Voorwoord

Inleiding
1. Islam op de “School met den Bijbel”
2. Verschuivingen in de maatschappij
2.1 Verschuivingen in kerken
2.2 Verschuivingen op scholen
3. Noodzakelijke kennis van de islam
4. Noodzakelijke kennis van christelijke en islamitische ethiek
5. Botsing en richting op een veilige school
6. Kleurrijke ontmoetingen
7. Tussen hoed en hoofddoek
8. Opbouw van dit boek

Hoofdstuk 1 Het ontstaan van de islam
1. Inleiding
1.1 Islam en moslim
2. Geschiedenis van de islam
3. De Profeet
3.1 Openbaringen
4. Mekka
5. Hidjra
6. Ka’ba
7. Mohammed en de vier “rechtgeleide kaliefen”
8. Sji’ieten en Soennieten
9. Islamitisch fundamentalisme

Hoofdstuk 2 Geloofsleer
1. Inleiding
2. De koran
2.1 Indeling van de koran
2.2 De koran over de schepping
2.3 De koran over Abraham
2.4 De koran over Jezus
3. Soenna
4. Hadieth
5. De zes zuilen van de imaan (geloofsleer)
5.1 Geloof in God
5.2 Geloof in de engelen
5.3 Geloof in de profeten
5.4 Geloof in de heilige boeken
5.5 Geloof in de dag van het oordeel
5.6 Geloof in de voorbeschikking
6. Koran over zonde en vergeving
6.1 Grote en kleine zonden
7. De vijf zuilen godsdienstige verplichtingen
7.1 Sjahada
7.2 Salaat
7.3 Zakaat
7.4 Saum
7.5 Hadj
8. Samenvatting islamitische geloofsleer

Hoofdstuk 3 De islamitische levenswijze
1. Inleiding
2. Huwelijk
2.1 Intimiteit voor en in het huwelijk
2.2 Gemengd huwelijk
2.3 Polygamie
2.4 Schaking
3. Het gezin
3.1 Moeder en vader
3.2 Dochters en zonen
3.3 Besnijdenis
4. Positie van de vrouw
4.1 Religieuze positie van de vrouw
5. Culturele kenmerken in leven en wonen
5.1 Kleding
5.2 Traditionele kleding voor mannen en vrouwen
5.3 Reinheid en onreinheid
5.4 Voeding
6. Ziekte en dood
6.1 Het verzorgen van de overledene
6.2 De rouwtijd om een overledene
7. Moskee
8. Feesten in de islam

Hoofdstuk 4 Islamitische ethiek
1. Inleiding
2. De islamitische wet
2.1 Islamitisch recht
2.2 Sjarie’a
2.3 Rechtsscholen
3. Islamitische filosofie
3.1 Soefisme
4. Ethiek van de islam
5.1 Het eerste gebod
5.2 Het tweede gebod
5.3 Het derde gebod
5.4 Het vierde gebod
5.5 Het vijfde gebod
5.6 Het zesde gebod
5.7 Het zevende gebod
5.8 Het achtste gebod
5.9 Het negende gebod
5.10 Het tiende gebod
6. Seksuele ethiek
6.1 Impotentie
6.2 Masturbatie
6.3 Prostitutie
6.4 Homoseksualiteit
6.5 Pornografie
6.6 Anticonceptie
7. Abortus
8. Euthanasie
9. Adoptie
10. Morele dilemma’s op school

Hoofdstuk 5 Bidden met moslims?
1. Inleiding
2. Twee wereldgodsdiensten
3. De bijbel en de koran
4. God en Allah
5. Wie is de Schepper?
6. Wie is de mens?
7. Mohammed en Jezus
8. Jezus in de koran en de bijbel
9. De Heilige Geest
10. Zonde en vergeving
11. De Dag des Oordeels?

Hoofdstuk 6. Interculturele communicatie
1. Inleiding
2. Cultuur
3. “Pinnen”
4. Brugfunctie
5. Wij-cultuur
6. Wat is interculturele communicatie?
7. Directe en indirecte communicatie
8. Impliciet en expliciet taalgebruik
9. Figuurlijk en letterlijk taalgebruik
10. Voorkomen van communicatiestoornissen
11. Vooroordelen en stereotypen
12. Grenzen stellen
13. Wat iedere leerkracht moet weten!
13.1 Algemene aandachtspunten
13.2 De Koran
13.3 Non-verbale aandachtpunten
13.4 Gezin
13.5 Kleding
13.6 Beelden en foto’s
13.7 De imam en de school

Hoofdstuk 7. Wat iedere leerkracht moet weten
1. Inleiding
2. Wat iedere leerkracht moet weten!
3. Algemene aandachtspunten
4. De Koran
5. Non-verbale aandachtpunten
6. Gezin
7. Kleding
8. Beelden en foto’s
9. De imam en de school
10. Nog enkele weet-je-dat-jes op school
11. Wat iedere leerkracht moet kunnen!
12. Ontmoeting
12.1 LAST: Luisteren
12.2 LAST: Aansluiten
12.3 Samenvatten
12.4 LAST: Teruggeven
13. LAST-III
14. Wat wil de ander niet horen?

Besluit
1. Inleiding
2. Een nacht om nooit te vergeten

Woordenlijst

Literatuur

Inleiding
1. Waarom dit boek?
2. Verschuivingen in de maatschappij
2.1 Verschuivingen in kerken
2.2 Verschuivingen op scholen
3. Noodzakelijke kennis van de islam
4. Noodzakelijke kennis van christelijke en islamitische ethiek
5. Botsing en richting op een veilige school
6. Kleurrijke ontmoetingen
7. Tussen hoed en hoofddoek
8. Opbouw van dit boek

1. Islam op de “School met den Bijbel”

Ik ben opgegroeid op de Veluwe. Het platteland dus. Daar kwam de islam in preken nooit aan de orde. Later heb ik er regelmatig over gehoord en gelezen en het be-langrijkste is dat we moeten onthouden dat we niet bang moeten zijn voor elkaar, moslims en christenen (respondent 30) .

Zijn we bang voor moslims? Ik weet het eigenlijk niet. Ik hoor en zie en lees veel over moslims. Ik hoor veel ferme uitspraken. Ik zie nogal eens een documentaire over de is-lam. Het gaat dan vaak over fundamentalistische strijders die onherkenbaar met een mi-trailleur “Allah is groot” of “Bismillah” (In naam van Allah) schreeuwen. Ik hoor ook veel mensen met “hoeden” iets zeggen over mensen met “hoofddoeken”. Onder mijn gehoor zitten veel mensen uit een cultuur waar nog vaak een hoed wordt gedragen. In die cultuur wordt gesproken en geschreven over een cultuur waar nog vaak een hoofddoek wordt gedragen. De metafoor “Tussen hoed en hoofddoek”, de titel die ik uiteindelijk aan dit boek heb meegegeven, liggen begrip en spanning, ontmoeting en uitsluiting, kortom: hoe denken wij als christenen over moslims?

De heftige botsing tussen de orthodoxe islam en het seculiere Westen van dit mo-ment, vormt voor christenen een uitdaging met zowel kansen als valkuilen (Rentier p.17).

In dit boek wordt een inleiding in de islam gegeven. Ik ga er vanuit dat dit wordt gelezen door belijdende christenen die een aantal grondwoorden van het christelijk geloof wel kennen en vertrouwd zijn met het kerkelijk leven. Die groep, “mijn ’s zondagse gehoor”, draagt veelal een hoed en vaak ook niet.

Er zijn in de laatste decennia vele boeken over de islam verschenen. Ik denk dat de meeste Nederlandstalige boeken wel in de literatuurlijst achter in dit boek zijn opgenomen. Er zijn informatieve en objectieve boeken en er zijn subjectieve en sensationele boeken. Mijn gemeenteleden en studenten horen en lezen van alles en nog wat over de islam. Wat zij horen en al of niet herkauwen hoor ik weer op huisbezoek of in de collegezaal. Dit boek pretendeert objectief en informatief te zijn, maar het is ook subjectief en een enke-le keer sensationeel. Ik heb verschillende bronnen geraadpleegd: wetenschappelijke bron-nen, semi-wetenschappelijke bronnen, christen-schrijvers en islamitische schrijvers. De verwijzingen zijn steeds in de tekst opgenomen met naam en paginanummer van het be-treffende boek. In dit boek staan ook verhalen die ik heb gehoord, uitspraken die zijn ge-daan, ervaringen die ik heb gehad. Dit zijn meer subjectieve bronnen. Een enkele keer beschrijf ik een schokkende gebeurtenis. Een collega-predikant die iets onvoorstelbaars zegt over de islam of een moslimmeisje dat beschrijft waarom ze graag een maagden-vlieshersteloperatie wilde ondergaan. Dat zou als sensationeel kunnen worden gelezen.

“Denkt u dat de moslims ons land veroveren?”, vroeg een vrouw nog niet zo heel lang geleden. We zaten aan een keukentafel in een kleine boerderij. De “grote stad” met honderd duizend inwoners ligt elf kilometer van haar boerderij. Als ze een enkele keer in de grote stad komt, komt ze altijd wel een vrouw met een hoofddoek tegen. Dat zag je vroeger toch niet. En al die verhalen in de pers over moslims brengen de “moslimwereld” wel erg dicht bij het platteland. Ik voelde de behoefte om veel uit te leggen, maar dronk een tweede kopje koffie en vroeg me af op welke wijze ik als plattelandsdominee een bijdrage zou kunnen leveren om de angst voor de islam weg te nemen en ontmoetingen tussen mensen met hoofd-doeken en klompen te bevorderen.

“Denkt u dat de islam van de satan is?”, een betrokken eerste jaars PABO – stu-dent stelde een vraag tijdens een college. Het werd stil in het lokaal. Pijnlijk stil. Welke lading had de vraag en waarom was ik even uit mijn evenwicht? Wat zou dit meisje hebben opgestoken van de lessen op school en alles wat er wel of niet in haar kerk in preken en op catechisatie gezegd en geschreven is over de islam? “Wat goed dat je die vraag stelt!”, zei ik handig. “Ik ben benieuwd hoe je nu bij zo’n vraag komt?” Het werd weer stil in het lokaal. Pijnlijk stil. Het meisje vroeg zich waarschijnlijk af of ze nu werd klem gezet door haar docent. Ik was evenwel benieuwd uit welke levensbeschouwelijke wereld haar vraag kwam. “Mijn dominee zegt altijd…”

In mijn gemeenten achter tralies, in de grote stad en op het platteland, maar ook van studenten heb ik veel vragen gekregen over de islam. Vragen naar aanleiding van wat zij hoorden, zagen en lazen. De informatie was objectief of subjectief, informatief of sensa-tioneel. Als theoloog en predikant had ik behoefte aan meer kennis over de islam. Ik heb in mijn masterstudie “Interreligious Spirituality Studies” aan de Radbouduniversiteit Nijme-gen de meeste tijd besteed aan islamitische spiritualiteit. Daarna ben ik mij verder gaan verdiepen in wat er over de islam wordt geschreven in onze kerken, in het onderwijs en wat er aan boeken verschijnt van vooral christelijke auteurs. Mijn masterstudie, mijn er-varingen met moslims in mijn gemeenten achter tralies, de vragen van gemeenteleden, het management van de PABO van de CHE en “mijn” studenten hebben mij gestimuleerd een boek te schrijven. Een van mijn gemeenteleden achter tralies was Mo. Hieronder geef ik een gespreksfragment weer:

“Denkt u dat we in dezelfde God geloven?”, vroeg Mo. Iedere week zit hij op za-terdagavond in de kerk van de jeugdgevangenis. Op die avond wordt de recreatie-zaal tijdelijk verbouwd tot kerk. Mo is zeventien jaar, getrouwd en vader van een eenjarige zoon. Mo en ik liggen elkaar wel. Hij heeft me veel verteld over zijn le-ven in de Rotterdamse binnenstad. Hij woont ergens tweehoog op een driekamer-woning. Hij had werk en toekomst, maar verkeerde vrienden brachten hem op het verkeerde pad. Mo leest veel. “Ik lees veel boeken over het geloof, over Jezus en zo!” Op een zaterdagavond had hij een nieuw overhemd aan. “Dominee, mag ik vanavond de Schriftlezing doen? Ik heb een nieuw overhemd gekocht, want het is toch het Woord van God.” Even later ging Mo achter het keukentafeltje staan, een uur de “preekstoel”. “We lezen uit het Woord van God…”, begon de jonge gedeti-neerde voor zo’n vijftig christenen, moslims, hindoes, ongelovigen. De andere dag, zondag, mocht ik een kindje dopen in mijn gemeente. De vader las uit de Heilige Schrift. Hij had een nieuw overhemd aan. “We lezen uit het woord van God…”, be-gon de vader voor tweehonderd gemeenteleden.

2. Verschuivingen in de maatschappij

Zoals ik al aangaf, wil ik graag de mensen oproepen om in de liefde te blijven. En om niet te snel moslims te veroordelen dat ze slecht zijn. Ik wil dus geen woorden, maar daden. Moslims zijn ook mensen, waar God van houdt. En het zou mooi zijn dat zij ook tot geloof in Jezus Christus zouden komen. Het zou mooi zijn dat mos-lims door onze wandel jaloers zouden worden op wat wij hebben, en dat ze daar-door zich zouden gaan interesseren in het christelijke geloof. Het is alleen jammer dat we nog nooit moslims hebben gehad in onze gemeente. Ik zou anders graag met hen in contact zijn gekomen en hen verteld hebben over God (respondent 3).

Wij ontmoeten allemaal moslims. We spreken met hen als leerkracht, hulpverlener, predi-kant, buurman of treinreiziger. We weten wat van hun cultuur en godsdienst, of we weten er eigenlijk helemaal niets van, maar wij hebben meestal wel een mening. Wat we weten, weten we vaak uit de krant of van de TV. De ene krant schrijft objectiever dan de andere over de islam. Vaak worden geweld en islam met elkaar in verband gebracht. We lezen in eenzelfde artikel over zelfmoordaanslagen, eerwraak, criminele jonge Marokkanen en Turkse succesmannen die een eigen advocatenpraktijk hebben. Er verschijnen talloze boeken en artikelen over sociaal-economische achterstanden, cultuurverschillen en desa-streuze gevolgen van discriminatie. Kinderen in de klas zijn niet zelden “het kind van de rekening”.
In dit boek beschrijf ik ook enkele aspecten van de Arabische – en islamitische cultuur. Ik denk dat het goed is daar kennis van te hebben om de islamitische levensbeschouwing te begrijpen en recht te doen. Het gevaar is namelijk om allerlei zorgelijke maatschappelijke ontwikkelingen te gemakkelijk en mijns inziens onterecht te koppelen aan de godsdienst. Naar die zorgelijke ontwikkelingen heeft Jurgens onderzoek gedaan. Het onderzoek draagt de naam “Het Marokkanendrama”.

Minstens een halve generatie Marokkaanse kinderen groeit dus op in armoede en schulden, in zwarte wijken, met werkloze, arme, ongeschoolde, tobbende ouders van wie nauwelijks een voorbeeldfunctie uitgaat. Amsterdamse beleidsmakers spreken al over een nieuw opkomend fenomeen onder Marokkanen: het ‘multipro-bleemgezin’ (Jurgens, p.32).

Sinds de jaren zeventig zien we op alle fronten verschuivingen in de maatschappij. Er is veel “verschoven” in allerlei maatschappelijke verbanden, binnen de kerken, het onderwijs en de gezondheidszorg. Al deze verschuivingen zijn waarneembaar en voelbaar in onze maatschappij, kerken, scholen, buurten etc. Het is dus een realiteit dat mensen met een sterk verschillende levensbeschouwing in onze maatschappij naast elkaar wonen, een rea-liteit waarmee we moeten rekenen (Rentier, p.17).
In het onderwijs zijn grote onderwijsorganisaties ontstaan, zowel voor de basisscholen, het beroepsonderwijs, het hoger onderwijs en het wetenschappelijk onderwijs. Er zijn nieuwe visies op leren ontwikkeld, het “nieuwe leren” wordt steeds vernieuwd en er is geen leerplan meer te vinden zonder een lijst competenties waar de leerling binnen een bepaalde tijd aan moet voldoen. De morele ontwikkeling van leerlingen wordt beïnvloed door verschuivingen in de maatschappij en daarmee van waarden en normen. We zagen dat ook steden veranderden. In de oude stadsdelen en volksbuurten kwamen allochtone gezinnen wonen. Deze veelal kinderrijke gezinnen gingen steeds meer de kleur van de buurt bepalen en dus ook van de school.

2.1 Verschuivingen in kerken

Naastenliefde is een christelijk gebod dat we moeten uitleven en uitdragen in een plurale samenleving. We moeten elkaar serieus nemen, pas dan kunnen we elkaar uitdagen in gesprek te gaan over de koers van onze samenleving (Rentier, p.17).

De kerken hebben lang niet zo veel invloed meer in de maatschappij. Nog niet zo heel lang geleden hadden de kerken een belangrijke invloed in de samenleving, dus ook op de scho-len, maar ook dat is veranderd. Het “wij-gevoel” dat in kerken, verenigingen, clubs en in tal van buurten en dorpen aanwezig was, zagen we afnemen en het individualiseringspro-ces nam toe. De kerk kwam minder centraal te staan in het leven van veel mensen door het snel opgekomen seculariseringsproces. Het was voer voor sociologen, maar nu lijkt de invloed van de kerken op de maatschappij geen object van onderzoek meer te zijn. Nogal wat kerkgenootschappen hebben nu moeite het hoofd boven water te houden. Door het toenemend individualisme zeggen veel mensen hun “eigen geloof” te hebben en dat bete-kent vaak geen band met een kerk.
Wat we tegenwoordig lezen over de kerken ligt meer op het gebied van de maatschappe-lijke betrokkenheid. De kerken zouden zich weer meer bezig moeten houden met de posi-tie van de nieuwe armen, mensen in achterstandswijken, kinderen van tienermoeders, transseksuelen, meisjes die slachtoffer zijn van loverboys. Als ik in een witte kerk in Den Ham iets vertel over zwarte kinderen in Amsterdam maakt dat veel indruk en zegt de ou-derling van dienst na afloop in de consistorie: “Daar weten we hier nog niets van af.” Het is goed dat de kerken aandacht hebben voor de samenleving en voor mensen met wie wij samen leven. Over welke groepen van mensen zou de kerk zich moeten ontfermen? In het eerste bijbelboek lezen we al hoe God zich tot twee maal toe ontfermt over de slavin Hagar, een Egyptische vreemdelinge, die door aartsvader Abraham eerst als draagmoeder werd gebruikt en later tot twee maal toe de woestijn in wordt gestuurd (Genesis 16 en 21). Op zondagsschool leerde ik dat hij Gods vriend was, maar dit gedrag zou ik van mijn vrienden niet accepteren. Haar zoon Ismaël, dus ook de zoon van Abraham, hoorde bij zijn redding dat hij tot een groot volk zou worden (Genesis 21:18). Het mooie van dit ge-deelte is ook, dat we lezen dat een Engel Gods Hagar, de vreemdelinge of migrante, aan-spreekt en dat ze daarna de waterput, de bron van levend water, zag (Genesis 21:19). Ik vind het een van de mooiste verhalen in het oude testament. De koran kent evenals de bijbel het verhaal van Abraham (Ibrahiem) die Hagar (Hajar) en haar zoon Ismaël (Isma’iel) de woestijn instuurt richting Arabië , maar anders dan in de bijbel laat de koran Abraham naar Arabië vertrekken, waar hij samen met zijn zoon Isma’iel de Ka’ba bouwt (2:132,’133).

Zelf geef ik nu ook catechisatie. In de catechisatiestof komt de islam wel voor, en dan spreek ik er met mijn catechisanten over. Het is vandaag de dag best een ‘hot item’. Jongeren zijn best geïnteresseerd in de moslim cultuur. Vaak komt naar vo-ren dat zij bang zijn dat het geloof van de moslims het geloof van de Christenen zal gaan overtreffen. Hier praat ik dan met hen over, en we wisselen gedachten uit (respondent 25).

2.2 Verschuivingen op scholen

Duurzaam vreedzaam samenleven is alleen mogelijk op basis van de erkenning van religieus pluralisme (Beck, p.112).

De Prinses Beatrixschool was een “School met den Bijbel”. In Rotterdam zijn er meerdere die zo heten. Het was mijn basisschool waar een wankele basis voor mijn geloof is gelegd. De tucht die er heerste rond het foutloos opzeggen van een psalmversje nam mij derma-te in beslag dat ik maar weinig heb onthouden van de Bijbelverhalen. In de wijk waar ik ben opgegroeid staat geen “School met den Bijbel” meer. Er staan nog wel verschillende christelijke scholen die een bonte bevolking herbergen van kinderen die thuis vaak andere heilige boeken hebben dan de kinderen die zo’n veertig jaar geleden geprezen en gemept werden rond het maandagmorgen – psalmversje – ritueel. Hoe moet een leerkracht van-daag de dag met die multiculturele en multireligieuze invloeden omgaan nu zijn “School met den Bijbel” een andere kleur heeft gekregen en de psalmboekjes al een kwarteeuw geleden met het oud papier zijn meegegeven.
In de grote steden en later ook in de grotere plaatsen in ons land ontstonden zwarte scho-len, die vaak zwarter werden doordat “witte” ouders hun kinderen aanmeldden op “witte” scholen. De scholen kregen een multicultureel en multireligieus karakter. Een nieuw begrip deed zijn intrede in het onderwijs: “religieus pluralisme” . Het erkennen en respecteren van religieus pluralisme zijn voorwaarden voor vreedzaam samenleven (Beck). Deze ont-wikkelingen zijn ook niet voorbij gegaan aan de christelijke scholen. Op veel scholen kwam de christelijke identiteit ter discussie te staan en de meeste scholen zetten de deur open en speelden in op de maatschappelijke ontwikkelingen. Intercultureel onderwijs werd steeds noodzakelijker.

Intercultureel Onderwijs moet inhoudelijk beantwoorden aan de maatschappelijke realiteit, namelijk de multiculturele eigenheid van de globale samenleving. Leer-krachten en schoolorganisatie moeten zich kunnen afstemmen op de beginsituatie van de individuele leerling, dus niet op de “gemiddelde” leerling of de leerling uit de middenklasse (Deraeck, p.104).

Leerkrachten en leerlingen werken met elkaar in een schoolgemeenschap. In die gemeen-schap ontmoeten ze elkaar. Ze hebben verschillende denk- en benaderingswijzen die aan alle kanten beïnvloed worden door de toenemende secularisering, multiculturalisering, religieuze pluralisering en individualisering. Het zijn nogal grote begrippen. Waar hebben we het nu precies over? Ik zag nog niet zo heel lang geleden een aantal bijbelse vertelpla-ten in een kringloopwinkel. Op een van die platen stond de Goede Herder met zijn kudde. Die plaat hing in een christelijke school en alle leerlingen wisten wie de Goede Herder was. Op veel christelijke scholen is het nu een punt van discussie hoe de bijbelverhalen verteld moeten worden. De kudde is verkleurd en lang niet ieder schaap zal “De Heer is mijn Her-der” kunnen zingen. Leerkrachten worden dus in toenemende mate geconfronteerd met complex-onderwijskundige situaties omdat de leerlingen niet meer uit standaard christelij-ke gezinnen komen.

Hoewel Jezus ernstige kritiek had op de geestelijke leiders van die tijd, weerhield dit Hem er niet van om tussen hen te gaan zitten, naar hen te luisteren en hun vragen te stellen (Lukas 2:46-49). Die volgorde is voor contact tussen moslims en christenen wellicht een goed model: zitten, luisteren, vragen stellen en antwoorden geven (Rentier, p.64).

Kortom: De vraag hoe godsdienstonderwijs te geven op een multiculturele school waar kinderen met verschillende achtergronden elkaar ontmoeten laat zich niet gemakkelijk beantwoorden. Om inzicht te krijgen in de culturele en religieuze verschuivingen op de christelijke school is kennis van culturen en religies noodzakelijk. Dit boek wil een beschei-den bijdrage leveren aan de kennis van de islamitische cultuur en religie.

3. Noodzakelijke kennis van de islam

De islam speelt een belangrijke rol in de beeldvorming over allochtonen. De islam wordt in de westerse samenleving vaak als een hecht monolithisch blok voorgesteld en daarbij wordt vaak gesteld dat deze onverenigbaar is met westerse waarden (Deraeck, p. 141).

De invloed van de culturele en religieuze traditie waartoe een leerling behoort is bepalend voor hoe hij zich op school en het schoolplein gedraagt. In menige school komt de leer-kracht leerlingen tegen van wie de ouders uit Mediterrane of Noord-Afrikaanse culturen komen, die geleefd hebben in een islamitische samenleving. Een leerkracht zal dan bij-voorbeeld kennis, inzicht en vaardigheden moeten hebben in die specifieke culturele- en religieuze waarden, normen en gebruiken om verantwoord te kunnen reageren op com-plexe onderwijs situaties.
Dat geldt ook voor studenten die worden opgeleid tot leerkracht en op een multiculturele school stage gaan lopen of later gaan werken. De student die naar een christelijke PABO gaat om een opleiding tot leerkracht basisonderwijs te gaan volgen heeft meestal een be-wuste keuze gemaakt. Daarmee bekent hij kleur en kiest hij voor een bepaalde “kleur”. Wij weten evenwel niet vanuit welke motieven, ideeën, dromen, levensbeschouwing, hij de keuze heeft gemaakt. Heeft hij bewust gekozen voor een christelijke HBO op grond van zijn levensbeschouwing of is er vanuit zijn socialisatie altijd een zekere verwachting ge-weest, omdat vader en grootvader ook “meester” waren? Vanuit een grondhouding, hoe ook de “grond” is, ontwikkelt de student zich in de vier jaren dat hij deel uitmaakt van een christelijke leef– en leergemeenschap op de PABO. Over begrippen als ‘levensbeschou-wing’ en ‘geloof’ bestaat veel onduidelijkheid. Het kunnen reflecteren op eigen religieuze socialisatie bevordert een evenwichtige beroepsattitude.
Kortom: In de praktijk van het onderwijs komt de leerkracht in ontmoeting met leerlingen en ouders zijn eigen wortels tegen. Hij wordt direct of indirect bevraagd op zijn christelijke levensbeschouwing en christelijke ethiek in begeleidingsgesprekken, interactieve lessen, zwemlessen, schoolavonden en schoolreisjes. Het is niet vanzelfsprekend dat een verjaar-dag wordt gevierd, een klas met elkaar gaat zwemmen, een schoolreisje wordt afgesloten bij McDonald’s.

4. Noodzakelijke kennis van christelijke en islamitische ethiek

“Ik heb bewust voor de CHE gekozen”, zei een studente tijdens de keuzemodule is-lam. “Ik voel me hier vrij en veilig om over mijn geloof te praten. Op mijn vorige school had ik het gevoel dat ik anders was, omdat ik anders dacht. Ik vind nou eenmaal niet dat alle godsdiensten op hetzelfde neerkomen. En als je zegt dat ie-dereen voor zich zelf verantwoordelijk is, wie zorgt er dan voor de zwakken? Ik loop echt niet met een kruisje op mijn voorhoofd, maar het geloof is wel belang-rijk.”

Het bijzondere is dat een christelijke opleiding als de CHE zich onderscheidt door haar grondhouding of grondbeginselen van waaruit ze werkt. De christen-leerkracht weet zich geïnspireerd door de christelijke deugden. Willen we in een christelijke PABO de verbinding tussen christelijke antropologische uitgangspunten en de ontwikkeling van deugden hono-reren, dan vereist dit aandacht voor spiritualiteit. De leerkracht zal zijn deugdzaam hande-len niet los kunnen zien van zijn grondhouding (De Muynck, In: Jochemsen e.a., p.77). De christen-leerkracht mag zich een competent beroepsbeoefenaar noemen als hij inzicht heeft in complexe onderwijssituaties, in noden die leerlingen of ouders kunnen overkomen en deze deskundig kan hanteren. In deze situaties, die eigen zijn aan het vak van de leer-kracht, wordt hij geconfronteerd met leer-, hulp- en existentiële vragen die raken aan – en een appèl doen op zijn eigen grondovertuiging en hem vragen naar zijn eigen levens-beschouwing. De christen-leerkracht ontmoet in het onderwijsveld leerlingen en ouders, die hun levenswerkelijkheid als tegenstrijdig en gebroken ervaren en zich de zin van hun bestaan afvragen. Als zij hun leven beschouwen kunnen ze niet anders constateren dan dat hun draagkracht tekort geschoten is door wat zij als draaglast hebben gekregen. De christen-leerkracht ontleent het zinbepalend primaat van zijn leven aan de God van de Bijbel, die hem naar Zijn beeld heeft geschapen en hem leert zijn naaste lief te hebben als zichzelf (Mattheüs 22:39). In zijn werk ontmoet hij evenwel ook leerlingen en ouders die het zinbepalend primaat toekennen aan Allah, het Nirvana, het Absolute, de Ideeën, de Rede enz. Vanuit die niet-christelijke levensbeschouwingen, met name vanuit de islamiti-sche levensbeschouwing en haar ethiek, zal hij inzicht moeten hebben in de geloofsge-meenschap en bronnen om het morele handelen te kunnen verklaren.
We streven er naar de student op te leiden als christen-professional die kan reflecteren op zijn handelen en daarvan verantwoording kan afleggen aan God, zijn naaste i.c. de leer-ling, de collega, de ouder. Een levensbeschouwing heeft altijd invloed op- en is wellicht bepalend voor het morele handelen van de mens. Levensbeschouwing en de reflectie op de moraal liggen in elkaars verlengde. De wetenschappelijke reflectie op het morele han-delen noemen we de ethiek. In de praktijk van de PABO hanteren wij een christelijke ethiek die geworteld is in de modulen over de beroepshouding van de student. Wij denken dat het in vele onderwijsleersituaties niet voldoende is als de leerkracht alleen “belijdt” wat hij vindt, maar dat hij ook argumenten dient aan te geven waarom in bepaalde complexe onderwijssituaties zus of zo gehandeld behoort te worden. Het bovenstaande betekent dat de student wordt opgeleid met de Heilige Schrift als een voortdurend appèl op – en leidraad voor zijn morele denken en handelen. Zo ervaart de student dat het licht uit de Bijbel op zijn leven en werk schijnt: Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad (Psalm 119:105). Dat betekent dat het leven en werk van de student in de Heilige Schrift een ‘wegenkaart’ heeft, die hem de juiste richting wijst.
Kortom: De student wordt als christen-leerkracht opgeleid met de Heilige Schrift als een voortdurend appèl op – en leidraad voor zijn morele handelen. In het handelen als leer-kracht in complexe-onderwijssituaties zal hij zijn “innerlijke-ethische-criticus” hard nodig hebben om te handelen conform de betekenis van de grondbeginselen van zijn levensbe-schouwing, zoals vaak ook verwoord in de statuten van zijn school.

5. Botsing en richting op een veilige school

De dialoog tussen de islamwereld en Europa moet beginnen bij het luisteren naar elkaars muziek, bij het bekijken van kunst, bij het samen lezen van elkaars tek-sten, op een onbevangen manier, niet om na afloop voor eens en voor altijd vast te stellen of er iets als een erfzonde bestaat en of de koran al of niet geschapen zou zijn, maar om door te dringen tot het wezenlijke dat in de teksten schuilt, om de symbooltaal vanuit zichzelf te laten spreken (Smet en Van Reeth, p.141)

Wat gebeurt er als mensen uit verschillende culturen met verschillende levensbeschouwin-gen elkaar op school ontmoeten? Leidt dat tot angst, onzekerheid, afweer, weerstand, overdreven regelgeving, veroordeling, botsingen? Alle kinderen van allochtone afkomst hebben te maken met de afstand tussen thuis- en schoolcultuur en het starre curriculum met zijn gestandaardiseerde leerwegen en toetsingen, waardoor problemen als vanzelf ontstaan (Stevens, p.103). Wat betekent het voor de leerkracht om in complex multicultu-rele onderwijssituaties verantwoord te handelen en richting te geven vanuit zijn eigen christelijke identiteit? Is hij zich bewust van zijn culturele en levensbeschouwelijke “bril” en de sterkte van zijn “glazen”? Om complexe situaties te kunnen hanteren is een analyse van de situaties noodzakelijk. Waar komen emoties vandaan? Wat is nodig om het even-wicht tussen mensen te herstellen? Dat vereist ook zelfreflectie van de leerkracht. Een veilig gepreformeerd onderwijsklimaat kan alleen gecreëerd worden als de leerkracht zicht heeft op wat hij (on)bewust uitstraalt en zegt in de klas.
Wat maakt een school veilig voor de leerling? Dat is niet alleen dat er garanties zijn voor zijn fysieke veiligheid, maar ook voor zijn emotionele en levensbeschouwelijke veiligheid. Dat betekent dat de leerkracht het “geloof” van een leerling niet mag diskwalificeren. De leerling zal dan niet meer weten welk “model” hij moet geloven: de meester op school of papa thuis. Het uiten van respect voor een andere levensbeschouwing is niet hetzelfde als oppervlakkig alle mogelijke “oerverhalen” (laten) vertellen zonder enige normatieve uit-spraak. De leerkracht dient de nodige kennis te hebben van niet-christelijke levensbe-schouwing. Dan alleen kan hij adequaat reageren en goede vragen stellen. Hij neemt dan ook de leerling en zijn ouders in hun eigenheid of “ultimate concern” serieus. Dan alleen kan er een dialoog ontstaan en sprake zijn van een werkelijke ontmoeting. Het betekent dat de leerkracht zijn eigen levensbeschouwing kan uitdragen en uitstralen, dat hij uit de Bijbel kan lezen en bidden; het respect dat hij heeft voor de ander, zal de ander hem ook geven. Een veilig leerklimaat betekent bijvoorbeeld het vragen aan een kind hoe het op de Koranschool was en welk verhaal verteld is. Dat is ook bidden voor een zieke moslimmoe-der in de klas. Het is evenwel niet het gezamenlijk Pasen vieren, zoals ook het slachtfeest niet gezamenlijk met Christenen gevierd zou kunnen worden (zie hoofdstuk 2, par.2.5). De gezellige momenten kunnen worden gedeeld, zoals ook een chocolade-eitje en een gebakje kunnen worden gedeeld. Deze zaken hebben evenwel niets te maken met het “vieren” van multiculturele of interculturele feesten. In multicultureel onderwijsland wordt daar verschillend over gedacht. Vanuit een christelijke visie willen wij het respect voor de niet-christelijke leerling als uitgangspunt nemen. Dit respect wordt aangetast en zelfs on-waarachtig als wij christelijke feesten zouden vieren binnen een niet-christelijke context. Wat gedeeld wordt is de feestvreugde, maar niet de bron waaruit de vreugde ontspringt. Dit uitgangspunt laat onverlet het aanwezig zijn bij feesten, het faciliteren van belangrijke momenten in het leven van een leerling, het meeleven met bijvoorbeeld een joodse jon-gen die studeert voor zijn Bar Mitswa of een moslimmeisje dat het liefst naar de PABO zou gaan, maar op de kleuterschool al is uitgehuwelijkt aan een twintig jaar oudere neef in Marokko. Voor allochtone leerlingen kan de dominante Nederlandse cultuur met onuitge-sproken vanzelfsprekendheden bedreigend zijn. Met welke vanzelfsprekendheden moeten zij rekening houden die helemaal niet vanzelfsprekend zijn (Stevens, p.54)? Om deze vraag te beantwoorden zijn kennis, inzicht en vaardigheden op het multiculturele- en mul-tireligieuze vlak voor de leerkracht noodzakelijk.
Kortom: Een veilig leef– en leerklimaat op een multiculturele christelijke school wordt ge-creëerd als de leerkracht de uniciteit van de leerling respecteert. Dat betekent dat hij res-pect heeft voor de cultuur en de levensbeschouwing van de leerling en de ouders en die niet ter discussie stelt of diskwalificeert.

6. Kleurrijke ontmoetingen

“Wie heeft er moslimkinderen in de klas gehad tijdens de stage?”, vroeg ik aan een groep tweede jaars studenten die het keuzevak “Islam” volgde. Een student ver-telde enthousiast over haar klas, groep zes, en over de moslimkinderen met wie ze zo leuk contact had. “Een jongetje had het heel moeilijk. Er waren thuis proble-men. Zijn vader was heel erg ziek. Ik ben toen een keer op huisbezoek geweest. Dat was te gek! De andere dag heb ik in de klas voor zijn vader gebeden. Dat vonden alle kinderen heel mooi. Later zei het jongetje: Juf, niemand heeft het van m’n vader nog aan God verteld. Behalve u…!” (H.B.)

Op welke wijze ervaren leerkrachten “kleurrijke ontmoetingen” binnen de school? Onder een “kleurrijke ontmoeting” op school versta ik een onderwijssituatie waar mensen elkaar ont-moeten, bijvoorbeeld een leerkracht en een leerling, en waar elkaars culturele achter-grond, levensbeschouwing of spiritualiteit op de een of andere wijze meespelen. In het leven van alledag, dus ook van de leerling, is spiritualiteit doorgaans sluimerend aanwezig als een stille kracht op de achtergrond, een bezieling, een oriëntatie. Soms dringt ze ech-ter ons bewustzijn binnen als een onontkoombare Presentie. We ervaren de aanwezigheid of de stem van God, die om vormgeving, doordenking en reflectie vraagt. In de visie op multicultureel onderwijs vanuit een christelijke identiteit komen wij steeds terug op de pendelbeweging tussen christelijke spiritualiteit en haar vier aspecten t.w.: 1. contempla-tief bewustzijn (“God is ‘sluimerend’ dan wel ‘present’ aanwezig in deze ontmoeting.”); 2. gemeenschap (“Ik maak deel uit van een groter geheel van gelovigen, een gemeente of kerk.”); 3. bronnen (“Mijn spiritueel bewustzijn wordt gevoed door mijn bron, de Heilige Schrift, waaraan ik mijn waarden en normen ontleen.”) en 4. moreel handelen (“Wat ik uitspreek en belijd wil ik in mijn dagelijks leven praktiseren.”).
Kortom: De student heeft inzicht in zijn eigen religieuze socialisatie en spiritualiteit en die van de leerling en de ouders. Hij herkent en respecteert de verschillende kenmerken van spiritualiteit. Deze noodzakelijke kennis en inzichten zijn noodzakelijk om verantwoord in kleurrijke onderwijssituaties te kunnen handelen.

7. Tussen hoed en hoofddoek
In dit boek “Tussen hoed en hoofddoek” wil ik naast een inleiding in de islam enkele the-ma’s uit de islam en het christendom vergelijken. Ik wil dit op een informatieve wijze doen. In de vele boeken van christen-auteurs heb ik te vaak het “gelijk” van het christen-dom gelezen. Voor mij is dat een stap te ver of een stap in de verkeerde richting. Wan-neer wij werkelijk moslims willen ontmoeten dan doen wij dat als leerkracht, predi¬kant, bestuurslid, gemeentelid, maar niet door een bril die de ander ziet als gelovige van een valse godsdienst. In welke functie ik ook de ander ontmoet, in mijn gedrag, woorden, da-den, uitstraling, ben ik als christen bondgenoot en beelddrager van Jezus Christus. Van mijn God mag ik getuigen, zonder de ander onmiddellijk te overtuigen, van Hem mag ik spreken, zonder de ander onmiddellijk te overschreeuwen, daarvan mag ik schrijven, zonder de ander onmiddellijk af te schrijven. En voor en met die ander mag ik bidden in het geloof dat God ons samen ziet en de woorden van ons hart verstaat, zelfs voordat wij ook maar een woord gezegd hebben. Ik geloof dat God men¬sen raakt met Zijn Woord door de Heilige Geest. Hoe Die waait weet niemand, maar soms ervaar ik dat God door de Geest bij mij is en mij de woorden in de mond legt. Ik heb dat vaak ervaren in de kerk achter tralies. Als ik daar mocht voorgaan in een bonte gemeente en we baden het “Onze Vader” samen, ieder vanuit zijn eigen cultuur en in zijn eigen taal. Ik heb het Gebed des Heren uit vele monden gehoord en in vele talen. Ik wist dat de gedetineerden verschillende culturele en religieuze achtergronden hadden. Ik ge¬loofde dat vele woorden tot de “hoge hemel” doordrongen. Woorden gelovig uitgespro¬ken in gebroken Duits of steenkolen En-gels, in een taal die ik niet kon thuisbren¬gen, en woorden met een Rotterdams accent van de voorganger. Vele jaren heb ik samen met vele mensen mogen bidden: in mooie oude kerken en in oude gevange¬nissen.

8. Opbouw van het boek
In het eerste hoofdstuk wordt een korte historische schets van de islam gegeven. In het tweede hoofdstuk wordt de geloofsleer van de islam behandeld. In het derde hoofdstuk wordt de islamitische levenswijze besproken. In dit hoofdstuk is getracht te onderschei-den wat specifiek is voor de Arabische cultuur en wat specifiek is voor gelovige moslims. Dit onderscheid is vaak niet aan te brengen. In het vierde hoofdstuk worden enkele as-pecten van de islamitische ethiek besproken. Het vijfde hoofdstuk bespreekt de intercul-turele communicatie. Het gaat in dit hoofdstuk over algemene aandachtspunten, die in veel gevallen ook gelden voor het communiceren met mensen uit andere vreemde cultu-ren. In het zesde hoofdstuk worden enkele verschillen tussen het christendom en de is-lam besproken. Na het zevende hoofdstuk, het besluit van dit boek volgen twee bijlagen, een literatuuroverzicht en een woordenlijst.

Hoofdstuk 1 Het ontstaan van de islam
1. Inleiding
1.1 Islam en moslim
2. Geschiedenis van de islam
3. De Profeet
3.1 Openbaringen
4. Mekka
5. Hidjra
6. Ka’ba
7. Mohammed en de vier “rechtgeleide kaliefen”
8. Sji’ieten en Soennieten
9. Islamitisch fundamentalisme

1. Inleiding

Wie de Arabische cultuur wil begrijpen, zal vertrouwd moeten zijn met de geschie-denis en de leer van de islam (Nydell, p.103).

In dit hoofdstuk wordt het ontstaan van de islam en het begin van deze wereldgodsdienst beschreven. Van alle godsdiensten waarmee het christendom werd geconfronteerd, werd de islam wel het felst bekritiseerd. De eeuwenlange bedreiging van het Westen door isla-mitische mogendheden heeft ertoe bijgedragen, dat de islam als vijand van het christen-dom werd beschouwd. De islam is de enige wereldgodsdienst die na het christendom is ontstaan. Om die reden is de islam van de vroege Byzantijnse apologeten tot de kerkhis-toricus Adolf van Harnack (1851-1930) vaak bestempeld als dwaalleer. De voorstelling die men in de middeleeuwen van de islam en de profeet Mohammed had, komt daarmee overeen. Het karikaturale beeld gaat zelfs zover dat men Mohammed zag als oppergod, wiens “gouden mahombeelden” aanbeden werden. Die voorstelling is tot in de literatuur van de Romantiek blijven bestaan (Schimmel 1996, p.9). De negentiende eeuw mag wor-den beschouwd als het vertrekpunt van de wetenschappelijke oriëntalistiek en de islamo-logie.
Over de geboorte van Mohammed bestaan verschillende versies. In het jaar 570 na Chris-tus is hij in een onherbergzaam woestijngebied in de Arabische stad Mekka geboren. De invloed van de woestijn was in die tijd groot op de stammen die in de woestijn woonden. Deze invloed vormt mede de basis voor de totstandkoming van de ethiek van de woestijn, de min of meer tijdloze waarden en normen onder de woestijnbewoners. De stad Mekka was destijds een stad waar veel handel werd bedreven en een knooppunt voor karavaan-routes. Tot op vandaag is Mekka het religieuze centrum van de islam.

