hart, van wereld en ervaring, niet meer meeklinken?

Bij elke preek druppelt het bloed van Christus op de gemeente. (citaat n.n.)

Dit evangelie wordt aan alle zondaren verkondigd met bevel van geloof en bekering. Christus komt tot ons in het gewaad van Zijn Woord, Zijn beloften. Hij nodigt dan ook alle zondaren zonder onderscheid. Zijn nodiging is ernstig en welgemeend. Hoe diep be¬wogen was Hij met het onbekeerlijke Jeruzalem. Wenend roept Hij hen tot Zijn vrede (Luk. 19:41-42).De prijs voor ons behoud is betaald. Het offer van Christus is genoeg om ieder mens te reinigen. We doen altijd wat, òf we nemen Christus door het geloof aan òf we verwerpen Hem. Het onbekeerd-zijn is niet iets passiefs, maar we doen dat actief. We moeten iets doen om verloren te gaan, namelijk Christus Die Zich aan ons geeft, verwer¬pen. Als we onbekeerd de kerk uitgaan, achten we het bloed van de Here Jezus onrein. Ongeloof is erger dan moord.

2.3 Gebed

Ik heb stage gelopen in een justitiële residentiële inrichting. Ik heb daar geen negatieve ervaringen gehad als ik iets over mijn geloof vertelde. Ik heb belangstelling ervaren. Ook van meerdere collega’s o.a. een die moslim is. Ik heb me ook wel afgevraagd hoe ik nu aan zo’n stage kom. Waar ik (uiteindelijk) kom te werken heb ik met de Heere bereikt. (Sara)

Je moet weten wie je bent. Er is ook ellende (kennis) waar je doorheen moet. Het is ook droefheid naar God. (Ruth)

Steeds als ik denk: hier kom ik niet doorheen, dit kan ik niet, wil de Heere mijn gebed verhoren en me toch weer de kracht geven om te doen wat ik moet doen. Vooral ook in tijden van ziekten en zeer. De Heere wil helpen, maar Hij wil er wel om gevraagd worden. Steeds weer merk ik dat wanneer ik de dingen in eigen kracht denk te kunnen doen, dat het dan vaak verkeerd gaat. (Rachel)

In de meeste bevindelijke gemeenten is er aan het begin van de dienst, na de Tien Woorden, het ‘grote gebed’. Tijdens dit gebed gaan de kerkenraadsleden staan. In sommige gemeenten gaan alle mannen en jongens staan. In het gebed wordt schuld beleden, ge¬beden voor de wereld, de gemeente, en de opening van het Woord. Tijdens het gebed gebruikt de predikant vaak delen uit bijbelteksten of psalmen. De woorden zijn vaak in het Oudnederlands en zeker niet te populair of te ‘horizontaal’. Hij gebruikt eveneens vaak de tweede naamval en de optativus. Voor buitenstaanders is het gebed niet altijd te be¬grijpen door de uitdrukkingen als: Wanneer God de mens arresteert, wordt hij ontdekt aan zijn geestelijke doodsstaat.” en “Als God u levend maakt aan uw ziel, dan wordt de zonde levend.” En Jezus wordt soms genoemd: “De Held bij Wien hulpe besteld is.” In het gebed kan ook het verlangen van “droefheid naar God” kenbaar gemaakt worden. Het grote gebed duurt meestal tussen de tien en vijftien minuten. Na het gebed wordt er een psalm gezongen.

2.4 Heilig Avondmaal

Al die tijd stond de dominee voor in de kerk uitnodigend te preken. Die bleef gewoon door¬praten en uitnodigen. Maar iedereen wist zijn of haar plaats. Iedereen wist of de uitnodi¬ging wel of niet aan hem of haar gericht was.

Het Heilig Avondmaal is een van de twee sacramenten die de protestantse kerken heb¬ben. Het andere sacrament is de Heilige Doop. Avondmaalsdiensten worden in bevinde¬lijke gemeenten in het algemeen vier maal per jaar gehouden, het minimum dat de Kerkorde voorschrijft. De viering van het ‘Heilig Avondmaal des Heeren’ staat centraal. Het is verder een bijzondere dienst, omdat het dogma van de uitverkiezing zichtbaar wordt in de gemeente. Aan het Heilig Avondmaal nemen alleen bekeerde gemeenteleden deel. Degenen die niet deelnemen, zijn nog niet bekeerd of durven zich daartoe (nog) niet te rekenen. Avondmaalsdiensten duren soms wel twee uur. Het aantal deelnemers aan het Heilig Avondmaal verschilt per gemeente. Soms zijn er maar enkelen die aan Tafel gaan. Gemeenteleden die nog geen belijdenis van hun geloof hebben afgelegd en kinderen mo¬gen in de bevindelijke kerken niet aan het Heilig Avondmaal. Naast het ‘afhouden van de Tafel’, kan het ook zijn dat de kerkenraad van mening is dat een gemeentelid niet aan het Heilig Avondmaal mag deelnemen. Dit wordt dan meegedeeld tijdens een huisbe¬zoek. Wanneer je op jonge leeftijd deelneemt aan het Heilig Avondmaal wordt er van opgekeken en wordt verwacht dat de avondmaalsganger over zijn of haar bekering ver¬telt.

3. Diaconaat en pastoraat

Als gemeente hebben we plaatse¬lijk een systeem opgestart waarbij gemeenteleden elkaar onderling willen helpen en bij¬staan. Vrijwilligers melden zich aan en stellen zich zo beschikbaar. Ieder die moeilijk uit de voeten kan, kan hierop een beroep doen. We hopen op deze wijze de onderlinge be¬trokkenheid van de gemeente te vergroten. Het is onze hoop dat op deze wijze ook naar buiten straalt: “Ziet, hoe lief zij elkaar hebben”. Een andere manier waarop wij uitdrukking willen geven aan de dienende liefde van Christus is het evangelisatiewerk onder rand- en onkerkelijken. (4e jaars keuzevak pastorale counseling)

3.1 Diaconaat

Ik werk op een reformatorische voorziening en dan is het nog moeilijk om over mijn persoonlijke omgang met de Heere te spreken. Ik vergelijk dit nog wel eens met thuis. Ik ben snel bang voor wat mensen wel zullen denken en misschien wel veroordelen. Toch kom ik er steeds meer achter dat het niet om mij gaat, maar wel om de eer van God. Zo hebben wij ook een deskundige in huis, die niet christelijk is. Met hem vind ik het gemakkelijker om te spreken over wat de Heere voor mij betekent. (Rebekka)

De gemeente als lichaam van Christus heeft ook een roeping naar de omgeving. De ge¬zindheid van Christus mag aan de gemeente herkenbaar zijn. Hij is uit de hemel geko¬men en heeft alle rijkdom afgelegd om het goede voor anderen te zoeken (2 Kor. 8:9). Hij ging het land door en deed wel aan ieder. Hij was daarbij niet berekenend, maar on¬baatzuchtig. De Here doet wel aan rechtvaardigen en onrechtvaardigen. De zon schijnt niet alleen over Zijn kinderen, maar ook over Zijn vijanden (Matth. 5:45). In dit kader functioneert ook de diaconie. De bediening van barmhartigheid is bedoeld om gemeenteleden in nood bij te staan. Niet alleen in financiële noden, maar ook in andere maatschappelijke en psychische problemen. Men is daarbij niet alleen betrokken op de gemeente zelf, maar men ondersteunt ook hulpverlenende instanties.

3.1.1 Hulpverlenen en hulp vragen

Op dit moment heb ik huwelijksproblemen. De Heere heeft mij deze man gegeven. Hij is zorgzaam, maar eigenlijk praten we nooit samen. Hij heeft het ook druk. We zijn wel eens samen naar de dominee geweest. Ik heb geprobeerd te zeggen dat ik wat miste, dat dit niet mijn droom van het huwelijk is. Hij luisterde wel, maar och, ik ben er niet verder mee gekomen. Als je naar een hulpverlener van onze gezindte gaat, hoor je hetzelfde. Maar, het is voor mij wel eens de vraag of God steeds mensen in het huwelijk voor elkaar bestemt. (citaat uit gesprek n.n.)