1.1 Islam en moslim
Islam en moslim zijn Arabische woorden en betekenen respectievelijk gehoorzaamheid en overgave. De moslim ziet Allah als de barmhartige en verhevene, die alles in zijn hand heeft. Tegenover hem past slechts een houding van overgave. Wie een andere religie dan de islam aanhangt zal behoren tot de verlorenen: “Zoeken zij een godsdienst anders, dan die van Allah, terwijl al hetgeen in de hemelen en op aarde is zich willens of onwillens aan Hem moet onderwerpen? En tot Hem zullen zij worden teruggebracht. En wie een andere godsdienst zoekt dan de islam, het zal van hem niet worden aanvaard en hij zal in het Hiernamaals onder de verliezers zijn (3:80,85).” Volgens de islam kan de verlossing enkel tot stand komen door onderwerping aan het woord van God zoals geopenbaard in de ko-ran (Cornille, p.61).
Moslims zien Mohammed als een menselijke profeet en niet als een godheid. Het begrip islam omvat zowel een innerlijke component: de overgave aan God, een innerlijke actie, alsook de uiterlijke getuigenis hiervan: een voor iedereen waarneembare handeling om tot de gemeenschap van gelovigen (oemma) te behoren. We horen in het spreken over de islam nogal eens de term “mohammedaan”. De termen “mohammedaan” en “mohamme-danisme” kennen aan de mens Mohammed een te centrale plaats toe en worden daarom doorgaans door de moslims afgewezen. Moslims geloven dat hun geloof tegemoet komt aan alle geestelijke en religieuze behoeften van de mensheid. Allah heeft aan Mohammed zijn leer geopenbaard. De leer is opgetekend in het heilige boek de koran. Onder de islam wordt behalve de godsdienst ook de religieuze gemeenschap verstaan die zich na de dood van Mohammed in 632 in minder dan een eeuw ontwikkelde tot een wereldbeschaving.

2. Geschiedenis van de islam

Toen Amina, de moeder van Mohammed, zwanger werd van haar zoon, zei een stem tot haar: “Je bent zwanger van de toekomstige leider van zijn volk. Wanneer hij geboren wordt, zullen velen met afgunst zijn vervuld en hem kwaad toewensen. Maar God zal hem beschermen. Je moet hem Mohammed noemen.” En toen kwam er een helder licht uit haar baarmoeder, waardoor ze de toekomst kon zien (V.d.Weyer, p.11).

De islam is de jongste wereldgodsdienst. Het is een monotheïstische godsdienst waarvan de profeet Mohammed de grondslag legde. De ontstaansgeschiedenis van de islam is uit verschillende historische bronnen relatief goed bekend. Rond het jaar 610 werd de toen ongeveer veertigjarige Mohammed geroepen tot profeet. Tot het jaar 622 trad hij op in zijn vaderstad Mekka. Mekka was niet alleen een handelsstad, maar ook een centrum van de oude polytheïstische Arabische godsdienst. De islam is een Semitische godsdienst, net als het jodendom en het christendom. De Westerse godsdiensten leggen de nadruk op de openbaring van God aan de mens van buiten de menselijke geest en worden daarom ook wel openbaringsgodsdiensten genoemd. De Oosterse godsdiensten, zoals het hindoe-isme en het boeddhisme, leggen de nadruk op de spiritualiteit of mystiek door vanuit de menselijke geest God te zoeken en hebben hun wortels in India.
Over het begin van de islam bestaan verschillende verhalen. Algemeen wordt aangenomen dat de geschiedenis van de islam begint bij de geboorte van de profeet Mohammed. Hij vestigde niet alleen een nieuwe religie, maar vestigde ook een nieuwe staat. In die staat waren de geestelijk leiders ook de maatschappelijk leiders en was het leergezag van de koran de bron voor alle waarden, normen en regels. Deze theocratische staatsvorm bete-kende het begin van een traditie waarin de gedachte van een scheiding van kerk en staat, die in het christendom wel geaccepteerd is, binnen de islam altijd op weerstand heeft ge-stuit (Winkler, p.95).
Tijdens de eerste vier eeuwen strekte de wereld van de islam zich uit van Spanje tot Cen-traal-Azië en Noord-India. De 11e tot de 16e eeuw vormden de ‘moslimse middeleeuwen’, gekenmerkt door invallen van vooral Turken en Mongolen. De islam werd verdeeld in ver-schillende lokale islamitische rijken. Vanaf de 18e eeuw werd de achterstand op het Wes-ten echter te groot en kwamen veel moslimgebieden binnen de invloedssfeer van Europe-se mogendheden. Pas in de tweede helft van de 20ste eeuw werden de meeste gebieden weer politiek onafhankelijk.

3. De Profeet
In de naam van God de Barmhartige Erbarmer. 1 Lees op in de naam van uw Heer die geschapen heeft 2 geschapen heeft de mens van een bloedklomp.
3 Lees op! En uw Heer is de eerwaardigste 4 die onderwezen heeft door het schrijfriet 5 de mens heeft onderwezen wat hij niet wist.

In de naam van God de Barmhartige Erbarmer. 1 Lees op in de naam van uw Heer die geschapen heeft 2 geschapen heeft de mens van een bloedklomp.
3 Lees op! En uw Heer is de eerwaardigste 4 die onderwezen heeft door het schrijfriet 5 de mens heeft onderwezen wat hij niet wist (96:1-5).

Zoals reeds in de vorige paragraaf beschreven is, is de profeet Mohammed de stichter van de islam. Hij werd op 12 augustus 570 A.D. geboren toen de Abessijnse koning Abra-ha Mekka aanviel. Zijn leger werd op wonderbaarlijke wijze verjaagd door vogels die ste-nen uit hun bekken en klauwen lieten vallen. Zijn vader heette Ibn Abd al-Moettalib en zijn moeder Amina (Bint Wahab). Al lang voor zijn geboorte zou zijn moeder de stem van een engel gehoord hebben, die haar voorspelde: “De zoon die je verwacht moet een de heer en profeet van je volk worden.” Mohammed behoorde tot de belangrijke familie van de Hasjim, van de stam der Moedarieten van Koeraisj. Op jonge leeftijd zou hij wees zijn geworden. Mohammeds vader stierf kort voor zijn geboorte en zijn moeder stierf toen hij zes jaar oud was. Hij zou zijn grootgebracht door zijn 80 jarige grootvader Abdol-Mothalib tot zijn achtste jaar en later door zijn oom Aboe Talib verder zijn opgevoed. Op 12-jarige leeftijd trok hij met zijn oom Aboe Talib mee in een karavaan. Zijn jeugdjaren bracht hij door in de woestijnstad Mekka, “in een dal zonder zaad”. Daarmee wordt het grotendeels onvruchtbare schiereiland bedoeld dat in de voorislamitische tijd grotendeels uit woestijn met een paar oases bestond. Mohammed leerde al vroeg, dat de woestijn meedogenloos is en de mens geen fout vergeeft. Wie in de woestijn wil overleven, moet zich aan strenge regels houden. In Bosra ontmoette hij de christelijke monnik Bahira, die een teken van de profetie in hem herkende. Mohammed werd schaapherder en trad in dienst bij de rijke Chadidja. Op 25 jarige leeftijd werd hij tot zijn verrassing door de 40-jarige vrouw ten huwelijk gevraagd. Chadidja was een weduwe die dankzij haar waardig-heid en zakeninstinct een groot aanzien had verworven. Zij schonk hem twee zonen en vier dochters, die vroeg stierven op Fatimah na. Fatimah wordt in grote delen van de islamitische wereld, vooral onder de sji’ieten, als lievelingsdochter van de profeet vereerd. Dit huwelijk betekende een radicale ommekeer in het leven van Mohammed. Hij ging zich met gebed en meditatie bezighouden en trok zich daartoe in de bergen terug. Mohammed bleef Chadidja zijn hele leven trouw. Later zou hij nog met negen andere vrouwen gehuwd zijn.

3.1 Openbaringen
Op middelbare leeftijd in het jaar 611 zou hij zijn eerste openbaring hebben gekregen tij-dens de maand ramadan in de Nacht van de Beslissing. Hij zou tijdens zijn meditatie in een grot op de berg Hira, de berg van het licht, de stem van Gabriël (Djibriel) hebben gehoord, die hem tot drie keer toe opdroeg: Verkondig! Aanvankelijk twijfelde Moham-med aan de stem van de engel en dacht hij dat hij het slachtoffer geworden was van bo-ze geesten (djinns). Tot zijn dood zou hij verschillende openbaringen hebben gekregen doordat hij de stem van de engel hoorde of visioenen zag (Waardenburg, p.66). Deze zijn volgens de gangbare overlevering tijdens het kalifaat van Oethmaan (644-656) verza-meld, geredigeerd en neergelegd in de koran. Volgens de overlevering verzamelde Mo-hammed na zijn eerste openbaring enkele bekeerlingen om zich heen. Op 8 juni 632 is Mohammed in Medina gestorven, vermoedelijk in het bewustzijn zijn missie volbracht te hebben (Van der Leeuw I, p.362).

Wat betreft haar ontstaan is de islam verwant met het Jodendom en het christen-dom. Mohammed is evenwel al spoedig een eigen weg ingeslagen. Wellicht ook omdat in zijn tijd de bijbel nog niet in het Arabisch was vertaald. Het resultaat van deze ontwikkeling is dat de Islam zich heeft ontwikkeld tot een godsdienst die de mensen niet brengt tot verzoening met God (respondent 10).

Mohammed wordt in de islam beschouwd als het zegel der profeten. Dat betekent dat hij de laatste en definitieve profeet geweest zou zijn na Adam, Abraham (Ibrahiem), Mozes (Moesa) en Jezus (Isa) . Hij riep op rechtvaardig te handelen, op te komen voor de zwak-ken en waarschuwde voor het komende oordeel. In de geloofsbelijdenis (sjahada) wordt hij uitdrukkelijk vermeld als de boodschapper van God. Daarnaast vormen zijn uitspraken en daden (soenna) het na te streven ideaal voor alle moslims. De islam schijnt met dit beeld van Mohammed een eigen middelaar der moslims te scheppen (Reimer, p.21).

4. Mekka (Bakka)

Het eerste Huis dat werd geplaatst voor de mensen is dat in Bakka gezegend
en een rechte leiding voor de wereldwezens (3:96).

In Saoedi-Arabië ligt de heilige stad Mekka, het religieuze centrum van de islam, met Me-dina en Jeruzalem een van de drie heilige plaatsen van de moslims. Al in de Oudheid was deze stad een karavaan- en handelscentrum. De stad was ook toen al een religieus cen-trum, waar Arabische stammen heentrokken om de zwarte steen en hun goden in de ou-de Ka’ba te aanbidden. Volgens de koran ging Ismaël naar de plaats waar later Mekka gebouwd zou worden. Zijn afstammelingen ontwikkelden zich in Arabië tot een krachtig volk, zoals de God van Israël ook voorspeld had (Genesis 16,10): En de engel des Heeren zeide tot haar (Hagar): Ik zal uw zaad grotelijks vermenigvuldigen, zodat het vanwege de menigte niet geteld kan worden (Statenvertaling); Ik zal uw nageslacht zeer talrijk maken, zodat het vanwege de menigte niet geteld kan worden (NBG vertaling). De af-stammelingen van Abrahams zoon Isaäk, die in Palestina bleven, waren Hebreeën en wer-den later joden. De prediking van Mohammed in Mekka stuitte op groot verzet en had slechts weinig succes. In Medina kwam Mohammed in rechtstreeks contact met de daar wonende joodse bevolkingsgroepen. Aanvankelijk zocht hij, vanuit zijn geloof in de ge-meenschappelijke traditie, aansluiting bij hun gebruiken. Toen zij hem en zijn boodschap echter afwezen en hem wezen op het verschil tussen de tekst van de bijbel en die van zijn openbaringen, concludeerde hij dat de joden en de christenen hun heilige boeken had-djen vervalst en zelf hun godsdienst ontrouw waren geworden. De afwijzing door de jo-den was waarschijnlijk de bitterste teleurstelling in Mohammeds leven en stelde zijn hele religieuze positie ter discussie (Armstrong, p.176). Daarna keerde hij zich van de joden af om meer nadruk te gaan leggen op het eigen Arabische karakter van de islam. Moham-med bleef tot 622 in de stad wonen, daarna vertrok hij naar Medina (hidjra).
In beginsel hoort iedere moslim zich in zijn leven een maal naar Mekka te begeven om er in de grote moskee zijn gebeden te zeggen (haddj, zie hoofdstuk 2). Deze moskee is in de achtste eeuw gebouwd en heeft een vierkant grondplan met zuilengalerijen die de Ka’ba omgeven. In een van de hoeken van het gebouw bevindt zich de zwarte steen, die daar door de aartsengel Gabriël geplaatst zou zijn. Het heiligdom in Mekka werd het huis van God genoemd, gebouwd door Abraham (Ibrahiem), en de moslims verrichten sinds-dien hun rituele gebeden (salaat) met het gezicht naar de Ka’ba.

5. Hidjra
Ten noorden van Mekka lag de stad Jathrib waar Mohammed bescherming zocht vanwege de moeilijkheden in Mekka. De naam van deze stad werd later op verzoek van de burgers in Medina veranderd. Toen Mohammed de kans werd geboden naar die stad te vertrek-ken, verbrak hij de traditionele stambanden die hem aan Mekka bonden en vestigde hij zich met een zeventigtal aanhangers in zijn nieuwe woonplaats. Deze emigratie wordt “Hidjra” genoemd. . In Medina was Mohammed welkom en werd een gerespecteerd bur-ger en werd op hun verzoek de geestelijk en maatschappelijk leider. De emigratie van Mohammed van Mekka naar Medina wordt als begin van de islamitische jaartelling geno-men.
Na een jaar begonnen de moeilijkheden met de joden. Mohammed kon zijn ogen niet slui-ten voor het inzicht dat de joden van Medina zijn aanspraak op het profeetschap definitief afwezen. Zijn beeld over de joden sloeg hierna definitief in het negatieve om. Oorspron-kelijk had Mohammed verschillende religieuze gebruiken van de joden overgenomen, maar later voerde hij wijzigingen in die de het profiel van de islam beter omlijnden. In plaats van de vastendag op de joodse Grote Verzoendag voerde hij een vastentijd in ge-durende de hele islamitische vastenmaand, de ramadan. En in plaats van de gebedsrich-ting naar Jeruzalem, zoals ook in het oosterse christendom, werd de gebedsrichting naar Mekka, naar de Ka’ba (Küng 2006, p. 151). Medina werd een religieuze en politieke ge-meenschap. De openbaringen van Allah aan Mohammed bleven ook hier doorgaan.

6. Ka’ba
Volgens de overlevering is het eerste dat Mohammed deed na zijn terugkeer in Mekka, het verwijderen van de afgodsbeelden uit de Ka’ba. De Ka’ba is een kubusvormige tempel die vrijwel geheel is afgedekt door de kiswa, een groot zwart brokaten doek. Op de kiswa zijn de geloofsgetuigenis en de verzen uit de koran in gouddraad geborduurd. De kiswa wordt ieder jaar vervangen. Volgens de islamitische traditie werd de eerste Ka’ba ge-bouwd door Adam en herbouwd door Abraham (Ibrahiem) en zijn zoon Ismaël (Isma’iel). Vijf maal per dag keren miljoenen moslims hun gezicht in de richting van dit heiligdom. Het duurde enige jaren voordat Mohammed zelf de haddj (bedevaart) verrichtte in Mekka, in de lente van 632. Deze afscheidsbedevaart is het model voor de haddj geworden zoals die nu nog wordt verricht. Veel van de rituelen komen voort uit pre-islamitische gebruiken en zijn terug te voeren op de stamvader Abraham (Ibrahiem). Mohammed had de meeste joodse stammen, die hij had willen bekeren, verdreven en langzamerhand de bedoeïenen-stammen van westelijk en centraal Arabië ingelijfd in de moslimgemeenschap. In 630 deed hij een massale aanval op Mekka, dat zich tenslotte overgaf. Het aloude heiligdom Ka’ba wijdde hij aan Allah en maakte dat tot een centrale bedevaartsplaats voor moslims.
7. Mohammed en de vier “rechtgeleide kaliefen”
Om te voorkomen dat de politieke en geloofsgemeenschap van Mohammed uiteen zou vallen, moest na zijn dood in 632 snel worden ingegrepen. Er ontbrandde een opvolgings-strijd tussen de eerste bekeerlingen. Uiteindelijk werd Aboe Bakr as-Siddieq benoemd tot opvolger of kalief (632-634). Het klassieke staatsmodel in de soennitische traditie is het kalifaat of imamaat. Het kalifaat staat voor een combinatie van leiderschappen van de moslimgemeenschap (umma): het religieuze, politieke en militaire leiderschap. Aboe Bakr was één van de eerste bekeerlingen en een oude vriend en vertrouweling van Moham-med. Hij was een zeer consciëntieus man die zich, ondanks zijn macht, zeer bescheiden opstelde. De belangrijkste politieke bijdrage van deze eerste kalief was het consolideren van de positie van het kalifaat in de Arabische gebieden (Abdus Sattar, p.67).
Na Aboe Bakr kwam de kalief Oe ibn al-mar Chattaab (634-644). In de tien jaar van zijn bewind werd het kalifaat uitgebreid tot Palestina, Syrië, Irak en Egypte. Een moordaanslag door een christenslaaf maakte een einde aan het leven van Omar (Abdus Sattar, p67).
Na Omar kwam de bejaarde Oethmaan ibn Affaan aan de macht (644-656). Deze oude vriend van Mohammed was een conservatieve aristocraat, die ondanks zijn goede bedoe-lingen, verstrikt raakte in diverse belangenconflicten. De oude kalief werd vermoord toen hij de koran zat te lezen. Zijn vrouw verloor enkele vingers toen zij trachtte haar man te beschermen (Abdus Sattar, p.68).
Ali ibn abi (aboe) Taalib was de laatste “rechtgeleide” kalief (656-661). Hij was een neef van Mohammed en getrouwd met Mohammeds dochter Fatima. Hij had drie groten taken: het snel groeiende territoriumbesturen, de rust in Medina herstellen en de moordenaars van Osman bestraffen. Het kwam tot een oorlog tussen moslims, waarin ook Mohammeds weduwe Aïsja een belangrijke rol speelde. Deze gebeurtenis (fitna) betekende een collec-tief trauma voor de moslimgemeenschap. De meest toegewijde aanhangers van Ali vorm-den tenslotte een eigen partij, de sji’at Ali of de sji’ieten (Abdus Sattar, p.72). In januari 661 werd Ali vermoord. Hij ligt naar verluid begraven in Najaf in Irak, een stad die is uit-gegroeid tot een belangrijk sji’ietisch pelgrimscentrum (Peters, p.153).

8. Sji’ieten en Soennieten
Binnen de islam zijn meerdere stromingen ontstaan waarvan de soennieten en de sji’ieten de hoofdstromingen zijn. De aanhangers verschillen van mening over de opvolging van Mohammed als leider van de geloofsgemeenschap en over het godsdienstig gezag. De oorspronkelijk Arabische moslims werden soennieten genoemd (soenna = een boek met uitspraken van Mohammed). De soennieten (ca. 90%) baseren zich op overeenstemming met de geloofsgemeenschap (oemma, umma) die de leefregels (soenna) van de profeet bekend maakt. Hun leer stelt dat moslims zich moeten richten op het voorbeeld van de profeet (soenna, sunna) en het oordeel van de me gemeenschap. De soennieten geloven niet in een erfelijk leiderschap. De koran is volgens hen de enige gezaghebbende grond-slag van de islam. Ze zeggen dat niemand na de dood van Mohammed hem kon opvolgen, omdat Allah met de koran zijn openbaringen heeft afgesloten. Hun leiders (kaliefen) oefe-nen politieke en godsdienstige gezang uit. Ze hebben echter geen onfeilbaarheid zoals de imams bij de sji’ieten. Een andere stroming stelde dat alleen mensen uit de naaste omge-ving van Mohammed in staat waren zijn erfenis te dragen. Uit deze visie dat alleen af-stammelingen van Mohammed leiders konden zijn, komt de sji’itische islam voort met schoonzoon Ali als eerste vertegenwoordiger. Ali, de vierde kalief, was in de ogen van de sji’ieten de enige die recht had Mohammed op te volgen. Voor de sji’ieten staat het lijden omwille van het geloof centraal. Centraal in hun leer staat een zuivere levenswandel. Een weelderig leven wordt veroordeeld. Men is ertoe bereid zijn leven voor het geloof op te offeren. De meeste sji’ieten wonen in Iran, Irak, de Golfstaten en Pakistan. De ayatol-lah’s (‘teken van God’) hebben binnen de sji’ieten het meeste gezag. De sji’ieten verwach-ten dat de Mahdi, de islamitische Messias, aan het einde der tijden komt. Tot die tijd geeft hun geestelijk leider de enig juiste uitleg van de koran. In veel opzichten verschillen de sji’ieten helemaal niet zo van de soennieten. Ook voor hen gelden de ‘vijf zuilen’ en het zo belangrijke recht (Hattstein, p.110). Ze verschillen wel in het beleven van folkloristische en culturele praktijken rond graven van heiligen. Orthodoxe soennieten zijn fel gekant tegen deze volgens hen onislamitische praktijken. Volgens de soennieten bestaat er tussen Allah en de mens een directe relatie. Heilige en geleerden kunnen geen bemiddelaars zijn tussen Allah en mensen, maar zijn slechts formele vertolkers van de godsdienst.

9. Islamitisch fundamentalisme

Er zijn veel ‘rechte’ islamieten. Zij volgen de Koran en doen anderen geen kwaad. Ik ben dan ook niet bang voor hen. Degenen die in naam van Allah terroristische misdaden begaan kun je vergelijken met de kruistochten van de christenen vroe-ger. Zij vermoorden mensen in naam van Jezus Christus. Ook zij deden niet wat de bijbel hen vertelde te doen. Zo zie ik de terroristen van vandaag de dag ook. Zij vormen de koran zo dat hun misdaden goed gepraat worden. Ik geloof dat islamie-ten, zolang ze Allah aanroepen, niet zalig kunnen worden. Want er is maar één naam onder de hemel gegeven die tot zaligheid leidt en dat is de naam van Chris-tus. Toch zijn er christenen die zich zouden moeten schamen. Veel moslims zijn namelijk veel trouwer aan hun godsdienst dan vele christenen (respondent 21).

Fundamentalisme is een oecumenisch verschijnsel. Het komt in alle religies voor, maar het islamitisch fundamentalisme is vaak in al zijn bedreigende vormen “hot news” (Harskamp, p.47).
Het islamitisch fundamentalisme is een verzamelnaam voor activistische en militante stro-mingen in de islam (Arends c.s., p.48). Zij streven naar het vestigen van een islamitische staat, waarin de sjarie’a wordt gehouden. Er lijkt geen sprake te zijn van een centrale organisatie. Het islamitische fundamentalisme kan vele vormen aannemen. Slechts een betrekkelijk klein deel bestaat uit terroristische groepen met die bekend zijn onder namen als: Djihad, Hezbollah en Taliban.

Naast het feit dat er binnen de moslimgemeenschap (oemma) een groep moslims is die in de naam van de islam vreselijke dingen aanricht, wordt de islam door te-genstanders met wat voor onderliggende reden voor hun aversie jegens het islami-tische geloof ook, steeds weer aangeduid als de oorzaak van de problemen van al-lochtone moslims en het falen van hun integratie in de Nederlandse samenleving (Bouali 2006, p.8).

In de jaren zeventig van de 20ste eeuw was een duidelijke opleving te constateren van fundamentalistische groeperingen. In sommige landen hebben zij de macht weten te ver-overen, nemen deel aan de regering of aan de verkiezingen. De Iraanse islamitische revo-lutie van 1979 heeft het islamitisch fundamentalisme in de rest van de islamitische wereld een belangrijke impuls gegeven. In andere landen zijn gewelddadige groepen en partijen actief, zoals de radicale Hezbollah in Libanon, de Palestijnse extremistische verzetsbewe-ging Hamas en het Front Islamique du Salut (FIS, het Islamitisch Heilsfront) in Algerije.
Tegenover de vele publiciteit over fundamentalistische onverdraagzaamheid ontwikkelt het postislamisme geleidelijk een vorm van tolerantie, die een oude islamitische deugd weer-spiegelt: het mededogen (ihsaan), en ook de mildheid (hilm). Het Arabische omgaan met de tijd spiegelt zich aan de koranische deugd van het geduld: “Allah houdt van geduldi-gen”(3:146). Hier verwijst de koran naar een innerlijke heilige oorlog, die symbool staat voor een innerlijke strijd, gericht op het moreel uitzuiveren en het zich vervolmaken van de persoon. Geduld houdt dan ook standvastigheid en volharding in. In die zin zijn geduld en mildheid synoniemen (Smet en Van Reeth, p.136).

Hoofdstuk 2 Geloofsleer
1. Inleiding
2. De koran
2.1 Indeling van de koran
2.2 De koran over de schepping
2.3 De koran over Abraham
2.4 De koran over Jezus
3. Soenna
4. Hadieth
5. De zes zuilen van de imaan (geloofsleer)
5.1 Geloof in God
5.2 Geloof in de engelen
5.3 Geloof in de profeten
5.4 Geloof in de heilige boeken
5.5 Geloof in de dag van het oordeel
5.6 Geloof in de voorbeschikking
6. Koran over zonde en vergeving
6.1 Grote en kleine zonden
7. De vijf zuilen godsdienstige verplichtingen
7.1 Sjahada
7.2 Salaat
7.3 Zakaat
7.4 Sawm
7.5 Hadd
8. Samenvatting islamitische geloofsleer

1. Inleiding

Ik zie de islam niet als waarheid. Wel ben ik van mening dat het niet goed is om mensen of groeperingen te veroordelen als mensen het fijne er niet van weten. Want ik heb met veroordeling veel kapot zien gaan. Liever zie ik dat mensen en vooral christenen vanuit liefde reageren naar anders denkenden, in dit geval de moslims. Ik wil dus niet afwijzend tegenover de islam staan, maar wil respect heb-ben voor die mensen. Ik vind het vooral indrukwekkend dat moslims zoveel voor hun religie over hebben. Daar kunnen wij als christenen nog wat van leren. Want het mag ons vaak weinig kosten (respondent 3).

In de koran wordt dikwijls over geloof (imaan) gesproken en worden Mohammeds volge-lingen aangesproken als: “Gij, die gelooft”. Dit geloof houdt in: Allah is de enige God en dat Mohammed is zijn Profeet. Zo luidt ook de islamitische geloofsbelijdenis (sjahada). Wie niet geloven zijn volgens de islam afgodendienaars. Daaronder worden ook de “Schriftbezitters”, de joden en de christenen, verstaan. Zij worden ongelovigen genoemd (kafir). De gelovige komt in het paradijs (djanna) en de ongelovige in het hellevuur (an-naar; djahannam).

2. De koran
De koran bevat voor de vrome moslim niet het woord van een profeet, maar het onver-valste Woord Gods. Mohammed is slechts een instrument waarvan God zich bedient, opdat zijn woord helder wordt in duidelijk Arabisch. De oer-koran, die in de hemel op een veilig opgeborgen tafel bewaard wordt, heeft zich eenmaal gemanifesteerd in dit boek, dat al-leen aangeraakt mag worden door iemand die ritueel rein is (Schimmel 1996, p.26). Alle moslims erkennen de autoriteit van de koran (qur’an, recitatie). Allen erkennen dat deze door God is geopenbaard aan de profeet Mohammed. De openbaringen die Mohammed gekregen zou hebben, werden niet chronologisch geordend, maar naar na de inleidende soera’s naar lengte. De eerste soera is de openingssoera en wordt “Het Begin” genoemd en bestaat uit zeven verzen (Al-fatihah). De tekst van de koran vormt de voornaamste rechtsbron voor de sjarie’a, de islamitische wetgeving. Met name de verzen die in Medina zouden zijn geopenbaard, geven veel voorschriften voor het irespondentichten van de maatschappij. Moslims zien de koran als een voortzetting van het Oude en het Nieuwe Testament en presenteert zich als een voleinding daarvan, zoals in de koran staat. De geschreven woorden van de koran worden als heilig beschouwd. Alle moslims erkennen dat de koran door God is geopenbaard aan de profeet Mohammed. Allah heeft op gezette tijden tot bepaalde volken vermaners gezonden. Dit zijn de profeten (nabi) en voor zover deze ook een Schrift (kitab) gebracht hebben, zijn zij tevens gezanten (rasoel) (Van der Leeuw I, p.399).
Na de dood van Mohammed werden zijn openbaringen bijeengebracht uit mondelinge en geschreven bronnen om de koran te vormen. Aangezien het Arabisch uitsluitend in mede-klinkers geschreven wordt en een aantal hiervan bijna dezelfde vorm heeft, ontstonden er al vroeg verschillende lezingen van de openbaring. De geautoriseerde versie in prachtig klassiek Arabisch is van omstreeks 650 en geschreven onder de derde kalief Oethmaan. Opvallend kenmerk is dat de tekst in rijmproza is gesteld. Het taalgebruik van de koran wordt beschouwd als zeer zuiver en daarom onnavolgbaar. De geschreven woorden van de koran worden als heilig beschouwd. Soms worden binnen de lokale islam koranteksten gebruikt als beschermende amuletten. Het kopiëren van de koran geldt als een deugdza-me daad. Kalligrafie en geometrische versieringen zijn daarvan een belangrijk onderdeel geworden. Voor heersers in vroeger tijden was het vervaardigen van versierde koran-exemplaren een belangrijke manier om zich als goede moslims te bewijzen. Dientengevol-ge namen de kalligrafische versieringen steeds grotere vormen aan. De indrukwekkendste koranexemplaren bevatten per bladzijde maar enkele regels tekst, zodat er veel ruimte over is voor weldadige versieringen met arabesken, voorzien van takken en bloemen in de meest uiteenlopende kleuren. Het oudste koranhandschrift was het koefisch schrift.
Veelal wordt beweerd dat de koran onvertaalbaar is. Elke ver¬taling zou de nuances van het Arabisch ontberen. Toch zijn er vertalingen versche¬nen in diverse talen ten behoeve van niet-Arabischtalige moslims, vaak met de Arabische tekst ernaast. De eerste vertaling van de koran in het Latijn verscheen in de 12e eeuw en vormde een mijlpaal in de Euro-pese belangstelling voor de islam. In Nederland verscheen de vertaling van de Ahmadijja-beweging in 1953 en van de hand van Kramers in 1956. Leemhuis verzorgde een weerga-ve van de Arabische tekst in hedendaags Nederlands in 1989.
Robertus Ketenensis was de eerste die de koran in het Latijn vertaalde (1143). Vierhon-derd jaar later publiceerde Bibliander in Bazel, op aandrang van Maarten Luther, de Latijn-se vertaling van het heilige boek van de islam in druk. Daarvan verschenen een Italiaanse, Duitse en Nederlandse vertaling.

2.1 Indeling van de koran
Volgens sommige overleveringen werden de openbaringen reeds tijdens Mohammeds le-ven opgeschreven, volgens andere werden de teksten pas later op schrift gesteld. Volgens de gebruikelijke overlevering zou tijdens het kalifaat van Oethmaan een redactie-commissie zijn ingesteld die alle teksten heeft verzameld in 114 soera’s, hoofd¬stukken, die zijn onderverdeeld in verzen (aja’s). Daarnaast is een indeling in 30 stukken (adjzaa) van ongeveer gelijke lengte bekend. Van deze adjzaa wordt door sommige gelovigen tij-dens de vastenmaand ramadan dagelijks één stuk gereci¬teerd. Het reciteren van de koran is een zeer belangrijke religieuze handeling. Een hafiz is iemand die de koran uit zijn hoofd kent, hetgeen als zeer verdienstelijk geldt. Het zogenaamde koranische zingen (tadjwied) staat in hoog aanzien. Deze kunst van het reciteren van de koran kent haar eigen speci-fieke regels wat betreft uitspraak en intonatie. Er worden in islamitische landen soms wedstrijden gehouden wie het mooist de koran kan reciteren. Tegenwoordig zijn er ook korarespondentecitaties op cassette- en videoband verkrijgbaar.

2.2 De koran over de schepping

Hij heeft de hemelen en de aarde in waarheid geschapen. Verheven is Hij bo¬ven al hetgeen zij met Hem vereenzelvigen (16:3).

Tot de vaste geloofsvoorstelling hoort dat Allah de wereld heeft geschapen door het machtswoord: “Word!”, waardoor de wereld tot existentie kwam. Het paradijs (djanna) wordt in de koran ook wel aangeduid als hof van Eden (Adn) en omschre¬ven als een wel-dadig groene tuin met veel bomen, fruit, schaduw en rivieren. De men¬sen liggen er op rustbedden. De mannen genieten er van het gezelschap van jonge, reine maagden (hoer-i’s). Maar het grootste wonder is dat de gelovigen God zullen zien. De ko¬ran kent ook het verhaal van het paradijs of hof van Eden, waaruit Adam en zijn echtgenote verbannen worden nadat zij van de verboden vrucht gegeten hebben. In de koran staat dat het Adam was die door de Satan ingefluisterd werd: Doch Satan fluisterde hem kwaad in, hij zeide: “O Adam, zal ik u voeren tot de Boom der Eeuwig¬heid, en een koninkrijk dat nim-mer zal vergaan?” Zo aten beiden er van, waar¬door hun schaamte hun duidelijk werd en zij zich begonnen te bekleden met blade¬ren uit de tuin. En Adam was ongehoorzaam aan het gebod van zijn Heer, der¬halve leed hij (20:120-121).

2.3 De koran over Abraham

Wij geloven aan God en wat op ons is nedergezonden en wat nedergezonden is op Ibr¡hiem en Ism¡‘il en Is˙¡q en Ya‘qub en de Stamvaders en wat gegeven is aan Musa en ‘Isa en de profeten vanwege hun Heer. Wij maken geen onderscheid tus-sen één van hen en wij zijn aan Hem overgegeven (3:84).

In de koran staat dat Abraham (Ibrahiem) wegtrok uit zijn land, omdat de mensen daar niet goed waren. Ze maakten afgodsbeelden en bogen zich voor hen neer (Sjirk). Volgens bepaalde islamitische legenden zou Adam bij Mekka de Ka’ba hebben ge¬bouwd. De zond-vloed vernietigde het bouwwerk. Op bevel van God herbouwde Abra¬ham met zijn zoon Ismaël de Ka’ba (22:26-27). Abraham (Ibrahiem) is voor de islam een zeer belangrijke figuur. Reeds eeuwen voor de geboorte van Mohammed waren veel bewoners van Mekka monotheïsten en hingen het geloof van Abraham aan (Thompson, p.9). Uit andere bron-nen is evenwel bekend dat zij meerdere goden dienden. Mohammed zag in hem de stam-vader van de islam en de eerste moslim. Daarom zei hij ook, dat de islam kort na de schepping was ontstaan. Volgens die gedachtegang zou de islam ouder zijn dan het joden-dom en het christendom. Midden in de woestijn ontdekte hij een witte steen, waar hij an-dere stenen omheen legde. Later vluchtte Hagar (Majar) met haar zoon Ismaël (Isma‘iel) daarheen (Genesis 16). Daar kregen zij van God te drinken. Na de dood van Hagar kreeg Abraham, de vader van Ismaël, een goddelijke zending om een heilige tempel te bouwen en hij begaf zich met zijn zoon naar Arabië. Met Ismaël vernieuwden zij de Ka’ba en legden daar de basis voor de bedevaart. Ze ontwikkel¬den ook een ceremonieel, waaraan de moslims zich nog steeds houden.

2.4 De koran over Jezus

De islam is duidelijk een valse godsdienst/religie. Maar het is niet erger dan een andere wettische godsdienst. Veel christenen zijn namelijk ook wettisch. Zij denken net zoals de islam dat je door werken behouden kunt worden. En dat is niet juist. Wij kunnen zelf namelijk niets doen aan onze behoudenis, dan alleen God (respon-dent 4).

Het evangelie wordt in de koran geaccepteerd als heilig boek en Jezus (Isa) als belang¬rijk profeet. De koran vermeldt dat christenen en joden de inhoud van de hei¬lige schriften hebben verdraaid. Hierover is veel verschil van mening binnen de is¬lam. De moslims heb-ben in de bijbel gezocht naar teksten die de komst van Jezus zouden aankondigen. Zij gebruiken hiervoor onder andere de tekst uit Johannes waar de Trooster wordt aangekon-digd (Johannes 16:5-15).

O, mensen van het Boek, overdrijft in uw godsdienst niet en zegt van Allah niets dan de waarheid. Voorwaar, de Messias, Jezus, zoon van Maria was slechts een boodschapper van Allah en Zijn woord tot Maria gegeven als barmhar¬tigheid van Hem. Gelooft dus in Allah en Zijn boodschappers en zegt niet: “Drie (in één).” Houdt op, dat is beter voor u. Voorwaar, Allah is de enige God. Het is verre van Zijn heiligheid, dat Hij een zoon zou hebben. Aan Hem behoort wat in de hemelen en op aarde is en Allah is als Bewaarder af¬doende (4:171).

De verhalen over Jezus in de koran zijn minder gedetailleerd dan in het Nieuwe Testa-ment. Ze lijken meer op verwijzingen naar het (of een) ‘evangelie’, dat de koran bij de lezer als bekend veronderstelt. Dit evangelie blijkt niet identiek te zijn aan de bekende vier evangeliën zoals christenen die kennen (Halbertsma en Van Rommel, p.105). De islam eert Jezus (Isa) als een profeet en aanvaardt zijn maagde¬lijke geboorte. Mohammed spreekt met veel eerbied over Jezus en Zijn moe¬der Maria. Hij wil echter geen goddelijke eigenschappen aan Jezus toekennen. Hij geloofde wel in de maagdelijke geboorte van Je-zus. Hij ziet Jezus als een groot pro¬feet en als een voorloper van Mohammed (61:6), de laatste profeet. De koran kent een aantal grote profeten: O.a. Adam, Noach, Abraham, Mozes, Jezus en Mohammed. Belangwekkend is ook de uitspraak in de koran, volgens welke Jezus niet zelf aan het kruis gestorven is, maar een ander mens die op Hem leek, terwijl Jezus zelf door God in de hemel werd opgenomen (4:155-157).
De zielen van Adam en Jezus zijn rechtstreeks door God geschapen. De menswor¬ding van God en de drie-eenheid gaat de koran te ver. Het goddelijke en het menselijke zou verva-gen: Ze zeggen dat Allah een zoon heeft genomen (2:116). Het is een groot woord dat uit hun monden komt. Het is een leugen (18:5).

3. Soenna
Er ontstaat nogal eens verwarring over de termen “soenna” en “hadieth” . Beide ter¬men worden meestal vertaald met “traditie”.

De soenna (gewoonte, gebruik, wenselijke levenswijze) van Mohammed is het ge-heel van alles wat Mohammed heeft gezegd of gedaan. De soenna omvat dus alle teksten waarin woorden van Mohammed worden aangehaald of waarin daden van hem worden beschreven. De hadieth is de technische term, hetgeen ‘gezegde’ be-tekent. Het verzamelen, indelen en onderzoeken op hun authenticiteit van deze hadieths was, nadat de korantekst was vastgelegd, een van de voornaamste taken van de gemeenschap.

Omdat de koran niet in alle gevallen duidelijke aanwijzingen geeft hoe men behoort te handelen, maakte men al vroeg gebruik van een andere bron, namelijk de ‘soenna’. Dit is een schriftelijke verzameling van gewoonten, adviezen en modellen van Mohammed. In de praktijk is de soenna een aanvulling en nadere uitwerking van de koran. Zo staat er bijvoorbeeld in de koran dat de gelovigen tot Allah moeten bidden, maar vinden we in de soenna van Mohammed dat dit vijf keer per dag moet. Soms is de soenna ook een cor-rectie of een verzachting van de korarespondentegels. In de koran staat dat van een dief de hand moet worden afgehakt (5:38). De soenna vertelt dat Aïsja, de weduwe van Mo-hammed, zich herinnerde dat de profeet deze straf alleen toepaste als het gestolen goed een zeer hoge waarde had. Toch zijn er ook vraagstukken, waarop in de koran of de soenna geen antwoord te vinden is. In de koran is bijvoorbeeld het drinken van wijn ver-boden. Daaruit leidt men af dat het drinken van bier en andere alcoholische dranken ook verboden is, hoewel dat ner¬gens letterlijk geschreven staat. Bieden de koran en de soen-na geen uitkomst, dan moeten de schriftgeleerden het eens zien te worden.

4. Hadieth
De belangrijkste bron die naast de koran erkend en gebruikt wordt is de hadieth (ver¬haal, overlevering, mededeling). Een hadieth is in de islam een term die de ge¬hele literaire overlevering van gezegden en handelingen van de profeet Mohammed aanduidt. Een ha-dieth wordt niet als een goddelijke openbaring gezien zoals de koranteksten, maar heeft voor de moslims wel groot gezag omdat het een letterlijk woord van de profeet bevat. Deze hadieths wor¬den door moslims als dogma’s beschouwd, hoewel er onder theologen veel discussie over de betrouwbaarheid van de uitleg en toepassing bestaat (Arkoun, p. 87-88).
Een hadieth bestaat uit twee delen:
1. Isnaad: de keten van personen die het verslag hebben doorgegeven. De waarde en de betrouwbaarheid van wat is doorverteld hangt sterk af van de oorsprong van de informatie;
2. Matn: De eigenlijke inhoud van het verslag.
Wat is de inhoud van een hadieth? Een hadieth is een gezaghebbende uitspraak over een rituele, morele of religieuze zaak. Er is bijna niets van belang voor het leven van een moslim, waarvoor geen uitspraak van de profeet voorhanden is: te beginnen bij geloofs-vragen (karaktereigenschappen van de profeet en zijn nakomelingen, de beteke¬nis van de koran en zijn exegese, religieuze verplichtingen), via vragen van morele aard (omgang in de familie, behandeling van slaven en zakerespondentelaties) tot en met kwesties van rechtvaardig staatsbestuur (karaktereigenschappen van de heer¬ser, strafrecht). Ook vra-gen van het alledaagse leven zoals kleding en voeding wor¬den behandeld. Voor alles waarvoor de koran geen bepalingen heeft getroffen, vindt de moslim nu in de hadieths concrete voorbeelden en regels (Küng 2006, p.333).
Een van de hadieths bevat de veel gebruikte lijst van de 99 namen voor Allah. In werke-lijkheid heeft Allah honderd na¬men,maar de honderdste naam is verborgen. Enkele namen zijn: De Koning, de Heilige, de Beslisser, de Wetende, de Overvloedig gevende, de Ma-ker.

5. De zes zuilen van het geloof (imaan)
De “zes zuilen” van de imaan (geloofsleer) die hieronder beschreven zijn, zijn opgenomen in een van de soera’s, on¬der andere in 4:136:

Jullie die geloven! Gelooft in God, in Zijn gezant, in het boek dat Hij heeft neerge-zonden tot Zijn gezant en in het boek dat Hij vroeger al heeft neergezon¬den. Maar wie geen geloof hecht aan God, Zijn engelen, Zijn boe¬ken, Zijn gezanten en de laatste dag, die is afgedwaald.

5.1 Geloof in God

Heden heb ik uw religie voor u vervolmaakt, en Mijn gunst aan u voltooid, en Ik heb de Islam voor u als religie gekozen (5:3).

Net als de bijbel neemt de koran aan dat God bestaat en maakt geen voorbehoud. “Er is geen God buiten God.” (La ilaha illa Allah) God is Een en Enig, hij heeft geen deelgenoten, geen gelijken (soera 112). Hij is goed en almachtig, zoals te zien is aan de natuurver-schijnselen, die tekenen zijn van Gods macht en mildheid. Het ware geloof in Allah brengt mensen tot toewijding en overgave (islaam). Het tegenovergestelde is aanbidding van dingen of wezens die aan God gelijkgesteld worden (sjirk). Dit is volgens de koran een onvergeeflijke zonde (4:48). God is de Heer van de schepping. De mens is schepsel, door God als rentmeester aangesteld, al blijft de mens dienaar en knecht van God (2:256). De islam is niet genoemd naar een persoon zoals het geval is met het Christendom dat ge-noemd is naar Jezus Christus, of boeddhisme dat genoemd is naar Buddha of Confucia-nisme dat genoemd is naar Confucius. De islam is de ware religie van Allah en als zodanig is het centrale principe van Allah’s religie: de totale onderwerping aan Allah’s wil.

5.2 Geloof in de engelen

En toen uw Heer zeide tot de engelen: Ik ga mensengeslacht scheppen van vorm-klei van vergruizeld slijk. En wanneer Ik hem gevoegd heb en daarin geblazen heb van Mijn geest valt dan neer voor hem u nederwerpend. Toen wierpen alle engelen zich neder altezamen. Behalve Iblis die weigerde te behoren tot de zich nederwer-penden. Hij zeide: O Iblis wat is er met u dat gij niet behoort tot de zich neder-werpenden? Hij zeide: Ik ben niet zo dat ik mij nederwerp voor mensengeslacht dat Gij geschapen hebt van vormklei en vergruizeld slijk. Hij zeide: Ga dan uit van-daar gij zijt vervloekt. En op u is de vervloeking tot de Dag des Gerichts. Hij zeide: Mijn Heer ontzie mij dan tot de dag dat zij worden opgewekt. Hij zeide: Dan be-hoort gij tot hen die ontzien worden tot de dag van de wél-gekende tijd. Hij zeide: Mijn Heer doordat Gij mij misleid hebt zal ik schone schijn voor hen maken op de aarde en zal ik hen misleiden behalve Uw dienaren onder hen de gans toegewijden. Hij zeide: Dit is een pad waarvoor ik de zorg heb een rechtgebaand. Mijn dienaren over hen hebt gij geen gezag behalve over de verdoolden die u volgen (15:28-42).

Naast de mens heeft God ook hogere wezens geschapen, namelijk engelen. Ze zijn ge-slachtsloos en eten noch drinken. Het is hun taak Gods opdrachten uit te voeren. De koran legt sterk de nadruk op het bestaan van engelen, Gods boodschappers. Zij zijn bood-schappers tussen God en de wereld. Engelen loven en prijzen God dag en nacht, zonder op te houden: Zij verheerlijken Hem dag en nacht, en zij verslappen hierin nimmer (21:20). Zij noteren de daden van ieder mens in een boek, dat op de dag van de weder-opstanding door God wordt gebruikt om over de mensen te oordelen (82:10-12). Telkens wanneer een moslim bidt, zijn de engelen aanwe¬zig. Aan het einde van het gebed dankt de moslim voor de aanwezigheid van de engelen.
Er wordt ook geloofd aan geestesverschijningen, die djinn genoemd worden. Het zijn ge-heimzinnige wezens die de gestalte vaneen mens kunnen aannemen en net als mensen kunnen kiezen of ze moslim worden of niet. Djinn zijn geschapen uit vuur (licht) en niet (zoals de mens) uit klei. Ze zijn net als engelen geslachtsloos en eten en drinken niet. Hun doel is God te dienen en te aanbidden. Oproerige djinn worden duivels genoemd. De hoofdduivel is Satan (Iblis), aan wie God toestaat de mensen in verleiding te brengen. De satan is uit het paradijs verdreven omdat hij Adam eer te bewijzen. Tot op de dag van het oordeel is er voor hem de mogelijkheid mensen te verleiden, al heeft God daaraan gren-zen gesteld (15:28-42). Een djinn kan het huwelijk of gezins¬leven vernielen.

5.3 Geloof in de profeten

Ik denk dat veel mensen een weg proberen te zoeken naar God, Mohammed en Boeddha zijn daar een voorbeeld van. Voor mij is dit een valse godsdienst. De Bij-bel zegt dat de wereld onder de macht van satan is en daar is de islam een voor-beeld van. De islam is een godsdienst van vrede, dat is wel wat de moslims willen, maar als je de koran erbij pakt zie en lees je wat anders. Ik vind wel dat je mos-lims moet waarderen als mens (respondent 7).

De islam leert dat de mens niet tot het kwade geneigd is en geen erfzonde kent. De mens is wel vergeetachtig, onwetend en hulpbehoevend geschapen (4:28), hij handelt haastig (7:11) en is ondankbaar (17:67). Vanwege al deze menselijke gebreken heeft de mens leiding nodig in zijn leven. Daartoe heeft God de profeten (nabie) gegeven. De profeet vormt een schakel tussen God en mens. De islam vereist geloof in alle profeten zonder onderscheidt, van Adam tot Moham¬med. Zij worden beschouwd als hemelse leraren, die kwamen om de mensheid te bekeren en te leiden naar God. Een moslim moet na het be-zigen van een naam van een profeet, het doen volgen met de lofuiting: Aleihi-assalam ofwel Vrede zij met hem (vzmh).

5.4 Geloof in de heilige boeken
In de koran staan gedeelten die ook voorkomen in de bijbel en de thora. Mohammed is als Gods profeet slechts een mens die een boodschap doorgeeft. Vóór hem zijn er vele andere profeten geweest, die allen een in principe gelijke boodschap brachten: de oproep tot geloof in de ene God en tot rechtvaardigheid in de menselijke samenle¬ving. Sommigen onder deze profeten brachten, net als Mohammed, een ‘boek’ waarin zij de aan hen ge-openbaarde teksten hebben opgeschreven. Met “het geloven in alle Boeken van Allah” wordt bedoeld dat Allah geboden en godsdienstige gedragsregels aan verscheidene profe-ten in verschillende perioden van de geschiede¬nis heeft geopenbaard om de mensen te leiden. De vier boeken in het Ara¬bisch: 1. Taurat (Thora) werd geopenbaard aan de pro-feet Moesa (Mo¬zes) 2. Zaboer (Psalmen) werd geopenbaard aan de profeet Dawoed (David) 3. In¬djiel (Evangelie) werd geopenbaard aan de profeet Isa (Jezus) 5. De heilige ko¬ran (werd geopenbaard aan de profeet Mohammed ). Moslims geloven dat de God van de islam de God is, die zich ook binnen de joodse en de christelijke traditie heeft geo-penbaard.

5.5 Geloof in de dag van het oordeel

Er was voor u toch in de boodschapper Gods schoon voorbeeld voor wie hoopten op God en de laatste dag en God veelmaals gedachten (33:21).

Moslims geloven in het laatste oordeel en in de opstanding op de jongste dag. Het geloof in de ‘jongste dag’ en in Allah’s strenge oordeel over het aardse leven en hande¬len van de gelovigen is uitermate belangrijk in de islam. De dood betekent voor de moslim dat li-chaam en ziel gescheiden worden, waarbij speciale engelen des doods de menselijke ziel naar de hemel begeleiden (79:34). Op de laatste dag zullen alle mensen tot leven worden gewekt, de doden zullen herrijzen, voor God verschij¬nen en geoordeeld worden om naar het paradijs of de hel gezonden te worden, al naar gelang hun daden. Op verschillende plaatsen noemt de koran de spijzen en de zintuiglijke genoegens in het paradijs en de ge-lukzaligheid van het geslachtsverkeer met de paradijselijke hoeri’s (Arabisch = maagden). Het aanschouwen van God is echter voorbehouden aan enkele door God uitverkorenen en kan altijd slechts een ogenblik duren (Hattstein, p.99). De gelovige moslim neemt aan dat alles, goed zowel als kwaad, geschiedt volgens de wil van God (predestinatie). In hoeverre er echte wilsvrijheid is wordt verschillend gedacht.

5.6 Geloof in de voorbeschikking
Moslims geloven in een gedetermineerd leven. Dat wil zeggen in Allah’s voorbeschik¬king van gebeurtenissen, zowel de goede als de kwade (Esposito, p.88). In niet-ortho¬doxe kringen heersen andere opvattingen over determinisme. Zo kennen de sji’ieten de opvat-ting dat de mens zelf goddelijke eigenschappen kan verwerven of zelfs god worden. De mystici gaan nog verder. Zij duiden de godheid bij voorkeur aan met het woord “Werke-lijkheid” (hakk). De “Werkelijkheid” is in en achter deze wereld van schijn en van vergan-kelijkheid verborgen, maar de mysticus dringt door de omhullende sluiers heen en ervaart dan zichzelf als deel van de Werkelijkheid, waarin hij zichzelf verliest (Van der Leeuw I, p.402).

6. De koran over zonde en vergeving

Zij die niet hopen op de ontmoeting met Ons en zich tevreden stellen met het na-bije leven en daarin berusting vinden en ook zij die onachtzaam zijn voor Onze te-kenen diegenen hun bestemmingsoord is het Vuur voor wat zij vergaarden (10:7-8).

De koran kent niet de bijbelse leer dat de mens, als gevolg van de zondeval van Adam en Eva een zondaar is en daardoor van nature verloren is. De islam leert, dat de mens van nature goed is. De koran kent dus niet de bijbelse leer van genade, verlos¬sing en verzoe-ning door Christus. Wie leeft volgens de geboden van de koran en berouw heeft mag ho-pen, dat Allah hem in de hemel zal toelaten. Allah is dan vergevingsge¬zind. De vergeving van de zonden is een thema in de koran dat eruit springt. Dit begrip komt namelijk voor in alle gedeelten uit alle ontstaansperiodes van de koran en loopt er als een rode draad doorheen. De koran heeft een groot aantal uitdrukkingen voor het begrip vergeving. De basisbetekenis in het Arabisch is: een zaak bedekken, toedekken en vervolgens vergeven. Degene die vergeeft kan God of een mens zijn. (Bouwman, p.26). Zekerheid omtrent zijn behoud heeft de moslim niet. Zijn eeuwig heil hangt van het Laatste Oordeel af. Moslims geloven dat op de Dag des Oordeels de goede en de slechte daden tegen elkaar zullen worden afgewogen op een weegschaal (10:6-9). Bij het Laatste Oordeel, op de dag van de opstanding (5:36), krijgen de behoudenen en het eindresultaat in hun rechterhand, terwijl de verlorenen dit in hun linker¬hand krijgen (69:19,25). In het paradijs zullen de behoudenen en genieten van aardse, zinnelijke zegeningen. Het paradijs wordt als een tuin der lusten voorgesteld. In die tuin wonen hoeri’s, dat zijn eeuwig jonge en eeuwig maag-delijk gezellinnen met grote zwarte ogen (55:46-56). In de hel (djahannam) zullen de ver-lorenen het afschuwelijkste lijden ondergaan. Al bij het naderen van de hel horen zij het gekerm en gereutel (25:12; 67:7,8). Hier worden de verlorenen gebraden, hoewel ze niet verteren (74:26).
Over de samenhang van vergeving en liefde spreekt de koran niet, behalve dan dat God de ongelovigen niet liefheeft (3:31-32): “Indien gij God bemint zo volgt mij en dan zal God u beminnen en u uw boosheden vergeven.God is vergevend en barmhartig. Gehoor-zaamt God en de boodschapper. Doch indien gij u afwendt God bemint niet de ongelovi-gen. Daarom worden joden en christenen in de koran aangevallen, omdat zij zich beroe-pen hebben op de liefde van God (5:18). Vergelijkt men het thema vergeving in de bijbel en in de koran, dan wordt zij op niet mis te verstane wijze met andere tekenen voorge-steld. De verkondiging van Paulus ontbreekt volledig: ‘God echter bewijst zijn liefde jegens ons, doordat Christus, toen wij nog zondaren waren, voor ons gestorven is’ (Romeinen 5:8). Op grond daarvan moet nu worden gesproken over de verzoening (Bouwman, p.26).

6.1 Grote en kleine zonden

Qua religie is het zondermeer een valse religie. Een onverzoenlijke tegenstelling met de boodschap van de Bijbel. De grootste tegenstelling zit in de visie op genade en God. De Islam kent eigenlijk geen genade in de zin van vergeving om niet. God is in de Islam een hele onpersoonlijke en hoge god. Gemeenschap tussen God en Zijn kinderen is er ten diepste niet mogelijk. Islam betekent ook onderwerping. Het is een religie van de dwang en angst. Christus is in de Islam ook niet de Zoon van God. Hier liggen onverzoenlijke tegenstellingen. Maatschappelijk moeten we probe-ren samen te leven met circa een miljoen islamieten in dit land. Dat vergt toleran-tie. Lastig maar nodig (respondent. 16).

De bekende theoloog Al-Ghazali (1058-1111) heeft een indeling gemaakt in verschillende categorieën van zonden. De moslim laat elke handeling voorafgaan door een intentio, waarin hij tot zichzelf zegt waarom hij deze verricht. Veelal begeleidt hij deze handeling met een religieuze formule. Daarmee drukt hij gehoorzaamheid aan God uit (Kűng en Van Ess 1986, p.83).
Zonden van de eerste categorie: het niet geloven in God (koefr) en het aanbidden van andere goden (sjirk). Deze twee zonden worden in het algemeen als onvergeeflijk be-schouwd. Wie deze zonden begaat komt in de hel terecht. Zonden van de tweede catego-rie: zonden gericht tegen het leven of het gezin, zoals moord en overspel. Zonden van de derde categorie: zonden met betrekking tot het onrechtmatig toeëigenen van bezittin-gen. Zonden van de tweede en derde categorie kunnen er toe leiden dat een moslim enige tijd op het bovenste niveau van de hel moet doorbrengen waar het lichtste strafregime heerst. Er is nog een kans de hemel te verdienen. Zonden van de vierde categorie bevat-ten alle overige zonden, zoals alcoholgebruik en liegen. De moslim wordt op grond van deze zonden de toegang tot de hemel niet ontzegd.

7. De vijf zuilen godsdienstige verplichtingen
De islam kent de vijf verplichtingen of pijlers tegenover God. Een moslim is gebonden aan deze vijf verplichtingen of pijlers. Islamitische apologeten vertellen ons dat er in religieuze zaken geen verschil is tussen mannen en vrouwen: ze zijn gelijkwaardig. Wanneer we echter in de overleveringen van de profeet kijken zijn de godsdienstige vrijheden van een vrouw beperkt, terwijl ze nog verder kunnen worden ingeperkt door haar man (Glaser en John, p.75). De zuilen ondersteunen elkaar en vormen samen het morele karakter van de voorbeeldige moslim. Vrijwel elke godsdienstige levensbeschouwing heeft zijn leefregels en rituelen. In de islam worden de leefregels ook wel zuilen genaamd. Er zijn er vijf (arkaan al – Islam). 1. geloofsbelijdenis (sjahaada); 2. gebed (salaat); 3. geven van aal-moezen (zakaat); 4. vasten (sawm) in de maand ramadan; 5. bedevaart naar Mekka (haddj).

7.1 Sjahada
De geloofsbelijdenis van de moslim luidt: “Er is geen god dan God, en Mohammed is zijn profeet.” In alle ernstige omstandigheden en vooral in het uur van de dood moet de mos-lim de sjahada bidden. Vlak na de geboorte van een kind wordt de geloofsbelijdenis in het oor gefluisterd. Met deze geloofsbelijdenis wordt de mens, ook formeel, een moslim. Het gaat niet alleen om het uitspreken van de woorden, maar ook om de innerlijke instelling. Het reciteren van de sjahada wordt wel vergeleken met het opzeggen van het joodse sjema (Deuteronomium 6:4ff) of de christelijke Apostolische Geloofsbelijdenis (Reimer, p.27).

7.2 Salaat

Het bidden is iets teruggeven aan God, omdat God zo veel aan mensen heeft ge-geven. In het bidden heb je contact met God. Daarom moet je je er ook op voor-bereiden door je vooraf te reinigen. Door bijvoorbeeld je hoofd te reinigen, worden je hersens fris en maak je je daarmee klaar en ontvankelijk voor God (Boersma, p.34).

Als iemand aan het bidden is, mag u niet naar hen staren, niet voor hem langs lo-pen en hem niet storen (Nydell, p.105)!

De salaat is een essentieel element van het islamitisch geloof. Het bidden gaat gepaard met riten en gebaren. Het Arabische woord voor gebeden is salaat. In de koran is dit steeds gekoppeld aan het werkwoord ‘verrichten’. Want het gaat om een ritueel, een acti-viteit van de geest en het lichaam, gebonden aan de volgende regels:
– men bidt vijfmaal daags op gezette tijden;
– men bidt in de richting van de Ka‘ba te Mekka;
– men bidt met ontschoeide voeten op een gebedskleed of -tapijt;
– men bidt in verschillende houdingen, die nauwkeurig zijn voorgeschreven;
– men bidt in voorgeschreven bewoordingen in de Arabische taal (veel uit de koran);
– men bidt in ritueel reine toestand. Hoe men zich moet reinigen, is precies voorgeschre-ven. Een moslim bidt wanneer en zo vaak hij wil, maar in elk geval vijf maal per dag: bij aan aanbreken van de dag; om 12.00 uur; in de middag; na zonsondergang en vroeg in de nacht. Belangrijk is het gezamenlijke gebed voor de volwassen mannen op vrijdagmid-dag is de moskee. Voor een moslim heeft de vrijdagmiddag dezelfde betekenis als de zondagmorgen voor een christen. De mannelijke moslims zijn verplicht naar de moskee te gaan waar een gebedsbijeenkomst plaatsvindt en waar de imam als voorganger optreedt. Vrouwen kunnen eveneens deelnemen aan het vrijdagmiddaggebed in de moskee, zij het afgescheiden van de mannen. Voor de moslim gaat bidden verricht hij de rituele wassing van gezicht, handen en voeten. Tijdens het gebed bedekken de moslims hun hoofd. Soms gebruiken ze een kralensnoer als hulp om de 99 namen van Allah op te zeggen. Vrouwen mogen tijdens de menstruatieperiode de salaat nalaten. Als deze periode weer voorbij is moeten ze eerst een grote wassing verricht voor ze de salaat weer verrichten.

7.3 Zakaat
De islam gaat er van uit dat alles wat de mens bezit een door God gegevengeschenk is (57:7). De mens is dan ook door God als zaakwaarnemer of rentmeester aangesteld. De-gene die zijn rijkdom voor Gods zaak besteedt maakt uiteindelijk de grootste winst. Deze gedachte is de grondslag voor de zakaat. Het is daarom een religieuze plicht in de islam om armen en behoeftigen te helpen en financieel te ondersteunen. Wanneer men rijk is of meer heeft dan zijn vrienden of kennissen, heeft men dit aan God te danken. Onder het begrip zakaat wordt verstaan een barmhartige levenshouding en de bereidheid religieuze armenbelasting of aalmoezen te geven. Het zou een tiende van de oogst of van de jaar-lijkse winst kunnen zijn. Het is een soort sociale voorziening ten behoeve van de zwakke-ren in de samenleving. In het hiernamaals zal Allah de zakaat in veelvoud belonen. Vroe-ger werd de zakaat wel ingezet om het geloof te verspreiden en gevangenen los te kopen.

7.4 Sawm
Het vasten tijdens de negende maand ramadan is ingesteld naar aanleiding van de slag bij Badr. Het begin en eind van de maand lopen niet in alle landen synchroon in verband met de islamitische jaartelling. Door weersomstandigheden kan het voorkomen dat de nieuwe maan in het ene land eerder wordt waargenomen dan in het andere en de maand rama-dan daar daarom eerder begint. Gedurende de maand Ramadan mogen de moslims niet eten, drinken, roken, seksuele omgang hebben tussen de dageraad en de zonsondergang. Sommigen weigeren zelfs het innemen van medicijnen. Vrouwen mogen tijdens de men-struatie of kraamperiode niet vasten. Ze worden dan als onrein beschouwd en moeten de niet gevaste dagen later inhalen. Het vasten wordt beschouwd als een teken van dank-baarheid ten opzichte van God en als een uiting van solidariteit met de armen. ’s Avonds laat worden er speciale gebeden in de moskee verricht. Het breken van de vasten (iftaar) wordt in veel landen aangekondigd met geweer- of kanonschoten. Er hangt ’s avonds een feestelijke sfeer, er worden veel familiebezoeken afgelegd en lekkernijen genuttigd, de moskeeën zijn feestelijk verlicht en overal hangen speciale ramadan-lantaarns. Vlak voor zonsopgang wordt dikwijls nog een maaltijd genuttigd. Ramadan geldt als een heilige maand. Met name de laatste tien dagen worden als bijzonder beschouwd, omdat Moham-med in deze periode zijn eerste openbaring zou hebben gekregen (koran, 96:1-5). Dit wordt gevierd tijdens lailat al-qadr (meestal op 27 ramadan).

Elk jaar bracht Mohammed de laatste tien dagen van de ramadan in afzondering door. Hij kreeg dan openbaringen. In een bepaald jaar bleven de openbaringen uit. De engel Gabriël kwam op bezoek en vroeg Mohammed: “Toen je wees werd, heeft God je toch onderdak gegeven? Toen je verdwaalde, heeft Hij je de weg toch getoond? En toen je arm was, heeft Hij je toch rijk gemaakt (V.d. Weyer, p.18)?

Het einde van de vastenmaand wordt groots gevierd tijdens het suikerfeest (Id al-Fitr). Het vasten is erg populair en wordt door vrijwel alle volwassen moslims uitgevoerd. Ra-madan heeft ook gevolgen op economisch gebied. De productie stagneert vaak in verband met de honger en het slaapgebrek van de werknemers. Veel bedrijven en instellingen in de islamitische wereld hanteren aangepaste werkroosters tijdens ramadan. In Nederland voldoen vrijwel alle moslims aan de vastenplicht tijdens ramadan. Velen richten zich hierbij naar de tijden zoals die gelden in hun land van herkomst. Het begin en einde van de maand kunnen daarom verschillen. In de zomermaanden valt het vasten in Nederland ex-tra zwaar omdat het dan veel langer licht blijft en de vasten veel later gebroken kunnen worden.

7.5 Haddj
Een maal in zijn leven naar Mekka. Deze pelgrimstocht of bedevaart (Haddj) moet plaats-vinden in de tiende maand. Dit voorschrift geldt alleen voor mensen die voldoende geld hebben. Mekka is het hart van de Islamitische wereld en is niet toegankelijk voor niet-moslims. Tijdens de pelgrimstocht komt de pelgrim in contact met andere rassen en vol-ken en ervaart dat Allah er voor alle mensen is. In het hart van de stad staat de Ka’ ba, een rechthoekige steen. Er hangt een zwart kleed omheen (kiswa). De pelgrims lopen zeven maal om dit bouwwerk heen en kussen de heilige zwarte steen in een van de hoe-ken. Voor moslims is de Ka’ba, een kleine heilige plek in het midden van de Grote Moskee in Mekka, de heiligste plaats op aarde. Volgens moslimlegendes werd de tombe door de aartsvaders Abraham en Ismaël (Isma’iel) gebouwd op fundamenten die Adam ooit heeft gelegd. Moslims over de hele wereld richten zich naar de ka’ ba wanneer ze gaan bidden. Nadat Abraham goed door de beproeving heen gekomen was, gaf God ‘ter bevrijding een geweldig slachtoffer in zijn (zoons) plaats’ (37:107). De twee belangrijkste moslimse feesten zijn hiermee vermeld: ‘ied al-fitr en ‘ied al-adha, in het Turks seker bayramı (suikerfeest) en kurban bayramı (offerfeest). Na zijn terugkeer mag de pelgrim zich hadji noemen.

8. Samenvatting islamitische geloofsleer
De koran pretendeert de koran de vervulling en voleinding van de bijbelse geschiedenis te zijn. Deze aanspraak wordt in vier basisprincipes vastgelegd:
1. De koran brengt de waarheid van de Heer (32:3); hij bevat de vaststaande waarheid (69:51); hij is met de waarheid neergedaald (17:105); hij is in waarheidsgetrouwheid en gerechtigheid
vervuld (6:115); hij brengt wat de vroegere profeten reeds gezegd hebben (41, 43).
2. Mohammed is het zegel van alle profeten (33:40). ‘Zegel’ wordt hier in de betekenis van ‘beslissende afsluiting’ en ‘vervulling’ gebruikt.
3. De islam is de door God zelf verkozen religie: ‘Heden heb Ik jullie godsdienst voor jullie voltooid, Mijn genade aan jullie volledig bewezen en de Islam [de overgave aan God] als godsdienst voor jullie goedgevonden’ (5:3).
4. De islamitische gemeente is de beste van de gehele mensheid: ‘Jullie zijn de beste ge-meenschap die er voor de mensen is voortgebracht; jullie gebieden het behoorlijke, ver-bieden het verwerpelijke en geloven in God. Als de mensen van het boek [joden en chris-tenen] zouden geloven dan was dat beter voor hen. Onder hen zijn er gelovigen, maar de meesten van hen zijn de verdorvenen’ (3:110) (Bouwman, p.24).


Hoofdstuk 3 De islamitische levenswijze
1. Inleiding
2. Huwelijk
2.1 Intimiteit voor en in het huwelijk
2.2 Gemengd huwelijk
2.3 Polygamie
2.4 Schaking
3. Het gezin
3.1 Moeder en vader
3.2 Dochters en zonen
3.3 Besnijdenis
4. Positie van de vrouw
4.1 Religieuze positie van de vrouw
5. Culturele kenmerken in leven en wonen
5.1 Kleding
5.2 Traditionele kleding voor mannen en vrouwen
5.3 Reinheid en onreinheid
5.4 Voeding
6. Ziekte en dood
6.1 Het verzorgen van de overledene
6.2 De rouwtijd om een overledene
7. Moskee
8. Moslims in Nederland
9. Feesten in de islam

1. Inleiding

Arabieren zijn genereus, menselijk, beleefd en loyaal.
Arabieren kunnen bogen op een rijk erfgoed.
Arabieren worden door westerlingen verkeerd begrepen (Nydell, p.32)

Wanneer we mensen in hun culturele en levensbeschouwelijke omgeving willen begrijpen, is het noodzakelijk eerst te kijken wat hun centrale opvattingen en kernwaarden zijn. De hoeksteen van de Arabische samenleving is de uitgebreide familie of grootfamilie. Indivi-duele familieleden voelen een sterke gehechtheid aan alle familieleden – tantes, ooms, neven – en niet alleen aan directe bloedverwanten. Tot welke graad verwanten tot de fa-milie worden gerekend, varieert per familie. De meeste Arabieren hebben meer dan hon-derd “vrij nauwe” verwanten. Familieloyaliteit en verplichtingen gaan boven trouw aan vrienden of de eisen die een baan stelt (Nydell, p.89). Waarden, normen en opvattingen sturen het sociale leven en handelen.
Er zijn naar schatting een miljard Arabieren en daarvan is ca 300 miljoen moslim. Het is dus een misvatting te denken dat alle Arabieren moslim zijn. De meeste westerlingen zijn van mening dat de mens het centrum is van het sociale leven. De mens kan met zijn technische middelen vrijwel alles beheersen. Deze opvatting is bepalend hoe westerlingen naar de wereld kijken en bijvoorbeeld ook hoe zij met Arabieren omgaan. Arabieren gelo-ven in het algemeen dat vele dingen in het leven, misschien wel alles, in laatste instantie door het lot bepaald worden en niet door mensen. Fatalisme is een integraal onderdeel van de Arabische cultuur (Nydell, p.48). Zij denken bijvoorbeeld dat iedereen van kinderen houdt, dat de wijsheid met de jaren komt en dat man en de vrouw met een sterk ver-schillende persoonlijkheid geboren zijn. Deze ideeën bepalen in hoge mate de aard en het karakter van de Arabische cultuur (Nydell, p.30).
Als we nader de Arabische cultuur bekijken, dan zien we een aantal opvallende kenmer-ken. Iemands waardigheid, eer en reputatie zijn het allerbelangrijkste en men mag niets nalaten om deze te beschermen. De moslim schaamt zich van nature en is decent. Schaamte is een eigenschap die deel uitmaakt van zijn geloof, de basis van zijn leven. Schaamte spoort aan het goede te doen en het kwade te laten (El Djezeïri 1997, p.26). Vooral iemands eer is een hoog goed. Eer en schande worden vaak als iets collectiefs ge-zien en hebben op de hele familie of groep betrekking. Loyaliteit aan de familie gaat bo-ven persoonlijke behoeften. Sociale klasse en maatschappelijke status zijn belangrijker dan iemands persoonlijke karakter. Het aanzien van de familie wordt vooral bepaald door het gedrag van de vrouwen. Om de eer van de familie te bewaken komen mannen en vrouwen die niet verwant zijn zo min mogelijk met elkaar in contact. Als een meisje met een jongen uitgaat betekent dit een grote schande voor de ouders en de gemeenschap. Haar toekomstig huwelijk kan er zelfs nadelig door beïnvloed worden. Het meisje krijgt dus de schuld als ze dingen doet als uitgaan of lol maken met jongens, Jongens kunnen vanaf hun tiende doen wat ze willen (Glaser en John, p. 59). Er is dus een wereld van en voor mannen en een wereld van en voor vrouwen. Eerbied en respect voor ouders zijn nog steeds van groot belang, maar de invulling van deze waarden is inmiddels veranderd. Van absoluut en onvoorwaardelijk respect voor het ouderlijk gezag lijkt steeds minder sprake te zijn. Ouders staan geen onderdanigheid meer voor en ze willen een minder af-standelijke en meer open relatie met hun kinderen dan zij zelf vroeger hadden met hun ouders (Deijl en Takken, p.21).
Kortom: Wanneer we over de Arabische cultuur spreken en zeker over “moslims in Ne-derland”, dan wordt veelal het eerst gedacht aan familieloyaliteiten en familieverplichtin-gen, de positie van de vrouw en de verschillen tussen mannen en vrouwen.

2. Huwelijk

Volgens de Arabische sociale code is het niet toegestaan dat een man en een vrouw in het openbaar van intimiteit blijk geven: dat betekent dat handjes vast-houden, de armen in elkaar haken en uitingen van affectie zoals kussen uit den boze zijn (Nydell, p.67).

Het huwelijk is voor de meeste moslims een belangrijke instelling die met nauwkeurige voorschriften omgeven is. Het is in de visie van de islamitische wet de ijkmaat voor een gezonde en krachtige gemeenschap (Van Koningsveld 1988, p.46). Het huwelijk wordt van belang geacht voor het reguleren van de seksualiteit en voor het krijgen van nage-slacht. De meeste moslims verkiezen nog steeds het door de familie gearrangeerde hu-welijk. Hoewel in sommige moderne kringen de huwelijksgewoonten veranderen, willen stelletjes nog steeds dat de uitverkorene door de familie wordt goedgekeurd (Nydell, p.93). In de islam wordt het huwelijk niet als een sacrament of religieuze aangelegenheid gezien. De koran geeft tal van voorschriften omtrent het huwelijk.

En tot Zijn tekenen behoort dat Hij voor u uit uw midden echtgenotes heeft ge-schapen opdat gij bij haar rust zoudt vinden en dat Hij tussen u genegenheid en barmhartigheid heeft gemaakt. Daarin zijn waarlijk tekenen voor lieden die indach-tig zijn (30:21).

Het huwelijk in een islamitische familie vindt bij voorkeur op jonge leeftijd plaats, meetal tussen de 15 en 19 jaar. Aangezien de man wordt geacht de vrouw te onderhouden, zien we in Nederland dat huwelijken gemiddeld op latere leeftijd worden gesloten. De oorzaak ligt in een langere studieduur, hogere kosten voor woningen, gemengde huwelijken en integratie. Bij een islamitische bruiloft (katab, aantekening of registratie in het boek) zijn twee islamitische getuigen nodig. Bij een huwelijk worden doorgaans de beide bovenge-noemde koranverzen voorgelezen, omdat ze alles inhouden wat de basis voor een huwe-lijk moet vormen: een verbintenis die is gebouwd op sympathie, respect, goedheid en be-grip, en die voor de partners een sfeer van geborgenheid en bescherming vormt, wat gesymboliseerd wordt door de vergelijking met het gewaad (Al Hariri-Wendel, p.237).
Het huwelijk is volgens de wet een contract en de huwelijkssluiting heeft als belangrijkste aspect de overeenkomst betreffende bruidsschat die aan de vrouw wordt gegeven. For-meel behoeft er geen functionaris van de moskee aan te pas te komen, maar de praktijk gebeurt dit wel. Het huwelijk wordt gesloten door middel van een contract tussen de brui-degom en de huwelijksvoogd van de bruid. Daarbij dienen twee getuigen aanwezig te zijn. De huwelijksvoogd is meestal een naaste mannelijke bloedverwant van de bruid, bijvoor-beeld haar vader of broer. De bruid moet formeel haar toestemming geven voor het hu-welijk. Wanneer zij nog maagd is, wordt haar toestemming volgens drie van de vier soen-nitische wetsscholen stilzwijgend aangenomen.
Ten tijde van Mohammed was er geen minimumleeftijd voor het huwelijk ingesteld. Te-genwoordig kennen de meeste islamitische landen wel een wettelijke minimumleeftijd. Meestal houden de vrouwelijke familieleden zich bezig met het selecteren van de juiste huwelijkspartner. Soms betekent dit dat de beide partners elkaar nog niet kennen wan-neer zij in het huwelijk treden. In de praktijk bestaat er een voorkeur voor het huwelijk tussen neven en nichten. Dit heeft als voordeel dat de beide partners elkaar en elkaars familie al kennen. In economisch opzicht betekent het dat bezittingen in de familie blijven. In de meeste islamitische samenlevingen geldt echter een sterke sociale druk om te trou-wen. Binnen het huwelijk is de man verplicht te voorzien in het onderhoud van zijn vrouw en haar kinderen. Hij mag daarvoor gehoorzaamheid van zijn echtgenote verlangen. Een islamitisch huwelijk kent geen gemeenschap van goederen. Beide partners behouden hun eigen bezit en de zeggenschap daarover, zoals bijvoorbeeld de bruid over haar bruidsprijs. In het algemeen geldt dat de positie van een vrouw binnen het huwelijk in hoge mate af-hankelijk is van de lokale omstandigheden. Tegenwoordig kunnen er in sommige landen op verzoek extra bepalingen in het huwelijkscontract worden opgenomen, zoals het recht van de vrouw echtscheiding aan te vragen, buitenshuis te werken of haar studie af te maken. Ook kan worden opgenomen dat de man geen tweede vrouw mag huwen zonder de toe-stemming van zijn eerste echtgenote.

2.1 Intimiteit voor en in het huwelijk

En zij in wier huis hij was vatte begeerte op voor hem en zij sloot de deuren en zeide: Komaan met u! Hij zeide: Toevlucht bij God! Hij is mijn Heer die mij een goed verblijf heeft gegeven. Niet varen wél de onrechtdoeners (12:23).

De koran heeft een positieve houding ten aanzien van seksualiteit. Seksualiteit is niet al-leen weggelegd voor het leven in het hiernamaals, maar heeft ook betrekking op de aard-se seksualiteit (3:14). Op verschillende plaatsen in de koran worden mensen aangespoord tot seksueel verkeer (2:223), maar seksualiteit wordt niet in de plichtenleer omschreven (Buitelaar, p.192). In de tijd voor het huwelijk is er vaak een zekere spanning over voor-echtelijk of buitenechtelijk geslachtsverkeer. Wanneer er wel voorechtelijk of buitenechte-lijk geslachtsverkeer heeft plaatsgevonden en het wordt bekend, komt de eer van de fa-milie op het spel te staan. Er wordt dan vooral naar het meisje gekeken en zij komt dan in een buitengewoon moeilijke situatie terecht. Een vrouw of meisje dat met vreemde man-nen in contact komt en met hen geslachtsverkeer heeft, verliest haar eer en kan dan niet meer uitgehuwelijkt worden. Menige huisarts zal de vraag voorgelegd krijgen van een moslimmeisje of een maagdenvlieshersteloperatie mogelijk is. Om verleidingen te voor-komen moet een moslimvrouw ‘kuis’ gekleed gaan. Zij zou immers de lusten van vreem-de mannen kunnen opwekken. In de koran komt de vrouw ook wel als “verleidster” voor, zij het in de personage dat een minder prominente rol vervult in de geschiedenis van de mensheid dan Eva. Het gaat dan om de vrouw van de Egyptische vorst die Jozef (Yousof) probeerde te verleiden (Buitelaar, p.195). De vrouw zou Zuleikha heten en het verlei-dingsverhaal staat omschreven in soera 12:22-33.

In de seksuele omgang met vrouwen was de profeet een voorbeeld voor zijn met-gezellen. Hij zei tegen hen dat ze nooit omgang met hun vrouwen mochten hebben zonder hen eerst op hun gemak te hebben gesteld (Bouali, p.31).

Kortom: Seksualiteit is naast een genot ook een gevaar. In veel islamitische geschriften wordt onderstreept dat mensen seksueel geladen zijn, hetgeen explosief tot uiting kan komen als vreemde mannen en vrouwen ‘zomaar’ bij elkaar komen. Aan de man wordt een onbedwingbare seksuele lust toegeschreven (Driessen, p.143).

2.2 Gemengd huwelijk
Er bestaat een aantal juridische beperkingen voor huwbare partners, zoals in het geval van bloed- of zoogverwantschap en sociale ongelijkheid. Ook religie kan een belemmering vormen. Het is volgens de islamitische wetgeving mannelijke moslims toegestaan om christelijke of joodse vrouwen te huwen. Vrouwelijke moslims mogen echter geen niet-moslims trouwen. Dit heeft waarschijnlijk te maken met de godsdienst die eventuele kin-deren uit een dergelijk `gemengd’ huwelijk van hun vader zouden aannemen. De kinderen nemen de godsdienst van de vader over. Iedere niet-moslim die met een moslimjongen of een moslimmeisje trouwt vindt het meestal moeilijk zich aan te passen aan de islamitische levenswijze.

2.3 Polygamie
De islam staat polygamie toe. Op grond van de gangbare uitleg van de koran mag een man maximaal vier vrouwen hebben. Vrouwen mogen één man trouwen. Polygamie is zeker geen wijd verbreid verschijnsel. In de meeste islamitische landen is het wettelijk toegestaan dat een man met meer vrouwen tegelijk is gehuwd, mits hij zijn aandacht ge-lijkelijk verdeelt. In de praktijk is een minderheid van de mannen met meer dan een vrouw getrouwd. In sommige landen kan de eerste vrouw in het huwelijkscontract een bepaling laten opnemen dat haar man slechts met haar uitdrukkelijke toestemming een ander mag trouwen. In sommige landen komt polygamie nog voor. In bijvoorbeeld Turkije is polygamie bij de wet verboden. In Nederland is polygamie niet toegestaan. Een islamiti-sche man die in het land van herkomst met meer vrouwen in het huwelijk trad, kan maar een vrouw laten overkomen.

2.4 Schaking
De grote islamitische theologen zijn van mening dat de vader van een maagdelijk meisje haar tot een huwelijk kan dwingen, ook al is het een volwassen vrouw. Er bestaat ook een traditie waarbij vaders huwelijken met oudere mannen regelen terwijl hun dochter nog een kind is. Het voorbeeld werd gegeven door Mohammed zelf, in zijn huwelijk met de dochter van zijn beste vriend.

Van Aïsja: De gezant van Allah trouwde met me toen ik zeven jaar oud was. Hij had gemeenschap met me toen ik negen jaar oud was (Soenan Aboe Dawoed).

Schaking is soms een manier van twee geliefden om toestemming voor een huwelijk af te dwingen. Als beide families tegen de relatie zijn kan de jongen het meisje met haar toe-stemming “schaken”. De beide geliefden duiken dan enkele dagen onder en als ze weer te voorschijn komen weet iedereen dat het meisje geen maagd meer is. De families geven dan noodgedwongen toestemming voor het huwelijk. Als de schaking zonder toestemming van het meisje plaatsvindt is er sprake van ontvoering. Het is voor de Nederlandse politie niet altijd eenvoudig te achterhalen wat er in geval van schaking precies aan de hand is.

3. Het gezin

De mannen zijn opzichters over de vrouwen voor wat God aan de een meer gege-ven heeft dan aan de ander en voor wat zij gegeven hebben als bijdrage van hun bezittingen. De deugdzame vrouwen echter zijn de in ootmoed staanden die de verborgenheid behoeden door de behoeding van God. Maar zij van wie gij opstan-digheid vreest vermaant haar en vermijdt haar op de rustplaatsen en slaat haar. Maar indien zij u gehoorzaam worden zoekt dan geen weg om haar te tuchtigen. God is waarlijk verheven en groot (4:34).

De mediterrane cultuur is een traditionele – wij cultuur met vaste normen en gebruiken. Dit komt vooral tot uiting in de gezins- en familiecultuur. Het is een gesloten cultuur die zelfgenoegzaam functioneert en contacten met andere culturen niet zoekt dan wel ze zelfs afwijst. Het is ook een positionele cultuur waarin ieder zijn plaats krijgt toegewezen. Het maatschappelijk aanzien dat men geniet wordt in belangrijke mate bepaald door de maat-schappelijke positie van gezin en familie, geslacht en leeftijd. De doorgaans patriarchale gezinnen en families worden in de islam als goddelijke norm beschouwd. Alle familieleden onderwerpen zich aan God. De verdeling van gezinstaken is nog sterk bepalend in Turkse en Marokkaanse gezinnen. De overlap in de taakverdeling tussen vaders en moeders is in het algemeen minder groot dan in Nederlandse gezinnen (Deijl en Takken, p.22). De man is verantwoordelijk voor het onderhoud van de vrouw en het gezin. De eer van de vrouw beschermen is de taak van de man. Een meisje is daarmee onderworpen aan de hiërar-chische verhoudingen binnen de familie die door de vader, de oudere broer of oom wor-den bepaald (Van Bommel 2003, p.86). De koran is daar duidelijk in (4:34). De vrouw is verantwoordelijk voor de zorg voor de kinderen en het huishouden. De verhoudingen bin-nen het traditionele gezin zijn hiërarchisch en worden bepaald door generatie, leeftijd en sekse. De man is het hoofd van het gezin en is verantwoordelijk voor de eer van het ge-zin. Bij meningsverschillen heeft de man altijd het laatste woord.

Maar zij die slechte daden vergaard hebben de vergelding van een slechte daad is het gelijke daarvan en hen zal vernedering overstelpen. Niet zullen zij vanwege God een verdediger hebben. Het is of hun gezichten bedekt zijn met stukken van de nacht stikdonker. Diegenen zijn de lieden van het Vuur waarin zij zijn eeuwig-levend (10:27).

Zoals al eerder genoemd zijn eer, schande, schaamte en zelfrespect zijn belangrijke waarden binnen het islamitisch gezin. “Hij heeft schaamte” betekent dat men zich houdt aan de regels van fatsoenlijk gedrag. Men is bang voor gezichtsverlies en daarmee voor aantasting van de eer. In de opvoeding wordt weinig beroep gedaan op schuldgevoel. Ge-drag wordt veel meer bepaald door schaamtegevoel. Een gezin en zelfs een familie ver-liest zijn eer als een van de leden openlijk homoseksueel is, een buitenechtelijk kind heeft of in de prostitutie werkt.
Wordt de familie-eer aangetast, dan kan eerherstel op verschillende manieren plaatsvin-den. De zaak wordt uitgepraat, waarbij eventueel verontschuldigingen worden aangebo-den, of de zaak wordt afgekocht. Lukt dit niet dan kan men de eer redden door publieke-lijk van afkeuring en mogelijk minachting voor de tegenpartij blijk te geven. In ernstige gevallen is geweldpleging niet uitgesloten.