Op het terrein van de algemene en geestelijke gezondheidszorg en het maatschappelijk werk zijn er veel organisaties. De bekendste is Eléos, ontstaan uit een fusie van GLIAGG “De Poort”, het GPZ “De Fontein en de GLIBW. “De Poort” is in 1977 opgericht. Initiatiefnemers uit de gereformeerde gezindte wilden voorzien in Bijbels-genor¬meerde hulpverlening aan mensen met psychische problemen die onvoldoende ver¬trouwen hadden in het hulpaanbod van seculiere hulpverleningsorganisaties. Het GPZ (Gereformeerd Psychiatrisch Ziekenhuis) is in 1981 opgericht. Reden voor oprichting was de behoefte aan psychiatrische hulp die aansloot bij de gereformeerde levensovertuiging. Het ziekenhuis ligt in Bosch en Duin en heeft enkele poliklinieken. Enkele andere voorbeelden: In 1978 is het Richtsnoer opgericht, een Protestants Christelijke Vereniging voor verpleegkundigen e.a. werkers in de gezondheidszorg. Het Woord van God is het richtsnoer voor hun handelen. De vereniging maakt zich o.a. zorgen over de ontwikkeling van New Age (yoga, transcendentie meditatie, genetic counseling) en over ethische vraagstukken (abortus provocatus, donorinseminatie, seksualiteit in verpleeghuizen). In 1980 is Stichting Schuilplaats als hulpverleningsorganisatie opgericht uit zorg over het verval van medisch-ethische waarden en normen rond levensbegin en levenseinde. De Vluchtheuvel in Woerden is een organisatie voor maatschappelijk werk vanuit de Gere¬formeerde Gemeenten. Een team van gekwalificeerde maatschappelijk werkers biedt lan¬delijk hulp.
Bij gezinsproblemen staan de bevindelijk-gereformeerden overwegend negatief tegen¬over het hulpaanbod van algemene hulpverlenende instellingen zoals de RIAGG. Men verwijt de RIAGG-medewer¬kers vaak weinig respect te tonen voor het geloof van de or¬thodox-gerefor¬meerde cliënten. In deze kringen maakt Eléos de laatste jaren steeds meer naam en heeft van velen het vertrou¬wen.

Op de Hogeschool kan ik nog het meest open spreken over mijn geloof. Juist ook het persoonlijke aspect van geloven, komt in gesprekken veel naar voren. Op de Hogeschool spreek ik, in tegenstelling tot bijvoorbeeld op mijn werk, ook over mijn twijfel en moeite met het zoeken en vinden van God. Op de hogeschool spreek ik, net als op andere plaatsen, positief over mijn omgang met God. De gesprekken worden hierdoor dieper. (Esther)

3.2 Pastoraat
In deze paragraaf bespreek ik verder drie stromingen in het pastoraat: de ke¬rugmati¬sche stroming, de hulp¬verlenende stroming en de stroming van het pastoraat als ont¬moeting. Ik ben mij ervan bewust dat er meer stromingen of scholen te noemen zijn. Afhan¬kelijk van de pas¬torale situatie zal de pastor – al of niet bewust – een keuze ma¬ken. In orthodox-bevindelijke gemeenten zal vaak gekozen worden voor de kerugmatische stroming, hoewel er ook veel waarde gehecht wordt aan de ontmoeting. Wanneer een gemeentelid op zijn zonden moet worden aangesproken, neemt het pastoraal gesprek het karakter aan van een ‘Kampfgespräch”.

3.2.1 De verkondigende stroming

In mijn stage vorig jaar was God echt de basis van waaruit wij werkten. En vooral naar de kinderen, waarmee ik gewerkt heb, was dit een heel open onderwerp. Door met hen biddend bezig te zijn, ook als een onderdeel van het hulpverleningstraject en proces hoorde dit bij de ‘dagelijkse gang van zaken’. (Abigaïl)

Wie zich met de pasto¬rale theologie van de vorige eeuw bezighoudt, komt vrijwel onmid¬dellijk de naam van Eduard Thurneysen (1888-1974) teg¬en. Hij stelt dat zielzorg een be¬paalde vorm van Woord¬verkondiging is. Deze Woord¬verkon¬diging is individueel, richt zich tot de enkeling en houdt rekening met de toestand van de mens die de pastor ontmoet. Hij ziet dus de ziel¬zorg als individualiserende Woord¬verkon¬di¬ging, waarbij de nadruk ligt op de inner¬lijke ver¬houding van de mens tot God en die op het hele bestaan van de mens gericht is. Van beslis¬sende betekenis voor zijn theologie was de vriendschap met Karl Bar¬th. Barth was van 1911 tot 1921 pastor in Safenwil, een plaatsje op korte afstand van Leutwil waar Thur¬neysen pastor was. Als reactie op de liberale theologie van de negen¬tiende eeuw en de gebeur¬tenissen in en na de eerste wereldoorlog komen de twee vrien¬den samen tot hun dialektisch-theolog¬isch uit¬gangspunt: de verkondiging van God als de Ganz Andere. Prediking en ziel¬zorg zijn beide Woordverkon¬diging. De werke¬lijkheid van het leven van de mensen en van de wereld komt in het licht van God te staan, op¬dat zij die de prediking horen, zullen weten wie God is en wat Hij doet, hoe het gesteld is met de wereld en met de mensen en wat er geschiedt als God in ons leven het Woord neemt¬. Immers in de preek wordt een tekst van de Bijbel uit¬gelegd. De vooronder¬stelling van deze handelwijze is, dat deze tekst van de Bij¬bel iets te zeggen heeft voor het leven van de mens en de gemeente in het he¬den, dat deze tekst een Woord van de Here God be¬vat, tot de ver-gaderde ge¬meente gericht, en dat dat Woord van God ook nu kracht heeft. De preek op de zondagmorgen poogt zich dus ten dienste te stellen van het Woord van God. De preek staat in dienst van het kerugma, van de verkon¬diging van het heil, dat in Jezus Chris¬tus geko¬men is. Het vraagt heel wat van de pastor om de ander, de pastorant, wer¬kelijk te ont¬moe¬ten. Want alleen van¬uit een ontmoeting waarin de pastor de ander aan¬vaardt kan het gesprek over een ‘andere manier van leven’ gaan. Sprechen heisst lieben en de pastorale communica¬tie is (daarom) meer dan de men¬selijke dia¬loog.
Alle leden van de gemeente ervaren steeds weer dat zij worden aan¬gevoch¬ten door de zon¬den, door de moeiten en het lijden. Tegelijker¬tijd is er ruimte voor woorden van bemoedi¬ging, troost, uit¬zicht in het licht van de grote Vooronde¬rstelling en de belof¬te van de Geest. Immers, de zonde is geen lot, maar keuze en dáárom ook schuld, die dient te wor¬den beleden voor de Here God. Als de ver¬loren zoon thuiskomt, belijdt hij: Vader, ik heb gezondigd tegen den Hemel, en voor u, en ben niet meer waardig uw zoon genaamd te worden. En, als David, na de ontmaskering door Nathan, ontdekt wat hij heeft misdaan, roept hij uit: Tegen U, U alleen, heb ik gezondigd, en gedaan, dat kwaad is in Uw ogen. Er zijn even¬wel situaties denk¬baar waar het gesprek on¬mogelijk is, maar dat de aanwezigheid van de pastor tòch van een niet te schat¬ten waarde blijkt. Vanuit deze pastorale ¬houding moe¬ten dan le¬venspro¬blemen, angsten en verlangens, be¬sproken worden. Die ruimte is er ook, want alle leden van de gemeenschap er-varen steeds weer dat zij worden aan¬gevochten door de zonden, door de moeiten en het lijden, zoals we in Job lezen: Hij openbaart de diepten uit de duis¬ternis, en des doods schaduw brengt Hij voort in het licht. Het leven van de Here Jezus is, als het om schuld ver¬geven en veroor-delen gaat, een para¬dox. Het veroordeelt mensen om hun leven en leer. Anderen vergeeft hij. Tegen de schriftgeleerden spreekt hij harde woorden. Tegen een overspe¬lige vrouw zegt Hij: Zo veroordeel Ik u ook niet; ga heen, en zondig meer.

3.2.2 Hulpverlenende stroming
De tweede grote stroming is die van de ‘therapeutische ziel¬zorg’ of de ‘pastorale counse¬ling’. Grondlegger van deze stroming is Anton T. Bo¬isen, (1876-1965) die een duidelijke relatie ziet tussen psy¬chische moeilijkhe¬den en reli¬gieuze ervarin¬gen. In zijn casestudies gaat hij uit van de mens als ‘living human document’. Pas¬toraat staat bij hem vooral in het teken van crisisver-werking, waarbij de religieuze factor alle aandacht vraagt, met name de com¬ponent van de mense¬lijke schuld. Grote nadruk komt te liggen op ge¬spreksvoe¬ring, onder andere op de zoge-naamde verbatim-methode. Rogers, die met Abra¬ham Maslow be¬hoort tot de kring van de ‘hu-mani¬stic psychology’ legt het accent op menselijke groei en zelfver¬werkelij¬king. Zijn ‘pastorant-centered’ en ‘non-directive’ model heeft als kenmerken: empathie, con¬gruentie en een onvoorwaar¬delijke aanvaarding van de ander. Door de wijze van gespreksvoering wordt de ‘cliënt’ zich bewust van eigen ge¬voelens en wor¬den krachten tot groei los¬gemaakt.