En wat de knaap betreft zijn ouders waren gelovige lieden doch wij vreesden dat hij hun zou doen beleven overmoed en ongeloof (18:80).

3.1 Moeder en vader

Fatima is een meisje uit een moslimgezin en zij woonde tot voor kort in een grote stad. Ze zat in HAVO-4 en kon goed meekomen. Ze was lid van een hechte vrien-dengroep. Deze groep bood veel gezelligheid en veiligheid aan meisjes en jongens die er lid van waren. Ze droegen allemaal jeans en sportschoenen van dezelfde merken. Vooral door de school, de gemengde groep met vrienden en vriendinnen, kwam Fatima steeds meer in problemen met haar vader en oudere broers. Na de zoveelste ruzie liep ze weg en kwam in een crisisopvangcentrum terecht.

De islamitische familie is doorgaans een cultuur van mannen, waarin patriarchale orde-ningsbeginselen en ver doorgevoerde seksesegregatie gelden. Hoewel er veranderingen in de islamitische cultuur zichtbaar zijn, hebben veel mannen hun eigen wereld. De vader bewaakt de normen en regels en straft bij overtredingen. Hij is de hoofdverantwoordelijke voor de opvoeding. De houding van de vader tegenover de kinderen is formeel en af-standelijk. Hem tegenspreken wordt al gauw als brutaliteit uitgelegd. De vader leert de jongens met sociale contacten om te gaan en zich in het openbare leven te bewegen door hen mee te nemen naar de moskee, de markt, het koffiehuis.
De koran vestigt de aandacht op de bijzondere betekenis van de moederfiguur (31:14). De moeder is de verpersoonlijking van de vrouwelijke deugden bescheidenheid, dienst-vaardigheid en kuisheid. Ze is de spil waarom het binnenshuis draait, maar heeft weinig autoriteit en is gehoorzaamheid en respect verschuldigd aan haar man. Haar gezag over haar dochters is groter dan over haar zoons. Ze heeft vaak de rol van ‘buffer’ en ‘ver-zoener’.

Arabieren zijn gek op kinderen en zowel mannen als vrouwen laten hun affectie openlijk blijken (Nydell, p.96).

3.2 Dochters en zonen

En zeg tot de gelovige vrouwen dat zij haar blikken neerslaan en haar eerbaarhe-den wél bewaren en dat zij haar tooi niet tonen behalve wat daarvan zichtbaar is en laten zij haar sluiers over haar boezem slaan en haar tooi niet tonen behalve aan haar echtgenoten of haar vaders of de vaders van haar echtgenoten of haar zoons of de zoons van haar echtgenoten of haar broeders of de zoons van haar broeders of de zoons van haar zusters of haar vrouwen of wat haar rechterhan-den bezitten of de mannelijke bedienden die vrij zijn van aandrift of de kinderen die niet opmerkzaam zijn op de blootheden der vrouwen en laten zij niet met haar voeten stampen zodat kenbaar wordt de tooi die zij verborgen houden. En wendt u allen in berouwvolle inkeer tot God O gij gelovigen opdat gij wel moogt varen (24:31).

De puberteit wordt door moslims gezien als een gevaarlijke tijd voor jongens en meisjes. De geslachten worden in deze ontwikkelingsfase gescheiden. Het meisje blijft doorgaans onder streng toezicht van haar ouders, maar voor de jongens ligt dit dus gemakkelijker. Na de puberteit wordt men volwassen genoeg geacht om zich te beheersen. Voor islamiti-sche meisjes bestaan veel regels en voorschriften, zoals zich traditioneel kleden door de armen en benen te bedekken en een hoofddoek te dragen. Het blijkt dat Turkse en Ma-rokkaanse adolescenten vaker en intiemer contact hebben met hun moeder dan met hun vader. Met hem hebben ze een meer afstandelijke relatie die soms het karakter van een “avoidance” krijgt. De moeder heeft een meer intermediërende rol tussen de jongens en hun vader (Deijl en Takken, p.22). De meeste moslims hebben het gevoel dat hun kinder-jaren in vele opzichten een periode van stringente eisen is geweest, maar ook een tijd van verwennerij en openlijk geuite liefde van vooral de moeder (Nydell, p.97).

3.3 Besnijdenis
Elke islamitische man is besneden. Veel moslims beschouwen de besnijdenis (Khitaan) als inwijding in de islam. Deze traditie voert terug op Abraham (Genesis 17:10-11). Bij een besnijdenis dient de voorhuid verwijderd te worden ten einde de eikel van de penis te ont-bloten. Het is niet nodig dat de totale lengte en breedte van de voorhuid verwijderd wordt. In de praktijk wordt de jongen pas moslim als hij besneden is. Islamitische jongens wor-den besneden tussen hun tweede en achtste verjaardag. Nadat hij besneden is, maakt hij deel uit van de mannengemeenschap. De besnijdenis gaat met veel festiviteiten ge-paard. Mannen die niet besneden zijn worden in de bedevaartsoorden Mekka en Medina niet toegelaten. Het is aanbevolen dat mannen de zich tot de islam bekeren zich laten be-snijden.
Besnijdenis van meisjes wordt in Nederland nauwelijks toegepast. Het komt voor onder vrouwen in bepaalde gebieden in Afrika (Soedan, Somalië) en is uit de tijd van voor de islam. Vrouwenbesnijdenis kan variëren van een klein sneetje tot het wegsnijden van de-len van de vagina. Onder bijvoorbeeld de Somalische vluchtelingen, die nu in Nederland zijn, zijn er moeders die hun dochters willen laten besnijden, desnoods door een onbe-voegde ‘arts’. Moslims zelf zeggen dat door de besnijdenis de vrouw ‘rein’ wordt en dat de vrouw pas door de besnijdenis echt een vrouw wordt. Veel moslims ontkennen het voorkomen van vrouwenbesnijdenis door de Westerse belangstelling (Jansen 1998, p.220).
Op de zevende dag na de geboorte dient het hoofdje van de baby geschoren te worden. Het is aanbevolen dat het haar gewogen wordt en het gewicht ervan in zilver aan de ar-men en de behoeftigen gegeven wordt. Deze “zevende-dag-viering” heeft naast het sche-ren van het babyhoofdje nog een ander element, namelijk het slachten van een dier. Om Gods zegen te gedenken en Hem om bescherming van het nieuwe kind te vragen slacht de familie een dier.

4. Positie van de vrouw

God kent wat ieder vrouwelijk wezen draagt en hoeveel de moederschoten af- en toenemen. En alle ding is bij Hem naar maat (13:8).

Over de rol en positie van vrouwen wordt binnen de islam zeer uiteenlopend gedacht. Over het algemeen vinden moslims dat Mohammed veel heeft gedaan voor de verbetering van de positie van de vrouw. Zo heeft hij het heidens gebruik om pasgeboren dochters levend te begraven afgeschaft (Slot, p.84). Familieaangelegenheden maken een belangrijk onderdeel uit van de islamitische wet. Daarbij komt voortdurend de verhouding tussen man en vrouw aan de orde (Van Koningsveld 1988, p.56). Voor veel niet-moslims staat de islam symbool voor achterstelling van vrouwen. Er bestaat een groeiende literatuur die het vrouwonvriendelijke beeld van het geloof tracht te nuanceren. Tegelijkertijd versterkt de groeiende zichtbaarheid van de islam, vooral de hoofddoek en andere vormen van ver-sluiering, in het Europese straatbeeld de idee dat islamitische vrouwen slechter af zijn dan hun niet-islamitische zusters (Douwes, p.87).

In de klassieke hadiethverzamelingen zijn vele voorbeelden te vinden van moslim-vrouwen die voor hun belangen op wisten te komen. Omar: “In de tijd van onwe-tendheid namen we de vrouwen niet serieus, totdat God ons met openbaringen on-derrichtte en de rechten van vrouwen bepaalde (Abdus Sattar, p.19).”

De positie van de vrouw verschilt naar het land waar men vandaan komt en soms per regio. Ook zijn opvoeding en opleiding van invloed. In sommige landen wordt seksesegre-gatie door de regering afgedwongen. Zo wordt deze in Saoedi-Arabië in hoge mate door-gevoerd, zodat mannen en vrouwen bijvoorbeeld in gescheiden collegezalen of werkruim-ten zitten en het vrouwen niet is toegestaan auto te rijden. In andere landen wordt de scheiding der seksen minder strikt opgevat en veelal niet door de overheid afgedwongen. Wel is duidelijk dat man en vrouw in moslimlanden traditioneel in verschillende werelden leven: de vrouw binnenshuis, de man daarbuiten. In islamitische kringen wordt wel aange-voerd dat de positie van vrouwen ten tijde van Mohammed een verbetering vormde ten opzichte van hun situatie in de pre-islamitische tijd. De voorschriften van de islam zouden daarmee bedoeld zijn als emancipatoir voor vrouwen. Mohammed luisterde naar vrouwen, gaf hun les, debatteerde met hen en liet hen op alle maatschappelijke terreinen toe. Men zou daaruit kunnen concluderen dat er nog meer verbeteringen dienen te volgen, maar na de dood van Mohammed werd de positie van vrouwen weer een stuk moeilijker (Abdus Sattar 1997, p.19; Jansen 1998, p.219). Anderen voeren aan dat de positie van vrouwen binnen het islamitische familierecht een inferieure is.

“Kan een vrouw leiding geven aan moslims?” vroeg ik aan mijn kruidenier, die zo-als de meeste kruideniers een graadmeter is voor de publieke opinie. “Ik zoek mijn toevlucht bij Allah!” riep hij uit, geschokt ondanks de vriendschappelijke betrekkin-gen tussen ons. Vol afschuw over het idee alleen al, liet hij bijna ene doos eieren vallen die ik was komen kopen. “Moge God ons beschermen tegen de rampen van deze tijd!”, mompelde een klant die olijven kocht, en deed alsof hij op de grond wilde spugen. Waarom deze felle reactie? Een tweede klant trof me met een ha-dieth waarvan hij wist dat die fataal zou zijn: “Zij die hun zaken in de handen van een vrouw geven zullen nooit welvaart kennen!” Er viel een stilte. Er was niets dat ik nog kon zeggen. In een islamitische theocratie is een hadieth niet zomaar iets (Glaser en John, p.107).

De koran (33:33) gebiedt vrouwen thuis te blijven: Blijft in jullie huizen. Waarschijnlijk sluit de koran hier aan bij de opvattingen die er in het antieke Arabië over de vrouw be-stonden ten tijde van de openbaring aan Mohammed. De bijbel zegt iets vergelijkbaars over de positie van de vrouw: Ik sta niet toe dat een vrouw onderricht geeft of gezag over de man heeft; zij moet zich rustig houden (I Timotheüs 2:12; koran 2:228); Vrou-wen, weest aan uw man onderdanig (Efeziërs 5:22; Colossenzen 3:18; 1 Petrus 3:1). Zo kunnen mannen betrekkelijk eenvoudig een verstoting uitspreken en behouden zij de voogdij over hun kinderen.
Zwangerschap is in het algemeen van groot belang voor moslimvrouwen. Als zij de man een zoon schenkt, dan stijgt zij in aanzien. Zonen zijn belangrijk omdat zij later voor hun ouders kunnen zorgen. Het is een vorm van oudedagvoorziening. Onvruchtbaarheid van de vrouw kan voor de man een reden zijn een tweede vrouw te trouwen.
Vrouwen beschikken over minder handelingsbevoegdheden dan mannen. Bij het afsluiten van een contract, zoals het huwelijkscontract, kunnen zij veel moeilijker een echtscheiding bewerkstelligen, krijgen zij minder snel het voogdijschap over hun kinderen en in sommige gevallen telt hun getuigenis in rechtszaken als een halve getuigenis. Bovendien zijn som-mige beroepen, zoals rechter, niet toegankelijk voor vrouwen. Daarnaast zouden andere factoren, zoals de seksesegregatie, bijdragen aan de onderdrukking van vrouwen. Libera-lere interpretaties, die vooral sinds de 19e eeuw opgang doen, bepleiten dat verschillende bronnen niet geheel juist zijn geïnterpreteerd en dat de islam het beter met vrouwen voorheeft. Mannelijke islamitische hervormers in de 19e eeuw maakten zich sterk voor een grotere deelname van vrouwen aan het onderwijs en de arbeidsmarkt, en wezen een strikte segregatie van de seksen af. Onder invloed van dergelijke ideeën, sociale hervor-mingen, modernisering en westerse invloeden groeide het bewustzijn van vrouwen. Aan het einde van de 19e eeuw werden de eerste vrouwenorganisaties opgericht. Heden ten dage zijn er ook vrouwen die pleiten voor een vrouwvriendelijker herinterpretatie van de islam, zoals de Marokkaanse sociologe Fatimah Mernissi, de Egyptische arts en schrijfster Nawaal el-Saadawi en de Pakistaanse filosofe Riffat Hassan.

4.1 Religieuze positie van de vrouw
De religieuze positie van vrouwen binnen de islam lijkt gelijkwaardig. Principieel zijn in de koran man en vrouw voor God gelijk, omdat ze beiden door God geschapen zijn (Küng 2006, p.209). Islamitische vrouwen hebben evenveel recht als mannen om deel te nemen aan het vrijdagmiddaggebed in de moskee. In de praktijk worden moskeeën echter vrij-wel uitsluitend door mannen bezocht. Officieel worden vrouwen niet geweerd, maar zij zouden vaker in een ‘onreine’ staat verkeren dan mannen. Als moeder en huisvrouw ko-men zij bovendien sneller dan mannen in aanraking met ‘kleine onreinheid’ (zie par. 5.3). Omdat vrouwen toch ergens goddelijke kracht (baraka) vandaan moeten halen, proberen zij met andere verdiensten hun zonden of slechte daden weg te werken. Zij geven aal-moezen aan bedelaars, brengen eten naar hun buren en bezoeken heiligen. De godsdien-stige opvoeding van de kinderen is weer in handen van de vader: als hoofd van het gezin heeft hij een vrijwel absoluut gezag in religieuze zaken.

5. Culturele kenmerken in leven en wonen

De Arabische cultuur heeft een aantal kenmerken die dus ook voor islamtische gezinnen gelden.

5.1 Kleding

O zonen Adams Wij hebben op u nedergezonden kleding die uw slechtheden bedekt en vederen. Maar dié kleding die de vreze is is beter. Dat behoort tot de tekenen van God wellicht dat gij u laat vermanen (7:26).

Moslims nemen een goede persoonlijke hygiëne in acht. Ze kleden zich bescheiden. Het gebruik van eau de toilette en aftershave is toegestaan voor mannen en vrouwen, omdat aangename geuren in de islamitische cultuur op prijs worden gesteld. Veel van de voor-schriften omtrent kleding zijn gebaseerd op de woorden en daden van Mohammed (7:26, 31). Hierin wordt aangegeven dat mannen en vrouwen zich weliswaar aantrekkelijk, maar bescheiden dienen te kleden. In verschillende hadieths waarschuwt Mohammed te-gen opzichtige kleding om indruk te maken. Goud en zilver zijn voor mannen verboden en aan vrouwen alleen met mate toegestaan. Veel mannen dragen westerse kleding, maar ook wel een westers colbert over een traditionele tuniek.
Mohammed leert dat vrouwen de schaamstreek moeten bedekken in de nabijheid van vreemde mannen. De schaamstreek van de vrouw is haar hele lichaam, behalve gezicht en handen. Bij de man loopt de schaamstreek van navel tot knieën. De hoofddoek (hi-djaab) symboliseert bescheidenheid en zedelijkheid in kleding en gedrag. De sluier is het meest bekende symbool voor kuisheid in een cultuur waar de angst voor ontucht en aan-tasting van de familie-eer groot is. Het dragen van een hoofddoek is ook voor veel (mo-derne) vrouwen een bewuste uiting van het zich verbonden voelen met de islam. Er zijn sluiers die het hoofdhaar bedekken (hoofddoekje), die enkel het gezicht vrijlaten of die het gehele gezicht bedekken. De meeste islamitische landen hebben lokale varianten van de sluier die in mindere of meerdere mate het lichaam bedekken. Een van de bekendste is de chador, de lange zwarte doek waarmee Iraanse vrouwen zich bedekken. Afrikaanse landen hebben hun eigen, fel gekleurde hoofddoeken. Over de leeftijd waarop meisjes zich moeten gaan sluieren, lopen de meningen uiteen. In sommige families draagt een meisje op jonge leeftijd een sluier, in andere gaat ze hiertoe pas over na haar eerste menstruatie (als ze seksueel rijp is). In weer andere families wordt het al dan niet dragen van de sluier aan de vrouw zelf overgelaten. Niet zelden komt het voor dat binnen een familie de grootmoeder een lange sluier draagt, de moeder een hoofddoekje en de doch-ter ongesluierd door het leven gaat. Het al dan niet dragen van een sluier hangt ook af van de sociaal-politieke omstandigheden in een land. In Iran bijvoorbeeld kunnen vrouwen bestraft worden wanneer zij te veel van hun haar laten zien.

5.2 Traditionele kleding voor mannen en vrouwen
Vrouwen dragen in de regel een lange rok, een wijde niet getailleerde top of blouse met lange mouwen, hoofdbedekking over het haar, de nek en de schouders. In sommige is-lamtische culturen bedekt men ook het gelaat met een sluier.
Mannen dragen een tuniek met lange mouwen, een wijde lange broek of een lang loszit-tend gewaad. Zij dragen een goed onderhouden baard en snor en vaak een hoofddeksel.

5.3 Reinheid en onreinheid
De islam leert moslims altijd schoon en rein te zijn. De dagelijkse manieren van reinheid en zuiverheid van het lichaam, van plaats, kleding en dergelijke, dragen veel bij tot de kracht van lichamelijke gezondheid. Alles wat het lichaam van een moslim verlaat maakt hem onrein. Dit geldt voor urine, faeces, sperma, sputum en bloed. Voorwerpen die met deze lichaamproducten in aanraking gekomen zijn, zijn ook onrein (verpleegkundige hulp-middelen, linnengoed, kleding). Door een rituele reiniging wordt de moslim weer rein. Bij het uitvoeren van religieuze handelingen zoals het gebed, het lezen uit de koran en het betreden van de moskee moet de moslim rein zijn. De moslim kent de kleine en de grote reiniging. Bij de kleine reiniging wast men de handen, onderarmen, voeten en het hoofd. Deze reiniging vindt voor het bidden plaats. Bij de grote reiniging neemt men een bad. Deze reiniging vindt plaats na de menstruatieperiode, geslachtsgemeenschap en het kraambed.

5.4 Voeding

O gij die gelooft eet van de deugdelijke dingen die Wij u als levensonderhoud ge-geven hebben en brengt aan God dank indien Hij het is die gij dient. Hij heeft slechts voor u verboden gemaakt het verstorvene, bloed, zwijnevlees en wat ge-slacht is met een aanroep die niet tot God was maar wie door nood gedwongen was zonder het te begeren en zonder te overtreden voor hem is het geen zonde. God is waarlijk vergevend en barmhartig (2:172-173).

In de islam is voedsel halaal of haraam (zie ook hoofdstuk 4). Halaal is toegestaan en ha-raam is verboden. Zoals voor alle levensgebieden heeft Allah instructies gegeven als leid-raad voor het eten en drinken van de gelovigen. Veel moslims kopen hun eten in halaal-winkels of speciale islamitische zaken. Gewone slagersproducten vinden moslims onaccep-tabel. Moslims mogen ook producten uit joodse winkels kopen, aangezien joden dezelfde slachtregels hanteren (koosjer vlees). In de keuken neemt de moslim de rituele reinheid eveneens in acht. Voorwaarde om toegestaan vlees te eten is dat de dieren ritueel ge-slacht zijn. Tijdens de slacht moet het te doden dier met de kop richting Mekka liggen. De slachter moet met een zo scherp mogelijk mes de vier ‘aderen’ van het dier doorsnijden: de twee bloedvaten, de luchtpijp en de slokdarm. De kop moet wel aan het lichaam vast blijven zitten. Onnodig een dier pijnigen is in de islam verboden.
Voor moslims is het eten van varkensvlees en producten die in varkensvet bereid zijn verboden. Het varken wordt als onrein dier gezien, omdat het een alleseter is en drager van bacteriën en parasieten. Verboden is ook het vlees van dieren die door wurging, val-len, slaan of door andere dieren zijn gedood. Ook eet de moslim geen vlees van edele dieren als paarden en ezels. Verder eet de moslim geen krab, kreeft, garnalen en paling. In de koran lezen we dat Allah leert niet te veel te eten of te drinken. Als men geen hon-ger of dorst heeft kan men het eten en drinken beter laten. Aanbevolen wordt het eten niet helemaal op te eten, maar ongeveer een vierde deel te laten liggen. Het drinken van alcoholische dranken is verboden en ook het gebruik van roesverwekkende middelen wijst Allah af. Veel moslims zijn gewend met de rechterhand te eten.

6. Ziekte en dood

Op een observatieafdeling van een instelling van verstandelijk gehandicapten wordt een Turkse man van 38 jaar opgenomen. Zijn bejaarde ouders geloven vanuit de islam dat zwakzinnigheid ‘de wil van Allah’ is.

Binnen de islam is het een algemene opvatting dat ziekte en lijden een vergelding kunnen zijn voor slechte daden, maar evenzeer een beproeving van Allah. Voor een rechtvaardige die lijdt, is lijden een bevrijding van zonden. Voor een ongelovige kan lijden een reden zijn om zich te bekeren en om zo erger lijden af te wenden. Allah heeft veel uitspraken ge-daan over ziekte en genezing. De ziekten komen van Allah. De medicijnen komen ook van Allah. Bij ernstig zieke bewoners wordt het bed zo mogelijk in de gebedsrichting van Mek-ka gezet met de voeten richting Ka’ba.

Als zijn laatste woorden “…er is geen God dan Allah…” zijn, gaat hij zeker naar het paradijs. (Aboe Dawoed)

Bij het sterven zijn meestal alle familieleden en vrienden. Het gezicht van de stervende wordt richting Mekka gelegd en er worden verzen uit de koran voorgedragen. De dood is voor de moslim de overgang naar het eeuwig leven. Het stervensproces wordt met allerlei rituelen begeleid. Daardoor kan de moslim zich voorbereiden op het oordeel dat Allah over hem zal vellen. Op de Dag des Oordeels zal iedere moslim beoordeeld worden op zijn ge-drag en daden. De gelovigen zullen het paradijs binnengaan en de ongehoorzame mensen zullen in de hel gestraft worden. Over de tijd in het graf wordt komen we de volgende mening tegen: Eenmaal in zijn graf wordt de dode door twee engelen ondervraagd. In een “film” ziet hij zijn leven en moet de engelen een bevredigend antwoord geven of hij recht-vaardig geleefd heeft volgens de wetten van Allah. Voor de rechtvaardige zal het verblijf in het graf vredig verlopen. De onrechtvaardige moet een angstige periode doormaken. Een periode van lijden die duurt tot de opstanding uit de dood van de overledene en het eindoordeel. Bij het eindoordeel worden de goeden en kwaden gescheiden.

De profeet Mohammed heeft gezegd: “Wees in de wereld alsof je een vreemde of reiziger bent. Als je de avond haalt, verwacht dan niet de ochtend te halen en als je de ochtend haalt, verwacht dan niet de avond te halen.” Hiermee zegt hij dat het leven niet vanzelfsprekend is, maar de tijd die je hebt optimaal moet gebrui-ken, door het beste uit het leven en uit jezelf te halen (Bouali 2007, p.31).

6.1 Het verzorgen van de overledene
Voor het afleggen van de overledene gelden in de islam strenge regels. Na het overlijden wordt de overledene overgedragen aan de familie of aan de moslimgemeenschap. De overledene wordt gewassen door leden van dezelfde sekse en daarna in een lijkwade ge-wikkeld. Wanneer een bewoner plotseling overlijdt en er geen familieleden zijn, mag men de ogen sluiten met wegwerphandschoenen, de ledematen strekken en het hoofd naar de rechter schouder draaien. Het lichaam mag niet worden gewassen en afgelegd. Obductie is bij de islamitische wet verboden en het is niet gepast dat te vragen, tenzij er wettelijke redenen voor zijn. De doden mogen, net als in bijvoorbeeld het jodendom, niet gecre-meerd worden.

6.2 De rouwtijd om een overledene
Rouwende moslims uiten hun emoties doorgaans anders dan Nederlanders. Vooral de vrouwen zullen luidkeels hun verdriet uiten over hun geliefde. De rouwtijd voor echtgeno-ten en echtgenotes duurt vier maanden en tien dagen. In het geval dat het om andere overledenen gaat duurt de rouwtijd drie dagen en drie nachten. Op de derde of veertigste dag wordt de overledene herdacht (rawda). Dit gebruik staat niet in de koran of soenna en is cultuurgebonden.

7. Moskee

Ik doe geen excursies naar de moskee en daar heb ik een reden voor. In het ver-haal uit het oude testament van Mozes en de brandende braamstruik, moet hij zijn schoenen uittrekken. Dit als wijze van overgave, omdat de grond waarop hij staat heilig is. Als ik in een moskee kom moet ik hetzelfde doen en zie ik dat dus als overgave aan een andere God. Ik geef leerlingen wel een opdracht om mensen te interviewen over hun beweegredenen om een kerk te bezoeken. Soms komen dan moslimkinderen naar me toe met de vraag of ze ook moslims mogen interviewen, daar geef ik dan wel de ruimte voor (respndent 6).

Volgens de islam dient er in elk bewoond gebied een moskee gebouwd te worden. De moskee verdient de schoonste plaats op aarde te zijn. De islam is met meer dan een mil-joen aanhangers, de tweede godsdienst in Nederland. Vanaf het begin van de jaren vijftig is het aantal islamitische gebedshuizen toegenomen. Toen veel moslims besloten in Neder-land te blijven wonen en hun gezin lieten overkomen, kwamen er meer blijvende gebeds-ruimten bij. Oude gebouwen werden opgekocht of gehuurd en verbouwd tot moskee. Ook werden nieuwe gebouwen neergezet, die echt als moskee waren ontworpen, compleet met koepel en vaak met een minaret. De minaret is een slanke toren en heeft in islamiti-sche landen de functie om van bovenaf op te roepen tot de salaat. De moslim dient bij het betreden van de moskee een rein lichaam te hebben en verzorgd gekleed te zijn. De schoenen dienen uitgetrokken te worden voor men de moskee betreedt. Een moskee is in de eerste plaats een gebedsruimte, maar ook een belangrijke ontmoetingsruimte voor land – en geloofsgenoten. Aan de moskee is gewoonlijk een koranschool verbonden, waar de kinderen de beginselen van de islam en van het klassiek Arabisch leren.

Ik heb eens de complete vrouwenvereniging uit mijn gemeente meegenomen naar de moskee. Dat was zeer constructief. Ik weet dat sommigen het uittrekken van de schoenen zien als een knieval voor de islam. Die mening deel ik niet maar res-pecteer ik wel. Ieder moet in zijn geweten overtuigd zijn. Regelmatig ben ik uitge-nodigd aanwezig te zijn bij het gebed. Dat gaat voor mij te ver (respondent 10).

De imaan heeft een andere functie dan een priester, predikant of rabbijn. Hij heeft door-gaans een andere baan. Wanneer een man volwassen is en vroom, kunnen de moslims van een bepaalde moskee aan hem komen vragen of hij de gebeden wil leiden. Deze man weet doorgaans ook veel van de koran. Voor hen wordt hij de imaan. Het kan zijn dat na enige tijd weer iemand anders wordt gevraagd imaan te worden. Iedere moskee heeft een imaan die in de moskee de gebeden leidt.

8. Feesten in de islam

Heden zijn voor u geoorloofd de deugdelijke dingen. En het voedsel van hen aan wie de Schrift is gegeven is geoorloofd voor u en uw voedsel is geoorloofd voor hen. En ook de eerbare vrouwen onder de gelovigen en de eerbare vrouwen onder hen aan wie voor u de Schrift gegeven is wanneer gij haar haar loon geeft hande-lend in eerbaarheid en niet in ontucht en zonder u minnaressen te nemen. Maar wie het geloof verzaakt diens bedrijf is vruchteloos en in het latere leven zal hij beho-ren tot de verliezers (5:5).

De islam kent geen rustdag die te vergelijken is met de sabbat in het jodendom en de zondag in het christendom. De sjari’a verplicht alleen de mannelijke moslims tot deelname aan de gebedsdienst op vrijdagmiddag. In veel islamitische landen zijn overheidsinstellin-gen en scholen op vrijdag gesloten.

Pasen lijkt me bij uitstek ongeschikt om samen te vieren. Dat is zo specifiek christelijk. Ik zou me nog eerder kunnen voorstellen dat je moslims uitnodigt voor kerst: geboor-tedag van ook voor hen een geweldige profeet. Maar niet net doen alsof het uiteindelijk niet uitmaakt wat je over Jezus gelooft (respondent 9).

De islamitische kalender kent twee canonieke feesten, die beide drie dagen en drie nach-ten duren:
a. Het suikerfeest (Ied al-Fitr) na afloop van de vastenmaand ramadan. Op dit vrolijke driedaagse feest aan het eind van de ramadan worden de huizen van te voren schoonge-maakt en versierd. Iedereen is op zijn best gekleed, gaat op familiebezoek, eet zoetigheid en geeft giften aan armen en kinderen.
b. Het offerfeest (Ied al–Adha) wordt gevierd op de tiende dag van de bedevaartsmaand (haddj). Dit offerfeest, dat wereldwijd wordt gevierd, valt samen met het einde van de pelgrimage naar Mekka en valt 70 dagen na Ied al-Fitr of het kleine feest. Op dit feest wordt herdacht dat Abraham (Ibrahim) zijn zoon Ismaël zou offeren aan God. Ieder hoofd van een gezin of familie offert een schaap of kameel.
“Beide feesten zijn gelegenheden om Allah te bedanken., dat Hij mensen en de gemeen-schap hun religieuze plichten heeft laten vervullen (Al-Kaysi, p.124).”
Verder zijn er de volgende feestdagen:

c. Nieuwjaarsdag (Asjoerafeest) wordt op de eerste dag van de eerste maand van het nieuwe jaar gevierd. Het islamitische jaar begint op de dag waarop Mohammed vertrok uit Mekka naar Medina (hidjra) in het jaar 622. De jaartelling is anders dan de westerse jaar-telling; Het Nieuwjaarsfeest is een dag van vreugde. Men geeft aalmoezen en bezoekt begraafplaatsen van familieleden.
d. Geboortefeest van Mohammed (Moeloedfeest) wordt in derde maand gevierd. Op dit feest staan kinderen centraal en krijgen cadeautjes.


Hoofdstuk 4 Islamitische ethiek
1. Inleiding
2. De islamitische wet
2.1 Islamitisch recht
2.2 Sjarie’a
2.3 Rechtsscholen
3. Islamitische filosofie
3.1 Soefisme
4. Ethiek van de islam
5.1 Het eerste gebod
5.2 Het tweede gebod
5.3 Het derde gebod
5.4 Het vierde gebod
5.5 Het vijfde gebod
5.6 Het zesde gebod
5.7 Het zevende gebod
5.8 Het achtste gebod
5.9 Het negende gebod
5.10 Het tiende gebod
6. Seksuele ethiek
6.1 Impotentie
6.2 Masturbatie
6.3 Prostitutie
6.4 Homoseksualiteit
6.5 Pornografie
6.6 Anticonceptie
7. Abortus
8. Euthanasie
9. Adoptie
10. Morele dilemma’s op school
1. Inleiding

En indien gij vergeldt vergeldt dan met wat gelijk is aan dat waarmede u vergolden wordt maar indien gij geduldig uithoudt dan is dat waarlijk beter voor de duldenden (16:126).

Het consequente monotheïsme dat Mohammed verkondigde was in de Arabische wereld een nieuwe stroming die al gauw uitgroeide tot een wereldgodsdienst. De profeet wilde niet alleen komen tot een nieuwe gemeenschap (oemma), maar ook tot een nieuwe ver-antwoordelijkheid voor het individu. De mens heeft een bijzondere verantwoordelijkheid tegenover Allah. Door in Allah te geloven is de mens niet langer speelbal meer in de hand van verschillende rivaliserende goden. De mens is aan die God verantwoording verschul-digd voor zijn handelen (Küng 2006, p.204). Het handelen van de mens heeft te maken met zijn “in het geloof en het leven staan”. Want alleen God geldt de islaam van de mens, zijn overgave. Voor zijn aangezicht buigt hij zich in het dagelijks gebed, hem geldt de grote bedevaart van zijn leven. Voor hem verootmoedigt hij zich in het vasten. Overeen-komstig zijn gebod geeft hij zijn sociale belasting, symboliserend dat hij afrekent met zijn hebzucht en verantwoordelijk wil zijn voor andere leden van de geloofsgemeenschap. Zo wil de mens zichtbaar moslim zijn (Küng 2006, p.204).
Op elke wijze wij moreel handelen komt voort uit onze levensbeschouwing of beleefde spiritualiteit. Onze spiritualiteit wordt gedeeld in een geloofsgemeenschap. In die geloofs-gemeenschap wordt uit bronnen geput. De islam leert dat de mens geschapen is met een ingebouwde moraal, die hem help het ware en het goede van het valse en het slechte te herkennen. Het kwade vloeit voort uit de daden en bedoelingen van de mens. Het kwaad komt nooit van God (Hamid, p.42).
Bij alle vormen van spiritualiteit kunnen we een aantal kenmerken onderscheiden. Bij de islamitische spiritualiteit zouden dat de volgende kenmerken zijn (Borst 2006, hoofdstuk 1 en 2):
1. Bewustzijn: De gelovige heeft een spirituele ervaring, die te maken heeft met een con-tact, een afstemmen op Allah. Het afstemmen op en open staan voor een spirituele erva-ring vereist stilte, luisteren, ont¬vankelijkheid, wach¬ten, gehoorzamen.

Wat Mohammed ondervond, was een zaak des harten; het is het deel van ieder, die gevoelt, dat God met Zijn wil en macht de hand op hem gelegd heeft, dat hij gegrepen is, voor hij zelf grijpt, terwijl hijzelf het niet weet, noch vraagt waarom (J.C. van Andel-Rutgers, 1921)

2. Gemeenschap: De gelovige maakt deel uit van een gemeenschap. Niet alleen de we-reldwijde gemeenschap van moslims (oemma), maar ook die van de plaatselijke moskee, familie en vrienden. Veel mensen beleven spiritualiteit in een ge¬meente of gemeenschap.
3. Bronnen: Iedere wereldgodsdienst heeft eigen bronnen, meestal in de vorm van heilige boeken. Voor moslims is dat in de eerste plaats de koran en de hadieths. Mensen kunnen ook de natuur, de muziek, de stilte of de leegte als bron ervaren. Zoals het hindoeïsme de veda’s heeft, het jodendom de tenach heeft en het christendom de bijbel als Heilige Schrift.
4. Moreel handelen: Hoe iemand denkt over goed en kwaad heeft te maken met zijn ethi-sche positie. Hoe verhoudt zijn ethische positie zich met zijn levensbe¬schouwing of spiri-tualiteit? Door het bewustzijn van zijn spiritualiteit ervaart de mens de spanning tussen juist en onjuist, goed en kwaad, aantrekkelijk en afstotend, le¬ven en dood.
De islamitische spiritualiteit wordt dus ervaren in het individu en in de gemeenschap. Mos-lims putten uit islamitische bronnen en hun levensbeschouwing heeft invloed op of is bepa-lend voor hun morele handelen. Opvallend is dat de oude Arabische deugden in ere wor-den gehouden en zelfs verdiept. Naast moed, geduld en edelmoedigheid zijn er ook de specifieke islamitische deugden. De mens is een schepsel van God. Dan is niet hoogmoed, maar deemoed op zijn plaats. God houdt niet van de hoogmoedige. De mens als schepsel van God moet dankbaarheid in zijn grondhouding hebben. Dat betekent niet alleen tot God roepen in tijden van nood. God heeft mensen voor elkaar bestemd en dat betekent dat er onderling goedheid en broederlijkheid moet zijn. Tenslotte is vergeving kenmerkend voor de islam. Aan wie bereid is te vergeven zal ook God vergiffenis schenken.

En laten niet de bezitters van overvloed en ruime middelen onder u ervan aflaten te geven aan de verwanten en de behoeftigen en de uitgewekenen op de weg Gods en laten zij kwijtschelden en laten zij vergoelijken. Zoudt gij niet wensen dat God u vergeeft? God is vergevend en barmhartig (24:22).

2. De islamitische wet
De islam is een allesomvattende levensbeschou¬wing en levenswijze waarin het dienen van God centraal staat. Een moslim geeft zich over aan Allah. Het woord moslim is afgeleid de wortel s- l- m, waarvan de grondbeteke¬nis onderwerping is, maar ook vrede. De vanzelf-sprekende implicatie is de wens van Al¬lah dat de hele wereld zich onderwerpt. Daarom wordt de islam een wetsgodsdienst ge¬noemd. Het islamitische recht (sjarie’a) is het ge-heel van Allah’s voorschriften met betrekking tot het menselijk gedrag.

2.1 Islamitisch recht
In de islamitische wereld wordt de koran gezien als de belangrijkste bron voor de wetge-ving (Esposito 1991, p.79; Wessels 2000, p.129). Het islamitisch recht kent vier bronnen:
1. De koran: op verschillende plaatsten in de koran wordt opgeroepen Mohammed te gehoorzamen. Het gehoorzamen houdt ook in dat de moslim zich moet houden aan de voorschriften van de koran.
2. De traditie van Mohammed (soenna): De belangrijkste bron die naast de koran er-kend en gebruikt wordt is de hadieth (ver¬haal, overlevering, mededeling). Deze bronnen zijn vaak op het eerste gezicht niet duidelijk of zelfs tegen¬strijdig. Boven-dien zijn ze niet volledig, in de zin dat ze regels voor alle mogelijke geval¬len geven. Het is de taak van de islamitische rechtswetenschap (fiqh) om de regels van de sjarie’a te formuleren op basis van de bronnen (Esposito 1991, p.80; Wessels 2001, p.106).
3. Consensus (idjmaa’): Naast de koran en de soenna wordt als rechtsbron erkend de consensus (idjmaa’). Wanneer gekwalificeerde rechtsgeleerden consensus over een bepaald onderwerp hebben bereikt, geldt deze consensus als een derde richt-snoer, naast de koran en de ahadith (Esposito 1991, p.83).
4. Analogie (qiyaas): Dit is een methode van de islamitische rechtswetenschap (fiqh) die inhoudt dat wetgeleerden naar analogie van de richtlijnen uit de koran en de soenna tot bindende regels komen (Esposito 1991, p.83). Zo kan men bijvoorbeeld tot een verbod op het gebruik van soft drugs komen naar aanleiding van het kora-nische verbod op het drinken van wijn. Deze bron¬nenleer is voor het eerst gefor-muleerd door as-Sjafi’i (gestorven 820).

Voor de moslim zijn geloof en levenswijze sterk met elkaar verweven. Toepassing van het ‘islamitisch strafrecht’ is overigens een wat misleidende uitdrukking. Meestal gaat het om uitdrukkelijk in de koran en soenna genoemde misdrijven, te weten: diefstal, roof, onwet-tig geslachtsverkeer, het ongegrond beschuldigen van onwet¬tig geslachtsverkeer. Het is-lamitische strafrecht is evenwel veel ruimer dan deze ‘bepaalde straffen’ (hadd) (Waar-denburg, p.307). Het omvat meer dan wat in het Westen onder recht wordt verstaan: ook rituele voorschriften (‘ibadat), dat wil zeggen voorschriften met betrekking tot het plicht-gebed (salaat), de religieuze belasting (zakaat), het vasten (sawm) en de pel¬grimage naar Mekka (hadj) vallen eronder. Het bieden van een concrete leidraad voor gedrag, in te de-len in de categorieën verplicht, aanbeve¬lenswaardig, indifferent, afkeurenswaardig en verboden, is een doelstelling van de islamitisch ethiek. Het is een bron voor de morele discussie bij het oplossen van een moreel dilemma.

2.2 Sjarie’a
Onder de sjarie’a (Arabisch = de te volgen weg, religieuze wet) wordt de religieuze wet-geving verstaan. De sjarie’a omvat naast de geloofsleer de voorschriften voor het maat-schappelijk handelen op het gebied van het godsdienstige, politieke, sociale, huiselijke en persoonlijke leven. De sjarie’a is gebaseerd op het woord van God (koran), en daarom heilig, én op de uitspraken en gedragingen van Mohammed en de eerste generatie mos-lims (soenna), en daarom voorbeeldig. De wetgeving kent een schaal van vijf beoordelin-gen: 1. verboden, 2. afkeurenswaardig, 3. neutraal, 4. aanbevelenswaardig, 5. verplicht. Bij een aantal kleine islamitische bewegingen neemt wetgeving geen centrale plaats in. De toepassing van de sjarie’a verschilt van tijd tot tijd en van plaats tot plaats. In het alge-meen geldt dat lokale opvattingen en waarden werden opgenomen in de rechtspraak en als islamitisch werden aangemerkt zolang zij niet in tegenspraak waren met de centrale dogma’s. Hoewel de sjarie’a geen onderscheid maakt tussen het religieuze en het maat-schappelijke leven, ontstond er al vroeg een feitelijke, zij het niet formele scheiding tus-sen religieuze en politieke macht. In de twintigste eeuw is die scheiding in een groot aantal islamitische landen geformaliseerd. In de wetgeving van de meeste islamitische landen is de toepassing van de sjarie’a veelal beperkt tot het familierecht en het beheer van reli-gieuze instellingen. In veel landen zijn de betreffende onderdelen van de sjarie’a in deze eeuw hervormd en gecodificeerd. Een van de belangrijkste vernieuwingen is de invoering van de advocatuur.
De secularisering van het recht verliep niet zonder verzet. De religieus gemotiveerde op-positie in enkele islamitische landen streefde en streeft naar de algemene invoering van de islamitische wetgeving. In een klein aantal moderne islamitische staten is sprake van een brede toepassing van de islamitische wetgeving, waaronder Saoedi-Arabië, Pakistan, Maleisië en Iran.

2.3 Rechtsscholen
Vanaf het begin van de islam was de uitleg van de islamitische wet in bepaalde landen en streken niet hetzelfde. Als gevolg van de verschillende uitleg van de wet ontstonden er ook verschillende rechtsscholen. De Soennieten stichtten er vier:
1. De Hanafitische school die is genoemd naar Aboe Hanifa (699-767). Deze school wordt in Europa, Centraal Azië (o.a. Turkije, de Balkan, Afghanistan, In¬dia en Pa-kistan). gevolgd. Aboe Hanifa legde de nadruk op het afleiden van nieuwe regels van de oude regels en op het persoonlijk oordeel. Hin¬doestaans-Surinaamse mos-lims in Nederland kunnen de school van de Hanafie¬ten aanhangen.
2. De Malikitische school die is genoemd naar Malik ibn Anas (712-795). Deze school wordt gevolgd in Noord – en West Afrika (o.a. Marokko, Algerije, Soedan en Noord-Egypte). Malik legde de nadruk op de traditie (hadieth). Marokkanen in Ne-derland hangen de school van de Malikieten aan.
3. De Sjafi ‘itische school die is genoemd naar as-Sjafi i (767-820). Deze school wordt gevolgd in o.a. Zuid-Egypte, Oost-Afrika, Maleisië en Indonesië. Deze ge-leerde probeerde de eerder genoemde scholen te verzoenen, maar creëerde ook een nieuwe school.
4. De Hanbalitische school die is genoemd naar Ahmed ibn Hanbal (780-855). Deze school wordt gevolgd in Saoedi-Arabie en staten langs de Perziche golf, zoals Oman. De school van de Hanbalieten staat bekend als conservatief en ‘biblicistisch’, dus alleen de koran en de hadieth worden geraadpleegd.

De Sji‘ieten hebben hun eigen rechtsschool die teruggaat op de zesde imaam Dja’far as-Sadik. Er zijn enkele kenmerkende verschillen met de vier rechtsscholen van de Soennie-ten. Sji’itische moslims mogen enkele gebeden samenvoegen waardoor er drie verplichte gebeden overblijven. De moskeegang op vrijdag is niet verplicht. Het bezoeken van gra-ven van heiligen wordt aangemoedigd, wat een zekere “concurrentie” in de hand werkt met de Ka’ba in Mekka. Verder zijn er verschillen in de interpretatie van de huwelijksre-gels.

3. Islamitische filosofie
Voor we naar de islamitische ethiek kijken wil ik eerst een enkele opmerking over de isla-mitische filosofie maken. Eén van de gevolgen van de islamitische verovering van het Na-bije Oosten was dat moslims kennis maakten met de filosofie en ethiek van Plato en Aris-toteles. Verschillende factoren hebben ertoe bijgedragen dat de werken van deze auteurs in het Arabisch vertaald en intensief bestudeerd werden. Het Griekse gedachtegoed on-derging daarbij een ingrijpende gedaanteverandering, omdat de moslims, anders dan de klassieke denkers, naast de rede ook de openbaring gebruikten als uitgangspunt van hun filosoferen. De vraag hoe de godsdienst zich tot de filosofie verhoudt heeft verschillende islamitische geleerden beziggehouden. De geschiedenis van de islamitische theologie (kalaam, letterlijk: spreken of woord) is dan ook moeilijk te scheiden van de geschiedenis van de islamitische filosofie (falsafa). Het speculatieve karakter van de filosofie leidde echter geregeld tot beschuldigingen van ketterij door religieuze voormannen, die in het algemeen een strikte normatieve theologie aanhingen. Uit de filosofie werden elementen opgenomen in de islamitische theologie. Hierbij moeten we met name denken aan de logi-ca. In de Late Middeleeuwen werd in Europa een groot aantal werken van islamitische filo-sofen in het Latijn en het Hebreeuws vertaald. Een aantal islamitische filosofen verwierf grote faam, zoals Avicenna (Ibn Siena, 980-1037) en Averroës (Ibn Roesjd, 1126-1198) .
Bij de ontwikkeling van de islamitische theologie speelde de vraag over het godsbeeld, vooral de vraag hoe de koranische beschrijvingen van menselijke eigenschappen en attri-buten van God begrepen moesten worden, een grote rol. Een belangrijk strijdpunt tussen de verschillende theologische scholen was het vraagstuk van de relatie tussen de mense-lijke rede en de openbaring van God. De geschiedenis van de kalaam en de falsafa kende na 1250 nauwelijks nog hoogtepunten. In feite was een periode van stagnering ingetre-den, die zou duren tot de nieuwe modernistische theologen van na 1850.

3.1 Soefisme
De islamitische mystiek heeft sinds de achtste eeuw haar intrede gedaan in de islam. Christelijke en hindoeïstische invloeden hebben daarbij mede een rol gespeeld. Het beeld van een absoluut transcendente God heeft het voor de mystici vaak uiterst moeilijk ge-maakt. De rijke en complexe islamitische mystiek heeft altijd een spannende relatie on-derhouden met de officiële islam van heersers, krijgers en rechtsgeleerden (Hattstein, p.105). Ondanks onderdrukking en terechtstellingen bleven mystici, in het Arabisch soefi’s genaamd, hun overtuiging verkondigen. In het soefisme streeft men een rechtstreekse relatie met God na. De soefi’s wilden niets weten van het strakke formalisme van de sjarie’a. Onderwerping aan de religieuze voorschriften is slechts een middel om te komen tot reiniging van de ziel en opgaan in de kennis van God. Innerlijk begrip van de Openba-ring is de weg die ze voorschrijven om het ideaal van de eenheid met God (tawhied) te bereiken Volkomen toegang tot de tawhid en weet van de diepe betekenis van dit woord zijn alleen voor de soefi weggelegd. Volgens de soefi’s is de zonde meer dan een overtre-ding. De mens staat als zondaar tegenover Allah. Zijn ziel is als een verroeste spiegel. Door Allah na te volgen moet hij trachten de spiegel weer helder te maken, zodat hij de eigenschappen van Allah weerspiegelt. Daardoor wordt hij weer wat hij eens is geweest: het beeld van Allah.

4. Ethiek van de islam

De islam zegt dat de islamitische normen en voorschriften de beste zijn en dat ze geldig blijven voor alle tijden en alle plaatsen (Buitelaar en Motzki, p.41).

De islam heeft een normatieve ethiek die gebaseerd is op de koran, soenna en hadith. Deze ethiek is te vergelijken met de normatieve christelijke ethiek, die gebaseerd is op de bijbel. De monotheïstische godsdiensten: jodendom, christendom en islam, hebben niet geheel ten onrechte de naam godsdiensten van het boek (thora, bijbel, koran) of wets-godsdiensten te zijn. De islam kent de vijf plichten of pijlers tegenover God (zie hoofdstuk 2) . Vanuit deze grondbeginselen is de ethiek van de intermenselijke relaties opgebouwd, waarin de rechtvaardigheid en de overtuiging dat alle gelovigen broeders zijn, centraal staan.

Het hele leven van de moslims is doortrokken van twee begrippen: halaal en haraam. Halaal betekent “toegestaan” en lijkt op wat de joden “kosjer” noemen. Haraam betekent “verboden”. Er is halaal voedsel en haraam voedsel. Haraam voedsel is varkensvlees. Bloed mag niet genuttigd worden, evenmin als het vlees van dieren die niet ritueel ge-slacht zijn. Het verrichten van aanbevelingswaardige dingen geeft extra beloning. Men zou kunnen spreken van “loonethiek.” De koran spreekt over loon voor goede werken. Even-wel blijkt uit de koran dat het niet in de eerste plaats om goede werken gaat, maar om het geloof en de gehoorzame gezindheid van de moslim. De koran, soenna en hadieth bevatten tal van voorschriften omtrent het leven in de moslimgemeenschap. Deze hande-len over religieus en sociaal gedrag: bidden, het geven van aalmoezen, vasten, bedevaart, huwelijk, overspel en scheiding, erfgoed, eten en drinken, woekeren en slavernij. De ver-houding tot Allah en tot de medemens is in de wet nauwkeurig geregeld. Dat wordt tref-fend uitgedrukt door het woord “dîn” in de koran: het heeft de betekenis van oordeel en van godsdienst. De grondbetekenis is van ‘afrekenen’.

5. “Tien Geboden”

Wél-varen de gelovigen die in hun salat deemoedig zijn
en die van ijdele praat afkerig zijn
en die de zakat betrachten
en die hun eerbaarheden wél bewaren
behalve jegens hun echtgenoten
of wat hun rechterhanden bezitten
want dan zijn zij niet te laken.
Doch wie daarenboven
nog begeerte hebben
dat zijn de overtredenden.
En degenen die bewaren
wat hun wordt toevertrouwd
en die waarnemen
dat waartoe zij zich verbinden
en die hun salats in acht nemen
diegenen zijn de beërvenden
die het Paradijs beërven zullen
eeuwig-levend daarin (23:1-11).

In de koran vinden wij verschillende verzen, de “islamitische decaloog”, die ons doen den-ken aan de tien geboden in de bijbel (Gardet, p.120; Takken 2002, p9; Wessels 2000, p.130). De essentiële inhoud van islamitische tien geboden vinden wij verspreid terug over de 114 soera’s. Deze tien geboden omvatten een normatieve plichtsethiek of deontolo-gische ethiek, die als uitgangs¬punt heeft Gij zult…, en is met de normatieve christelijke ethiek te vergelijken. In de koran (17:22 vv) lezen we: 1. Gij zult geen andere goden naast Allah dienen; 2. Gij zult eer¬bied en barmhartigheid aan de ouders betonen; 3. Gij zult aan de armen geven; 4. Gij zult geen verkwisting, maar matigheid betrachten in het geven; 5. Gij zult geen pasge¬boren kinderen doden uit armoede; 6. Gij zult geen overspel bedrijven; 7. Gij zult niet onrechtmatig doden; 8. Gij zult het bezit van wezen niet verte-ren; 9. Gij zult geen be¬drog in de handel plegen; 10. Gij zult geen (valse) geruchten gelo-ven; 11. Gij zult geen overmoed betrachten. In soera 25 worden soortgelijke geboden ingeleid met de woorden die herinneren aan de “Zaligsprekingen” in het nieuwe testament (Mattheüs 5:1-12). Enkele geboden nader toegelicht:

5.1 Het eerste gebod: Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben.
Evenals de bijbel stelt de koran duidelijk dat men één God moet aanbidden. Tauhied is de bevestiging dar er maar een Schepper is die het verdient geprezen te worden. Tauhied is een bevrijdende kracht en bevrijdt de mensheid van valse goden (Haeri, p.129; Hamid, p.35). Het aanbidden van meerdere goden (sjirk) wordt als een onvergeeflijke zonde ge-zien en is dus ten strengste verboden (6:151; 17:22). Door dit gebod te overtreden, tref je niet de Hoogverhevene, maar ten diepste jezelf. Het eerste en tweede gebod vormen het Leitmotiv van de islamitische prediking. De hoofdstukken 1 en 112 geven er een korte samenvatting van.
Anders dan in de koran beschrijft de bijbel dat God bij overtreding van dit gebod wel ‘ge-raakt’ kan worden. Hij kan niet aanzien als zijn volk andere goden gaat dienen. Oudtesta-mentische profeten als Ezechiël, Hosea en Amos wijzen het volk op het verdriet van God als het volk overspelig wordt.
Volgens de islam tast het christendom met de leer over de Drie-eenheid Gods eenheid aan. Zij zien dit als een vorm van polytheïsme (zie: hoofdstuk 5, paragraaf 4).

5.2 Het tweede gebod: Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte…
De islam verbiedt representatieve kunst waarmee het scheppend vermogen van God wordt gedupliceerd. Als God volgens de koran de Schepper is, dan volgt daaruit in de ha-dieth, dat alle menselijke “scheppers” God imiteren en daarvoor door God bestraft moeten worden. Beeldhouwen is dus verboden vanwege het gebruik hiervan bij het maken van afgodenbeelden. Op diverse plaatsen in de koran wordt verteld hoe Abraham afgodsbeel-den kapot slaat (6:74-80; 19:41-50; 21:51-73; 26:69-89). Het oprichten van het gouden kalf uit Exodus 32 wordt eveneens in de koran beschreven en is ook daar een daad van afgoderij. Dat het kalf in de koran kan loeien (20:88) is ontleend aan een joodse midrasj (Wachters, p.153). Kinderspeelgoed vormt een uitzondering. Mohammed had geen be-zwaar dat zijn dochter met poppen speelde. In de Verenigde Staten worden islamitische poppen verkocht die toegestaan zijn voor islamitische meisjes, maar ze mogen niet met Barbiepoppen spelen. Fotografie, film en televisie zijn voor de meeste moslims wel accep-tabel. Mechanische reproductie van de werkelijkheid is minder zondig dan een kunstenaar die een beeld maakt. Moslims zullen zich wat het beeldverbod betreft eerder thuis voelen in een protestantse kerk dan in een rooms-katholieke kerk.

5.3 Het derde gebod: Gij zult de naam van de Here uw God niet ijdel gebruiken.
In de koran ontbreekt een verbod op het misbruiken van de naam van God. Wel wordt steeds opgeroepen de naam te lofprijzen. Orthodoxe moslims zullen voorzichtig zijn met het gebruiken van de naam van Allah. Toch zien we een zeker gemak bij het noemen van de naam van God, bijvoorbeeld als een moslim zegt: “In sjaa Allah” (“Indien God wil.”). Deze uitdrukking kan evenwel ook betekenen: “misschien”en “als het mij goed uitkomt”.

5.4 Het vierde gebod: Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt…
Het gebod om de sabbatdag te gedenken komen we in de koran niet tegen. Joden heili-gen de sabbatdag en christenen zetten de zondag apart als “de dag des Heren”. Moslims hebben geen heilige dag in de week zoals joden en christenen die kennen. ’s Vrijdags wordt er gewerkt totdat het tijd is voor het rituele middaggebed (zohr). Voor mannen is het verplicht het vrijdagmiddaggebed in de moskee te verrichten. Daarom wordt de vrij-dag de dag van de samenkomst genoemd. Waarschijnlijk had het ontstaan te maken met de wekelijkse vrijdagmarkt, een ideale situatie om met velen gezamenlijk te bidden en zo een gemeenschap (oemma) van moslims te vormen.

5.3 Het vijfde gebod: Eerst uw vader en uw moeder…

Een man met de naam Al-Aqra ibn Habits kwam bij de Profeet op bezoek en was verbaasd toen hij zag, dat de Profeet zijn kleinzoons, Hassan en Hoesein, kuste.
“Kust u uw kinderen?”vroeg hij, en hij voegde er aan toe, dat hij tien kinderen had en dat hij er nooit één gekust had.
“Dat laat zien dat u geen genade en tederheid heeft. Degene, die geen genade aan anderen toont, zal door God geen genade betoond worden”,merkte de Profeet op (Hamid, p.116).

De koran spreekt nadrukkelijk over het eren van de ouders. De koran schikt het vijfde gebod, zoals dat in de Mozaïsche wet staat, onder de voor¬naamste plichten jegens Allah (29:8; 31:14; 41:15). De geldigheid van het verbond dat door Mozes werd ge¬sloten, wordt opnieuw opgeroepen in de koran (4:36). De plicht om onze vader en moeder te verheer-lijken betekent nog geen blinde gehoorzaamheid (Chouraqui, p.132). Kinderen mogen van hun vader verwachten, zoals Al-Gazali dit zegt: de zelfverlooche¬nende zorg voor zijn huis-gezin (De Boer, p.182).
Er is in de wereld van de islam over het algemeen groot respect voor ouders en ouderen.

5.6 Het zesde gebod: Gij zult niet doodslaan.
Nadrukkelijk zegt de koran dat je niemand mag doden als je daartoe niet het recht hebt, ‘want uw gelijke is door God heilig verklaard’ (6:151). De restrictie ‘indien ge niet het recht hebt’, doelt op het recht een mens te doden in een rechtvaardige oorlog of in het geval van wettige wraak (17:33). Het doden van kinderen wordt apart genoemd: ‘Gij moogt uw kinderen niet doden uit vrees voor armoede (17:31)’.
Om verregaande bloedwraak of kettingmoorden tegen te gaan doet men zijn best, in plaats van de wet van vergeling en bloed (tha’r) een schadevergoeding te stellen, die dan door de familie van het slachtoffer vrijwillig of gedwongen aangenomen wordt.

5.7 Het zevende gebod: Gij zult niet echtbreken.

De ontuchtige vrouw en de ontuchtige man geselt een ieder hunner met honderd geselslagen. En laat geen mededogen met hen u bevangen in Gods godsdienst in-dien gij gelooft in God en de Laatste Dag. En laat een aantal der gelovigen van hun bestraffing getuige zijn (24:2).

De koran heeft over de positie van de vrouw meer te zeggen dan over enige andere soci-ale kwestie. “Vrouwen zijn uw akker”, zegt de koran (2:233). Het woord voor huwelijk is gelijk aan het woord voor “seksuele gemeenschap”. Het huwelijk is een contract, geba-seerd op regels waaraan man en vrouw zich dienen te houden. Mohammed heeft de posi-tie van de vrouw in de zevende eeuw verbeterd door onder andere de bruidsschat in te voeren.

En die van uw vrouwen die zedeloosheid bedrijven verlangt tegen haar als getuigen vier uwer indien deze dan getuigen houdt haar dan terug in de huizen totdat de dood haar schuld invordert of God voor haar een weg aangeeft (4:15).

De meeste Arabische christenen behoren tot geloofsrichtingen die geen echtscheiding toe-staan. Voor moslims is echtscheiding in sommige gevallen wel mogelijk, maar die wordt door religieuze wetten nauwkeurig gereguleerd (Nydell, p.94). Reeds in de traditie van Mohammed wordt afkeurend over echtscheiding gesproken: Scheiding is het meest gehaat bij God van de dingen die wettelijk geoorloofd zijn (Van Bommel 2003, p.148; Hairi, p.148; Wessels 2001, p.110). In dezelfde geest als bovenstaande soera (4:15) spreekt ook het Oude en Nieuwe Testa¬ment (Maleachi 2:6; Mattheüs 19:8). Mannen kunnen hun vrouw verstoten zonder daarover rekenschap te hoeven afleggen. Alleen de kosten vor-men soms een belemmering, omdat de man meestal het restant van de bruidsgelden moet terugbetalen. Vrouwen kunnen alleen onder een beperkt aantal omstandigheden echtscheiding aanvragen. Volgens de islamitische wetgeving kan een man zijn vrouw ver-stoten door het uitspreken van de woorden: `Ik verstoot je’. De ver¬stoting (talaaq) is tot twee keer toe herroepbaar. Na de derde verstoting is het echtpaar onherroepelijk ge-scheiden. Tegenwoordig dient in de meeste islamitische landen een echtscheiding te wor-den vastgelegd bij de rechtbank. In de praktijk blijkt het veelal moeilijk te zijn voor vrou-wen een scheiding middels de rechtbank te verkrijgen. In som¬mige landen kan bij het slui-ten van het islamitische huwelijkscontract een bepaling worden opgenomen dat de vrouw het recht heeft een scheiding aan te vragen. In sommige lan¬den, zoals Turkije, is het uit-spreken van een verstoting verboden. Een echtscheiding kan daar uitsluitend verkregen worden door een uitspraak van de rechtbank. Nadat zij ge¬scheiden is, moet een vrouw een wachttijd (idda) in acht nemen. De lengte van de idda verschilt per wetsschool, maar duurt in ieder geval minimaal drie menstrua¬tieperioden. Tijdens de idda is het een vrouw niet toegestaan opnieuw te trouwen. Door middel van de idda zou een man ervan verze-kerd zijn dat zijn nageslacht niet toevalt aan een andere man. Wanneer een vrouw tijdens de wachtperiode zwanger blijkt te zijn, dan wordt haar idda verlengd tot aan de bevalling. Tijdens de idda kan een man de verstoting herroepen en zijn vrouw terugnemen wanneer het een eerste of tweede verstoting be¬treft. Alleen door haar wachtperiode na een eerste of tweede verstoting te volbrengen, verwerft een vrouw het recht op alimentatie. Over haar recht op onderhoud en een wo¬ning na een drievoudige verstoting bestaat geen een-duidigheid onder de verschillende wetsscholen.
In het klassieke werk van De Boer over de wijsbegeerte van de islam wordt Al Ghazali (1059-1111) geciteerd in verband met het voorkomen van overspel: De voordeelen van het huwelijk zijn […] De bevrediging van de zinnelijkheid, die uitspattingen voorkomt, een voorsmaak geeft van hooger, blijvend genot en rust verschaft voor geestelijke bezig-heid en werk. Al-Ghazali noemt duidelijk in een hoofdstuk waarin hij de plichtenleer en de mystiek tracht te verenigen de zedelijke grenzen: Het zich onthouden van de zonden van alle lichaamsdelen, de begeerlijkheid der ogen, het zondig verlangen der oren etc. Al Ghazali’s ethiek loopt uit op een verheerlijking van Mo¬hammed, het model van de mense-lijke volmaaktheid, die kuis en zedig boven allen was.

5.8 Het achtste gebod: Gij zult niet stelen.
In de oosterse samenleving kwam bij het aantasten van het bezit van de ander dikwijls zijn hele bestaan op het spel te staan. Bedoeïnen lieten diefstal van een dier viervoudig vergoeden (zie ook de reactie van Zacheüs, Lukas 19:8). In de koran staat een tekst over het afkappen van de handen van een dief of dievegge (5:38), een zeer drastische maat-regel die in sommige islamitische landen nog geldig is of heringevoerd is. Begeren en ste-len wordt dikwijls in de koran veroordeeld, hoewel niet zo dikwijls als ontucht (5:38; 17,34; 60:12).

5.9 Het negende gebod: Gij zult geen valse getuigenis spreken tegen uw naaste
De koran onderstreept de deugd van het naar waarheid handelen en betrouwbaar zijn. Ook in de overleveringen van Mohammed treffen we fraaie voorbeelden aan van eerlijk-heid en oprechtheid. Met betrekking tot laster die verspreid was tegen Aïsja, de geliefde vrouw van Mohammed, wordt deze tekst vaak aangehaald: “Zij die schandelijkheid willen verspreiden onder de gelovigen, zullen in het hiernamaals wrede kwelling ondergaan (24:19; 4:135).

5.10 Het tiende gebod: Gij zult niet begeren.
De moslim vat geen begeerte op, dit behoort niet bij zijn karakter (El Djezeïri 1997, p.48). Het zevende en achtste gebod gaat in tegen de daden zelf. Het tiende gebod gaat over de houding die erachter zit. Een overtreding begint vaak met een begeren van overspel of materiële zaken. De koran haat in tegen het begeren door op te roepen om te geven en de hand niet angstvallig op de knip te houden (17:29)
In dit verband noemen we overspel. Overspel geldt in de islam als een grote zonde en als een van de zwaarste misdrijven. Vrouwen die overspel plegen worden scherp veroordeeld en werpen door hun daad een smet op de familie. Op overspel staan wettelijke sancties, maar in veel islamitische landen is met tegenover mannen altijd tolerant geweest. Het komt nog steeds voor dat een vrouw die voor of buiten het huwelijk seksuele contacten heeft wordt vermoord om “de eer van de familie te herstellen”. De koran noemt een straf van honderd zweepslagen (24:2). In een van de hadieths is sprake van de doodstraf door steniging. In de praktijk worden deze straffen zelden uitgevoerd in verband met de stren-ge eisen die aan de procedure worden gesteld. Valse beschuldiging van overspel wordt bestraft met tachtig zweepslagen. Daaruit blijkt dat deze overtreding bijna netzo erg is als het overspel zelf: En zij, die kuise vrouwen beschuldigen en geen vier getuigen brengen – geselt hen met tachtig slagen (24:4).

6. Seksuele ethiek
Het onderwerp heeft alles te maken met ethische discussies. Ik heb daarom boven deze paragraaf “seksuele ethiek” gezet. Voor niet-moslims kan de islamitische seksuele ethiek wat “ouderwets” of puriteins overkomen. Seksualiteit bij moslims wordt beleefd als een geschenk van God, maar binnen nauw omschreven kaders. Seksuele handelingen leiden tot het vrijkomen van lichaamsstoffen en dat vereist altijd reiniging voordat een gebed wordt uitgesproken. Na een geslachtsgemeenschap dient de grote rituele reiniging te wor-den uitgevoerd. Tijdens de menstruatie is geslachtsgemeenschap niet toegestaan, omdat bloedcontact tot rituele onreinheid leidt.

En indien gij ducht niet rechtmatig te zullen zijn ten aanzien van de wezen huwt dan wat u aanstaat van de vrouwen een tweetal en een drietal en een viertal. Doch indien gij ducht niet billijk te zijn dan éne of wat uw rechterhanden bezitten. Dat brengt u dichter bij onpartijdigheid (4:3).

Mannen hebben in vergelijking met vrouwen grote vrijheden op seksueel gebied. De islam heeft de volgende seksuele vrijheden aan de man toegestaan: meerdere vrouwen te heb-ben; bijvrouwen te hebben; slavinnen te hebben die voor seksueel genot dienen (Glaser en John, p.87). In de Sji’itische islam kan een tijdelijk huwelijk worden gesloten (moet’a).

6.1 Impotentie
Impotentie wordt als een medisch probleem gezien dat ook met medische middelen mag worden bestreden. De man is verantwoordelijk bij “hulpmiddelen” zijn geslachtsdrift onder controle te houden.

6.2 Masturbatie
Masturbatie wordt als onwenselijk beschouwd: En die hun vleselijke lusten beheersen.
Behalve met hun vrouwen of hetgeen hun rechterhand bezit, want dan treft hen geen verwijt. Doch degenen die deze perken te buiten gaan, zullen overtreders zijn (23:5-7). De Hanbalitische rechtsschool staat masturbatie toe om overspel en ontucht te voorko-men. Ook op dit onderwerp rust een taboe om er over te spreken en te schrijven.

6.3 Prostitutie
Prostitutie is moreel en wettelijk niet toegestaan. Er zijn wel prostituees in islamitische landen. In de koran en in verschillende hadieths wordt afkeuring uitgesproken over het dwingen van slavinnen tot prostitutie: En dwingt uw slavinnen, terwijl zij kuis wensen te zijn, niet tot ontucht om de goederen van het tegenwoordige leven te zoeken. Maar in-dien iemand haar dwingt, dan zal Allah na die dwang (voor haar) Vergevensgezind, Barmhartig zijn (24:33).

6.4 Homoseksualiteit

Zult gij benaderen de mannelijken onder de wereldwezens? En zult gij aflaten van uw echtgenoten die uw Heer voor u geschapen heeft? Neen, gij zijt een volk van overtreders (26:165-167)

De islamitische cultuurgeschiedenis kent ook haar vriendschap en liefde van mannen on-derling. Vanwege de zowel milde als strengere uitspraken van Mohammed over de aan-trekkingskracht van mannen onderling, in het bijzonder van jonge knapen onderling, zijn geleerden het erover eens dat het een gevaarlijke bron van verleiding is. In het algemeen wordt aangenomen dat homoseksualiteit verkeerd is en strijdig met Gods bedoelingen. Wat zich buiten het kader van het huwelijk tussen man en vrouw afspeelt als het om sek-sualiteit gaat, is in principe verwerpelijk. Homoseksualiteit is een levenswijze of seksuele handeling die niet past bij de scheppingsorde van God en wordt expliciet veroordeeld in de koran en in de ahadith (hadieths) (Ajouaou, p.126; Gardet, p.120). In soera 26:165-175 veroordeelt Lot de mannelijke homoseksualiteit van de inwoners van Sodom. Soera 4:16 lijkt te verwijzen naar mannelijke homoseksualiteit en stelt dat de betrokkenen moeten worden gestraft. Lot veroordeelt de mannelijke homoseksualiteit van de inwoners van Sodom en God greep in: Toen Ons gebod kwam, keerden Wij die stad ondersteboven en Wij deden er brokken klei laag boven laag op regenen (11:82). In enkele hadieths wordt aanbevolen mannen die zich aan homoseksuele handelingen schuldig maken te stenigen.
Van Bommel schrijft dat moslimartsen van homoseksuele moslims soms hun persoonlijke vijanden lijken te maken. Uit de termen die zij gebruiken, vaak in verband met AIDS, blijkt hun pathologische weerstand (Van Bommel 2003, p.212).

6.5 Pornografie
Pornografie wordt veroordeeld omdat het opzettelijk lust opwekt in plaats van deze in toom te houden. Het wordt bovendien gezien als vernederend voor vrouwen. Ook ge-mengd dansen is niet toegestaan. Zo wordt overspel voorkomen en daardoor verboden seksualiteit. De islam is fel gekant tegen het gebruik van seks voor reclamedoeleinden. In islamitische landen zien we geen reclameposters van half naakte vrouwen of mannen.

6.6 Anticonceptie
De koran geeft geen duidelijke richtlijnen over het gebruik van anticonceptie en er is dus ruimte voor de schriftgeleerden om hierover van mening te verschillen (Van Koningsveld 1988, p.59). Moderne methoden voor geboortebeperking worden in de islam in het alge-meen geaccepteerd. Over voorbehoedmiddelen in de tijd van Mohammed zijn verschillen-de verhalen in omloop. Enerzijds zou de profeet zijn volgelingen hebben opgeroepen te trouwen en zich voort te planten, anderzijds zou hij coïtus interruptus hebben toegestaan.
In veel islamitische landen is kinderrijkdom nog steeds de enige oudedagsvoorziening. Het gebruik van anticonceptie wekt de schijn van onvruchtbaarheid. In de praktijk blijkt dat voorbehoedmiddelen niet verboden zijn, maar gezien de waardering voor het moeder-schap en de vruchtbaarheid, op weinig populariteit kunnen rekenen. Over voorbehoedmid-delen in de tijd van Mohammed zijn verschillende verhalen in omloop. Enerzijds zou de profeet zijn volgelingen hebben opgeroepen te trouwen en zich voort te planten, ander-zijds zou hij coïtus interruptus hebben toegestaan. Anticonceptie wordt dus niet veel ge-bruikt. Sommige schriftgeleerden (oelama) stellen dat ‘geboortebeperking’ verboden is, maar ‘familieplanning’ is toegestaan (Jansen 1998, p.219).
Kunstmatige inseminatie: Kunstmatige inseminatie met sperma van de eigen echtgenoot is doorgaans toegestaan, hoewel er ook moslims zijn die dit afwijzen.

7. Abortus
De koran geeft geen duidelijke richtlijnen over abortus (Van Koningsveld 1988, p.59). In de islam is abortus niet tot een fel omstreden punt geworden, zoals dat wel bijvoorbeeld in de Rooms-katholieke kerk geworden is. In de meeste islamitische landen wordt abortus oogluikend toegestaan. Abortus is in de ogen van velen een vorm van anticonceptie. Haar zwangerschap bewijst dat de vrouw vruchtbaar is (Jansen, p. 219).

Komt laat ik voordragen wat God voor u verboden heeft gesteld: dat gij Hem niets tot genoot geeft en goed gedrag ten aanzien van de ouders en doodt niet uw kin-deren uit verarming. Wij zijn het die u onderhoud zullen geven en hun en laat u niet in met zedeloosheden zowel uiterlijk als innerlijk en doodt niet de ziel die God onaantastbaar heeft verklaard tenzij met wezenlijk recht.
Dat is het wat Hij u heeft opgedragen. Wellicht zult gij verstandig worden (6:151).

Islamitische rechtsgeleerden verschillen van mening over de vraag of abortus al dan niet is toegestaan. Er is geen idjmaa (consensus onder koranuitleggers) uitgekristalliseerd over abortus. Indien het leven van de vrouw in gevaar komt is abortus onder bepaalde om-standigheden toegestaan. De meeste geleerden hebben besloten dat de bezieling (Allah’s geest) de scheidslijn is die bepaalt of abortus toelaatbaar is of niet. Bij sommigen ligt de grens op het einde van de vierde maand, anderen beperken de periode tot 40 of 50 da-gen.

Er zijn vrouwen die vinden dat hun eigen lichaam onschendbaar is, waarbij ze voor het gemak de rechten van het ongeboren kind vergeten. De koran helpt deze vrouwen eraan te denken dat de kinderen op de Dag des oordeels willen weten waarom ze vermoord werden (Maqsood, p.117 [81:7-9,11,14]).

In geval van verkrachting is vruchtafdrijving toegestaan. Uiteraard, beschikt de vrouw niet alleen over een stoffelijk lichaam, maar heeft ze ook een geestelijke natuur. Het is on-draaglijk om een kind te moeten dragen op zo’n onwaardige manier. De vrouw treft in zo’n geval geen enkele schuld.

8. Euthanasie
Moslims verwerpen euthanasie omdat de reden van ondraaglijk lijden bij ziekte of een handicap bij de geboorte alleen bij Allah bekend zijn. Beproevingen kunnen oneerlijk lijken wanneer we de reden van het lijden niet kennen. Het is niet aan de mens een “genadevol-le dood” uit te voeren of te “krijgen”. De islam vindt het verachtelijk dat euthanasie om bepaalde redenen sociaal acceptabel zou zijn (Maqsood, p.144). de houding van de moslim in persoonlijke tragedies is liefdevol en standvastig blijven en het leven van de ongelukki-ge zo comfortabel mogelijk maken.

9. Adoptie

Noemt hen3 naar hun vaders dat is juister bij God. En indien gij hun vaders niet kent dan zijn zij uw broeders in de godsdienst en uw verbondenen. Maar geen ver-grijp is er voor u in de misstap die gij reeds begaan hebt maar wél in wat uw har-ten zich voornemen. God is vergevend en barmhartig (33:5).

De profeet Mohammed heeft een van zijn slaven, Zaid ibn Haritha, geadopteerd. Adoptie kwam in de voorislamitische periode kennelijk al voor. Het is belangrijk dat de adoptief- en pleegkinderen hun vaders naam dragen (33:4-5). Een uitzondering op die regel doet zich voor wanneer de achternaam niet gekend is. In dat geval is de enige optie de naam van de pleegvader over te nemen voor het geadopteerde kind, wat op zich niet verplich-tend is. Het geadopteerde kind heeft niet dezelfde wettelijke rechten en plichten binnen het pleeggezin als de “eigen kinderen”. Wanneer iemand geen “eigen” kinderen heeft, mag hij zijn pleegkind(eren) alle rechten geven die hij kan geven en één derde deel van zijn erfenis afstaan. Het betreft meestal weeskinderen of vondelingen die worden opgevoed en onderhouden binnen de familiekring, maar vanaf hun puberteit wordt van mannelijke pleegkinderen verondersteld afstand te houden van de vrouwelijke familieleden. Het isla-mitisch familierecht gaat er vanuit dat het adoptiekind dat niet rechtstreeks bloedverwant van het adoptiegezin is, een potentiële huwelijkspartner zou kunnen zijn voor één van de gezinsleden.

10. Morele dilemma’s op school

Zonder moreel besef ziet een mens nooit een moreel dilemma.
Ethica Nicomachea Aristoteles 384-322 B.C.

Een moreel dilemma heeft betrekking op een onoplosbare botsing van waarden en nor-men uit verschillende levensbeschouwingen. Hoewel er geen oplossing voor handen is, zal er in de praktijk toch een keuze moeten worden gemaakt. Een ‘oplossing’ om na de bot-sing ver¬der te gaan, is bijvoorbeeld met elkaar een procedure of een compromis af spre-ken. Andere tijdelijke oplossingen zijn een beroep op autoriteit: “De directeur of het be-stuur beslist.” Een moreel dilemma veroorzaakt morele spanningen en conflicten in het team, het bestuur, de medezeggenschapsraad of de ouderraad van de school. De leer-kracht wordt met morele dilemma’s geconfronteerd in complex-onderwijskundige situa-ties. Het woord dilemma komt van het Latijnse dilemma wat ‘twee¬stelling’ betekent. Het Latijn heeft het weer ontleend aan het Griekse “di” (twee) en “lemmata” (veronderstellin-gen). Iemand die voor een dilemma staat, moet dus kiezen tussen twee veronderstellin-gen of mogelijkheden. Wanneer niet dui¬delijk is wat de belangen van een leerling of ouder zijn, of wanneer de belangen van de leerlingen en de ouders in conflict komen met de belangen van de leerkrachten van de school, dan is een gesprek over de afweging van belangen op zijn plaats. Het wordt veel moei¬lijker als een leerling of ouder maar gedeelte-lijk of in het geheel niet in staat wordt geacht om zijn belangen onder woorden te bren-gen. Wie bepaalt dan wat goed, juist en verantwoord is? Een moreel beraad tussen ‘par-tijen’ is noodzakelijk om tot een zorgvuldige afwe¬ging en beslissing te komen. Een leer-kracht zal in het multiculturele onderwijsveld voor menig moreel di¬lemma komen te staan. Er is sprake van een moreel dilemma als er een keuze gemaakt moet worden uit tegen-gestelde waarden en normen vanuit bijvoorbeeld de ethiek van het christendom en de islam. De morele dilemma’s kunnen liggen op het gebied van straffen en belonen in de opvoeding, mogelijkheden en onmogelijkheden voor meisjes bij schoolactiviteiten als zwemmen en schoolkamp of het bijwonen van en participeren in feesten op de christelijke basisschool als het kersfeest en pasen.

Hoofdstuk 5 Bidden met moslims?
1. Inleiding
2. Twee wereldgodsdiensten
3. De bijbel en de koran
4. God en Allah
5. Wie is de Schepper?
6. Wie is de mens?
7. Mohammed en Jezus
8. Jezus in de koran en de bijbel
9. De Heilige Geest
10. Zonde en vergeving
11. De Dag des Oordeels?

1. Inleiding

Wie de bijbelse boodschap van liefde en vrede legt naast de zwarte bladzijden uit de geschiedenis van de islam, gebruikt ongelijke grootheden. Bijbel en koran mo-gen vergeleken worden, met dien verstande dat men dat ook eerlijk doet: aan-sprekende teksten uit de bijbel, dan ook uit de koran; moeilijke teksten uit de ko-ran, dan ook uit de bijbel. Moslims en christenen kunnen in alle openheid en eer-lijkheid hierover spreken en elkaar bevragen. Ook over de plaats en betekenis van Mohammed in de islam en Jezus Christus in het christelijke geloof (Takken en Hoogendijk, p.73).

In de Koran ontbreekt de gedachte aan zachtheid en goedheid zeker niet. Elke Mo-hammedaan, die zijn rozenkrans bidt, noemt Allah “de Barmhartige”, “de Medelij-dende”, “de Vergever”, “de Lankmoedige”, “de Beschermer”, “de Be¬minnende”, “de Aannemer van het Berouw, “de Kwijtschelder”, “de Koning”, “de Geduldige”….. Deze zachte eigenschappen worden steeds weer genoemd. Men verhaalt ons dat Mohammed niet moede werd zijn volgelingen te vertel¬len, dat Gods liefde voor de mensch teederder is dan die van een vogel voor haar jongen (J.C. van Andel-Rutgers, 1921)

2. Twee wereldgodsdiensten

Ik heb een Koran in de boekenkast staan, maar er nog maar één keer echt in ge-le¬zen. Ik heb veel met moslims uit mijn straat gepraat. Ook wanneer er bijv. een feestdag was. Ik weet dat Allah de god is van de moslims. En Moham¬med zijn pro-feet. Ook weet ik feestdagen en rituelen van de moslims. Zo¬als de Ramadan en het Suikerfeest. Ook moeten ze één keer in hun leven naar Mekka zijn geweest (respondent 11).

Mijn kennis over de islam is erg gering. Thuis krijgen wij het Reformatorisch Dag-blad en daar staat wel eens een artikel in over de islam. Daarnaast hoor ik infor-matie op het nieuws. Ik merk dat de godsdienst islam vaak in verband wordt ge-bracht met het terrorisme, waar men tegenwoordig zo bang voor is (respondent 21).

In dit hoofdstuk worden beide wereldgodsdiensten naast elkaar gezet, maar niet tegen-over elkaar. Ik heb daarvoor bewust geko¬zen, omdat ik geloof dat onze eerste opdracht is de ander te ontmoeten. Dat geldt zeker voor een leerkracht die een leerling ontmoet. In die ontmoeting mag hij bondgenoot en beelddrager van Christus zijn. In de rol is hij niet van de godsdienstrecher¬che of van de maffia die een kind ondervragen, ontvoeren naar een onbekend eiland of op zijn minst op de levensbeschouwelijke tocht zetten. Zoals ik al schreef benadrukken veel christelijke auteurs in hun boeken de verschillen tussen islam en christendom en concluderen vervolgens dat de islam een valse godsdienst is. De islam is niet mijn godsdienst, Mohammed is niet mijn verlosser, maar de moslim is wel mijn naas-te.

3. De bijbel en de koran

Het christendom ontstond in tegenstelling tot de islam rond een Persoon, de is¬lam ontstond rond een boek (Mohammed S. Abdullah).

Net als veel andere christenen heb ik lange tijd gedacht dat de plaats die de koran in-neemt in de islam te vergelijken is met de plaats die de bijbel inneemt in het christen¬dom. Dit is geen goede vergelijking. De plaats die de bijbel in het christelijk geloof inneemt is een andere dan de koran in de islam. Christenen hechten grote waarde, beslissende waarde en gezag aan het bijbelse getuigenis. In het centrum van het christendom staat niet een boek (kitab), maar de persoon en het werk van Jezus Christus. Jezus Christus wordt genoemd het Woord (Logos). Moslims noemen joden en christenen “mensen van het boek” (ahl al-kitab). Het gaat in het christen¬dom niet om “in-liber-atie” (boek-wording), maar om “incarnatie” (vleesworing van het Woord). Het woord is niet boek ge-worden, maar mens (Verkuyl, p.18). De aard van de bijbelse geschriften is geheel ver-schillend van de visie van moslims op de ko¬ran. De moslim vindt in de bijbel een grote variëteit van heel verschillende auteurs wier documenten zich uitstrekken over meer dan duizend jaar. Moslims beschouwen de koran als het werk van een één auteur, namelijk het hemelse dictaat aan één pro¬feet (nabi). Dit dictaat werd in fragmenten neergezonden op Mohammed en wordt door moslims beschouwd als afkomstig uit het eeuwige onge-schapen oerexemplaar van de koran in de hemel. Mohammed geloofde dat hij geroepen was tot en uitverko¬ren om deze openbaringen door te geven. Hij zag daarin de opdracht een nieuw volk (oemma) te stichten dat rond hem zou ontstaan (moeslimoen).
Moslims spreken met grote eerbied over de boeken (kitabs) van joden en christenen: de Thora (kitab tawrat), de Psalmen (kitab zaboer) en het Evangelie (kitab indjil). Ze zijn echter van mening dat de bijbel zoals christenen die gebruiken en verspreiden niet de oor-spronkelijke is. Volgens hen is wat in de koran is neergezonden en geopen¬baard aan Mo-hammed het meest zuivere en laatste boek. Moslims trekken daaruit de conclusie dat de bijbel zoals die door christenen wordt gelezen en uitgelegd op een aantal plaatsen dus niet de zuivere, onvervalste weergave is van de bovengenoemde drie boeken. Om het anders te zeggen: Volgens bepaalde islamitische opvattingen is telkens het gezag van een door God geschonken boek teniet gedaan door het daarop volgende boek. Het gezag van de wet (tawrat) werd opgeheven door het daarop volgende boek van de Psalmen (zaboer). Het gezag van de Psalmen door het Evangelie. Het gezag van de hele bijbel door de ko-ran. Het staat overigens niet zo nadrukkelijk in de koran dat bepaalde gedeelten van de tekst in de bijbel vervalst is of opgeheven (4:161; 17:55; 37:114-117). In de koran wordt wel gesproken over “valse interpretaties”, maar niet over tekstvervalsing. Verder staat ook niet in de koran dat de boeken van joden en christenen zouden zijn opgeheven met de openbaring van de koran (Verkuyl, p.22). Sommige auteurs halen aan dat de kennis die Mohammed had van het Oude en Nieuwe Testament gebrekkig was. Een veel gebruikt voorbeeld is, dat hij meende dat zoals Mozes de wet ontving, Jezus het evangelie gegeven werd. Ook werden verschillende personen door hem verward. Zo zag hij Jacob als zoon van Abraham en als broer van Isaäk (Attema, p.114). Vanuit deze gegevens is het wel te begrijpen dat veel moslims moeilijk te bewegen zijn tot het lezen van de bijbel (Verkuyl, p.20).

4. God en Allah

Hij God is één.
God de Eeuwige.
Niet heeft Hij verwekt
noch is Hij verwekt2
en niet is één aan Hem gelijkwaardig (112).