3.2.3 Pastoraat als ontmoeting

Moeder kreeg opnieuw behoefte om het volk des Heeren in een naburige gemeente te bezoeken, om ook daar de grote werken Gods te verkondigen. Onder verzuchting tot de Heere om vrijgeleide, bereikte zij de plaats en nam haar intrek bij een oude bekeerde vrouw, waar juist twee boerinnen zaten. Zij was evenals Elihu, toen hij zei: “Ik zal spreken, opdat ik voor mij lucht krijge.” En zij begon dadelijk te vertellen wat de Heere aan haar ziel gedaan had. Hoe dat ze als een vuurbrand uit het vuur gerukt was en welke grote gunsten en weldaden God aan haar had bewezen. Die vrouwen zulks horende, en in hun geweten overtuigd zijnde van hun rampzaligen staat en toestand, en horende welk een gezegend voorrecht het was genade in Gods ogen gevonden te hebben, begonnen hardop te schreien.

De stroming pastoraat als ontmoeting vervult in zekere zin een brug¬functie tus¬sen pas¬toraat als verkon¬diging en pastorale coun¬seling. Ener¬zijds wil men recht doen aan de com¬municatie van het Evangelie in de pastorale relatie, anderzijds staat men open voor de communicatietheorie en psychotherapie. Kenmerkend voor deze benadering is de wijze waarop het her¬meneu¬tisch en het agogisch moment in het pastoraal optreden op elkaar betrokken worden via het werk van de Heilige Geest. Het is een verbondsmatige bena¬de¬ring. Binnen het ver¬bond heeft de Here God het eerste en het laatste woord, maar daar¬bin¬nen heeft de mens als part¬ner Gods een eigen verantwoordelijkheid, in navolging van Christus, geleid door de Geest.

Op mijn werk sta ik er open voor, ook naar de jongeren zelf en het team. Iedereen wist dat ik christen was. Als het onderwerp ter discussie kwam vond ik het interessant om wat te zaaien. (Asnath)

4 Leer

We maken in de eredienst gebruik van de Statenvertaling. Dit is niet de meest eenvou-dige vertaling, het is wel de meest letterlijke vertaling. Het Woord van God is reeds hon-derden jaren oud en ontstaan in een andere cultuur. Bovendien is het vanaf het begin van de christelijke kerk zo geweest dat bijbelse kernbegrippen vreemd zijn in deze wereld. Een woord als “wedergeboorte”, “bekering”, “geloof”, “rechtvaardiging” of “zaligheid” komt naar zijn eigenlijke strekking niet in de maatschappij voor. De bijbel kunnen wij derhalve nooit omzetten naar een vlot leesbaar boek. We zijn niet tegen een nieuwe vertaling op zichzelf. Ook de Statenvertaling is ooit een nieuwe vertaling geweest. De huidige nieuwe vertalingen stellen echter vertaalkundig en theologisch zeer teleur. De Statenvertaling is in haar taal¬gebruik soms verouderd, maar we verkiezen deze vertaling dan toch boven een onbe¬trouwbare weergave van Gods Woord.

Orthodox-bevindelijk gereformeerden weten zich gebonden aan de drie katholieke belij-denisgeschriften (apostolische geloofsbelijdenis, geloofsbelijdenis van Nicea en de ge-loofsbelijdenis van Athanasius), alsmede de reformatorische confessies (de Neder¬landse Geloofsbelijdenis, de Heidelbergsche Catechismus en de Dordtse Leerregels). Bovengenoemde binding aan de grondslagen van de ortho¬dox-gereformeerde kerken betekent dat de daarin verwoorde geloofstaal niets aan actu¬aliteit heeft verloren. Hoewel culturen veranderen, is God dezelfde. Gods Woord en Gods wet zijn niet zoals de techniek aan ontwikkeling onderhevig. Dat is ook een reden dat orthodox-gereformeerden zich verbonden weten met de kerk van alle eeuwen. De Kerk is het lichaam van Christus. De uitdrukking “lichaam van Christus” is niet alleen een beeld, maar ook de werkelijkheid voor de kerk. Christus wordt niet gerepresenteerd door ambtsdragers, maar Hij is Zelf tegenwoordig in de ambtelijke bediening van het Woord. Christus neemt vlees en bloed aan in de Zijnen door Zijn Geest. Al de gelovigen zijn met elkaar verbonden in geloof en liefde. Christus is het hoofd van dat wereldwijde lichaam. Als de kerk naar haar wezen het lichaam van Christus is, heeft dat meer consequenties. In de eerste plaats ligt daarin de onderlinge betrokkenheid van de gemeenteleden. Als één lid lijdt, lijden alle leden mee. Het lijden van het minste lid, is het lijden van het hele lichaam. Zo mag van gemeenteleden worden verwacht dat zij op elkaar zijn betrokken in blijde en droeve dagen. Het bezoeken van weduwen en wezen kan niet worden uitbe¬steed aan een ambtsdrager, maar is de roeping van allen in de gemeente (Jac. 1:27).
Orthodox-gereformeerden zeggen niet dat zij van Augustinus of van Kersten zijn, maar ze draaien het om: Augustinus, Calvijn, Owen, Van der Groe, Kohlbrugge, Kuyper, Ker¬sten en Bonhoeffer zijn van ons. Zo verstaan we met alle heiligen de lengte, hoogte en breedte van de diepte van Christus’ liefde (Ef. 3:18).
Het taalgebruik van de predikant en bekeerde gemeenteleden is vaak op de Statenverta¬ling geënt. Zo kan de predikant zeggen: Een bekeerd mens mag ‘thuiskomen’. ‘Hij is thuis’ betekent: Een bekeerd mens heeft zijn bestemming gevonden en is bij God. Hij is verlost uit het aardse tranendal. In alle bevindelijk-gereformeerde kerken geldt dat men een populaire manier van spreken tijden de preek of het gebed vermijdt.
Kortom: Aan de groep bekeerde gemeenteleden wordt door een deel van bevindelijk-gereformeerden een aantal kenmerken toege¬schreven: 1. Men veronderstelt een zekere onfeilbaarheid bij de bekeerde gemeentele¬den. De meningen van deze gemeenteleden gelden als zuiver, omdat de Heilige Geest in hen werkt; 2. Het idee van een ‘waarheid achter een waarheid’. Van de echte waarheid zijn de bekeerden de bezitters. Zij uiten dit door een bijzonder spraakgebruik, oorspronkelijk ontstaan in de gezelschappen bij het praten over elkaars omgang met de Here God; 3. Het idee dat bekeerde mensen iets goddelijks vertegenwoordigen; 4. Uit de bovenstaande punten vloeit de kritiekbestendig¬heid voort, die ontleend wordt aan het Bijbelse gebod om ‘Gods oogappel niet aan te ra¬ken’. Niet iedereen kan met deze kenmerken overweg. Zo zei een bekend bevindelijk predikant: Soms moeten uiterlijke kenmerken innerlijke leegte bedekken.”