Ongelovig waren zij die zeiden: God is de derde van drie. Maar geen god is er dan een Enig God. En indien zij niet ophouden met wat zij zeggen zal diegenen van hen die ongelovig zijn een pijnlijke bestraffing treffen (5:73).

Het verschil tussen God en Allah zit niet in de verschillende vertalingen. Allah is het Arabi-sche woord voor God. Mohammed ging er van uit dat Allah, de oppergod van het Arabi-sche pantheon, dezelfde was als de God die door de joden en de christenen werd aanbe-den. Joden en christenen in het Arabisch taalgebied gebruiken tot in onze tijd het woord “Allah” wanneer ze over God spreken.

De Mohammedaanse rozenkrans telt negen en negentig kralen, overeenkomende met de negen en negentig “beste” namen van Allah (J.C. van Andel-Rutgers, 1921)

De islam beschouwt de drie-eenheid als godlasterlijk en als een onvergeeflijke zonde, die met de dood moet worden bestraft (Zaka en Coleman, p.100-101; De Graaff 2002, p.31).

Ik denk dat een moslim in alle oprechtheid in Allah de God van hemel en aarde kan aanbidden. Tegelijk geloof ik dat de Drie-eenheid essentieel is voor het christelijk geloof- en die Drie-eenheid wordt ontkend in de islam. Als Jezus niet meer het wa-re en wezenlijke gezicht van God is, kan Allah ook een wrede god worden of een af-god, zoals dat voor alle godsbeelden geldt (respondent. 9).

Moslims hebben wanhopig behoefte aan God als Vader. Een liefhebbende God! En die God is de God van de Bijbel. (Johannes 3:16). Zeg echter nooit dat we “dezelf-de God” hebben, respectievelijk dienen, want dat is absoluut niet waar en mislei-dend voor de moslim (respondent. 22).

“Er is geen God dan Allah”. Dit cruciale geloofspunt wordt samengevat in het eerste deel van de geloofsbelijdenis (sjahada). God is één en uniek. Er is geen “nummer twee” die perfecter, wijzer of machtiger is. Hij heeft eeuwig bestaan en zal eeuwig blijven bestaan. Hij heeft geen verwanten, geen ouders, vrouw of kinderen. Hier gebruiken de moslims vaak het woord “eenheid”. Eenheid (tawhied) is de term die de islamitische visie op God in soera 112, een van de oudste en kortste soera’s, het beste samenvat. Het woord ‘een-heid’ kan ook worden opgevat als ‘oprechtheid’. Eenheid speelt een belangrijke rol en daarom wordt wel gezegd dat deze soera een derde deel van het geloof uitmaakt. Alleen de eerste soera (fatiha) is belangrijker dan soera 112. De meeste moslims kennen soera 112 uit het hoofd. Vanuit bovenbeschreven monotheïstische opvatting wijzen moslims ie-der polytheïsme, het geloof in meerdere goden, van de hand. Zij denken dan niet alleen aan bijvoorbeeld het hindoeïsme, maar ook aan het christendom. Zij wijzen de Drie-eenheid van de hand, waarin ten aanzien van God sprake is van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Dit wordt in een volgende paragraaf nog besproken.
In zijn prediking stelde Mohammed zowel het polytheïsme als de economische misstanden in Mekka aan de kaak. Mohammed stond toe om naast Allah, de stadgod van Mekka, ook andere goden werden vereerd om de rijke kooplieden van Mekka enigszins tevreden te stellen. Zo mochten aanvankelijk de drie dochters van Allah ook aanbeden worden. Allah maakte hem evenwel in een openbaring duidelijk dat satan aan het werk was: “Dit zijn slechts namen die gij uitgedacht hebt – gij en uw vaderen – waarvoor Allah geen gezag heeft nedergezonden. Zij volgen slechts hun vermoedens en begeerten. En voorzeker de leiding van hun Heer is nu tot hen gekomen (53:23).” Zo kwam Mohammed tot de over-tuiging dat er maar een God was, Allah. Allah is evenwel een onpersoonlijke en abstracte god, die niet kan worden aangeraakt, noch benaderd. Hij mist de pathos en het vuur van de bijbelse God (Armstrong, p.167). Het enige wat Hij wenst, is te worden aanbeden. Noch Mohammed, noch enige Moslim, is erin geslaagd om hem direct te ontmoeten. Er is in de islam een grote zonde te geloven dat God een vrouw en kinderen heeft of dat er naast hem andere goden bestaan die de macht met God zouden delen (sjirk). Iedereen die zich aan sjirk schuldig maakt is een ongelovige (kafir) . Soera 4:116 is daar duidelijk over: “Allah vergeeft niet dat iets met Hem vereenzelvigd wordt en Hij zal, buiten dat, vergeven wie Hij wil. En wie iets met Allah vereenzelvigt, is inderdaad ver afgedwaald.”
Mohammed werd niet moe zijn volgelingen te vertellen dat Gods liefde voor de mens te-derder is dan die van een vogel voor zijn jongen. Elke moslim die het kralensnoer bidt, noemt Allah: ‘de Barmhartige’, ‘de Medelijdende, ‘de Beminnende’, ‘de Aannemer van het Berouw’, ‘de Kwijtschelder’, enz. Toch is zijn barmhartigheid niet die van een medelijden-de vader. Hij beperkt zijn liefde tot diegenen die hem vrezen en liefhebben. Zijn liefde voor de ‘ongelovigen’ vindt men niet terug in de koran.

Ongetwijfeld is dit het grote mysterie van ons geloof: Hij is geopenbaard in een sterfelijk lichaam, in het gelijk gesteld door de Geest, is verschenen aan de enge-len, verkondigd onder de volken, vond geloof in de wereld, is opgenomen in ma-jesteit (I Timoteüs 3:16).

In de bijbel wordt God beleden en ervaren als de onafhankelijke en eeuwige en als de enige. Naast Hem bestaan geen andere goden. In de Wet en de profeten van het Oude Testament is de belijdenis van de eenheid van God de centrale belijdenis (Deuteronomium 6:4). In het Nieuwe Testament wordt God voorgesteld als een Drie-Ene God die Zichzelf openbaart in drie goddelijke Personen, de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. De God van de bijbel openbaart zich als een Hebreeuwse naam, die wordt geschreven als JHWH. Die naam betekent: “Ik ben” en De Eeuwige”. De diepste naam voor God in het christen-dom is de Vadernaam. Er zijn in de bijbel talloze andere namen voor God, maar de Va-dernaam is de diepste en meest onthullende (Jesaja 63:16). Jezus Christus heeft ons ge-leerd en aangemoedigd God bij die naam aan te spreken. Heel het leven en sterven en de opstanding van Jezus is eigenlijk de openbaring van Gods Vadernaam. In die naam wordt christenen gezegd dat Hij zich in Christus heeft geopenbaard. In de islam wordt God met tientallen namen genoemd en geprezen, maar de Vadernaam ontbreekt.

5. Wie is de Schepper?

Wat Wij zeggen tot een ding wanneer Wij het willen is slechts:
Word! en het wordt (16:40).

In de koran komt geen uitgebreid scheppingsverhaal voor, maar er wordt wel naar de schepping verwezen (96:1,2). De koran wordt wel beschouwd als een grote hymne ter ere van de goddelijke schepping (Wessels 1986/2000, p59). In vergelijking met de bijbel geeft de koran meer details bij het concrete verloop van de materiële schepping van de mens (23:14). Allah heeft de mens geschapen om zich in dit leven waar te maken. De mens doet als het ware een “examen” gedurende zijn leven. Hij start zijn leven met een “schone lei” en gedurende zijn leven komen daar zijn goed en slechte daden op te staan. Zoals op meerdere plaatsen beschreven is in dit boek, is het doel van de schepping van de mens niet in de eerste plaats een relatie met zijn schepper, maar juist om Allah te dienen en zijn wetten te gehoorzamen.

Daarna maakten Wij hem een druppel in een welverzekerde rustplaats. Daarop schiepen Wij de druppel tot een bloedklomp waarop Wij de bloedklomp tot een vleesklomp schiepen waarop Wij de vleesklomp tot beenderen schiepen waarop Wij de beenderen bekleedden met vlees. Daarna brachten Wij hem voort als een nieuw schepsel. Gezegend dus zij God de Beste der Scheppenden. Dan, nadien, zult gij sterven. Daarna zult gij worden opgewekt op de Dag der Opstanding (23:13-16).

In de Bijbel is God de Enige Schepper. Genesis maakt duidelijk dat Hij er was van voor er ooit iets werd geschapen. Voor Hem was er geen godheid en na Hem zal er ook geen godheid zijn.

In het begin schiep God de hemel en de aarde. De aarde was nog woest en doods, en duisternis lag over de oervloed, maar Gods geest zweefde over het water (Ge-nesis 1:1-2).

God zei: ‘Laten wij mensen maken die ons evenbeeld zijn, die op ons lijken; zij moe¬ten heerschappij voeren over de vissen van de zee en de vogels van de he-mel, over het vee, over de hele aarde en over alles wat daarop rondkruipt (Gene-sis 1:26).

6. Wie is de mens?

Dan, doordat Gij mij misleid hebt zal ik voor hen5 op de loer staan op Uw rechtge-baand pad. Daarna zal ik tot hen komen van voor hen en van achter hen en van hun rechterkant en van hun linkerkant en niet zult Gij de meesten hunner dankbaar vinden (7:16-17)

Hij heeft u gegeven van alles wat gij Hem gevraagd hebt en indien gij de weldaden van God opsomt kunt gij die niet tellen. De mens is waarlijk ongerechtig en on-dankbaar (14:34).

De islam beschouwt de mens als van nature goed, maar er zijn vele koranverzen die spreken over de zonde van de mens. Volgens de koran staat de satan voortdurend op de loer om mensen te misleiden. In een hadieth zegt Mohammed: “Geen kind wordt gebo-ren, zonder dat de duivel het heeft aangeraakt, behalve Maria en haar zoon Jezus (Geisler en Taleeb, p.47). Het is opvallend dat Mohammed niet wordt genoemd bij hen die vrij van zonden zijn (Ten Cate, p.318). De mens is altijd slaaf van God geweest en zal dat altijd blijven. In de islam wordt de zondeval als lichamelijk van aard beschreven. De mens viel van een materiële hemel naar deze aarde (Saal, p.179).

De Heer sprak persoonlijk met Mozes, zoals een mens met een ander mens spreekt. (Exodus 33:11).

God had een persoonlijke relatie met Adam, Eva, Abraham, Noach, Mozes, David, de apostelen, Paulus en met het volk Israël. Christenen hebben een persoonlijke relatie met God door Zijn Zoon Jezus Christus. De persoonlijke innerlijke relatie die God met ons heeft is te vergelijken met de diepe band tussen de aardse vader en zoon, de gehuwde man en vrouw. Hoe hechter de band tussen ons en God, des te dieper we Zijn liefde voor ons voelen. Voor de zondeval genoot de mens een onafgebroken gemeenschap met God. De mens viel door de zonde van een geestelijke staat van onschuld tot een staat van schuld, veroordeling en een gebroken relatie met God.

7. Mohammed en Jezus

En haar die haar eerbaarheid bewaarde waarop Wij in haar bliezen van Onze geest en haar en haar zoon tot een teken maakten voor de wereldwezens (21:91).

Zij zeide: Hoe zou ik een knaap kunnen verkrijgen daar toch geen menselijk wezen mij heeft aangeroerd en ik geen hoer ben (19:20).

oals ik al eerder schreef, heeft Mohammed voor zijn volgelingen een andere betekenis dan Jezus voor christenen. Daarom neemt de koran in de islam een andere plaats in voor de gelovigen dan de bijbel in het christendom.

Ik heb er twee keer over gepreekt. Ik wil mensen er bewust van maken dat het spirituele klimaat in Nederland over het algemeen vol is van tolerantie en begrip tegenover de Islam. Ik wil een punt maken: we moeten de verschillen van het christendom en de islam durven benoemen. We moeten ze juist niet wegmoffelen. En bovenal: laten we in de toekomst uitkomen voor de unieke naam van Jezus (respondent. 6)!

Jezus Christus (Isa) is een belangrijke godsdienstige persoon in de islam. De koran en de islamitische tradities belijden dat de geboorte van Jezus buitengewoon was (19:16-22; 21:91; 66:12) en dat Jezus grote wonderen heeft gedaan. Jezus leeft nu in de hemel en zal naar de aarde terugkeren. Moslims zien Jezus als uitsluitend mens, net als Adam. In soera 3:42-47 wordt de aankondiging van de geboorte van Jezus (Isa) aan Maria (Ma-ryam) weergegeven. De engel kondigt aan dat zijn naam zal zijn de Masih Isa, zoon van Maryam en dat hij uit haar geboren zal worden zonder bemiddeling van een man. Maria reageerde met ongeloof toen een gestalte van een man aan haar verscheen en de Heilige Geest tegen haar zei dat ze een kind zou krijgen (Ajouaou, p.55). De geboorte vond vol-gens de koran plaats in een afgelegen plaats, waar Maryam getroost en gevoed werd door verse dadels (19:22-35). Als kind in de wieg spreekt Isa: “Ik ben een dienaar van Allah. Hij heeft mij de Schrift (katib indjil) gegeven. Hij heeft mij tot profeet (nabi) ge-maakt.” Moslims denken dat het oorspronkelijke evangelie door Jezus meegenomen is naar de hemel of door bepaalde christenen verborgen is gehouden. In plaats daarvan zijn vier evangeliën geschreven, die ten doel hebben Jezus te verheffen boven Mohammed. Zo is er volgens islamitische publicaties veel weggelaten in de boeken van joden en christe-nen over de komst van Mohammed (Verkuyl, p.20). Wat zijn boodschap betreft wordt in de koran benadrukt dat hij de bevestiger was van wat de kinderen Israëls in de Thora (tawrat) is geschonken (61:6). Isa wordt geprezen om zijn levenswijze die symbool was van zuiverheid, vergevingsgezindheid, liefde voor de zwakkeren en kwetsbaren, strijd tegen orespondentecht en voor gehoorzaamheid aan God. Ook wordt hij geprezen vanwe-ge het feit dat hij de drager is van Gods Woord, het Evangelie. Voor veel moslims bete-kent: ‘Zoon van God’, dat God fysiek een kind kreeg. Dit zou godslastering zijn (Zaka en Coleman, p.59). Met zijn uitspraak dat Allah “niet verwekt heeft” keert Mohammed zich tegen de christenen. Deze uitspraak wordt begeleid door boodschappen waarin ontkend wordt dat Allah een zoon heeft (17:111).

Jezus zegt:”Bid daarom als volgt: Onze Vader in de hemel, laat uw naam geheiligd worden (Mattheüs 6:9).”

In het christendom is Christus het voorwerp van het geloof. Hij heeft dat zelf gezegd in het evangelie: “Ik ben de weg, de waarheid en het leven, niemand komt tot de Vader dan door Mij.; “Ik ben de ware wijnstok en gij zijt de ranken.”; “Ik ben het licht der wereld.” Er zijn verder nog vele uitspraken van Hem die de betekenis van Zijn persoon voor ons heil en zaligheid uiteenzetten. Van Hem getuigt de bijbel, naar Hem wijst hij heen. De bij-bel treedt terug achter Christus, hij heeft een dienende functie ten opzichte van Hem (At-tema, p.5).
Kortom: De plaats die de persoon van Mohammed in de islam inneemt is in vergelijking met Christus in het christendom een ondergeschikte. Herhaaldelijk lezen wij in de koran dat het zijn enige taak was de woorden van Allah over te brengen.

Als een menselijke afgod, die niets met een Drie-enig God te maken heeft.
Islam is uiteindelijk een bedenksel van Mohammed, waar hij vanuit zijn schriftvisie een bepaalde weg ingegaan is, waardoor er geen ruimte meer was voor zowel Joods als Christelijk denken (respondent.14).

Allah is niet de weg tot heil en zaligheid, maar een waarschuwer de woorden van Allah serieus te nemen: “De tekenen zijn bij Allah alleen, en ik ben slechts een duidelijke waar-schuwer (29:50).”

8. Jezus in de koran en de bijbel

Toen God zeide: O Isa, de zoon van Maryam gedenk mijn weldaad aan u en aan uw moeder hoe ik u gesterkt heb met de Geest der Heiligheid zodat gij tot de men-sen spraakt in de wieg en als volwassene en hoe Ik u onderwezen heb de Schrift en de Wijsheid en de Tawrah en de Indjil en hoe gij uit leem kunt scheppen iets in de gedaante van vogels met Mijn verlof waarop gij daarin blaast zodat het vogels worden met Mijn verlof en hoe gij geneest de blinde en de melaatse met Mijn ver-lof en hoe gij de doden doet uitgaan met Mijn verlof en hoe Ik van u terughield de zonen Isra ils toen gij hun de bewijstekenen bracht waarop diegenen hunner die ongelovig waren zeiden: Niet is dit dan klaarblijkende toverij (5:110).

In de koran wordt Jezus vooral als wonderdoener getekend. Hij benadrukt dat Hij geko-men is als teken van God. De wonderen van Jezus zijn in de koran mirakels. Hij maakt bijvoorbeeld uit klei een vogel en laat deze vogel vliegen. Dit is overigens een verhaal dat ook in de apocriefe evangeliën voorkomt (Verkuyl, p.59). Wanneer Allah zijn openbaring aan Mohammed gaf, deed hij geen enkel wonder om zijn woorden te ondersteunen. Vol-gens de koran was het grootste wonder wat Allah ooit deed, de openbaring van de koran zelf. Er worden van Jezus een groot aantal wonderen genoemd in de koran. Sommige herkennen we uit de bijbel. Zo wordt vermeld dat Jezus blinden en melaatsen genas en doden opwekte. An¬dere wonderen komen we niet in de bijbel tegen. Zo lezen we in de koran dat Jezus reeds in de wieg als baby sprak en van leem vogels maakte, die Hij ver-volgens liet vliegen. Ook de wonde¬ren zijn voor moslims geen bewijs van Jezus’ goddelijke macht.

“De HEER antwoordde: ‘Ik wil een verbond sluiten. Voor de ogen van heel je volk zal ik zulke wonderbaarlijke daden verrichten als er onder geen enkel volk op aar-de ooit verricht zijn, en het hele volk dat bij jou is, zal zien welke ontzagwekkende dingen ik, de HEER, voor jou zal doen (Exodus 34:10).”

“Jezus uit Nazareth met de heilige Geest heeft gezalfd en met kracht heeft be-kleed. Hij trok als weldoener door het land en genas iedereen die in de macht van de duivel was, want God stond hem bij (Handelingen 10:38).”

Moslims zijn er van overtuigd dat Christus niet aan het kruis is gestorven, maar dat ie-mand anders in zijn plaats gekruisigd is (4:156-158). Hij is onopgemerkt naar de hemel, naar God, opgestegen (Ajouaou, p.56). Mogelijke verklaringen zijn, dat Simon van Cyrene die Jezus kruis droeg gekruisigd is (Geisler en Saleeb, p.282). Of dat Judas Iskarioth (Jehuza) een huis zijn binnengegaan om Christus te arresteren. Toen hij naar buiten kwam, werd hij gevangen genomen en gekruisigd. Een andere verklaring is dat een be-waker in plaats van Jezus is gekruisigd. Nog weer een andere mening is dat een vriend van Jezus vrijwillig Zijn plaats innam en veranderd werd.

Wij hebben gedood de Masih˙ Isa‘, de zoon van Maryam boodschapper van God maar niet hebben zij hem gedood en niet hebben zij hem gekruisigd doch voor hen werd een schijnbeeld van hem gemaakt zij die daarna van mening verschillen zijn waarlijk in twijfel over hem zij hebben daaromtrent geen wetenschap anders dan het navolgen van de blote mening en in zekerheid hebben zij hem niet gedood (4:157)

Moderne moslim-exegeten wijzen al de “vervangings-interpretaties” van de hand en stel-len dat de joden meenden dat ze Isa gedood hebben, maar dat Allah hem op een onver-klaarbare wijze tot zich heeft genomen (Fijnvandraat, p.101). Al deze beweringen zijn gebaseerd op hun verwerping van de authenticiteit van de bijbel (Geisler en Saleeb, p.293). In islamitische schoolboekjes over de geschiedenis der profeten vindt men ook de geschiedenis van nabi Isa. Op de omslag wordt uitgebeeld hoe Isa wordt opgenomen in het geopende paradijs. Aan het kruis ziet men Jehuza, de verrader hangen, die in zijn plaats aan het kruis werd geslagen. Dat verhaal is het meest verspreid (Verkuyl, p.74).

Het christendom is de enige weg tot zaligheid. Dat wil zeggen: De Bijbel wijst ons de enige weg tot behoudenis. Die weg is Jezus (Johannes 14:6; Handelingen 4:12) De positie van Jezus in de gehele Bijbel, als de Zoon van de levende God, God ge-openbaard in het vlees, de Vredevorst, de eeuwige Vader etc. is volledig afwezig in de koran (respondent 22).

De bijbel voorzegt de dood van Christus eeuwen te voren en geeft het verzoenend ka-rakter daarvan aan (Psalm 16:10; Handelingen 2:31; 13:35; en vele andere plaatsen). Jezus zegt zelf dat Hij overgeleverd en gekruisigd zal worden (Mattheüs 16:21; 17:22,23; 20:18,19; Johannes 3:14-16). Uit de beschrijving in het Nieuwe Testament blijkt dat er niemand in Zijn plaats is terechtgesteld. Dezelfde man die door de Romeinse procurator, Pontius Pilatus, gevonnist is, is op Golgotha geëxecuteerd. Hij is ter dood gebracht op een wijze die de Romeinen voor rebellen en slaven hadden gereserveerd, de kruisdood. De-zelfde officier van het peloton dat hem begeleidde en opdracht gaf hem te executeren, constateerde met diepe gevoelens van eerbied zijn dood (Mattheüs 27:54). De vrienden van Jezus hebben Hem in hun eigen armen van het kruis genomen en vervoerd naar het rotsgraf in de tuin van Jozef van Arimathea (Johannes 19:35; Mattheüs 27:57-61). Judas Iskarioth is niet in Zijn plaats gesteld, maar heeft suïcide gepleegd (Handelingen 1:18). Kortom: Er is noch bij zijn vrienden, noch bij zijn vijanden ooit enige aarzeling geweest over Jezus aan het kruis is gestorven.

9. De Heilige Geest
Mohammed spreekt nauwelijks over de Heilige Geest. Mohammed zegt wel dat Allah de mens zijn geest heeft ingeblazen (15:29; 32:9; 38:72), maar dat moet opgevat worden als de levensgeest. In soera 16:2 wordt wel gesproken over de engelen die met de Geest neerdalen over de dienaren van Allah. Verder wordt met de Heilige Geest meestal de en-gel Gabriel bedoeld. In de hadieth wordt gezegd dat in Johannes 14:16,17 en 28 perik-loetos heeft gestaan in plaats van paraklètos. Perikloetos zou dezelfde betekenis hebben als het Arabische Ahmad (“De Geprezene”). Christus zou dus Mohammed is Johannes 14 hebben aangekondigd volgens veel moslimtheologen (Fijnvandraat, p.60). In geen enkel handschrift van het Nieuwe Testament staat “perikloetos”. Uit de context blijkt dat Chris-tus met “paraklètos” de Heilige Geest bedoeld heeft. Het gaat immers niet om een man die tot de gelovigen zou komen, maar om de Geest die in de gelovige zou komen wonen (Fijnvandraat, p.60).
De Geest is onlosmakelijk verbonden met de Vader en de Zoon in de schepping Genesis 1:1,2), in de bevrijding van Israel (Jesaja 48:16), in de zalving van Christus (Jesaja 61:1), in de doop van Jezus in de Jordaan (Mattheüs 3:16,17), in de overgave van Christus als offerande (Johannes 3:16; Hebreeën 9:14), in de opstanding van Christus (Hebreeën 13:20; Johannes 2:19; 10:18; Romeinen 1:4; 8:11), in de doopformule (Mattheüs 28:19), in de zegenbede (II Korinthiërs 13:13. In al deze voorbeelden zien we de drie personen van de Godheid bijeen.

10. Zonde en vergeving

Zo God de mensen hield aan hun onrecht zou Hij op haar geen wezen overlaten maar Hij verleent hun uitstel tot een vastgenoemde termijn. Doch wanneer hun termijn gekomen is wordt hun geen uur uitstel verleend en niet wordt hun termijn vervroegd (16:61).

De islam leert dat mensen ten diepste goed en rein zijn (95:4). De menselijke natuur is door de zondeval niet aangetast (7:19-25). De mens is evenwel ook zwak en vergeetach-tig (4:28; 20:115): Allah wil uw last verlichten, want de mens is zwak geschapen (4:28). De zwakheid van de mens kan overwonnen worden. De val van de mens wordt nauw ver-bonden aan de val van de duivel (Iblis, 7:7-18; 20:115-123; 2:36,37). Elke zonde wordt gezien als een individuele daad. In het slechtste geval maakt de zonde deel uit van een reeks zondige handelingen (Saal, p.179). In de beschrijving die de koran van Adam en Eva geeft, was het niet de bedoeling ongehoorzaam te zijn. De eerste mensen waren de op-dracht van God vergeten. Nadat Adam gezondigd had, betoonde God medelijden en be-loofde hem leiding en verzekerde hem dat hij nergens bang voor hoefde te zijn wanneer hij die leiding zou volgen (Saal, p.36): En waarlijk wij gaven voorheen Adam een bevel, doch hij vergat het en Wij vonden in hem geen voornemen daartoe. Alsdan verkoos zijn Heer hem, vergaf hem en leidde hem (20:115, 122).
Het koranvers boven deze paragraaf spreekt duidelijk over de zonde van de mens (16:61). Het lijkt een echo van Davids uitroep: “Als Gij, Here, de ongerechtigheden in ge-dachtenis houdt, Here, wie zal dan bestaan (Psalm 130:3)?” David vervolgt in Psalm 130 met een verwijzing naar Gods vergeving: “Maar bij U is vergeving, opdat Gij gevreesd wordt (vertaling NBG).” De koran spreekt op verschillende plaatsen over ‘vergeving van zonden’. De vergeving ontvangt de gelovige als hij naar Mohammed hoort: “O, ons volk, geef gehoor aan Allah’s verkondiger en geloof in hem. Hij (God) zal u uw zonden verge-ven en u voor een pijnlijke straf behoeden (46:31).” Aan de andere kant lijkt het soms ook dat de gelovige in onzekerheid laat over de vergeving van zonden. Het koranvers uit soera De Bij (A-Nahl, 16) vervolgt met: “Hij geeft hun uitstel tot een vastgestelde termijn, en wanneer hun tijd is gekomen kunnen zij deze niet voor een enkel uur uitstellen of ver-vroegen.” De vergeving, waar David zich nederig en dankbaar aanvastklampt, wordt in dit koranvers niet genoemd. Integendeel, er wordt juist op het oordeel gezinspeeld: “Onge-twijfeld komt het vuur hun toe waaraan zij zullen worden overgeleverd (16:62).” De ko-ran leert dus dat de mens zondig is, ondankbaar, ongerechtig, een opstandige “we-derstrever” en “orespondentecht-doener”. De mens zal gestraft worden met hellevuur, in tegenstelling tot wat we in de bijbel lezen (II Petrus 3:9). Allah heeft velen bestemd voor de hel (Ten Cate, p.320). Het blijkt dus dat de islamitische theologie ontkent dat er verlos-sing is door genade in het geloof, gefundeerd op de gekruisigde en verrezen Christus (Geisler en Saleeb, p.278). Christus is zonder zonden, van Mohammed werd gezegd dat hij een zondaar is.

Jezus zei: Maar mij gelooft u niet, want ik spreek de waarheid. Kan een van u mij van zonde beschuldigen? Als ik de waarheid spreek, waarom gelooft u me dan niet ( Johannes 8:45,46)?

God heeft hem die de zonde niet kende voor ons één gemaakt met de zonde, zo-dat wij door hem rechtvaardig voor God konden worden. (2 Korinthiërs 5:21).

Het christendom leert dat als gevolg van de zondeval de zondige natuur van Adam wordt overgedragen aan al zijn nakomelingen. De zonde beïnvloedt ieder aspect van onze natuur en persoonlijkheid. De bijbel maakt duidelijk onderscheid tussen de zondige natuur, per-soonlijke zonden, schuld en veroordeling. Jezus was een Mens zonder zonden, de Zoon des Mensen en de Zoon van God. Mohammed was een zelf uitgeroepen profeet – een man in staat om te zondigen en fouten te begaan, die zowel goede als slechte eigen-schappen heeft. Soms was hij vriendelijk, soms vervloekte hij veel mensen en deed hen kwaad.

11. De Dag des Oordeels

En Wij zullen voor de Dag der Opstanding de rechtmatige weegschalen opstellen en dan zal aan geen ziel onrecht gedaan worden en ook al ware het het gewicht van een mosterdzaadje Wij zullen het aanbrengen. Wij zijn voldoende als afrekenaars (21:47).

Het gericht is volstrekt individueel. Ieder mens wordt afzonderlijk voor Allah geleid. Nie-mand zal hem kunnen helpen. Op de Dag des Oordeels zal de ene ziel voor de andere niets kunnen uitrichten (82:19). De vriend kan niets voor zijn vriend doen (70:10). De daden van de mens zullen worden gewogen op een weegschaal. Naar deze uitslag is het lot der mensen: “Werden Mijn woorden U niet verkondigd? Maar gij placht ze te verloo-chenen (23:105).” Mohammed waarschuwt de mensen op hun daden te letten met het oog op het komende gericht, waar Allah zonder aanzien des persoons zal richten over hetgeen men deed: “Wee hen die anderen tekort doen. Wanneer zij voor zichzelf wegen, nemen zij volle maat. Indien zij voor anderen uitmeten of afwegen, geven zij minder (dan behoort). Weten zulke mensen niet dat zij zullen herrijzen. Op een grote Dag. De Dag, waarop de mensheid voor de Heer der Werelden zal staan (83:1-6)?
Christenen geloven dat God volstrekt heilig en rechtvaardig is. Alle zonde wordt veroor-deeld door Zijn heiligheid en moet gestraft worden. Goede werken kunnen niet Gods gunst verdienen, noch Hem bewegen onze zonden door de vingers te zien of te negeren. Even-min kunnen goede werken onze schuld en veroordeling wegnemen, het verleden uitwis-sen, noch ons een zekere toekomst garanderen (Saal, p.180).

De grootste fout die het christendom kan maken, is om te denken dat Allah dezelf-de is als Adonai JHWH, de God van de Bijbel, de Enige en ware God, de God van Is-rael, de Allerhoogste, de Almachtige, Die Zijn Zoon, de Here Jezus Messias in de wereld zond, om Zichzelf als een smetteloos offer aan God de Vader te offeren als brand- en zondoffer, om zo de zonde der wereld weg te nemen en verzoening aan te brengen door Zijn bloedstorting, voor een ieder die gelooft. (Efeziërs 5:2; He-breeën 9:14,24-26). God wil dat alle mensen behouden worden en tot kennis der waarheid komen (1 Tim.2:4-7) Dit kan uitsluitend door het geloof. (Johannes 1:12-13; Efeziërs 2:8-9; Romeinen3:21-26) (respondent.22).


Hoofdstuk 6. Interculturele communicatie
1. Inleiding
2. Cultuur
3. “Pinnen”
4. Brugfunctie
5. Wij-cultuur
6. Wat is interculturele communicatie?
7. Directe en indirecte communicatie
8. Impliciet en expliciet taalgebruik
9. Figuurlijk en letterlijk taalgebruik
10. Voorkomen van communicatiestoornissen
11. Vooroordelen en stereotypen
12. Grenzen stellen
13. Wat iedere leerkracht moet weten!
13.1 Algemene aandachtspunten
13.2 De Koran
13.3 Non-verbale aandachtpunten
13.4 Gezin
13.5 Kleding
13.6 Beelden en foto’s
13.7 De imam en de school

1. Inleiding

Auke Klapwijk is al twintig jaar directeur van de zwarte maar multi-etnische Am-stelmeerschool in Amsterdam-Noord. Hij heeft veel te maken met allochtone pro-bleemgezinnen. Hij vertelt over een meisje van elf jaar, dat apart op een bankje zit in de overblijfruimte. Ze ging zojuist een overblijfmoeder te lijf met haar broodmes. Klapwijk is niet eens verbaasd. Hij schudt zijn hoofd en wordt op de voet gevolgd door een kwispelende hond. “Waar zou zulk gedrag toch vandaan komen?” vraagt hij retorisch (Jurgens, p.35).

In het Oude Testament lezen we al dat de vreemdeling in ons midden zijn plaats moet krijgen (Leviticus 19:33-34, 24:22). Op vele plaatsen in het Oude Testament manifesteert God zich als de beschermheer, de goël van nomaden, zwervers en vreemdelingen. Hun lot gaat Hem ter harte (Verkuyl, p.8). De vreemdeling mocht niet onderdrukt of gediscrimi-neerd worden. Niemand beter dan de Israëliet kon dit begrijpen (Exodus 22:21).

Behandel vreemdelingen die bij jullie wonen als geboren Israëlieten. Heb hen lief als jezelf, want jullie zijn zelf vreemdelingen geweest in Egypte. Ik ben de HEER, jullie God (Leviticus 19:34).

Gastvrijheid voor vreemdelingen is een principe dat al vanuit het Oude Testament op ons toekomt (Krans, p.22). In het Nieuwe Testament wordt nog sterker de nadruk gelegd op liefde tot vreemdelingen. De Here Jezus heeft de liefde tot de vreemdeling onbeperkt ver-kondigd als toepassing van het gebod van de naastenliefde (Mattheüs 22:34-40). In de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan, die zich als naaste gedroeg van een beroofde man, wordt hij tot voorbeeld gesteld voor ons allen (Lucas 10:25-37).

Vreemdelingen en geboren Israëlieten moeten volgens dezelfde norm worden be-recht. Ik ben de HEER, jullie God (Leviticus 22:24).

We lezen verder duidelijk dat Jezus jood en heiden, hoewel Hij zich bewust was van het onderscheid tussen hen, beiden dezelfde boodschap kwam brengen. In dit verband is het verhaal van de Kananese vrouw treffend (Mattheüs 15:21-29). Uit het verhaal blijkt dat Zijn heil over de grenzen van Israël heen gaat (Krans, p.23). Paulus geeft later aan dat hij bij de joden een jood te willen zijn en de Grieken een Griek (I Korinthiërs 9:19-23). Nu zijn deze gedeelten uit de bijbel natuurlijk wel bekend op christelijke scholen. Hoe maken we deze teksten nu waar in de omgang met allochtone kinderen en ouders? Om even te voelen waar het ook al weer over gaat noem ik eerst enkele voorbeelden uit het multicul-tureel onderwijs die we niet zouden moeten accepteren (Kaldenbach, p.24).

• Een leerkracht die Abdoellah “Ab” noemt, omdat Abdoellah zo’n lastige naam is.
• Een leerkracht die in de personeelskamer Turkenmoppen vertelt.
• Een leerkracht die zegt dat je niet met al die feesten rekening kunt houden.
• Een leerkracht die niet weet of zijn leerling Turk, Tunesier of Marokkaan is.
• Een leerkracht die verbiedt dat Turkse leerlingen op het schoolplein Turks spreken.

In dit hoofdstuk worden enkele begrippen uit de interculturele communicatie uitgelegd. Interculturele communicatie kan globaal worden omschreven als communicatie tussen per-sonen met verschillende culturele achtergronden. Kennis en vaardigheden van interculture-le communicatie leer je in stappen. Naast de noodzakelijke belangstelling voor mensen uit andere culturen kunnen we de volgende stappen onderscheiden: 1. Nieuwsgierig worden: Jezelf vragen gaan stellen over de kinderen in de klas, de mensen op je werk, de buren in je straat. Het is je uitgedaagd voelen om na te denken over hun leven en je te verwon-deren. Niet meteen duiden, beoordelen of afschrijven. 2. Inzicht uitbreiden: Wat zijn de kenmerken van een cultuur? Hoe zitten grote en kleine systemen, groepen, families in elkaar? 3. Bewustwording hoe je zelf over andere mensen en hun cultuur denkt: Wat is je kennis en wat zijn je ervaringen met diversiteit? 4. Beroepshouding evalueren, verder ontwikkelen en vaardigheden leren: Kennis, bewustwording en ervaring zijn vertrekpunten als het om ontmoeting met mensen uit andere culturen gaat. Het is van belang op je eigen beroepshouding te reflecteren. Woorden als openheid, acceptatie, empathie en creativiteit klinken dan (Schuringa, p.14).

Beoordeel iemand uit een andere cultuur niet aan de hand van uw eigen culturele waarden, zolang u deze persoon en zijn of haar culturele waarden niet hebt leren kennen (Hofstede, p.40).

2. Cultuur

Iedere maand rijd ik van Nederland naar België, van de plattelandscultuur in mijn Overijsselse dorpje naar de studentenstad Leuven. Er zijn talloze verschillen in cul-tuur, taal, sfeer, koffie en vuilnisbakken. Soms heb ik een eet- en winkelstop in Antwerpen. Zoals op de dag dat ik een uur in de file stond op, de Antwerpse Ring voordat ik bij de goede afslag was. Even voor de afslag stond een oude gedeukte Toyota met pech langs de weg. De auto was ergens tegenaan gereden of had het opgegeven. Twee oudere moslimvrouwen met witte hoofddoeken stonden versla-gen naast de auto. Niemand stopte. Ik stopte ook niet. Ik ben niet technisch en kan niet eens een wiel verwisselen. Ondertussen had ik zo’n tien minuten het schouwspel bekeken met een professionele interculture blik. Toen stopte er een oude merkloze auto. Een zwarte man stapte uit en vroeg of hij iets kon doen. Ik begreep op afstand dat ze geen mobieltje hadden om de Belgische ANWB te bellen. De “vreemdeling” gaf zijn mobiel aan een van de gesluierde vrouwen. Ineens voel-de ik me ongemakkelijk. Waarom? Enkele weken daarvoor had ik met veel vuur over de barmhartige Samaritaan gepreekt in een evangelisatiedienst. Om het wat laagdrempelig te houden had ik gezegd: “De dominee reed voorbij…” Die middag zou ik enkele colleges geven, maar ik had mijn lesje al geleerd. Goed dat er af en toe files zijn (H.B.).

Het begrip ‘cultuur’ is moeilijk te omschrijven. Als gevolg hiervan is het niet eenvoudig om aan te geven wanneer er sprake is van verschillende culturen of van een specifieke cul-tuur. Als we spreken van de islamitische cultuur, dan bedoelen we het gezin en de familie die in een bepaalde omgeving leeft met culturele en religieuze waarden, normen en ge-bruiken. In zo’n culturele omgeving, bijvoorbeeld de Haagse Schilderswijk, leven en spelen de leerlingen die de leerkracht op school ontmoet. Pinto omschrijft cultuur als volgt: Cul-tuur is een evoluerend systeem van waarden, normen en leefregels. In een groep van mensen die zich lid voelen van hun groep wordt cultuur van generatie op generatie door-gegeven en zo geïnternaliseerd. Voor de mensen in een groep is hun cultuur vaak onbe-wust richtinggevend voor hun gedrag en voor hun kijk op de wereld (Pinto 1994A, p.39). Een groep wordt geacht over een eigen cultuur te beschikken, als deze een eigen taal heeft om gemeenschappelijke cultuurelementen te ontwikkelen en aan volgende genera-ties over te dragen, en als een dergelijke groep tevens gedurende een lange periode één afgebakend geografisch gebied bewoont om de onderlinge communicatie mogelijk te ma-ken. Op grond van zulke criteria wordt het aantal culturen in de wereld geschat op 10.000 en het aantal talen op 6.170. Cultuur is grotendeels onbewust en bepaalt van binnenuit wat de mens voelt en waardeert en hoe hij de dingen om hem heen ziet en daarop reageert. In grote lijnen wordt de cultuur van een samenleving via een levenslang leerproces van de ene op de andere generatie overgedragen, het zogenaamde socialisatieproces. Het begrip cultuur is wetenschappelijk te definiëren, maar welke cultuurverschijnselen komt de leer-kracht op school tegen? Ik noem enkele verschijnselen: 1. De cultuur verandert. Waarden en normen verschuiven. De positie van de man, vrouw en het kind wordt anders. In de meeste gevallen zien we een zekere mate van integratie in de Nederlandse cultuur; 2. Het omgaan met levensfasen en levenswendingen is anders en verandert. In de islam wordt anders gedacht over de waarden en normen rond geboorte, ziekte, dood dan in de Neder-landse cultuur; 3. De omgang met gezag, macht en ongelijkheid is in de islamitische cul-tuur vaak anders dan in de Nederlandse cultuur. De positie van de mannelijke leerkracht wordt door leerlingen vaak anders ervaren dan de positie van de vrouwelijke leerkracht; 4. Het hoogste zingevend primaat verschilt op korte en lange termijn. Waaraan kennen de mensen de hoogste waarde toe en wat betekent dat voor het gedrag van ouders en leer-lingen?

3. “Pinnen”

Nederland is een maatschappij waarin mensen met verschillende religies en le-vensbeschouwingen samenleven. Moslims behoren definitief en onomkeerbaar tot het religieus pluriforme landschap van Nederland. Wanneer niet-moslimse Neder-landers op grond van al dan niet bewuste vooroordelen en stereotypen een nega-tief beeld koesteren ten opzichte van moslimse medeburgers is dat een belemme-rende factor voor open interculturele communicatie die in een maatschappij als de Nederlandse onontbeerlijk is voor een vreedzaam samenleven (Beck, p.112).

Er zijn meer culturele verschillen te noemen. Het gaat bij interculturele communicatie steeds om het inzicht in en het hanteren van diversiteit. Ik werd getroffen door een leuke formule van Schuringa (p.97), die spreekt over het PIN – principe. PIN staat voor Plezier, Informatie en Nut. Voorop staat dat interculturele contacten leuk moeten zijn, dat je ple-zier hebt om met elkaar om te gaan, om een multiculturele klas les te geven. De contac-ten met ouders en leerlingen leveren ook informatie op. De leerkracht leert andere le-venswijzen kennen, andere opvattingen, maar ook oplossingen vinden voor tal van prakti-sche zaken. Als laatste komt het nut, dat wil zeggen dat er verder gelegen doelen spelen. Het kind krijgt ook onderwijs om in de toekomst zelfstandig zijn leven te kunnen leven

4. Brugfunctie

Op een ouderavond hebben de Turkse ouders zelf voor Turkse hapjes gezorgd. De sfeer is ontspannen en de ouders durven naar voren te brengen wat hen echt be-zighoudt. Een Turkse moeder vraagt dan hoe het komt dat de kleuterleidsters niet van kinderen houden. Ze had gemerkt dat de kinderen zelf hunjas moesten dicht-knopen, zelf hun schoenen moesten aantrekken en zelf hun veters moesten strik-ken (Kaldenbach 1998B, p.27).