4.1 Tucht
De uitoefening van de tucht is een wezenskenmerk van de ware Kerk. Dit is in de Nadere Reformatie geen kwestie van woorden, maar van daden. Waar de tucht, zowel voor wat de leer als het leven betreft, niet meer gehanteerd wordt, zet de ondergang van de Kerk in. De kerkelijke tucht functioneert nog steeds binnen de orthodox-gereformeerde gezindte. Zeker als het gaat om zaken als echtscheiding, overspel, seksueel misbruik of anderszins een onchristelijke levenswandel. De tucht is kenmerkend geweest voor het levensbesef van de gemeenten die door de herontdek¬king van de diepten van het heilrijk handelen Gods waren geraakt. Tucht moet gaan over allen, niet alleen over gewone leden van de gemeente, maar ook over koningen en vorsten. Het doel van de tucht is drieërlei:
a. De eer Gods; De gemeente Gods is heilig door onze positie in Jezus Christus. Hij is voor ons tot heiliging geworden (I Corinthiërs 1:30). Deze heiliging moet doorwerken in een geheiligd leven (I Petrus 1:15,16).
b. Het heil der kerk; Tucht moet ook doorwerken jegens hen die van de waarheid afwijken en door een valse leer, dwalingen of partijschappen de gemeente schaden (Titus 3:10,11). De Schrift eist dat ieder gemeentelid zelf tucht oefent volgens het ambt der gelovigen. De gelovigen ‘zijn machtig elkaar te vermanen’ (Romeinen 15:14); ze worden vermaand dagelijks voor elkaar te waken (Hebreeën 3:13). Wanneer er niet naar de broederlijke vermaning geluisterd wordt, dan moet een tweede broederlijke vermaning geschieden onder getuigen. Wordt de schuld erkend en de zonde verder nagelaten, dan ‘hebt gij uw broeder gewonnen’. Indien er niet naar de vermaning ge¬luisterd wordt, komt de kerkelijke vermaning. ‘En indien hij geen gehoor geeft, zo zeg het der gemeente.’ (Mattheüs 18:17).
c. Behoudenis der zondaar; Dat is volgens Kersten (zie 7.9.4) het voornaamste doel: behoud van hem, die zich zulk een behandeling nodig maakte. Hij benadrukt eveneens dat tot handhaving der tucht de gehele gemeente geroepen is. Paulus bevel “Hebt acht op elkander” geldt ieder lid.
De kerke¬lijke tucht is voor alles een genees¬middel, aangewend tot herstel, hoe scherp ze ook wezen mag. Het woord ‘tucht’ heeft in ons hedendaags kerkelijk spraak¬gebruik een negatieve klank. We denken aan uitsluiten of afsnijden. Positief betekent het woord evenwel: erbij houden, op de weg houden, bij de zaak waarom het gaat.
Calvijn spreekt er over in zijn Institutie: Daar we dus zien, dat reeds zekere beginselen van een gruwelijke verwoesting in de kerk op handen zijn, tengevolge daarvan, dat er geen zorg en overleg is om het volk in de band te houden, roept de noodzaak zelf uit, dat er een geneesmiddel nodig is. Verder is dit het enige geneesmiddel, hetwelk ook Christus voorschrijft, en dat altijd onder vromen in gebruik is geweest.
d. In de vierde plaats noemen wij de mutua consolatio, de wederzijdse vertroos¬ting en bemoediging. De reformatie legde hierop grote nadruk en in het piëtisme heeft deze gestalte van het pastoraat een grote vlucht genomen. De huidige nadruk op persoonlijke zielzorg is zonder het piëtisme ondenkbaar. Ook dit is een lijn die reeds in het Nieuwe Testament duidelijk aanwezig is. Het frequent voorkomen van het woordje elkaar is daarvan een teken.
We hebben dus te maken met de wortels van het pastoraat, die ook in de huidige praktijk doorwerken. De tekst die mij het meest aanspreekt bij de persoon en het handelen van de ‘herder’, de predikant, is uit Handelingen 20:28: Zo hebt dan acht op uzelven, en op de gehele kudde, over dewelke u de Heilige Geest tot opzieners gesteld heeft, om de Gemeen¬te Gods te weiden, welke Hij verkre¬gen heeft door Zijn eigen bloed.

5. Refo-zuil

Op de CHE heb ik het vaak over God. Dit komt vooral omdat je daar als christenen met elkaar bent. In de opleiding wordt er veel stil gestaan bij het geloof of in collega’s. Hier heb ik dan vaak met klasgenoten gesprekken over. Dit zijn open gesprekken, waarin iedereen zijn mening geeft. (Anna)

De Nadere Reformatie wilde letterlijk alle gebieden van het maatschappelijk bestaan zui¬veren en heiligen met behulp van de zuurdesem van de reformatie. Zo schrijft zij handlei¬dingen voor de boer, voor de zeeman, voor de visser, voor de handelaar, voor de sol¬daat. De legerleiding alsmede de Heren Zeventien van de V.O.C worden met verschul¬digde eerbied en tevens met een grote beslistheid op hun roeping en plichten gewezen.
De bevindelijk-gereformeerde gezindte is nog steeds nauw verweven met de S.G.P. De naam van dominee Kersten wordt in de geschiedenis van de S.G.P. nog steeds met respect genoemd. Gerrit Hendrik Kersten was predikant en politicus (Deventer 6-8-1882 – Waarde (Z.) 6-9- 1948). Hij trouwde op 13-7-1905 met Catharina Adriana Wisse. Uit dit huwelijk werden 6 zoons en 4 dochters geboren. Van 1922 tot 1940 heeft Kersten het gezicht van de SGP in de Tweede Kamer en in het land bepaald, ook nadat de fractie van 1929 tot 1937 met drie mensen in het parlement was vertegenwoordigd. Kersten, tevens hoofdredacteur van bevindelijk-gereformeerde (kerk) bladen De Banier en De Saambinder. Kerstens betekenis als predikant, politicus en ook als journalist is binnen eigen kring erg groot geweest. Hij was de ‘Abraham Kuyper’ van een bij uitstek streng orthodoxe achterban: evenals deze oprichter van een kerk, een krant, een politieke partij en zelfs eigen Theologische Hogeschool (Rotterdam). Hij was een erudiete man, die bijvoorbeeld de schrijvers van de ‘Nadere Reformatie’ grondig bestudeerde, en stimulator van ook de wetenschappelijke vorming van predikanten. Tegenover andersdenkenden wekte hij wel eens de indruk van onverdraagzaamheid, niet alleen in zijn geloof, maar eveneens in de politiek.

De mens dient niet de weg te gaan van disco’s, bioscopen, strandpaviljoens of goede wer¬ken, maar de weg die leidt naar een eenvoudige kerk, waarin de gedachte aan het nade¬rende einde en de vraag naar de eeuwigheid levend gehouden worden.

Nadat in de jaren ’60 een (groot) deel van de protestants-christelijke zuil – althans in de ogen van de gereformeerde gezindte – vervlakte en verwereldlijkte, kwam in de jaren ’70 een zuilvorming van de bevindelijk-gereformeerden tot stand. Deze zuilvorming kwam onder meer tot uiting in de oprichting van het Reformatorisch Dagblad en de uitbouw van het reformatorisch onderwijs. Vanuit de zorg voor het bij elkaar houden van de groepering en om het “pand te bewaren dat ons van de vaderen is overgeleverd”, is in de loop der jaren een bevindelijk-gerefor¬meerde zuil ontstaan. “Het gaat steeds om opvoeding en onderwijs in de vreze des Heeren. Wij worden geroepen om in een geseculariseerde samenleving gestalte te geven aan dit ideaal ten dienste van kerk, gezin en maatschappij.”

We zingen en bidden regelmatig met elkaar, bespreken moeilijkheden die je binnen het geloof hebt met elkaar etc. Dit gebeurt in de gospeltheek (christelijke discotheek), op de bijbelstudie, maar ook gewoon met vrienden thuis of op ‘Flevo festival’. Soms bellen we elkaar op, en bidden we over de telefoon met elkaar, of praten we gewoon ergens over. (Debora).

De refo-zuil bestaat uit een groot aantal organisaties en verenigingen. Aanvankelijk waren de bevindelijk gereformeerden sterk gekant tegen organisaties en verenigingen. Uitzonde¬ringen waren de S.G.P. en bijvoorbeeld de vrijwillige brandweer. Kerkelijk verenigingsleven werd, en wordt in sommige bevindelijke gemeenten, nog steeds gewantrouwd. Jongens en meisjesverenigingen zouden de leden ervan het idee kunnen geven dat de omgang met God ‘aangeleerd’ zou kunnen worden of bevorderd door collectieve activiteiten.

Ik heb het niet op kerkshoppen en vind dat ik in deze gemeente hoor, en me min of meer verplicht voel (omdat er al veel jongeren zijn weggegaan) te blijven, en in onze kerk te volharden, hoe moeilijk dat soms ook kan zijn. Soms heb ik ook wel eens behoefte om nieuwe mensen te leren kennen en een nieuwe gemeente binnen te stappen. Maar als iedereen dat gaat doen….. (Asnath)

Sinds de jaren vijftig zijn er enkele ‘eigen’ verenigingen en organisaties. Zo is er de ‘Vereniging tot bevordering van de Zondagsrust en Zondagsheiliging’ uit 1954. Later volgden onder an¬dere de Mbuma Zending en de Gereformeerde Bijbel Stichting (G.B.S.).
Voor het basisonderwijs is er vrijwel in iedere bevindelijke gemeente een basisschool. In de laatste decennia zijn er ook verschillende reformatorische scholengemeenschappen voor middelbaar onderwijs gesticht (Apeldoorn, Rijssen, Rotterdam, Dordrecht, Gouda, Hoevelaken, Kampen). De leerlingen worden desgewenst met bussen vanuit de verre omtrek naar de scholen gebracht. Met de Christelijke Hogeschool in Ede en het Saldenus-college in Amersfoort beschikt men bovendien over een aantal Hbo-opleidingen. De Ver¬eniging voor Gereformeerd Schoolonderwijs en de eigen schoolbegeleidingsdienst hebben meer dan 140 scholen onder hun hoede met ca. 35.000 leerlingen.
Naast het Reformatorisch Dagblad (1971) hebben de refo-tijdschriften ‘Terdege’ en ‘De Gezinsgids’ grote oplagen gekregen. Verder de eigen kerkbla¬den, zoals: ‘De Waarheidsvriend’ (Gereformeerde Bond binnen de PKN); ‘De Saambinder’ (Gereformeerde Gemeenten in Nederland en Noord-Amerika; ‘De Wachter Sions’ (Gereformeerde Gemeenten in Nederland); ‘Bewaar het Pand’ (Christelijk Gereformeerd); Het Gekrookte Riet” (Nederlandse Hervormde Kerk); ‘De Banier’ (S.G.P.-ers). Langzamerhand ontstond er een eigen ‘refo-cultuur’ met tegenwoordig refo-campings en refo-cafés. In deze gelegenheden wordt niet gedanst.

We discussiëren niet echt, maar soms praten we door over een bepaald onderwerp. Bijvoorbeeld over het dragen van een rok. Hier vragen medestudenten naar. Terwijl ik liever praat over de kern van het Evangelie. Mijn ervaring is dat docenten wel openstaan voor gesprekken. Met name wanneer docenten me wat langer kennen, vinden er wel open gesprekken met betrekking tot het geloof plaats. Ik merk dan dat docenten hier de eerste stap toe zetten. Het verbaast mij soms hoe benieuwd ze zijn, erg positief vind ik dit. (Ik denk dat dit ook komt door de opleiding, het is een bepaald slag volk op de SPH). (Sara)

De studentenvereniging Depositum Custodi werd in 1986 opgericht. De reden was de behoefte van bevindelijk-gereformeerde studenten om gezamenlijk theologische, ethi¬sche en maatschappelijke vraagstukken te bestuderen vanuit “het onveranderlijke, onfeil¬bare en heilige Woord van God”. De vereniging handhaaft in haar vergaderingen de Sta¬tenvertaling. Een andere reden was om in eigen kring te recreëren. De studenten zijn afkomstig uit de Gereformeerde Gemeenten, de Oud Gereformeerde Gemeenten, Gere¬formeerde Gemeenten in Nederland, Christelijk Gereformeerde Gemeenten (“Bewaar het Pand”) en de Nederlandse Hervormde Kerk (“Gekrookte Riet”).

6. In de gewone wereld
Het begrip ‘wereld’ heeft bij bevindelijk-gereformeerden de volgende betekenissen : 1. Met de wereld wordt alles bedoeld wat afleidt van Gods geboden en van het leven naar Zijn eer; 2. Met de ‘wereld’ wordt ook de niet-bevindelijke gereformeerde wereld bedoeld, die men over het algemeen als slechter ervaart dan de eigen wereld. Dat is onder andere een reden waarom na het verdwijnen van oude en betrouwbare protes¬tantse scholen, reformatorische scholen zijn opgericht; 3. Tenslotte wordt ook met de ‘wereld’ bedoeld: de aarde, het dieren – en het plantenrijk, het menselijk lichaam, het intellect, de talenten die ieder mens bij zijn geboorte meekrijgt. Zaken die bij de oor¬spronkelijke schepping behoren en zelfs nu nog een weerspiegeling zijn van wat eens was, een herinnering aan Zijn bedoelingen. De eerste twee ‘werelden’ zijn door de zon¬deval uit deze laatste wereld voortgekomen. God heeft na de zondeval de mensen wel het zicht op het goddelijke, maar niet hun ingeschapen Godskennis afgenomen. Zo kun¬nen de mensen goed van kwaad onderscheiden. De term ‘wereldgelijkvormig’ is vaak te horen in preken of te lezen in kerkbladen van de bevindelijk gereformeerde gezindte. Men vreest dat door toegenomen welvaart en ken¬nis de grens tussen het bevindelijk-gereformeerde en het ‘wereldse’ leven vervaagt.
In het gewone leven, van maandag tot zaterdag, zal de bevindelijk-gereformeerde gelovige oprecht leven naar Gods Wet. Vanwege de sterke nadruk op Bijbelse geboden en de vrees voor wereldgelijkvormigheid is er een cultureel conservatisme. Wat Gods Wet in het dagelijks leven inhoudt, wordt niet altijd eenduidig uitgelegd. In het algemeen ver¬foeien bevindelijk-gereformeerden de moderne cultuur, zoals de moderne ontwikkelingen op het vlak van geloof en levensbeschouwing, moraal en gezagsverhoudin¬gen en men sluit zich daarvoor zoveel mogelijk af. Zo zijn er verschillen van opvatting over bijvoor¬beeld het gebruik van kunstmatige inseminatie of kunstmest en of men de overheid ge¬hoorzaam moet zijn, zoals tijdens de MKZ-crisis in 2001. Hoe de verschillende normen worden begrepen en nageleefd, hangt sterk af van de streek, het dorp en de (open of gesloten) geloofsgemeenschap waar de gelovige woont. Tijdens de MKZ-crisis vroeg het crisis-inentingsteam in Oene aan de dominee en de kerkenraad of er op de Dag des He¬eren geënt mocht worden. In Welsum, vijf kilometer van Oene, werd dit niet gevraagd. Veel mensen hebben het beeld van Smytegelt voor ogen als het om bevindelijk-gerefor¬meerden gaat: “Gaat stillen in den lande”. Daarmee wordt bedoeld: in stilte God dienen, niemand kwaad doen, vreedzaam en getrouw zijn in Israël, vergeten burgers maar niet vergeten bij God. Stil in huis. Stil in hun beroep. Stil in gesprek en in omgang met kin¬deren. Stil in het beleid van de regering, door God besteld. Stil onder het kruis, dat God hen zendt. Stil in de omgang met mensen ten aanzien van het openbare leven. Deze stil¬heid heeft berusting gebracht en soms ascese. Er is een zeer behoudende moraal op het terrein van samenlevingsvormen, seksualiteit en ingrijpen in menselijk leven. In poli¬tiek opzicht zijn bevindelijk-gereformeerden conservatief. Men zou dit een “be¬rustend conservatisme” kunnen noemen. Het berustend conservatisme blijkt onder an¬dere uit: SGP is de aangewezen partij; Reformatorisch Dagblad is de meest aangewezen krant; afwijzing van televisie. Anderzijds kan bijvoorbeeld een boer, die geen televisie heeft en een boekenkast vol oude schrijvers, de modernste landbouwmachines hebben. Men ziet het huwelijk en het gezin als door God ingestelde samen¬levingsverbanden. Al¬ternatieve rela¬ties, homoseksualiteit en seksuele omgang buiten het huwelijk worden streng veroordeeld. Echtscheiding keurt men af en wordt alleen gedoogd als overspel in het spel is. In het hu¬welijk en het gezin gelden traditionele gezagsverhoudingen: de man staat boven de vrouw en de ouders staan boven de kinderen. Bij gezinsproblemen staan de bevindelijk-gerefor¬meerden overwegend negatief tegenover het hulpaanbod van al¬gemene hulpverlenende instellingen.
In bevindelijk-gereformeerde gezinnen wordt veel gelezen. In veel gezinnen is de heruit¬gave van de Ravesteijnbijbel uit 1637 aanwezig als kostbaar sieraad op een lezenaar. De Sta-tenvertaling wordt gelezen en bevindelijke boeken, zoals bijvoorbeeld het beschre¬ven boek ‘Een wonder van genade’, maar ook auteurs uit de beweging van de nadere Refor¬matie en uit het Gereformeerd Piëtisme die men ‘oude schrijvers’ noemt. Het woord HEERE of Heere wordt gebruikt in plaats van Heer. Naast de bevinde¬lijke invloed van theologen, is er nog een andere bron voor de vroomheid van de bevindelijk-gereformeerden. In bevindelijk gereformeerde kringen wordt veel geestelijke lectuur gelezen. Gemeenten die geen eigen dominee hebben, lezen preken zowel in de kerk als thuis. Verder wor¬den er veel bekeringsverhalen gelezen . Dit zijn meestal vrij dunne boekjes waarin een¬voudige mensen verslag doen van hun levensloop. Het gaat dan vooral over de manier waarop zij tot geloof gekomen zijn en hun omgang met God daarna. Sommige Oud-Ge¬reformeerde Gemeenten hebben als beleid dat er alleen maar preken van ‘oudvaders’ worden gelezen of bepaalde theologen.
Een vrouw in het ambt van dominee, ouderling of diaken is absoluut onbespreekbaar. Dit geldt in alle bevindelijk-gereformeerde gemeenten.

6.1 Taal
Bevindelijk-gereformeerden hebben een eigen geloofstaal. In de omgangstaal, maar zeker in de geloofstaal, bijvoorbeeld in de gebeden, horen we vaak de optativus gebruiken. Geestelijke ervaringen worden verteld met citaten of teksten uit de Bijbel. Het taalgebruik is sterk beïnvloed door de Statenvertaling. Een kleine minderheid gebruikt ook allerlei verkleinwoordjes, zoals wegje, plaatsje, hoopje, hartje, geloofje, zuchtje, etc. veelvuldig. Het vraagt van een buitenstaander inspanning en aandacht om dit taalgebruik te onderkennen en te wegen. Dit taalgebruik wordt wel Tale Kanaäns genoemd. Het draagt een enigszins verouderd karakter en is sterk gestempeld door Middelnederlandse uitdrukkingen. In 1972 is dit taalgebruik systematisch en wetenschappelijk in kaart gebracht door Cees van de Ketterij in zijn dissertatie De weg in woorden.