De Turkse moeder begreep na de uitleg beter wat voor veel Nederlanders “zelfstandig-heid” betekent. Dankzij de ontspannen en veilige sfeer kon de moeder over deze zaken spreken.
De leerkracht op een multiculturele school heeft leerlingen uit verschillende culturen, maar ook uit verschillende woonomgevingen. Hij kan ook met leerlingen te maken krijgen die in flats of eengezinswoningen wonen of in opvangcentra, asielzoekerscentra of justitiële jeugdinrichtingen verblijven. De leerlingen en hun ouders wonen hun hele leven of een groot deel van hun leven in Nederland en behoren tot een familie die in de jaren zeventig of tachtig naar Nederland is gekomen en nu als Nederlandse Turken of Marokkanen geïn-tegreerd in een straat wonen. Het kan ook zijn dat ze pas enkele maanden in Nederland zijn en nog bijkomen van de cultuurshock, het kille ontvangst op Schiphol, de verhoren en de desillusie van het ‘beloofde land’.
De leerlingen en hun ouders hebben meestal een andere godsdienst, een andere moeder-taal, andere waar¬den, normen en gebruiken. Het meest opvallend is wellicht dat ze andere kleding dragen. Een vrouw met een hoofddoek valt op. Een man met een gebreide muts ook. Al deze cultuurverschillen vraagt van de leerkracht dat hij op een verantwoorde ma-nier communiceert. Hij is de brug tussen culturen. Hij is vaak ook degene die een brug-functie heeft als er moeilijkheden en spanningen in de communicatie ontstaan.

5. Wij-cultuur

Veel moslimouders voelen zich gealarmeerd door de mate waarin hun kinderen vervreemd worden van de ouderlijke cultuur en in een uitzichtloze en normloze on-derstroom van de Nederlandse gemeenschap dreigen te verzinken. […] Het heeft in een aantal gevallen geleid tot een steeds sterker vasthouden aan eigen geloof en gebruiken (Abdus Sattar 1990, p.107)

Op een multiculturele school zijn veel leerlingen die thuis in een groepscultuur of wij-cultuur leven. Een van de kenmerken van deze cultuur is het belang van de familie-eer. De vuile was wordt niet gauw buiten gehangen. We noemen dit ook wel een schaamtecul-tuur. Schaamte, eer en schande zijn dynamieken die in een wij-cultuur of afhankelijk-heidscultuur van doorslaggevend belang kunnen zijn (zie hoofdstuk 3). Bij deze culturen staan schaamte, eer en schande in het perspectief van de groep. Het onderstaande voor-beeld licht dit toe (Krans, p.57):

Vanuit de koran is stelen een vergrijp. De beleving van dit vergrijp verschilt echter enorm van die van iemand uit de westerse cultuur. Binnen de Mediterrane cultuur toont men zich niet zozeer schuldig om het vertoonde gedrag, maar meer om de schande die men over de groep of familie brengt. Daarom wordt bijvoorbeeld ont-kend iets met de diefstal van doen te hebben. Bij erkenning brengt men immers een smet op zowel de eigen eer (men blijkt geen goed moslim te zijn) als op de eer van de familie. Hij brengt dan schande over de groep, die hem daar vervol-gens op zal aanspreken.

Een ken¬merkend antwoord voor iemand uit een wij-cultuur op de vraag ‘Hoe gaat het met u mijn¬heer?’ zou kunnen zijn: ‘Niet goed, mijn vrouw heeft griep’. Iemand uit een ik-cultuur zou in zo’n geval iets antwoorden als ‘Met mij prima’ en daar hooguit aan toe kun-nen voegen ‘Maar mijn vrouw heeft griep’. Meestal is een griepje van de partner voor leden van een ik-cultuur niet eens het noemen waard. De niet-westerse samenleving is over het algemeen fa¬milie-ge¬richt en de ouders en grootouders hebben een andere status binnen de familie dan in de westerse samenleving. Het is niet zo vanzelfsprekend dat grootouders als zij verzorgingsbe¬hoeftig worden naar een verzorgingshuis of een ver-pleeghuis gaan. De familie blijft bij elkaar en zorgt voor elkaar. In de ge¬sprekken met allochtonen kan het lijken of zij minder direct zijn en om de hete brij heen draaien. Au-tochtonen kunnen denken dat allochtonen uiter¬mate lang over ogenschijnlijk onbelangrijke details praten. De meeste allochtonen gaan er van uit dat je eerst de ander moet kennen en vertrouwen voordat er over be¬langrijke en per¬soonlijke zaken kan worden gesproken. De meeste allochtonen zijn gewend om impliciet over problemen te praten. Het is dan ook begrijpelijk dat je in gesprekken met ouders en leerlingen al gauw za¬ken aanroert die te confronterend kun¬nen aankomen. Het is dan ook belangrijk dat je niet zomaar iets zegt en er van uitgaat dat de ander het wel begrepen heeft of begrepen zou moeten hebben.

6. Wat is interculturele communicatie?

Ja, mijn visie is veranderd. Ik ben kritischer geworden omdat de druk van de islam op de samenleving toeneemt. In het onderwijs moet hier aandacht aan besteed worden. Je moet weten wat er speelt. Er gaat een dreiging vanuit. Moslims mogen er zijn. Je moet deze mensen bereiken. Maar ook zij moeten zich aanpassen (res-pondent 17).

Als we de uitspraak van bovenstaande respondent lezen, kunnen we ons afvragen op wel-ke wijze deze leraar of predikant heeft gecommuniceerd met moslims. Zou er sprake geweest zijn van interculturele communicatie? Over welke “druk”, “dreiging” en “aanpas-sing” zou het gaan? Ik heb vaak de indruk dat veel uitspraken uit de losse pols worden gedaan. Wie heeft werkelijk moslims ontmoet, met hen aan tafel gezeten, met hen gela-chen, gehuild, gevoetbald, gebeden?
We kunnen op allerlei manieren verbaal en non-verbaal communiceren. We gebruiken als het ware verschillende “talen”. Onze cultuur heeft ons ook geleerd door middel van onuit-gesproken boodschappen te spreken. Dit gaat zo vanzelfsprekend dat we er zelden over nadenken. Taal is meer dan het leren van een nieuwe woordenschat en grammatica. Taal omvat ook een culturele competentie (Hofstede, p.39). Een van die “woordloze” talen is de lichaamstaal. Lichaamstaal gebruiken we altijd! Iemand aankijken betekent iets heel anders dan iemand niet aankijken. Alleen al door onze aanwezigheid geven we bood-schappen. In het contact met anderen is het dus niet mogelijk om niet te communiceren (Paul Watzlawick). We communiceren zowel op inhouds- als op betrekkingsniveau. Op in-houdsniveau zeggen we of beelden we uit waar de boodschap over gaat. Op betrekkings-niveau geven we te kennen hoe we in relatie staan met de ontvanger van de boodschap of hoe de boodschap bedoeld is. Hoe beide niveaus in een spontaan contact tussen leer-kracht en leerling kunnen spelen illustreert het volgende verhaal:

Als mentor van Havo-4 zag ik mijn leerlingen meerdere malen per week. Niet al-leen voor godsdienst en maatschappijleer, maar ook voor het men¬toruur. Verder als ze bij een collega de klas waren uitgestuurd, ruzie met de conciërge hadden gemaakt of stiekem een joint hadden gerookt in de fietsen¬kelder.
Ze zat op de eerste bank, recht tegenover mijn tafeltje, omdat ze te veel praatte en nooit oplette. Ze was 16 jaar en runde een heel huishouden. Ze zorgde voor een zieke moeder, een werkloze vader en een aantal broers die bij nacht en ontij binnen kwamen vallen. Ze had een zwaar vakkenpakket. En niet iedere docent vond haar aardig. Aïsja, een leuk Marokkaans meisje, dat na de krokusvakantie ‘opeens’ was veranderd. Stilletjes zat ze voor zich uit te sta¬ren. Er was iets met haar, maar ik had geleerd daar niet zomaar naar te vragen. Het zal thuis wel niet goed zitten met vader, moeder, broers of een oude opa. Het bleek dat het niet goed zat, toen ik een grapje had gemaakt over haar nieuwe oorbellen. Grote tra-nen ver¬schenen in haar donkere ogen en ze keek me verwijtend aan. Na de les sprak ik haar toch maar aan. Soms moet je maar doen wat je hart je in¬geeft. “Ik heb wat verkeerd gezegd. Het spijt me, Aïsja. Ik heb het ge¬voel dat er iets is. Met jou of tussen jou en mij. Is het o.k. als we daarover praten?” Het was o.k. “Nie-mand mag weten dat ik het u vertel. Maar, u bent toch mijn mentor en ik vertrouw u. Vertel het aan niemand.” Wat moest ik daarop zeggen. Voordat ik iets kon zeg-gen, vertelde Aïsja dat ze was uitgehuwelijkt. Nog een paar weken en ze zou naar Marokko gaan. Haar vader had een man voor haar gevonden. Een man van 34 jaar. In de krokusvakantie heeft ze hem gezien. “Maar, weet u, ik heb geen keus. Als ik niet ga, dan…” Een paar weken later was de eerste bank leeg. En ik voelde me leeg. In de klas spraken we over andere culturen, andere waarden, normen en gebruiken. Tot een meisje spontaan begon te huilen en de rest het ook niet droog hield. Ik denk nog wel eens aan die klas en aan Aïsja. ’t Is meer dan vijftien jaar geleden als ik dit schrijf voor leerkrachten die ik iets mag leren over andere cultu-ren, andere waarden, normen en gebruiken. Het gaat om mensen. Er zal wel veel veranderd zijn. Of niet? (H.B.)

Met interculturele communicatie bedoelen we com¬municatie tussen mensen uit verschil-lende culturen. Communicatie is een voor¬waarde om een cultuur eigen te maken. De ma-nier waarop men communiceert, door middel van woorden, gebaren en andere vormen van lichaamstaal, wordt binnen een cultuur aangeleerd en kenmerkt haar. Een voorbeeld hiervan is het feit dat er in de diverse culturen verschillende manieren van groeten zijn. De wijze van groeten in Nederland is anders dan de wijze van groeten in Iran. Hoewel non-verbale signalen op een directe manier veel informatie geven, is de interpretatie van deze signalen bij interculturele communicatie niet een¬duidig. Wanneer je iemand in de Ne-derlandse samenleving duidelijk wil ma¬ken dat hij pienter is, dan tik je met je vinger tegen de slaap. In een aantal andere culturen betekent dit gebaar juist dat men niet goed bij zijn hoofd is. Sommige communi¬catiestoringen worden gewoon veroor¬zaakt door een taalpro-bleem. Je spreekt elkaars taal niet of niet goed genoeg, dus begrijp je elkaar ook niet altijd. Maar zelfs als je een vreemde taal goed kunt spreken en verstaan, gaat het ook nog vaak mis. Iemand uit een andere cultuur verstaat je goed en het lijkt alsof je elkaar goed begrijpt, maar hij reageert anders dan je verwacht en zijn gedrag is volgens jou niet in overeenstemming met wat hij zegt. Dit kan gebeuren zonder dat het beide gespreks-partners opvalt. Taal is meer dan een verzameling woor¬den, associaties en afspraken. Taal is ook een wijze van uitdrukken. Afhankelijk van de omstandigheden en de gewoon-ten zeggen we dingen direct of indirect, letterlijk of figuurlijk, impliciet of expliciet. We noemen dit het taalgebruik. Wees je bewust van het feit dat er interactie is tussen taal en denken. Interactie tussen taal en denken betekent dat de taal waarin je denkt bepalend is voor hetgeen je denkt. Wees voorzichtig met tijds- en tempodruk tijdens de communica-tie. Hoe grondig iemand ook de woordenschat en de grammatica van een vreemde taal leert, het taal¬gebruik is moeilijk te leren en kost veel tijd. Dit vraagt bij inter¬culturele communicatie van beide partijen extra alertheid en inspanning om el¬kaar goed te begrij-pen.

7. Directe en indirecte communicatie

Wanneer een leerling uit groep acht naar de directeur van de school gaat om te vragen of hij mag meedoen aan een sportwedstrijd en als antwoord krijgt: “Kom morgen maar te¬rug.”, kan dat ver¬schillende reacties teweeg brengen. Als de leer-ling gewend is om direct te communiceren, zal hij vragen hoe laat hij morgen kan komen. Is hij gewend om indirect te communiceren en natuurlijk ook de directeur als autoriteit ziet van wie hij afhankelijk is, zal hij het niet vanzelfspre¬kend vinden dat hij de volgende dag kan terugkomen. Volgens hem wordt er op een beleefde manier gezegd dat het nog niet zeker is of er een afspraak gemaakt kan worden.

Bij directe communicatie zegt de directeur rechtstreeks waar het op staat. Bij in¬directe communicatie laat de directeur wel merken waar het op staat, maar hij zegt het niet di-rect. Direct communiceren zal de een leerling of ouder prettig vinden omdat het hem ze-kerheid geeft en omdat hij dit gewend is, maar een an¬dere leerling of ouder zal het juist te direct vinden, te abrupt, onnodig bot en onbeschoft.
Op school krijg je te maken met indirecte maar ook met veel directere commu¬nicatie dan je zelf waarschijnlijk gewend bent. Zegt iemand tegen een doorsnee Nederlander: “Geef me koffie”, dan krijg je waarschijnlijk geen koffie. Zo recht voor zijn raap doet men het in Nederland niet. Nog erger wordt het als het verzoek met harde stem gedaan wordt. In veel culturen is een zin in de gebiedende wijs wél beleefd en heel gewoon. Het hoort bij de gewone beleefde taal. Ook de op¬dracht: ‘Jij moet dit doen.’, is direct en zal daarom soms een ongewenst effect hebben. In de Nederlandse taal gebruikt men vaker de vragende vorm en voegt men woorden toe als ‘zouden’ en ‘willen’. Dan wordt het dus: “Wil je dit doen?” of “Zou je dit voor mij willen doen?”. Nog beleefder wordt het met extra woor¬den zoals ‘alstublieft’ en ‘dank u wel’. Bij deze laatste wijze van communiceren bestaat de kans dat uiteindelijk niet meer duidelijk is of iets nu moet of niet. Bij bijvoorbeeld ruzies in de klas waar meteen moet worden opgetreden kan dit problemen opleveren. Gebruik bij indirect communiceren als het kan ‘wij verwachten’ in plaats van ‘jij moet’. Soms verdient het voorkeur een leerling of een ouder niet per¬soonlijk en direct te benaderen, maar te kiezen voor een meer indirecte communicatie. Bij¬voorbeeld door niet direct te vragen wat hij wil, maar te vragen wat zijn familie van iets vindt. Ook het gebruik van ‘ja’ en ‘nee’ kan bij de communicatie tussen mensen uit verschillende cultu¬ren tot verwarring leiden. ‘Ja’ kan verschillende din¬gen betekenen: ‘Ik hoor wat je zegt.’, maar misschien ook ‘nee’. ‘Ja’ is in het laatste geval een beleefdheids¬formule om gezichtsverlies van de ander of het kwetsen van iemands gevoelens te voorkomen. Ook het onvoldoende begrepen hebben van een vraag, misschien vanwege taalproblemen, of het niet voor dom aangezien willen worden is voor iemand soms reden een sociaal wenselijk antwoord te geven in plaats van een fei¬telijk antwoord. Een aardig voorbeeld, ook herkenbaar in de Nederlandse situa¬tie, is het volgende:

Wanneer je op Java, Indonesië, ‘nee’ antwoordt op een aanbod om bijvoorbeeld mee te eten, dan kun je als tegenvraag krijgen: ‘Is dat een Javaans nee of een Europees nee?’ Het Europese ‘nee’ staat dan voor een echt welgemeend nee en het Javaanse ‘nee’ betekent ‘ja, maar dan moet je nog even langer aandringen’. Uit beleefdheid zeggen mensen soms ‘nee’ wanneer hen iets wordt aangeboden. Dit doen ze omdat ze het onbeleefd vinden een geschenk of een aanbod als van-zelfsprekend aan te nemen.

8. Impliciet en expliciet taalgebruik
Een mogelijke oorzaak van een communicatiestoornis kan ook liggen in het ge¬bruik van impliciet taalgebruik. Met impliciet taalgebruik bedoelen we dat wat iemand zegt niet altijd letterlijk genomen moet worden, maar tegelijk een andere betekenis kan hebben. Er kan in de letterlijke bood¬schap een andere boodschap verpakt zijn. Als iemand zegt: ‘Ik heb zin in koffie’, dan ver¬staan we wat hij letterlijk zegt. Deze zin kan echter talloze dubbele betekenissen hebben zoals:’Ik ga koffie zetten.’; ‘Heb jij ook zin in koffie?’; ‘Wil jij voor mij koffie zetten?’; ‘We stop¬pen met de les en gaan koffie drinken.’ Veel taalgebruik lijkt expliciet maar de werkelijke betekenis is vaak impliciet. Dit heeft voor de (interculturele) gespreksvoering twee consequenties: 1. De ander kan woorden anders opvatten dan wordt bedoeld; 2. We moe¬ten er niet meteen van uitgaan dat we begrijpen wat de ander wil zeggen.

9. Figuurlijk en letterlijk taalgebruik

Culturele betekenissen worden in de klas vooral geuit doormiddel van taal, door er-over te praten. Door praten leren kinderen. Dat praten moet wel een structuur hebben, een vorm. Een heel belangrijke structuur is ‘het verhaal’. Cultuur komt in de vorm van verhalen. Iedere gebeurtenis, juist ook het doodgewone en alledaag-se, in het leven van een kind krijgt een plaats door er een verhaal over te vertellen (Hanson, p.31).

In verhalen komen figuurlijk en letterlijk taalgebruik voor. Dat begint al met het bijbelver-haal aan het begin van de dag. Voor kinderen en mensen die het Nederlands niet of nau-welijks beheersen is het niet wenselijk in figuurlijke zin te communiceren. Uitdrukkingen en spreekwoorden zijn voorbeelden van figuurlijk taalgebruik. Fi¬guurlijk taal¬gebruik is voor iemand die in een vreemde taal communi¬ceert, nauwelijks te vol¬gen. Nederlandse autochtonen doen er verstandig aan dit soort taalgebruik te vermijden wanneer ze praten met mensen die de Neder¬landse taal matig beheersen. Vermijd daarom uitdrukkingen als: “De deur staat altijd voor u open.” ; “Elkaar de ruimte geven”; “Op het¬zelfde spoor zit-ten”; “Stappen ondernemen” en “We gaan met u in zee.”

10. Voorkomen van communicatiestoornissen
Bij interculturele communicatie is er sprake van verschillend taalgebruik en de betekenis-geving vanuit de eigen taalachtergrond. Het is goed er niet meteen van uit te gaan dat we de ander begrepen hebben. We kunnen de leerling of ouder vragen een en ander concreet te maken. Dat kan door vragen te stellen of door te vragen naar persoonlijke gevoelens en opvattin¬gen. Als je wilt controleren of ie¬mand iets heeft begrepen, vraag dan niet: “Hebt u het begre¬pen?” Omdat ‘ja’ zoals hiervoor reeds vermeld, verschillende dingen kan betekenen. Je kunt het best controleren door een gerichte open vraag te stellen. De vraag: “Wat hebt u begre¬pen?”, dwingt de ander deels te herhalen wat je hebt gezegd. Op die manier krijgt je al snel een signaal als de ander je niet begrepen heeft. Veel allochto-nen vinden het onbeleefd om waarheidsgetrouw ‘nee’ te zeggen als ze gevraagd wordt of ze iets hebben begrepen. Soms komen allochtone leerlingen en ouders bewoners directief over. Meestal komt dit vanwege het feit dat zij het Nederlands onvoldoende beheersen en bijvoorbeeld niet het juiste gebruik van de hulpwerkwoorden ken¬nen. ‘Jij moet dat voor mij doen’ klinkt anders dan ‘Wil jij dat voor mij doen?’ Het leggen van een andere klem-toon kan ook een autoritaire indruk geven die hele¬maal niet zo bedoeld is. Probeer recht-streekse, directe vragen, die dreigend overkomen op de ander, te beperken. Probeer bij-voorbeeld te vermijden om een allochtoon rechtstreeks te vragen hoe het komt dat hij een opleiding niet heeft afgemaakt. In zo’n geval is het beter om impliciet te vragen wat hij van de oplei¬ding heeft opgestoken. Vermijd het om tegen leerlingen en ouders te zeg-gen dat zij an¬ders zijn en daarom bijvoorbeeld extra taallessen krijgen. Anders zijn wil voor hen zeggen dat zij er niet bij horen. Als leerlingen en ouders je vragen en opmerkin-gen nege¬ren moet u dit soms interpreteren als ‘Ik wil er niet op ingaan’. ‘Ik begrijp je niet’ kan ook allochtone communicatie zijn voor ‘Ik ben het niet met je eens’.
11. Vooroordelen en stereotypen

De verantwoordelijkheid van een gestudeerd man is groot, want velen zullen hem navolgen en misleid kunnen worden door zijn gebreken (A.H. al-Ghazali [moslim mysticus], 11e / 12e eeuw).

Vooroordelen en stereotyperingen vormen een ernstige belemmering voor effec¬tieve in-ter¬culturele communicatie. Zij vormen vaak een belangrijke barrière voor de communica-tie tussen mensen van verschillende culturen (Hofstede, p.40). De eerste indruk die we van mensen hebben kan vaak nog lang doorwerken in de manier waarop we iemand zien. Meestal is die indruk gebaseerd op onbe¬langrijke en zelfs onbenullige gegevens. Bijvoor-beeld de manier waarop iemand praat, loopt of kijkt, zijn haardracht of make-up, de kle-ren die iemand draagt of zijn gezichtsuitdruk¬king. Afgaan op de eerste indruk betekent dat je niet echt goed naar iemand kijkt. Veel leerkrachten weten dat dit geen adequate manier is om iemand te beoordelen. Een vader met een wollen muts en een dikke jas die in de zomer komt praten over zijn zoon is niet “dom”. Het is dom om te denken dat hij, net als wij, in luchtige zomerkleding zou moeten lopen. Stereotyperen is het karakterise-ren van een volk of een cultu¬rele groep op grond van een veralgemenise¬ring van al dan niet reële waarnemin¬gen.

Ik vind het in de eerste plaats belangrijk om karikaturen bij christenen over mos-lims en bij moslims over christenen weg te nemen. Dat is een eerste voorwaarde voor een goed gesprek. In de tweede plaats hamer ik er op dat ook de moslims niet zitten te wachten op een verwaterd en aangepast evangelie. Ze hebben alleen maar minachting voor christenen die ‘water bij de wijn’ doen. Het is nodig en mo-gelijk om op een respectvolle manier met elkaar de overeenkomsten en verschillen te bespreken (respondent 10).

De kern van stereotyperingen is dus een sterke vereenvoudiging van de werke¬lijkheid. Je kijkt niet naar mensen als individuen, maar als vertegenwoordiger van een groep of soort. Een vooroordeel is een ongegronde mening of een oordeel dat niet op volle¬dige informa-tie, kennis of redenering, maar op neiging, traditie of navolging berust. Voor¬oordelen be-staan over individuele personen of over een groep mensen. Vooroordelen hangen nauw samen met patronen als ‘stereotype¬ren’ en ‘afgaan op de eerste indruk’. Bij vooroorde¬len laat je je bij de interpretatie van het gedrag van iemand leiden door de oordelen die je al had. Je kunt tot een dergelijk vooroordeel komen doordat: Je in de eerste indruk blijft ste¬ken; Je laat leiden door stereotyperingen; Vooraf geruchten hebt gehoord. Wanneer je vooraf geruchten hebt gehoord van anderen laat je je niet meer (al¬leen) leiden door wat je zelf ziet, maar ook door wat anderen hebben gezien of door de interpretaties van an-deren. Dat kan bijvoorbeeld gebeuren als je eerst allerlei sterke verhalen over een leerling of ouder hebt gehoord voordat je zelf met die leerling of ouder te maken krijgt. Als je iemand agressief vindt, zal men de neiging hebben om de vredelievende gedragingen van die ander toch te wantrouwen. Men noemt dit verschijnsel vaak het halo-effect: de grond-toon heeft de neiging om alle andere tonen te overstemmen of weg te drukken. Ideeën, opvattingen en vooroordelen over anderen heeft iedereen. We zeggen al snel: “Bij zo’n leerling kan je zoiets verwachten.” Andersom hebben leerlingen en ouders natuurlijk ook hun ideeën, opvat¬tingen en vooroordelen over leerkrachten.
12. Grenzen stellen

De geschiedenis van kleine criminelen begint vaak met spijbelen. Wie op straat hangt en niets te doen heeft, komt gemakkelijk tot klein crimineel gedrag. Elk mens heeft structuur nodig. Elke dag op tijd naar school geeft zo’n structuur. In Marokko is een strakke controle op de aanwezigheid met behulp van een klassen-boek heel normaal (Kaldenbach 1998B, p.37).

Het gaat hierbij om een manier van reageren, waarbij je duidelijk stelt wat voor jou ac-cepta¬bel en onacceptabel gedrag is. Je kiest ervoor om eventuele discus¬sies hierover niet uit de weg te gaan. De manier waarop je grenzen stelt kan nogal verschillen. Je kunt heel openlijk en met veel machtsvertoon optreden en daarbij gebruik maken van allerlei mid-de¬len: de ander onder druk zetten, dreigen met sancties, je positie in de strijd werpen, etc. Of je kunt ervoor kie¬zen om de ander duidelijk te maken dat je bepaald gedrag niet tolereert. Een collega die racistische opmerkingen maakt, kun je ten over¬staan van de groep terechtwijzen. Je kunt hem wel in een tweegesprek feedback geven. Duidelijke grenzen stellen heeft als effect dat partijen weten waar ze aan toe zijn. Een goede ma-nier om je grenzen aan te geven is door ik-boodschap¬pen te geven, te benoemen wat je zag, hoorde, duidelijke voorbeelden te geven en te laten weten hoe dat op jou overkomt.

13. Wat iedere leerkracht moet weten!
Arabieren zijn bijzonder gastvrij voor vrienden en vreemden en ze waarderen het als anderen dat ook zijn. Voor iemands reputatie is een genereuze houding jegens vreemden essentieel (Nydell, p.71).
Gedragingen kunnen in andere culturen heel verschillend worden geïnterpreteerd. In Ara-bische landen groeten mannen elkaar bij elke ontmoeting met een handdruk. Mannen mo-gen vrouwen echter geen hand geven. In veel Aziatische landen is de handdruk helemaal niet zo gebruikelijk. Vaak heeft men daar een alternatieve manier van groeten zoals knik-ken met een hand op de borst of buigen in verschillende graden van diepte. In verschillen-de islamitische culturen gelden verschillende wijzen van verbale en non-verbale communi-ca¬tie. Als voorbeelden worden enkele aandachtpunten genoemd voor het communiceren met mensen uit: Arabische landen, India en Noord-Afrika.

13.1 Algemene aandachtspunten
Wanneer kleine kinderen bij de profeet werden gebracht, sprak hij gebeden over hen uit. Op een keer werd een baby bij hem gebracht die op zijn kleren plaste. Hij vroeg om wat water, goot dat over die plek en liet het daarbij (Hadieth, Aisha-Bukhari’s verzameling).

De onderstaande richtlijnen zijn niet meer dan aandachtspunten. Ze overlappen elkaar gedeeltelijk. Ze zijn niet wettisch bedoeld, maar meer als aandachtspunt. Als u een ouder op bezoek krijgt op school of u gaat op bezoek bij de leerling thuis onthoud dan:

• Biedt men u iets te drinken aan, accepteer het dan en houd het glas of kopje met de rechterhand vast (de linkerhand is de onreine wc-hand). Als u bij de leerling blijft eten geldt dit ook voor het opscheppen. Dus nooit uw linkerhand gebruiken.
• Als u afscheid neemt en niet iedereen de hand schudt, wordt dat als grof opgevat. Dus niet in het algemeen roepen “doei”.
• Als een westerse man aan een Arabische vrouw wordt voorgesteld, bepaalt de vrouw of ze wel of niet een hand wil schudden; men laat dus het initiatief bij de vrouw.
• Wanneer u op huisbezoek gaat en u draagt vrijetijds kleding kan dat verkeerd worden opgevat. Doorgaans wordt u verwacht en zijn uw gastheer en gastvrouw netjes gekleed.
• Mannen gaan staan als een vrouwelijke leerkracht de kamer binnenkomt.
• Als u afscheid neemt begeleidt de gastheer u naar de deur, de lift of zelfs naar de auto.
• Als u iets kleins bewondert in het huis van de leerling, kan het zijn dat uw gastheer dat u cadeau wil doen. U moet uw bewondering voor kleine dingen heel voorzichtig uiten of niet uiten.
• Begint u het gesprek staande, dan is dat een teken van onbeleefdheid. Dat geldt zeker wanneer u dan ook nog tegen de muur leunt en de handen in de zakken houdt.
• Een directe spontane benadering wordt niet altijd op prijs gesteld of begrepen. Bij-voorbeeld: “Ik wil u zeg¬gen, dat u moet zorgen dat uw dochter in het vervolg op tijd op school komt. Het is in ons al¬ler belang dat de schoolregels worden nage-streefd.” Het is beter eerst het onderwerp van het gesprek te noemen en niet meteen met de deur in huis te vallen. Bijvoorbeeld: “Ik zou graag eens met u pra-ten over hoe het met uw dochter op school gaat.”
• Een Turkse of Marokkaanse ouder kan soms wat dwingend overkomen. Meestal komt dit omdat de ouder het Nederlands onvoldoende beheerst en bijvoorbeeld geen hulpwerkwoorden kent. “U moet dit voor mij doen.” klinkt nu eenmaal anders dan “Zou u dit voor mij willen doen?” Een reactie zou kunnen zijn: “Ik begrijp van u dat er iets moet gebeuren. Zullen wij samen kijken hoe we dat oplossen?”
• Het is ongebruikelijk en onbeleefd over godsdienst in het algemeen te pra¬ten en over de islam in het bijzonder. Dat geldt zeker als u zegt dat het christendom de enige ware godsdienst is en Christus de enige weg tot zaligheid. Alleen als men de ander zeer goed kent zou dit een onderwerp van gesprek kunnen zijn. Belijders van de islam noemt men overigens nooit ‘Moham¬medanen’, maar altijd Moslims.

Een leerkracht vertelde mij dat een aantal van haar leerlingen naar de koranschool gaat. Onlangs had zij het verhaal van Abraham en Isaäk op de berg Moria verteld (Genesis 22). Ze had zich goed voorbereid en het verhaal ook in de koran gelezen. Toen ze het verhaal ging vertellen zei ze: “Het verhaal gaat over Abraham en Isa-ak. Zo staat het in de bijbel. Jullie hebben het vast ook gehoord op de koranschool. Ik zou het fijn vinden als jullie het vertellen zoals het in de koran staat. (H.B.)

• Het spreken over politiek is eveneens ongewenst en kan als pijnlijk worden er-varen.
• Informeer nooit naar vrouwelijke familieleden (zeker niet als man), maar vraag naar de ge¬zondheid van de hele familie.
• Het spreken over varkensvlees of alcohol is niet wenselijk en leent zich ze¬ker niet voor grapjes.
• In het gesprek en het maken van afspraken wordt improvisatie (vooral in Ma-rokko) meer op prijs gesteld dan een strakke planmatigheid.
• Het spreken over seksualiteit door mannen met vrouwen is verboden. Een on-derwerp als vrouwenbesnijdenis is onbespreekbaar.
• Het voorstellen een kansspel te doen, te wedden of te gokken is niet juist. “Woe-ker is Allah een gruwel. Allah heeft de koop u veroorloofd en de woeker verboden (Attema, p.76).”
• Verjaardagen worden haast alleen van kinderen gevierd met bijvoorbeeld taart en cadeautjes. Op latere leeftijd worden verjaardagen lang niet altijd gevierd.
• De televisie is een vast onderdeel van Turkse en Marokkaanse huiskamers. Als u op bezoek komt wordt deze als blijk van gastvrijheid vaak aangezet.
• Thee is een nationale drank en wordt veel meer genuttigd dan Turkse koffie. Thee wordt geserveerd in glaasjes met een klein schoteltje.
• In de vastenmaand Ramadan moet u aangeboden consumpties afslaan als het moslimgezin dat u bezoekt de vasten houdt.
• Bij het afscheid wordt, net als bij de aankomst, veelal aan iedereen een hand ge-geven.
• Vaak worden gasten, dus ook de leerkracht, bij het afscheid uitgenodigd nog eens te komen.

13.2 De Koran

• Als u een koran bij de leerling thuis ziet liggen, pak die dan niet ongevraagd uit een kast om het te bekijken en er in te gaan bladeren.
• Moslims bewaren de koran op een schone en eervolle plek. Zo mogelijk wordt het heilige boek in een doos bewaard of in een doek gewikkeld. Vaak wordt de koran boven in de kast gezet boven andere boeken. Er mag geen ander boek op de ko-ran gelegd worden.
• Zij leggen geen boeken of andere zaken op of onder de koran.
• Moslims reinigen zichzelf voordat ze de koran aanraken en er uit lezen of voordra-gen.
• Voordat de moslim uit de koran gaat voordragen spreekt hij zijn intentie tot voor-dragen uit (niyya).
• Moslims wenden zich in de richting van Mekka wanneer ze uit de koran voordra-gen.
• Voorafgaand aan het voordragen uit de koran vraagt de moslim om Gods be-scherming tegen de satan (16:98 en 7:200-201).
• De voordracht (recitatie) wordt afgesloten door de formule: “God de Almachtige heeft de waarheid gesproken.”
• Er wordt een vrijwillig gebed uitgesproken (du’a) in de vorm van een verzoek om de voordracht te accepteren.

13.3 Non-verbale aandachtspunten

Iedere keer als Gloria, een tien jarig Surinaams meisje, van de leerkracht een uit-brander krijgt, slaat ze haar ogen neer. De leerkracht kan dat niet hanteren en negeert Gloria de rest van de dag.

In F-culturen (Fijn-mazige culturen) beschouwt men het neerslaan van de ogen als een teken van respect. De leerkracht interpreteert het gedrag van Gloria als onbeleefd of on-oplettend. In ieder geval is zijn wens dat zij hem blijft aan kijken als hij haar aanspreekt. Dat is het verschil tussen een grofmazige cultuur en een fijnmazige cultuur. Een verschil waar de leerkracht niet veel over heeft geleerd.

• Elkaar een hand geven is soms om religieuze redenen niet toegestaan. Bij mannen kan de angst voor seksuele prikkeling een rol spelen. Wanneer er onduidelijkheid bestaat over het al of niet een hand geven, is het verstandig om niet zelf de hand uit te steken.
• Het neerslaan van de ogen bij een gesprek is een teken van respect.
• In het gesprek moet u er op letten niet de stem te verheffen of in toon¬hoogte om-hoog te gaan.
• Respecteer stiltes in het gesprek.
• Met handgebaren spreken wordt als onbeleefd ervaren.
• Let bij het gesprek op uw houding. Sla uw benen niet over elkaar en laat hele¬maal uw schoen¬zool niet zien. Het laten zien van de schoenzool kan worden opgevat als het einde van het gesprek.
• Let op de afstand tijdens het gesprek. Het te ver van elkaar af zitten of uw stoel naar achteren schuiven, kan wor¬den opgevat als een teken van afwijzing.
• Handen op de heupen leggen of in de zij laten rusten wijst op een uitdagende hou-ding. De ander zal het gesprek waarschijnlijk beëindigen.
• Een hand laten rusten op iemands schouder kan, een tikje op de schouder kan al-leen bij mannen of vrouwen onderling.
• Niezen, de neus ophalen, hoesten of hikken kan als onbeleefd worden uitge¬legd en is einde contact.
• In traditionele kringen wordt na hand schudden (door mannen) de duim en de wijs-vin¬ger naar het hart en naar de mond (als teken van respect) gebracht.

13.4 Gezin

• Als u bij de leerling op huisbezoek gaat zal dat in de regel erg op prijs worden ge-steld. Neem er ruim de tijd voor en realiseer u dat u een welkome gast bent.
• Wanneer u een probleem te bespreken hebt of slecht nieuws moet brengen, denk dat niet dat Nederlandse gespreksmodellen ook in de islamitische cultuur toepas-baar zijn. Het is ongebruikelijk om meteen met de deur in huis te vallen en vervol-gens te vragen wat een ouder van iets vindt of hoe het voelt.
• De vrouw is verantwoordelijk voor de verzorging van het gezin en de opvoeding van de kinderen. Ze zorgt er voor dat u zich op uw gemak voelt. Ze heeft van al-les en nog wat te doen, maar wat u over haar kind zegt zal haar niet ontgaan.
• In het gesprek zal blijken dat jongens in de regel vanaf hun tiende door de vader worden opgevoed.
• De leerkracht heeft niet zelden te maken met eenoudergezinnen, waar de moeder een dubbele taak heeft. Het zal soms niet duidelijk zijn of een vader nog een rol in het gezin speelt.
• U zult merken dat de man in de regel met de buitenwereld, dus ook met de school, communiceert. Het kan zijn dat de mening van moeder bepalend is.
• Het is de taak van de man de gezinsleden kennis van de islam bij te brengen.
• Misschien bezoekt uw leerling de koranschool. Het is attent te vragen hoe het daar gaat en wat hij leert.
• In Nederland is de autoriteit van de Turkse of Marokkaanse man steeds minder vanzelfsprekend. Het ligt voor de hand dat dit tot ernstige conflicten in het gezin kan leiden.
• Het kan zijn dat u hoort dat uw leerling in een van de eerste groepen van de basis-school is besneden. Islamitische jongens worden besneden tussen hun tweede en achtste verjaardag. Nadat hij besneden is, maakt hij deel uit van de mannenge-meenschap. De besnijdenis gaat gepaard met een groot feest.

13.5 Kleding

• De kleding van vrouwen die de leerkracht op school of thuis ontmoet is bedekt en ingetogen.
• Als u als vrouwelijke leerkracht omgaat met islamitische ouders, houd dan in uw kleding rekening met wat naar hun opvattingen gepast is. Mannen vinden de wes-terse vrouwen vaak uitdagend gekleed.
• Het dragen van shorts door mannelijke leerkrachten in een school zal door islamiti-sche ouders niet op prijs worden gesteld. Leerkrachten vertegen¬woordigen autori-teit en al te informele kleding past daar niet bij.

13.6 Beelden en foto’s

O gij die gelooft, wijn en het hazardspel en afgoden en toverpijlen zijn niet anders dan gruwelen, door Satan gewrocht. Vermijdt ze dus, opdat gij voorspoedig moogt zijn (5:90).

De islam is een monotheïstische godsdienst. Moslims vinden het daarom vanzelfsprekend dat er geen beelden worden gemaakt. Overigens lezen we in de Tien Geboden:” Maak geen godenbeelden, geen enkele afbeelding van iets dat in de hemel hier boven is of van iets beneden op de aarde of in het water onder de aarde (Exodus 20:4).” Het verbod op beelden berust in wezen op het respect voor de schepping en de Schepper (Al Hariri-Wendel, p.91). Met foto’s ligt het anders. Foto’s geven veelal een bestaand levend wezen weer. Uitzonderingen vormen foto’s, tekeningen en schilderijen in de seksuele sfeer en van grote persoonlijkheden met verering als doel (Al Hariri-Wendel, p.95; Van Bommel 2007, p.60).

13.7 De imam en de school
Aan vrijwel iedere Nederlandse moskee is een imam verbonden. Soms doet een imam zijn werk naast een gewone baan. Andere imams zijn fulltime in dienst bij een moskee en zijn verantwoording verschuldigd aan het bestuur van de moskee. Zij krijgen hun salaris uit de opbrengst van de zakaat. Een andere groep imams wordt door het land van herkomst betaald en voor een bepaalde tijd naar Nederland gestuurd. Het is belangrijk voor de inte-gratie dat er goed opgeleide imams zijn, bekend met de Nederlandse taal en cultuur. Er bestaan inmiddels verschillende imamopleidingen in Nederland. Enkele aandachtspunten:

• De imam is de voorganger en heeft in de islamitische cultuur een aanzienlijke sta-tus. Hij fungeert als leider van de moslimgemeenschap en geeft uitleg en advies over de islamitische wetten en zeden. Meestal is hij verbonden aan een moskee in de wijk of de stad.
• De imam kan worden ingeschakeld bij problemen in het gezin of binnen de ge-meenschap.
• De imam sluit huwelijken, leidt begrafenissen, neemt nieuwe gelovigen aan en ver-richt rituele handelingen tijdens bijvoorbeeld de ramadan.
• De meeste imams verstaan en spreken Nederlands en hebben een luisterend oor voor wat de leerkracht heeft te zeggen.

Hoofdstuk 7. Wat iedere leerkracht moet weten
1. Inleiding
2. Wat iedere leerkracht moet weten!
3. Algemene aandachtspunten
4. De Koran
5. Non-verbale aandachtpunten
6. Gezin
7. Kleding
8. Beelden en foto’s
9. De imam en de school
10. Nog enkele weet-je-dat-jes op school
11. Wat iedere leerkracht moet kunnen!
12. Ontmoeting
12.1 LAST: Luisteren
12.2 LAST: Aansluiten
12.3 Samenvatten
12.4 LAST: Teruggeven
13. LAST-III
14. Wat wil de ander niet horen?

1. Inleiding
In dit hoofdstuk stappen we de multiculturele school binnen. Het hoofdstuk bevat tal van concrete aandachtspunten waar de leerkracht iets aan zou kunnen hebben. Het zijn geen dwingende voorschriften en natuurlijk is ieder onderwijssituatie weer anders. De richtlijnen zijn bedoeld als richtlijnen, als discussiepunten, om nog eens op te kauwen en in de spie-gel te kijken of je werkelijk de ander ontmoet. Ik heb een beproefd gespreksmodel opge-nomen, dat ik al vele jaren gebruik in mijn cursussen, namelijk het “LAST” model. De let-ters staan voor Luisteren, Aansluiten, Samenvatten en Teruggeven. Na een uitvoerige toelichting integreer ik in dit model de DSMIII methode, de “Drie Stappen Methode”, van David Pinto. Dat lijkt op het eerste gezicht wat gezocht en geforceerd, maar het gaat mij met name om de beroepsattitude van de leerkracht. Met welke culturele bril kijk je naar de ander en wat “ruist” er mee uit een eigen culturele achtergrond en hoe kun je dan sa-men communiceren?

2. Wat iedere leerkracht moet weten
Arabieren zijn bijzonder gastvrij voor vrienden en vreemden en ze waarderen het als anderen dat ook zijn. Voor iemands reputatie is een genereuze houding jegens vreemden essentieel (Nydell, p.71).
Gedragingen kunnen in andere culturen heel verschillend worden geïnterpreteerd. In Ara-bische landen groeten mannen elkaar bij elke ontmoeting met een handdruk. Mannen mo-gen vrouwen echter geen hand geven. In veel Aziatische landen is de handdruk helemaal niet zo gebruikelijk. Vaak heeft men daar een alternatieve manier van groeten zoals knik-ken met een hand op de borst of buigen in verschillende graden van diepte. In verschillen-de islamitische culturen gelden verschillende wijzen van verbale en non-verbale communi-ca¬tie. Als voorbeelden worden enkele aandachtpunten genoemd voor het communiceren met mensen uit: Arabische landen, India en Noord-Afrika.

3. Algemene aandachtspunten

Wanneer kleine kinderen bij de profeet werden gebracht, sprak hij gebeden over hen uit. Op een keer werd een baby bij hem gebracht die op zijn kleren plaste. Hij vroeg om wat water, goot dat over die plek en liet het daarbij (Hadieth, Aisha-Bukhari’s verzameling).