Een voorbeeld welke men in vroeger tijd veelvuldig aantrof: och mocht het de Heere eens komen te behagen ons te vergunnen een afstralinkje en een blijkje Zijner goedertierenheden dat zal zijn gelijk een droppelken van levend water in een dood en levenloos zondaarshart

Ook onder deze bevolkingsgroep staat de ontwikkeling niet stil. Met name jongeren willen graag de oude taal aanpassen aan het hedendaags spraakgebruik. Er is een comité dat de Statenvertaling herziet. Dit initiatief wordt breed gedragen, al is er ook verzet uit de hoek van de Gereformeerde Bijbel Stichting (GBS). De aangepaste Statenvertaling gaat ‘Herziene Statenvertaling’ heten. In 1977 is deze vertaling nog herzien.

6.2 Handel en wandel

Welk gevoel geeft het geloven je (geluk, bestemming, twijfel, verdriet)? Tja dat wisselt. Soms kan ik me echt ontzettend gelukkig voelen, zeker op momenten dat ik God heel nabij ervaar, maar soms kan ik ook twijfelen. Waar is Hij nou, en zijn sommige dingen niet gewoon toeval. Maar toch kom ik elke keer weer bij hem terug. En merk ik dat als ik zonder hem leef, ik ongelukkig en depressief word, maar als ik met Hem leef ik gelukkig ben (Debora).

Na die geloofsvereniging, de schenking van Gods liefde in Christus, (november 1997) had ik de vrijmoedigheid om aan het Heilig Avondmaal te gaan. Dit gebeurde na een preek over het ‘gescheurde voorhangsel’. De preek was van Erskine, en liet mij zien dat ook voor mij de weg weer open was tot God. Jezus heeft de prijs voor mijn zonden betaald, in Zijn bloed is er voor mij de reiniging van mijn zonden. Dit ging gepaard met een brandend gevoel van liefde. (Ruth)

Gebed is voor mij erg belangrijk, omdat ik hierin mijn moeilijkheden tegen God kan vertellen en hij mij ondersteunt en helpt. Ook vind ik het belangrijk om Hem te danken voor de mooie dingen die gebeuren en de mogelijkheden die ik heb gekregen van hem zoals: gezin, vrienden, huis, etc. Gebed vind ik iets moois omdat je alles kunt vertellen en er Iemand is die je helemaal kent en naar je luistert. De bijbel gebruik ik als richtlijn hoe ik mijn leven wil invullen. Mijn waarden en normen komen hieruit voort. God is mijn voorbeeld. Ik betrek Hem bij keuzes die ik maak. Ik vind het belangrijk dat God mij daarbij helpt, omdat ik geloof dat hij het goede met mij voor heeft. (Anna)

De houding van een bevindelijk-gereformeerde gelovige in de wereld heeft alles met zijn bekering te maken. De ziel is weliswaar op de wereld, maar niet van de wereld. Bevindelijke gelovigen leven in de wereld, maar zo horen we vaak, ze zijn niet van de wereld. Een waar kind van God is te herkennen, zo hoort men vaak, aan zijn gelaat, zijn gepraat en zijn gewaad. Daarmee wordt bedoeld dat ze niet gelijkvormig aan de wereld willen zijn. De Heilige Geest overtuigt van de leegte en de ijdelheid van de wereld. Zonder de verlichting van Gods Geest zoeken we onze rust en vrede in deze wereld en alles wat zij te bieden heeft. Rijkdom, eer, aanzien en vermaak zijn de zeepbellen die we achterna jagen. God vraagt van de mens een heilige levenswandel. Aan de vruchten zal men de boom kennen. In iedere eredienst en in vrijwel ieder gebed klinkt het verlangen en de oproep tot bekering. Het leven en de levenswandel dienen gericht te zijn op de eer van God en op het heil van de naaste. De norm hiervoor is in de eerste plaats de Heilige Schrift en met name de Decaloog. In iedere morgendienst worden in de bevindelijk gereformeerde gemeenten de Tien Geboden dan ook gelezen.

Wij doen een beroep op ieder lid van de gemeente om deze identiteit van de reeds eeuwen bestaande gemeente van Opheusden te respecteren. In de kernzaken mogen we ontoe¬geeflijk zijn, maar waar het de vormgeving betreft, mag er van de christen flexibiliteit en zelfverloochening worden verwacht.

Ga je ook mee naar de kroeg, of naar popmuziek luisteren, of naar de EO-jongerendag of naar de koffiebar? Het schijnt allemaal acceptabel te zijn, maar het is alles de geest van Babel. Het laat je binnenste leeg.

De wereld is een bron van gevaar voor het welzijn van onze zielen. Er staat niet voor niets in de Heidelbergse Catechismus, dat de christen zijn gehele leven heeft te strijden tegen de zonde, de satan en de wereld. (Ds. C. Harinck) Voor het verenigingsleven bestaat geen groot enthousiasme. De zware bevindelijke gemeenten hebben meestal geen verenigingen of hooguit een vrouwenvereniging. In bevindelijk-gereformeerde kring geldt een aantal zaken als “werelds”. Naar een bioscoop of theater gaan, een café bezoeken of naar een disco gaan, is de duivel verzoeken. Ook het bezoeken van een kermis of circus gebeurt daar zelden. Dat geldt ook voor wedstrijdsporten en het meedoen aan kansspelen. Weinig bevin¬delijk-gereformeerden “bezondigen” zich daaraan. In de reformatorische dag– en weekbladen leest men nog wel eens dat men nog maar zo weinig beseft hoe kort het leven hier op aarde is. Het uitbundig met vakantie gaan zou de schijn wekken dat het leven al¬leen uit vakantie bestaat. We dienen ons af te vragen of we reisvaardig zijn voor de laatste reis naar de eeuwigheid, schreef een commentator. Ook wordt het sinterklaas – of kerst¬feest in veel bevindelijke kringen niet gevierd.

6.3 Kleding

Het onderscheid tussen man en vrouw is in ons land altijd tot uitdrukking ge¬bracht in de kleding. In andere culturen is het anders, maar in onze cultuur bete¬kende dat altijd dat de man geen rok draagt en de vrouw geen broek. Hoewel de verkeerde herkomst van ge-woonten niet beslissend blijft voor het afwijzen daar¬van (denk aan het scheren van de baard dat door homo’s in Griekenland is begon¬nen), is het onderscheid in kleding tussen man en vrouw een zinvolle traditie om het bijbelse onderscheid tussen man en vrouw aan te geven. Derhalve pleiten wij in onze plaatselijke gemeente zeer beslist voor dit onder-scheid in kleding, niet alleen in eredienst of de catechese, maar ook in het persoonlijke le¬ven. In de ere¬dienst dragen de vrouwen van de gemeente een hoofddeksel. Het is onze overtui¬ging dat deze aanwijzing van de apostel Paulus in 1 Kor. 11 niet de gang van za¬ken in die dagen beschrijft, maar waarschuwt tegen het afschaffen van deze bij¬belse gewoonte. Hetzelfde verband van de Schrift leert ons dat het een eer is voor een vrouw om lang haar te dragen. Dit woord “eer” heeft een geweldig diepe in¬houd. Het wordt ook wel vertaald met “heerlijkheid”. In Luk. 2:14 laten de enge¬len ons weten dat de volle heerlijkheid van God schittert in de baby Jezus. Zo schittert de heerlijkheid van de man in de vrouw. En de heerlijkheid van de vrouw schittert in haar lange haar. Wat krijgt dit eenvoudige gebruik dan een diepe in¬houd.

Bevindelijk-gereformeerden vinden op grond van de Bijbel dat mannen en vrouwen wel gelijkwaardig zijn maar niet gelijk. Een vrouw heeft gewoonlijk een andere taak dan een man. Ook vinden zij, op grond van de Bijbel, dat er verschillen zijn tussen mannen en vrouwen. Deze verschillen wil men ook graag tot uitdrukking brengen in bijvoorbeeld kleding. Er wordt duidelijk onderscheid gemaakt tussen mannen – en vrouwenkleding. Voor grote delen van de bevindelijk gereformeerden is daarom een pantalon voor een vrouw niet geoorloofd. Vrouwen dragen geen ‘mannenkleding’. Zeker bij kerkdiensten is dit niet toege¬staan. Kleding die aanstoot kan geven wordt door de bevindelijk-gereformeerden afgewezen. Zij zien hierin een overtreding van het zevende gebod van de Tien Geboden. In de praktijk komt het erop neer dat vrouwen lang haar hebben, een rok dragen en op zondag tijdens de kerkdienst een hoed of een baret dragen (I Kor. 11:5). De man moet in zijn kleding vooral netheid en correctheid uitstralen. De predikanten worden geacht ’s zondags en door de week in het zwart te gaan. Ook een groot aantal oude¬ren van de bevindelijk-gereformeerden kleedt zich vaak in donkere, zwarte of grijze, kle¬ding. Als een vrouw bekeerd is, draagt ze geen goud. Een dominee bij de oud-gereformeerden, maar soms ook bij andere kerkgenootschappen, zal geen gouden trouwring dragen.

7. Relaties

Pas in het huwelijk mag het volledige één-zijn beleefd worden; het op veilige afstand blijven van deze grens in verkerings – en verlovingstijd is niet slechts een welgemeend advies, maar ook een gebod van de Heere (In: Over liefde gesproken. Jeugdbond Gereformeerde Gemeenten).

In deze paragraaf bespreek ik het gezin, de verhouding man-vrouw en het huwelijk.

7.1 Gezin
Het is niet gemakkelijk de identiteit in bevindelijk-gereformeerde gezinskring te hand¬haven. Allerlei maatschappelijke ontwikkelingen dragen daaraan bij. In de bevindelijk-gereformeerde gezindte zijn overwe¬gend grote gezinnen. Enerzijds heeft dat te maken met het besef, dat God de ou¬ders kinderen schenkt als Zijn erfdeel (Psalm 127), anderzijds heeft het ook te maken met het nauwelijks gebruiken van voorbehoedmiddelen. Verhoudingsgewijs is het geboortecijfer onder bevindelijk-gereformeerden nog steeds aan de hoge kant, dus er ko¬men veel nieuwe doopleden bij. Het is niet altijd gemakkelijk een groot gezin te onderhouden en de kinderen op te voeden. Wat vaak gehoord wordt is, dat vanwege de levende traditie met de Here het mogelijk is de toekomst te (over)leven. De leiding van de Here is bepalend voor de levenswijze en de levens(in)richting van het gezin Ook in deze gezinnen is sprake van kerkverlating. Kinderen worden onkerkelijk of gaan naar een ander kerkver¬band. De overgang naar een andere kerk, bijvoorbeeld een Evangelie Gemeente, leidt niet zelden tot spanningen en scheuringen binnen het gezin. De leer staat niet zozeer ter discussie, maar het voortschrijdende emancipatieproces van de mensen in dit kerkverband. Zo zien ouders hoe hun kinde¬ren de EO-jongerendag bezoeken.

7.2 Verhouding man-vrouw
De positie van de vrouw wordt afgeleid aan de ordening zoals de Here die heeft gegeven. Haar taak is overwegend in huis, in de ‘binnenkant’ van de samenleving, en de taak van de man in de poorten, buitenshuis (Lof der deugdzame huisvrouw: Spreuken 31:10-31). In veel huwelijken en gezinnen is het nog steeds vanzelfsprekend dat “moeder voor het gezin zorgt”. In het huwelijk en het gezin gelden tra¬ditionele gezagsverhoudingen: de man staat boven de vrouw en de ouders staan boven de kinderen. De maatschappelijke en economische emancipatie van de vrouw komt langzaam op gang. Als vrouwen zich toch per se buitenshuis willen nuttig willen maken moeten zij kiezen tussen specifiek vrouwelijke beroepen en beroepen ‘waarbij steeds een relatie tot het gezin aanwezig is, opdat de vrouw de haar van God gegeven plaats niet zou vergeten’. Voor vrouwen is geen ambt in de bevindelijk gereformeerde kerken weggelegd, zoals de Bijbel dat ook leert: “Dat uwe vrouwen in de Gemeenten zwijgen; want het is haar niet toegelaten te spreken, maar bevolen onderworpen te zijn, gelijk ook de wet zegt .” Het is de vraag of veel vrouwen in bevindelijk-gereformeerde kring voorstander zijn van een verdergaand emancipatieproces van de vrouw en bijvoorbeeld een ambt in de kerk zouden wensen.

7.3 Huwelijk
Het huwelijk heeft het karakter van een verbond, van elkaar in liefde trouw zijn (Gal¬.5:13), dat gesloten is met God en mensen als getuigen en dat prin¬cipieel onontbindbaar is (Matt.¬19:3-9). Man en vrouw zijn beiden door de God geschapen en door Hem aangesteld tot rentmeester (Genesis 1: 26-28). In deze roeping en verantwoordelijkheid aan de Here staan ze op één lijn. Man en vrouw hebben evenwel verschillende verantwoordelijkheden. Kutsch zegt in dit verband: Theologisch bedeutsam ist es, dass das AT für das Gegenüber von Gott und Mensch eine gegenseitige Beriet – eine Beriet, bei der einerseits Gott und anderer¬seits Menschen Verpflichtungen übernähmen, die gegenseitig einklag¬bar wären (wie etwa die Beriet zwischen Salomo und Hiram, I Kön.5) – nicht kennt. De status van het instituut huwelijk wordt heilig genoemd. Het heeft te maken met de Heilige, het is een afbeelding van Gods’ trouw. God verleent waardigheid en eer aan deze status. Het huwelijk dankt zijn oorsprong aan Hem, die de mens schiep als man en vrouw, bestemd voor elkaar (Gen.1:27; 2:20-25), die hen als gehuwden riep tot vervulling van hun roeping (Mal.2¬:14-16; Ez.16:8b). Kerkva¬ders als Tertulianus (160-220) en Augustinus (354-430) hebben het huwelijk een sacrament genoemd, maar zij doelden daarmee niet op een handeling die aan de ontvanger genade verleent. Pas bij Thomas van Aquino (1225-1274) wordt – met beroep op Augustinus – het huwelijk ondergebracht bij de sacra¬menten die genade verlenen. Voor de kerkvaders was sacrament het Latijnse equivalent van het Griekse woord mysterion (geheimenis). Het gaat in het sacrament van het huwelijk om de heiligmakende genade, die kracht geeft om de zonde te mijden. Uit dit sacramentele karakter heeft men de conclusie getrokken, dat de huwelijksband onverbrekelijk is. Later hebben de reformato¬ren het sacramenentele karakter van het huwelijk afgewezen. Het huwelijk is dus ook een roeping en bij uitstek een godsdienstige levensstaat om elkaar te dienen en bij te staan. Sek¬sualiteit, mits binnen de orde beleefd, behoort elementair tot het wezen daarvan. Binnen het huwelijk kunnen kinde¬ren geboren worden. Zij zijn een erfdeel van de Here (Ps.127:¬3). Kennelijk is het feit dat een man getrouwd behoord te zijn zo van¬zelfspre¬kend dat het Bijbels Hebreeuws geen apart woord voor ‘vri¬jgezel’ heeft. In theorie kon de Israëliet evenveel vrouwen nemen als hij zelf wilde, maar in de praktijk konden alleen de rijken zich dat per-mitteren. Het schijnt echter wel duidelijk te zijn, dat de Israëliet die trouw was aan de Thora slechts één vrouw trouwde, in overeen¬stemming met het ideaal dat in de leer van de profeten wordt verkon¬digd. De principiële visie op het huwelijk vinden we in Gen.2:18-25. In vers 18 lezen wij een belangrijke opmerking van Godswege: Het is niet goed, dat de mens alleen zij. Dan volgt een beschrijving van de schepping van de vrouw. Zij is geschapen uit een stuk van de man: Deze is ditmaal been van mijn benen, en vlees van mijn vlees! Dan vervolgt Adam: deze zal isjsja (de vrouwelijke vorm van het Hebreeuwse woord iesj, man) heten, omdat zij uit de man genomen is. Vers 24 is een trouwtekst, waarin wordt uitgesproken, dat man en vrouw in het huwelijk weer een worden: Daarom zal de man zijn vader en moeder verlaten, en zijn vrouw aankleven; en zij zullen tot één vlees zijn. Waar er in Gen.2 sprake is van één man en één vrouw, daar hebben we de zuivere monogamie voor ons. De profeten zouden immers nooit het verbond tussen God en Israël met het huwelijk hebben vergeleken, zoals bijvoorbeeld de profeet Hosea deed, indien zij polygamie hadden aanvaard als normaal en gewettigd. Dit verbond kon alleen verbroken worden door ontrouw, doordat de vrouw of man een ander begeert en overspel pleegt.

8. Seksualiteit
Seksualiteit is in bevindelijk-gereformeerde kringen een beladen onderwerp waar nog in veel gezinnen een taboe op rust. Bevindelijk-gereformeerden willen in het voetspoor van Calvijn gaan die matigheid en soberheid leert. Dit komt ook tot uiting in het seksuele leven van de gelovige. De bevrediging van de seksuele behoeften moet voldoen aan de norm van de meest intieme en ultieme uiting van waarachtige liefde tussen een gehuwde man en vrouw. Seksualiteit moet gericht zijn op de liefde voor de ander en niet op bevrediging van de eigen behoeften. Men keurt zelfbevrediging en voorbehoedmiddelen dan ook af, omdat dit strijdig is met het wezen van de seksualiteit zoals deze door de Schepper is bedoeld. Verder is seksueel contact tussen twee mensen van hetzelfde geslacht verboden. Dit gaat in tegen de natuur zoals die door God geschapen en bedoeld is. God heeft Adam niet voor niets een vrouw gegeven. Homoseksualiteit is tegen de scheppingsorde en moet worden afgewezen, zoals dat in de Bijbel staat: “Wanneer ook een man bij een manspersoon zal gelegen hebben, met vrouwelijke bijligging, zij hebben beiden een gruwel gedaan; zij zullen zekerlijk gedood worden; hun bloed is op hen.
Homoseksue¬len hebben recht op medeleven, mededogen en hulp. Sommige predikanten wijzen op het bureau Evangelische Hulp Aan Homofielen (EHAH) te Amsterdam.

9. De bevindelijk-gereformeerde gemeente anno 2006

Wat de sociale persistentie betreft concludeerde Janse dat er bij de bevindelijk gerefor-meerden sprake is van een sociale assimilatie. Desondanks is er vermoedelijk nog wel sprake van een absolute groei. Zien we nu naar de kerkelijke groepen die het hart van de bevindelijk gereformeerde bevolkingsgroep vormen, dan is er inderdaad sprake van een absolute groei: de Gereformeerde Gemeenten en de Gereformeerde Gemeenten in Neder¬land zijn tussen 1970 en 1995 met rond de 25 procent gegroeid. Die groei is echter voor een belangrijk deel te danken aan een hoog geboorteniveau. Er is namelijk wel degelijk sprake van een afnemende kerkelijke binding. Dat blijkt onder meer uit de constatering in een rapport van de Gereformeerde Gemeenten dat er een toenemende kerkverlating is: er is sprake van zowel verlies naar de onkerkelijkheid als overloop naar andere kerkelijk groe¬peringen; een overloop waarbij men, zoals Janse al constateerde, „in tal van gevallen bui¬ten de bevindelijk gereformeerde kring terechtkomt”.

9.1 De kerkelijke gemeente

Als het gaat om ‘bevinding’ heb ik denk ik in mijn leven ook veel geleerd van mensen uit niet-gereformeerde kerken of gemeenten. Ik denk hierbij vooral aan mensen met een meer charismatische achtergrond. Zij spreken veel openlijker over hun persoonlijk geloven en ook wat ze ervaren van God in hun leven. Ik ben in mijn leven veel in contact geweest met dit soort mensen. In de manier waarop ik daardoor over mijn geloof praat en ermee bezig ben, merk ik dat ik soms anders ben dan andere gemeenteleden. Die hebben nooit echt geleerd over hun persoonlijke geloof te spreken. (Esther)

De Kerk heeft de roeping haar profetisch geluid naar de kant van de overheid te doen horen. De Nadere Reformatie heeft dit onbevreesd en zonder compromis gedaan. Zij wijst de overheid op haar plicht de ware godsdienst te bevorderen en te beschermen Haar klacht is dat de overheid oogluikend allerhande ongerechtigheid en zonde alsmede andere godsdiensten toelaat. Meestal zijn de wetten er wel, maar worden zij niet nageleefd. Bevindelijk-gereformeerden vinden dat zij een taak in de wereld hebben, maar letten er op niet van de wereld te worden.

9.2 Predikant

Mijn predikant zou wellicht schrikken als hij hoort hoe ik over bepaalde dingen praat. Misschien doe ik daar ook niet genoeg moeite voor. Ik denk dat hij mij erg open zou vinden. Wij kennen elkaar niet goed genoeg dat ik me daar vrij genoeg voor zou voelen om dit te doen. (Sara)

Het was een erg open gesprek met mijn predikant. Nodigend en indringend. Ook wel heel erg moeilijk. De voortdurende twijfel of er wel grond is voor datgene wat je denkt, ervaart, gelooft. (Rachel)

De predi¬kanten hebben binnen de bevindelijk-gereformeerde gezindte een groot gezag. Het is voor “gewone” gemeenteleden vaak niet mogelijk door de predikant pastoraal begeleid te worden vanwege de zeer grote gemeenten en de vele consulentschappen die de predikanten hebben. Aan prediking, pastoraat en catechese wordt veel aandacht besteed. De predikanten gaan zowel ’s zondags als door de week in het zwart gekleed. Enkele predikanten dragen een zwarte hoed.

10. Conclusie
In de bovenstaande paragrafen heb ik beschreven hoe bevindelijk-gereformeerden hun wereld beleven. Het sociale leven van bevindelijk-gereformeerden speelt zich vaak af in besloten, soms geïsoleerde, leefgemeenschappen die vooral te vinden zijn op De Veluwe, in de Alblasserwaard en in sommige delen van Zeeland. Deze leefgemeenschappen hebben veelal “F-cultuur” (fijnmazige cultuur), die zelfs de trekken van een “total institution” kan aannemen (E. Goffman). Hiermee wordt bedoeld dat de mensen een sterke sociale controle ten aanzien van elkaar uitoefenen. Zo zijn zij van elkaar op de hoogte als het om de kerkgang of het bezoeken van kerkelijke verenigingen gaat, maar ook of jongeren uitgaan en voor 24.00 uur thuis zijn. De bevindelijk-gereformeerde gezindte poogt in confrontatie met de mo¬derne ontwikkelingen zichzelf te blijven, zonder dat zij geheel buiten de maatschap¬pij komt te staan. Bevindelijk-gereformeerden zien hun spiritualiteit als een persoonlijke zaak. Zij ervaren de omgang met God als persoonlijk en uniek. Zij ervaren “innerlijke bevindingen”. Bevindelijk-gereformeerden achten het noodzakelijk dat ieder mens een radicale ommekeer ervaart. De ommekeer, wedergeboorte of bekering is een fase op weg naar het heil. Velen geloven daarnaast dagelijks bekeerd te moeten worden, omdat de satan altijd het geloof en de vreugde van de gelovige wil aanvechten. Veel bevindelijk-gelovigen ervaren het leven niet alleen als een gave van God, maar ook als een opgave. In geestelijk opzicht kenmerken zij zich door een zekere lijdelijkheid en pessimisme. Vrijwel alle bevindelijk-gelovigen lezen de Statenvertaling en zingen in de erediensten niet-ritmisch de psalmen. Zij hebben, vooral de bekeerde gemeenteleden, voorkeur voor archaïsch taalge¬bruik, dat vaak letterlijk uit Schrift en de geschriften van de oudvaders is afgeleid. In hun spreken over God gebruiken zij nooit de naam “Heer”, maar altijd “HEERE” of “Heere”. Orthodox-gereformeerden eigen ‘netwerk’, de refo-zuil, wat blijkt uit o.a. het stemmen op de SGP, het lezen van het ‘Reformatorisch Dagblad’, ‘De Gezinsgids’ en ‘Terdege’.
Buitenstaanders noemen vrijwel allen kenmerken die opvallen en waarvan ze veelal niet eens de betekenis doorgronden. De kledingvoorschriften hebben een Bijbelse achtergrond. Het dragen van een hoed in de ’s zondagse erediensten heeft eveneens een Bijbelse achtergrond, maar zegt ook iets over het respect dat de gelovigen hebben om op deze wijze in het Huis des Heren te zijn. De donkere kleding heeft te maken met een niet te werelds en niet aanstootgevend gekleed zijn. Buitenstaanders spreken over “zwaren”, “fijnen”, zwarte kousen”, en daarmee gaan ze er impliciet van uit de bevindelijk-gelovigen een lijdelijk, passief en wereldvreemd leven zou den leiden. Dat zal opgaan voor een aantal bevindelijk-gereformeerden, maar zeker niet voor de gehele gezindte. Het feit dat zij zich organiseren en dat er een zekere zuilvorming is, zien we ook bij andere christelijke en niet-christelijke levensbeschouwingen.
Veel publicaties komen van auteurs die ooit tot de bevindelijk-gereformeerde gezindte hebben behoord. Zij verwerken niet zelden een stuk aversie, jeugdherinneringen en jeugdtraumata in hun geschriften en boeken.

Op de momenten dat ik diep in de shit zit, dan merk ik dat Hij voor oplossingen zorgt, dat Hij me troost, en leidt. Op de momenten dat het leven fluitend gaat, dan merk ik dat Hij degene is die me dat geluk geeft! (S.A.)