De onderstaande richtlijnen zijn niet meer dan aandachtspunten. Ze overlappen elkaar gedeeltelijk. Ze zijn niet wettisch bedoeld, maar meer als aandachtspunt. Als u een ouder op bezoek krijgt op school of u gaat op bezoek bij de leerling thuis onthoud dan:

• Biedt men u iets te drinken aan, accepteer het dan en houd het glas of kopje met de rechterhand vast (de linkerhand is de onreine wc-hand). Als u bij de leerling blijft eten geldt dit ook voor het opscheppen. Dus nooit uw linkerhand gebruiken.
• Als u afscheid neemt en niet iedereen de hand schudt, wordt dat als grof opgevat. Dus niet in het algemeen roepen “doei”.
• Als een westerse man aan een Arabische vrouw wordt voorgesteld, bepaalt de vrouw of ze wel of niet een hand wil schudden; men laat dus het initiatief bij de vrouw.
• Wanneer u op huisbezoek gaat en u draagt vrijetijds kleding kan dat verkeerd worden opgevat. Doorgaans wordt u verwacht en zijn uw gastheer en gastvrouw netjes gekleed.
• Mannen gaan staan als een vrouwelijke leerkracht de kamer binnenkomt.
• Als u afscheid neemt begeleidt de gastheer u naar de deur, de lift of zelfs naar de auto.
• Als u iets kleins bewondert in het huis van de leerling, kan het zijn dat uw gastheer dat u cadeau wil doen. U moet uw bewondering voor kleine dingen heel voorzichtig uiten of niet uiten.
• Begint u het gesprek staande, dan is dat een teken van onbeleefdheid. Dat geldt zeker wanneer u dan ook nog tegen de muur leunt en de handen in de zakken houdt.
• Een directe spontane benadering wordt niet altijd op prijs gesteld of begrepen. Bij-voorbeeld: “Ik wil u zeg¬gen, dat u moet zorgen dat uw dochter in het vervolg op tijd op school komt. Het is in ons al¬ler belang dat de schoolregels worden nage-streefd.” Het is beter eerst het onderwerp van het gesprek te noemen en niet meteen met de deur in huis te vallen. Bijvoorbeeld: “Ik zou graag eens met u pra-ten over hoe het met uw dochter op school gaat.”
• Een Turkse of Marokkaanse ouder kan soms wat dwingend overkomen. Meestal komt dit omdat de ouder het Nederlands onvoldoende beheerst en bijvoorbeeld geen hulpwerkwoorden kent. “U moet dit voor mij doen.” klinkt nu eenmaal anders dan “Zou u dit voor mij willen doen?” Een reactie zou kunnen zijn: “Ik begrijp van u dat er iets moet gebeuren. Zullen wij samen kijken hoe we dat oplossen?”
• Het is ongebruikelijk en onbeleefd over godsdienst in het algemeen te pra¬ten en over de islam in het bijzonder. Dat geldt zeker als u zegt dat het christendom de enige ware godsdienst is en Christus de enige weg tot zaligheid. Alleen als men de ander zeer goed kent zou dit een onderwerp van gesprek kunnen zijn. Belijders van de islam noemt men overigens nooit ‘Moham¬medanen’, maar altijd moslims.

Een leerkracht vertelde mij dat een aantal van haar leerlingen naar de koranschool gaat. Onlangs had zij het verhaal van Abraham en Isaäk op de berg Moria verteld (Genesis 22). Ze had zich goed voorbereid en het verhaal ook in de koran gelezen. Toen ze het verhaal ging vertellen zei ze: “Het verhaal gaat over Abraham en Isa-ak. Zo staat het in de bijbel. Jullie hebben het vast ook gehoord op de koranschool. Ik zou het fijn vinden als jullie het vertellen zoals het in de koran staat. (H.B.)

• Het spreken over politiek is eveneens ongewenst en kan als pijnlijk worden er-varen.
• Informeer nooit naar vrouwelijke familieleden (zeker niet als man), maar vraag naar de ge¬zondheid van de hele familie.
• Het spreken over varkensvlees of alcohol is niet wenselijk en leent zich ze¬ker niet voor grapjes.
• In het gesprek en het maken van afspraken wordt improvisatie (vooral in Ma-rokko) meer op prijs gesteld dan een strakke planmatigheid.
• Het spreken over seksualiteit door mannen met vrouwen is verboden. Een on-derwerp als vrouwenbesnijdenis is onbespreekbaar.
• Het voorstellen een kansspel te doen, te wedden of te gokken is niet juist. “Woe-ker is Allah een gruwel. Allah heeft de koop u veroorloofd en de woeker verboden (Attema, p.76).”
• Verjaardagen worden haast alleen van kinderen gevierd met bijvoorbeeld taart en cadeautjes. Op latere leeftijd worden verjaardagen lang niet altijd gevierd.
• De televisie is een vast onderdeel van Turkse en Marokkaanse huiskamers. Als u op bezoek komt wordt deze als blijk van gastvrijheid vaak aangezet.
• Thee is een nationale drank en wordt veel meer genuttigd dan Turkse koffie. Thee wordt geserveerd in glaasjes met een klein schoteltje.
• In de vastenmaand Ramadan moet u aangeboden consumpties afslaan als het moslimgezin dat u bezoekt de vasten houdt.
• Bij het afscheid wordt, net als bij de aankomst, veelal aan iedereen een hand ge-geven.
• Vaak worden gasten, dus ook de leerkracht, bij het afscheid uitgenodigd nog eens te komen.

4. De koran

• Als u een koran bij de leerling thuis ziet liggen, pak die dan niet ongevraagd uit een kast om het te bekijken en er in te gaan bladeren.
• Moslims bewaren de koran op een schone en eervolle plek. Zo mogelijk wordt het heilige boek in een doos bewaard of in een doek gewikkeld. Vaak wordt de koran boven in de kast gezet boven andere boeken. Er mag geen ander boek op de ko-ran gelegd worden.
• Zij leggen geen boeken of andere zaken op of onder de koran.
• Moslims reinigen zichzelf voordat ze de koran aanraken en er uit lezen of voordra-gen.
• Voordat de moslim uit de koran gaat voordragen spreekt hij zijn intentie tot voor-dragen uit (niyya).
• Moslims wenden zich in de richting van Mekka wanneer ze uit de koran voordra-gen.
• Voorafgaand aan het voordragen uit de koran vraagt de moslim om Gods be-scherming tegen de satan (16:98 en 7:200-201).
• De voordracht (recitatie) wordt afgesloten door de formule: “God de Almachtige heeft de waarheid gesproken.”
• Er wordt een vrijwillig gebed uitgesproken (du’a) in de vorm van een verzoek om de voordracht te accepteren.

5. Non-verbale aandachtspunten

Iedere keer als Gloria, een tien jarig Surinaams meisje, van de leerkracht een uit-brander krijgt, slaat ze haar ogen neer. De leerkracht kan dat niet hanteren en negeert Gloria de rest van de dag.

In F-culturen (Fijn-mazige culturen) beschouwt men het neerslaan van de ogen als een teken van respect. De leerkracht interpreteert het gedrag van Gloria als onbeleefd of on-oplettend. In ieder geval is zijn wens dat zij hem blijft aan kijken als hij haar aanspreekt. Dit is een van de voorbeelden die het verschil duidelijk maken tussen een grofmazige cul-tuur en een fijnmazige cultuur. Een verschil waar de leerkracht niet veel over heeft ge-leerd.

• Elkaar een hand geven is soms om religieuze redenen niet toegestaan. Bij mannen kan de angst voor seksuele prikkeling een rol spelen. Wanneer er onduidelijkheid bestaat over het al of niet een hand geven, is het verstandig om niet zelf de hand uit te steken.
• Het neerslaan van de ogen bij een gesprek is een teken van respect.
• In het gesprek moet u er op letten niet de stem te verheffen of in toon¬hoogte om-hoog te gaan.
• Respecteer stiltes in het gesprek.
• Met handgebaren spreken wordt als onbeleefd ervaren.
• Let bij het gesprek op uw houding. Sla uw benen niet over elkaar. Het laten zien van de schoenzool kan als denigrerend worden ervaren.
• Let op de afstand tijdens het gesprek. Het te ver van elkaar af zitten of uw stoel naar achteren schuiven, kan wor¬den opgevat als een teken van afwijzing.
• Handen op de heupen leggen of in de zij laten rusten wijst op een uitdagende hou-ding. De ander zal het gesprek waarschijnlijk beëindigen.
• Een hand laten rusten op iemands schouder kan, een tikje op de schouder kan al-leen bij mannen of vrouwen onderling.
• Niezen, de neus ophalen, hoesten of hikken kan als onbeleefd worden uitge¬legd.
• In traditionele kringen wordt na hand schudden (door mannen) de hand naar het hart gebracht als teken van respect.

6. Gezin

• Als u bij de leerling op huisbezoek gaat zal dat in de regel erg op prijs worden ge-steld. Neem er ruim de tijd voor en realiseer u dat u een welkome gast bent.
• Wanneer u een probleem te bespreken hebt of slecht nieuws moet brengen, denk dan niet dat Nederlandse gespreksmodellen ook in de islamitische cultuur toepas-baar zijn. Het is ongebruikelijk om meteen met de deur in huis te vallen en vervol-gens te vragen wat een ouder van iets vindt of hoe het voelt.
• De vrouw is verantwoordelijk voor de verzorging van het gezin en de opvoeding van de kinderen. Ze zorgt er voor dat u zich op uw gemak voelt. Ze heeft van al-les en nog wat te doen, maar wat u over haar kind zegt zal haar niet ontgaan.
• In het gesprek zal blijken dat jongens in de regel vanaf hun tiende door de vader worden opgevoed.
• De leerkracht heeft niet zelden te maken met eenoudergezinnen, waar de moeder een dubbele taak heeft. Het zal soms niet duidelijk zijn of een vader nog een rol in het gezin speelt.
• U zult merken dat de man in de regel met de buitenwereld, dus ook met de school, communiceert. Maar het kan zijn dat de mening van moeder bepalend is.
• Het is de taak van de man de gezinsleden kennis van de islam bij te brengen.
• Misschien bezoekt uw leerling de koranschool. Het is attent te vragen hoe het daar gaat en wat hij leert.
• In Nederland is de autoriteit van de Turkse of Marokkaanse man steeds minder vanzelfsprekend. Het ligt voor de hand dat dit tot ernstige conflicten in het gezin kan leiden.
• Het kan zijn dat u hoort dat uw leerling in een van de eerste groepen van de basis-school is besneden. Islamitische jongens worden besneden tussen hun tweede en achtste verjaardag. Nadat hij besneden is, maakt hij deel uit van de mannenge-meenschap. De besnijdenis gaat gepaard met een groot feest.

7. Kleding

• De kleding van vrouwen die de leerkracht op school of thuis ontmoet is bedekt en ingetogen.
• Als u als vrouwelijke leerkracht omgaat met islamitische ouders, houd dan in uw kleding rekening met wat naar hun opvattingen gepast is. Mannen vinden de wes-terse vrouwen vaak uitdagend gekleed.
• Het dragen van shorts door mannelijke leerkrachten in een school zal door islamiti-sche ouders niet op prijs worden gesteld. Leerkrachten vertegen¬woordigen autori-teit en al te informele kleding past daar niet bij.

8. Beelden en foto’s

O gij die gelooft de wijn en het geluksspel en de afgodsblokken en de lotspijlen zijn slechts een gruwel van het maaksel van de Satan. Ontwijkt dat dus wellicht zult gij wél-varen (5:90).

De islam is een monotheïstische godsdienst. Moslims vinden het daarom vanzelfsprekend dat er geen beelden worden gemaakt. Overigens lezen we in de Tien Geboden:” Maak geen godenbeelden, geen enkele afbeelding van iets dat in de hemel hier boven is of van iets beneden op de aarde of in het water onder de aarde (Exodus 20:4).” Het verbod op beelden berust in wezen op het respect voor de schepping en de Schepper (Al Hariri-Wendel, p.91). Met foto’s ligt het anders. Foto’s geven veelal een bestaand levend wezen weer. Uitzonderingen vormen foto’s, tekeningen en schilderijen in de seksuele sfeer en van grote persoonlijkheden met verering als doel (Al Hariri-Wendel, p.95; Van Bommel 2007, p.60).

9. De imam en de school
Aan vrijwel iedere Nederlandse moskee is een imam verbonden. Soms doet een imam zijn werk naast een gewone baan. Andere imams zijn fulltime in dienst bij een moskee en zijn verantwoording verschuldigd aan het bestuur van de moskee. Zij krijgen hun salaris uit de opbrengst van de zakaat. Een andere groep imams wordt door het land van herkomst betaald en voor een bepaalde tijd naar Nederland gestuurd. Het is belangrijk voor de inte-gratie dat er goed opgeleide imams zijn, bekend met de Nederlandse taal en cultuur. Er bestaan inmiddels verschillende imamopleidingen in Nederland. Enkele aandachtspunten:

• De imam is de voorganger en heeft in de islamitische cultuur een aanzienlijke sta-tus. Hij fungeert als leider van de moslimgemeenschap en geeft uitleg en advies over de islamitische wetten en zeden. Meestal is hij verbonden aan een moskee in de wijk of de stad.
• De imam kan worden ingeschakeld bij problemen in het gezin of binnen de ge-meenschap.
• De imam sluit huwelijken, leidt begrafenissen, neemt nieuwe gelovigen aan en ver-richt rituele handelingen tijdens bijvoorbeeld de ramadan.
• De meeste imams verstaan en spreken Nederlands en hebben een luisterend oor voor wat de leerkracht heeft te zeggen.

10. Nog enkele weet-je-dat-jes op school

• Een moslimleerling of ouder zal een leerkracht niet gauw bij de voornaam noemen. Dit wordt als onbeleefd ervaren.
• Er zijn leerkrachten die de stijl van praten van Marokkanen dwingend vinden. Ze raken er aan gewend en zeggen er niets van. Daarmee helpen ze de leerlingen niet.
• Er zijn leerkrachten die opdrachten geven en zeggen: Zouden jullie dit werkstuk volgende week willen inleveren?” Een aantal allochtone leerlingen vond dit onduide-lijk. Later zei de leerkracht: “Jullie moeten dit werkstuk volgende week inleveren.” Toen was het voor iedereen duidelijk.
• Marokkaanse moeders komen vaak niet op school als er ook mannen zijn. De vrouwelijke leerkrachten kunnen wonderen doen.
• Knoop aan een rapportgesprek een gezellig gesprekje. Een tien-minuten-gesprek is altijd te kort. Veel Turkse en Marokkaanse ouders zijn niet gewend om meteen ter zake te komen en vinden het bovendien onbeleefd. Ze willen eerst een praatje maken, zoals dat in hun cultuur gebruikelijk is.
• Het is goed om na te gaan of de ouder of de leerling de informatie die de leer-kracht heeft gegeven ook heeft begrepen. Mijn kleermaker zag een tussenjaar in een kopklas alleen maar als een verloren jaar. Enkele maanden later vertelde hij mij, dat “juf wel een goede vrouw was en het beste voor zijn zoon wilde”.
• Moeders zijn meestal niet gewend over zichzelf te praten. Het kan zijn dat wan-neer ze zeggen dat “hun buurvrouw moe is”, zij zichzelf bedoelen. Het is goed om ook hier eerst te luisteren en niet meteen te zeggen dat de moeheid van de buur-vrouw in dit gesprek niet aan de orde is.
• Sommige ouders willen wel helpen op school. Het is ook belangrijk dat ouders zo veel mogelijk bij het leven op school worden betrokken. Voor religieuze ouders is het belangrijk dat zij kunnen bidden. Laat hen zien in welke ruimte op school zij dat kunnen doen of tref daar een voorziening voor.
• Alles wat uit het lichaam komt, beschouwt de moslim als zeer onrein (urine, ontlas-ting, menstruatiebloed). Na elk toiletbezoek is een kleine wasbeurt nodig.

11. Wat iedere leerkracht moet kunnen!

In de klas is een groepje Turkse leerlingen die het voor het zeggen heeft. Dat is lastig voor Berend, een ervaren leerkracht. Als Koos door de Turkse clan in de klas wordt bedreigd is de maat vol. Hij roept Mustafa, de aanvoerder, voor de klas en geeft hem een berisping. Daarna is iedere communicatie onmogelijk. Mustafa is woedend en wil niet meer terug naar school.

Mustafa krijgt ten overstaan van de hele klas een berisping . Zijn eer is aangetast. We hebben al gesproken over de wij-culturen (fijnmazige of F-culturen) en het belang van de eer. Berend heeft Mustafa’s eer en prestige op het spel gezet. De leerling weigert iedere bemiddeling en wil alleen nog naar een andere school. Had Berend ook anders kunnen reageren? Dat is vanaf de ‘wal’ misschien wel gemakkelijk te zeggen. “De beste stuurlui staan aan wal!” In de interculturele contacten zien we botsingen tussen culturele of reli-gieuze normen en waarden. Om de botsingen op te lossen heeft Pinto al heel wat jaren geleden de drie-stappenmethode (DSM) ontworpen (Pinto 1994A vv, p.176; Pinto 1994B, p.110 vv).

Ik denk dat de insteek in een gesprek per definitie niet moet zijn om iemand op andere gedachten te brengen. Dan neemt een gesprek heel snel de vorm van een discussie aan die mijns inziens zelden vruchtbaar is. Ik probeer wel fundamentele vragen te stellen en te getuigen hoe ik zelf anders tegen dingen aankijk. Daarnaast denk ik dat je in zulke gesprekken moet bidden om inzicht zowel bij je zelf als bij die ander, omdat uiteindelijk alleen de Geest kan overtuigen en waarlijk ‘verlich-ting’ kan geven om het ‘goede’ te zeggen (respondent 23).

De eerste twee stappen van de DSM beogen het verkrijgen van een dubbel perspectief. De derde stap is nodig om inzicht te krijgen in botsingen waarin normen en waarden haaks op elkaar staan en elkaar uitsluiten. Het doel van dit beproefde model is: 1. het wegnemen van vooroordelen; 2. het begrijpen en daardoor gemakkelijker accepteren en respecteren van andermans normen en waarden; 3. het vaststellen en aan anderen dui-delijk maken van de eigen grenzen ter voorkoming van irritaties, onbegrip en overdreven tolerantie.

Stap 1
Het leren kennen van de eigen cultuurgebonden normen, waarden en gedragsco-des. Welke regels en codes zijn van invloed op het eigen denken, handelen en communiceren?

Stap 2
Het leren kennen van de cultuurgebonden normen, waarden en gedragscodes van de ander. Daarbij moeten meningen over het gedrag van de ander gescheiden worden van feiten. Onderzocht moet worden wat de betekenis is van het gedrag van de ander.

Stap 3
Vaststellen van de wijze waarop men in een gegeven situatie met de geconstateer-de verschillen in normen en waarden omgaat door te bepalen waar de eigen gren-zen liggen wat betreft aanpassing aan en acceptatie van de ander. Deze grenzen maakt men vervolgens aan de ander duidelijk op een wijze die men eventueel aanpast aan de culturele communicatiecodes van de luisteraar.

Toepassing van de DSM kan bijvoorbeeld noodzakelijk zijn wanneer een traditionele man door zijn achtergrond niet gewend is opdrachten van vrouwen te accepteren. De normen en waarden van de man en de vrouw kunnen loodrecht op elkaar staan. De dubbelper-spectief benadering, dus kennis van elkaars opvattingen, levert niet per definitie een op-lossing. De DSM-methode kan inzicht geven in het voorkomen en oplossen van culturele botsingen. Leerkracht Berend zou Mustafa met meer inzicht in zijn culturele achtergrond individueel hebben aangesproken en hem niet voor de hele klas hebben berispt. Intercultu-rele communicatie heeft dus te maken met inzicht in verschillende culturen, met het bepa-len van grenzen en vervolgens hoe het in de praktijk ‘werkt’.

Kennis van cultuur en godsdienst is geen vereiste, maar kan wel helpen op een goede manier met de ander om te gaan. Door kennis kunnen misverstanden voor-komen worden en kan de ander beter begrepen worden. Het gaat in feite om een goede grondhouding, want kennis kan ook leiden tot arrogante betweterigheid, bij-voorbeeld wanneer moslims beleerd worden vanuit hun eigen koran. Het zal duide-lijk zijn dat de ander zich hierdoor innerlijk afsluit en dat echte communicatie on-mogelijk wordt (Evangelie en Moslims).

We komen dan op het gebied van de gespreksmodellen, gespreksschema’s, stappenplan-nen, alles wat er geschreven is over hoe mensen met mensen communiceren. Het afgelo-pen decennium heb ik tientallen cursussen pastorale counseling gegeven aan verschillende doelgroepen. De beginselen van pastorale counseling komen uit de cliëntgerichte psycho-therapie. In deze benadering staat de cliënt of leerling centraal. De hulpverlener of leer-kracht stelt zich in beginsel non-directief op en heeft inzicht in en maakt gebruik van de experientiële dimensie in het contact. In het contact ligt het accent op de ontmoeting (Borst 2004, hoofdstuk 2). Ik heb dit model in mijn publicaties het LAST-principe genoemd (Borst 2004, hoofdstuk 6).
Het acroniem “LAST” staat voor “Luisteren”, “Aansluiten”, “Samenvatten” en “Terugge-ven”. In deze paragraaf verbind ik de DSM-methode met het LAST-principe en noem dit model het LAST-III principe. Het is een model om vanuit het verwerven van inzicht in ver-schillende culturen het in het gesprek ‘uit te houden’, vertrouwen te winnen en om te voorkomen dat een contact abrupt wordt afgebroken.

12. Ontmoeting
Wat wil de ander vertellen met woorden, gebaren, stilte, een oogopslag? Vanuit deze vraag ontstaat er contact en ontmoeting. Soms hapert het contact op woorden, gebaren, stilte of een oogopslag. De woorden dekken de lading niet, de gebaren zijn expressief, de stilte is beklemmend en een oogopslag zegt dat er geen contact mogelijk is. Er zijn nogal wat stromingen in psychotherapie, hulpverlening en pastoraat waarvan de basisprincipes ook in begeleidingssituaties in het onderwijs worden toegepast. Een van de stromingen noem ik begeleiding als ontmoeting. Wanneer we nu de multiculturele school als uitgangs-punt nemen, kunnen we zeggen dat we de leerling of ouder ontmoeten. Dat kan zijn op school of thuis. De leerkracht wil de leerling of ouder iets vertellen of net andersom. Dat ‘iets’ kan van alles zijn en heeft te maken met schoolprestaties, gedrag op school of bui-ten de school, checken van vermoedens van mishandeling of misbruik, bezorgdheid om eten of kleding etc. Wat heeft de leerkracht de leerling of de ouder te vertellen of vra-gen? Het gesprek zou kunnen verlopen volgend de LAST-III methode. LAST-III staat voor: L (luisteren), A (aansluiten), S (samenvatten) en T (teruggeven), III voor de DSM-methode. We houden steeds rekening met de eigen cultuurgebonden normen, waarden en gedragscodes en die van de ander en bepalen waar we willen aanpassen of juist grenzen trekken.

12.1 LAST: Luisteren
Ik denk dat in vrijwel alle gesprekken de leerkracht iets wil vertellen over het gedrag, de vorderingen of de relatie die hij met een leerling heeft. De gesprekspartner is doorgaans een ouder van de leerling of iemand die in plaats van die ouder komt. Ook in een informa-tief gesprek of een slecht-nieuws gesprek is het van groot belang te investeren in de ontmoeting met de ander. Het alleen maar mededelen dat een leerling niet naar de brug-klas van het VWO kan, maar eerst een kopklas moet doen, kan alleen maar tot verwar-ring en onbegrip leiden.

Enige tijd geleden had ik een pantalon korter laten maken bij mijn Turkse kleerma-ker in een stad. Ik ben al heel wat keren in zijn zaak geweest om iets te laten vermaken of repareren. We schudden elkaar altijd de hand, maken een praatje, praten over het weer en een enkele keer over onze kinderen. De laatste maal ver-telde hij verontwaardigd dat zijn zoon niet naar het VWO mocht van een mevrouw op school. Veel knappe kinderen gingen naar het VWO. Zijn zoon is ook knap en haalt goede cijfers. En nu had die mevrouw het over een kopklas gehad. Dat zou beter voor zijn zoon zijn, maar hij haalde toch altijd goede cijfers? Of mijn zoon ook in een kopklas had gezeten? Mijn kleermaker voelde dat hem onrecht was aangedaan. En die mevrouw had drie maal op haar horloge gekeken. Was zijn zoon niet belangrijk? Wat maken een paar minuten nu uit als je over een jaar ex-tra in een kopklas praat?

Ik had een half uur met mijn kleermaker gepraat. In dat half uur had ik voornamelijk ge-luisterd. Dat was waarschijnlijk het beste, want na het gesprek zei de kleermaker: “Be-dankt dat u hebt geluisterd. Die mevrouw moet mijn zoon niet zomaar opgeven voor die kopklas. Ik zal de papieren over de kopklas nog eens lezen.” Ik had ook meteen kunnen gaan vertellen dat de leerkracht waarschijnlijk wel deskundig is, wat een kopklas is en hoe goed zo’n extra jaar is voor allochtone kinderen met een taalachterstand. Ik had dan niet gehoord dat mijn kleermaker zelf de beslissing had willen nemen om zijn zoon naar een kopklas te sturen.
Het is moeilijk om methodisch te luisteren. Een aandachtige luisterhouding en goede in-formatieve vragen die betrekking hebben op wat de pastorant wil vertellen, zullen de an-der aanmoedigen te vertellen. We noemen dat exploreren-intern. We luisteren aandachtig en stellen alleen vragen die betrekking hebben op het onderwerp dat aan de orde is. Het kan zijn dat de ander zijn verhaal moeilijk kan vertellen, omdat hij zich moeilijk kan uit-drukken, bijvoorbeeld door een geringe beheersing van het Nederlands. Hij vindt de juiste woorden niet, struikelt over zijn woorden, is bang dat zijn verhaal niet belangrijk genoeg is of dat de ander hem niet begrijpt. Het stellen van goede vragen geeft de leerling of ouder de gelegenheid zijn verhaal op een geordende manier te vertellen. Goede vragen zijn open vragen die stimuleren tot vertellen. (Een open vraag is een vraag die je niet met ja of nee kunt beantwoorden.) We noemen dat exploreren-extern. We luisteren aandach-tig en stellen niet alleen vragen die betrekking hebben op het onderwerp dat aan de orde is, maar ook die in relatie tot het onderwerp gebracht kunnen worden. Het verkennende vragen die wat verder van het onderwerp afgaan, maar toch met het onderwerp te ma-ken hebben. “Wat heeft de leerkracht u over de kopklas verteld?” is exploratie-intern. “Hebt u vrienden met wie u over uw vragen kunt praten. Bijvoorbeeld in het koffiehuis of in de moskee?” is exploratie-extern.

12.2 LAST: Aansluiten
Methodisch luisteren is altijd aansluiten bij de ander. De kleermaker voelt dat ik belang-stelling heb voor zijn verhaal en respect voor zijn vragen. Ik hoef niet meteen iets te zeg-gen of te vragen. Ik nam de tijd om te luisteren welke boodschap hij vertelde. Na verloop van tijd werd mij duidelijk dat het niet de kopklas was, maar dat hij als vader het gevoel had gekregen dat de leerkracht zonder hem iets had beslist over zijn zoon. Ik heb dit me-de ontdekt door het laten bestaan van stiltes in het gesprek. Een stilte die in het gesprek valt is ook een boodschap. Het is niet erg stimulerend om de stilte meteen door een op-merking of een vraag in te vullen.

12.3 LAST: Samenvatten
Om verder structuur in het gesprek aan te brengen is het goed na verloop van tijd een en ander samen te vatten. Meestal kun je een samenvatting als volgt beginnen: Ik heb nu een tijdje naar u zitten luisteren en ik heb u horen zeggen, dat… Om een gesprek te sti-muleren kan men ook een deel of het laatste woord van een zin herhalen. Het geven van een goede samenvatting ontlokt de ander vaak een bevestiging. De leerkracht ziet de leerling of de ouder bijvoorbeeld knikken of hoort ‘ja’, klopt’ of ‘juist’. De kleermaker zei verschillende keren: “U begrijpt mij!”

12.4 LAST:Teruggeven
Bij het teruggeven geven we vaak een interventie die het karakter heeft van een vraag of opmerking. Een samenvatting kan zijn: “U hebt een gesprek gehad op school. Het ging over uw zoon, de kopklas en of hij er al dan niet naar toe zou gaan. Maar het voelt niet goed. De leerkracht heeft een idee waarover u het liefst zelf wil beslissen als vader.” Daarna zou je in het teruggeven kunnen zeggen: “Wat zou uw volgende stap kunnen zijn?” of “U hebt het mij verteld. Ik begrijp, denk ik, wat er aan de hand is. Wilt u er nu of een andere keer met mij nog eens over praten?”

13. LAST-III
In het bovenstaande voorbeeld speelde het volgende door mijn hoofd. Ik ben ook vader van een zoon en wil met hem samen bespreken naar welke schooltype hij gaat. Ik denk daar niet anders over dan de Turkse vader. De vraag is wat er dan speelt in bovenstaand voorbeeld? Zijn dat toch culturele verschillen? En gaat het over aanpassen en grenzen stellen? In wat meer complexe multiculturele situaties is het daarom goed de drie stappen van het DSM-model te doorlopen om duidelijk te krijgen of er culturele verschillen zijn of dat die niet aan de orde zijn.

14. Wat wil de ander niet horen?

De beste gesprekken ontstaan daar waar men werkelijk naar elkaar luistert. De ander is niet ‘de moslim’ die ik al ken vanuit de boekjes. Al luisterend kan ik het meest ontdekken van de ander en van zijn of haar geloof en kan er een goede ba-sis ontstaan waarop óók het geloofsgesprek gevoerd kan worden. Er dienen im-mers antwoorden gegeven te worden op vragen die werkelijk bij de ander leven; niet op vragen waarvan ik denk dat ze bij de ander leven. Zo kan ik eventueel in-gaan op noden bij de ander of kan ik mijn nood delen met de ander (Evangelie en Moslims).

In deze paragraaf noem ik eerst enkele misvattingen en relatief eenvoudig op te lossen luisterfouten. Vervolgens ga ik verder in op enkele veel gemaakte fouten in de intercultu-rele communicatie: interpretaties, waardeoordelen, adviezen, voorbarige conclusies en zelfmededelingen.
Kletsen: Veel gesprekken zijn geen gesprekken. Er worden ervaringen uitgewisseld. De nieuwtjes of roddels hebben vaak het karakter van kletsen. Een van de meest gemaakte fouten in een begeleidingsgesprek is als de leerkracht het gesprek overneemt en over zijn eigen ervaringen gaat vertellen. Ik had tegen de kleermaker kunnen zeggen: “Ik ken een jongen die de kopklas heeft gedaan. Hij zit nu in de derde van de HAVO.” Ik zou dan het verhaal van de kleermaker hebben gepikt. De kleermaker heeft niets aan mijn ervaring.
Bagatelliseren: Wanneer de leerkracht de sterkte van gevoelens van de leerling of ouder vermindert of negeert, spreken we van bagatelliseren. Het lijkt alsof ze denken dat de gevoelens die ze niet bevestigen er ook niet zijn of wel weg zullen gaan. Het is juist an-dersom. Door de echtheid en de intensiteit van gevoelens niet te erkennen stijgt de inten-siteit juist.
Interpreteren: Het kan zijn dat de leerkracht moeite heeft met luisteren, niet wil luisteren, zich zit te vervelen bij het verhaal van de leerling of ouder of meteen maar zijn eigen verhaal wil vertellen. Dit gaat vaak gepaard met onderbrekingen van de leerling of ouder, zeggen of uitstralen dat hij het allemaal wel weet. De leerkracht zal in zo’n geval altijd iets uitstralen van macht. We kunnen verschillende typen macht onderscheiden. Ik denk bij de leerkracht aan deskundigheidsmacht (“Uw zoon heeft een taalachterstand en moet naar de kopklas.”); beloningsmacht (“Ik kan zaken voor u regelen.”) of informatiemacht (“Ik weet hoe de zaken in elkaar steken.”). Vaak leidt een onjuiste interpretatie tot een strijd om feiten of bedoelingen. Ieder heeft zijn eigen waarheid.
Voorbarige conclusies: Als gevangenisdominee heb ik geleerd niet zo gauw met mijn me-ning of oordeel klaar te staan. De Here Jezus gaf ook niet zomaar lukraak adviezen. Hij leerde de Emmaüsgangers dat ze voorbarige conclusies hadden getrokken (Lucas 24:25,26). Jezus wist dat de mannen verkeerde conclusies hadden getrokken, maar Hij veroordeelde ze niet. Neen, Hij ging met ze in gesprek en al counselend leerde Hij hun hoe zij de geestelijke dingen ook anders konden zien (Lucas 24:27). Daarmee leerde Hij de mannen ook zelf na te denken over wat ze geloofden en hoe hun relatie met Jezus was. Hij leerde hen zonder pastorale zorg weer op eigen benen te staan. Op het moment dat hun ogen geopend werden en zij Hem herkenden verdween Hij (Lucas 24:31).
Waardeoordelen: We hebben de neiging om in een gesprek al gauw met een waardeoor-deel te komen. Het gesprek verloopt nogal eens op een wijze, dat van de leerkracht een waardeoordeel gevraagd wordt. In een begeleidingsgesprek is het geven van waardeoor-delen vaak niet juist. Ook dan zou de pastor eerst aan de leerling of ouder moeten vragen waarom hij die vraag stelt. Het is beter de vraag te exploreren door verder te vragen waarom de ander de mening van de leerkracht zo belangrijk vindt, dan de vraag meteen te beantwoorden.
Adviezen: Vooral in moeilijke situaties waarin we eigenlijk niet weten wat we moeten zeg-gen, geven we gemakkelijk een advies. Adviezen kunnen evenwel alleen maar worden uitgevoerd en worden volgehouden als de leerling of leerkracht daarvoor gemotiveerd is. Als de leerling of ouder daarvoor niet gemotiveerd is, blijven het alleen maar goedbedoel-de woorden. De problemen die de leerling of ouder bij de uitvoering van een advies te-genkomt, moet hij gaan zien als zijn problemen waarvoor hij een oplossing moet vinden. En in gedachten houden dat in de Oosterse cultuur veel waarde gehecht wordt aan advie-zen van deskundigen.

Besluit
1. Inleiding
2. Een nacht om nooit te vergeten

1. Inleiding

Een katastrophe brak over het Christendom los door de opkomst van de Islam. Geheele landen werden hierdoor voor altijd aan de Christelijke invloedskringen ont-trokken (Prof. dr. F. Pijper, Leiden 1924).

Meer dan tachtig jaar geleden schreef de Leidse hoogleraar Pijper dat er een catastrofe over het christendom zou losbarsten door de opkomst van de islam. Ik kan niet anders schrijven dan dat ik tot op vandaag vooral in de politiek dezelfde geluiden hoor. Volgens sommige politici heeft de islam een catastrofale invloed op de Nederlandse samenleving en zou ook de koran in Nederland verboden moeten worden. Hoe zouden wij daar als christenen mee moeten omgaan? Hoe zou een leerkracht op een multiculturele basisschool deze geluiden moeten vertalen? De leerkracht die iedere dag zijn moslimkinderen en hun ouders ontmoet! Hoe kan hij een veilig onderwijsklimaat te creëren?
In de Inleiding heb ik geschreven dat het omgaan met moslimkinderen en hun ouders aan een aantal voorwaarden gebonden is. Ik heb als eerste genoemd de kennis van de islami-tische cultuur en religie. Vervolgens inzicht in culturele systemen, verhoudingen, posities van mannen en vrouwen. En tenslotte heeft de leerkracht een aantal vaardighedennodig om complexe situaties op een multiculturele school verantwoord te kunnen hanteren.
De interculturele ontmoeting tussen de leerkracht en de leerling of ouder vindt plaats in de context van een kleurrijke school, vaak een christelijke school, wanneer zich alledaagse of complexe onderwijssituaties voordoen. De beroepsattitude van de leerkracht is van door-slaggevend belang. Daartoe dient de leerkracht kennis van en inzicht in zijn eigen culturele en religieuze socialisatie te hebben. Op welke wijze speelt in zijn omgang met moslims mee wat hij zelf thuis, op school, op straat en in de kerk heeft gehoord en geleerd? Dit boek poogt een hulpmiddel te zijn om de leerkracht en een ieder die belangstelling heeft voor de omgang met moslims kennis, inzicht en vaardigheden bij te brengen. Vele alinea’s en fragmenten nodigen uit tot gesprek met moslims, maar ook met elkaar als collega’s, docenten en studenten, predikant en gemeenteleden.

Ik vind dat je anderen niets kunt opdringen. Je moet respectvol met iedereen om-gaan. Ik denk ook dat het belangrijker is om een relatie aan te gaan met iemand en deze relatie op te bouwen. Je moet kijken waar iemand staat in het leven. Daar vanuit kun je het gesprek aangaan. Ik heb deze gelegenheid zelf nog nooit gehad om een relatie op te bouwen met een moslim. Het is ook lastig om iemand open te krijgen. Dit kost veel tijd. Maar dit lijkt mij wel de beste methode. Folders uitdelen werkt niet naar mijn inzicht. Je kunt beter iemand op de thee vragen. Dus het con-tact/relatie aangaan (respondent 19).

Bidden met moslims?
In het vorige hoofdstuk heb ik geschreven: Van mijn God mag ik getuigen, zonder de ander onmiddellijk te overtuigen, van Hem mag ik spreken, zonder de ander onmiddellijk te overschreeuwen, daarvan mag ik schrijven, zonder de ander onmiddellijk af te schrij-ven. En voor en met die ander mag ik bidden in het gelof dat God ons samen ziet en de woorden van ons hart verstaat, zelfs voordat wij ook maar een woord gezegd hebben. Wanneer we denken dat de ander een “catastrofe” veroorzaakt zoals meer dan tachtig jaar geleden is geschreven en zoals nog steeds wordt geschreven, dan zullen we de ander nooit werkelijk ontmoeten. Er zijn heel verschillende meningen over de ontmoeting met moslims, zoals in de citaten ook weergegeven is, maar vrijwel iedere respondent van het eerder genoemde onderzoek durft de ontmoeting aan. In de ontmoeting zijn we ook christen, beelddrager en bondgenoot van Christus. We hebben verschillende rollen: leer-kracht, directeur, lid van de oudercommissie, leider van de bijbelgespreksgroep etc. In welke rol we ook zijn, zoals ik in het vorige hoofdstuk schreef, we zijn niet van de gods-dienstrecher¬che of van de maffia die een kind ondervragen, ontvoeren naar een onbe-kend eiland of op zijn minst op de levensbeschouwelijke tocht zetten.

Ik denk zelf dat missie onder moslims alleen mogelijk is als je langdurig investeert in de relatie (mijns inziens is de Arabische cultuur sterk groeps– en eer gericht, en veel minder individueel– en schuld gericht. Alhoewel missie m.i. altijd ingebed moet zijn in langduriger relaties, is dit m.i. in de Arabische cultuur nog veel meer het ge-val). Ik denk wel dat christenen ook naar moslims een hele belangrijke functie hebben om te zien dat een relatie met God ook uitwerking heeft op je leven, in je doen en laten. Moslims denken m.i. vaak dat christenen maar doen wat ze willen (o.a. ook omdat westers gedrag per definitie als ‘christelijk’ gezien wordt). Hier moeten christenen laten zien dat zij in zekere zin ook tegen de heersende cultuur van individualisme, hedonisme etc. ingaan en principiële keuzes maken, zoals een moslim die vaak ook maakt. De uitdaging ligt m.i. o.a. in het laten zien dat een Christen dit van binnen uit, vanuit een levende relatie met een liefhebbende Vader doet en niet van buiten af, door een opgelegde wet waaraan je je moet onderwer-pen (respondent 23)!

Probeer angstbeelden over en weer tegen te gaan. Wees als christenen je ervan bewust dat moslims denken dat de westerse wereld christelijk is. En dan zien ze: een decadente, versekste, materialistische samenleving. Dat dat niet ‘christelijk’ is, zul je met je eigen levensstijl duidelijk moeten maken. Onze neef was onder de in-druk van het feit dat wij ook vasten (maar op een ander moment) en dat Reinier geen alcohol drinkt, omdat je zonder alcohol ook heel gelukkig kunt leven. Kortom: laat met je leven en je liefde zien wie Jezus is. Voorkom gepreek. En zorg dat er onderscheid gemaakt kan worden tussen ‘de westerse wereld’ en ‘de christelijke wereld’. Hand in eigen boezem dus! (respondent 9).

De “hamvraag” waar we nu bij terechtkomen en die menigmaal op een lezing of tijdens een college wordt gesteld is: “Bidden we nu tot dezelfde God?” Steeds meer vraag ik mij af waarom dit antwoord zo belangrijk is? Draagt een antwoord bij tot een ontmoeting met moslims?
In mijn studie voor dit boek heb ik veel van christen-auteurs gelezen. Velen wisten precies te omschrijven waarom het christendom goed was en de islam fout of vals. Ik heb me vaak verbaasd over de argumenten, soms ook geërgerd. Het laatste boekje dat ik kocht zegt over het gebed in de islam: De islam is een religie onder de wet en bouwt niet op de genade van de Verlosser. “Hier ligt de grote dwaling van de islam. Zoals de wassingen voor het gebed alleen de huid en het hart kunnen reinigen, zo kan het islamitisch gebed niet het heil bewerken. De moslim heeft nog niet zijn eigen verdorvenheid ingezien, omdat hij niet de heilige God van de liefde kent (Aboel al-Masih, p.19).” De teneur van dit boekje is: Allah is geen God, de moslim is alleen maar slaaf en heeft geen inzicht in zijn eigen verdorvenheid, de God van de christenen is goed. In dit en in veel christelijke literatuur wordt steeds maar het “gelijk” van het christendom bewezen. Ik heb in mijn vele contac-ten met moslims ontdekt dat je alleen de ander kunt ontmoeten en met de ander kunt bidden, als je je bril van het gelijk en de glazen van vooroordelen en veroordelingen durft af te zetten. En ook zonder die bril met gekleurde glazen blijf je christen, naamdrager en bondgenoot van Jezus Christus, en door Hem mogen wij de Vader kennen. Wij geloven dat Hij in Zijn liefde en genade vele mensen aanraakt. In onze woorden en in ons gedrag mogen we dat zeggen en uitstralen. Dat is wat anders dan de moslim naaste beledigen, duiden als een verdorven ziel die in een valse god gelooft, en zeggen dat wij de “ware godsdienst” hebben. Een moslim in de gevangenis vroeg eens aan mij waarom dat er zo veel soorten christenen zijn? Ik kon het niet uitleggen. Ik kon alleen uitleggen wat ik van het Evangelie begrijp, geloof, getuig en predik! Voor mij is dat met liefde voor de gere-formeerde theologie en trouw aan de confessionele stroming binnen de PKN. Volgens sommigen is dat niet de “ware kerk”. Ik hoop dat ik als herder en leraar nog veel vragen houd en dat de Here mij behoede voor zelfverzekerdheid en zelfgenoegzaamheid als het om mijn medemens, mijn moslimnaaste, gaat. Ik heb in de gevangenis veel met en voor hen gebeden. Ik heb nooit het gevoel gehad dat ik tot een valse god, een systeem of een leegte bad. Zou God zelf dan niet ingrijpen?

2. Een nacht om nooit te vergeten

Ieder jaar met Pasen, of liever in de dagen voor Pasen, denk ik weer aan de nacht van Goede Vrijdag op Stille Zaterdag. ’t Is inmiddels zo’n vijftien jaar geleden. Ik had net de dienst geleid in de gevangenis van een grote stad. Ik was op weg naar een ziekenhuis, naar een gedetineerde die er met spoed was opgenomen. Vorige week zat hij nog bij me in de kerk achter tralies en nu leek het helemaal mis. Het zou een nacht worden om nooit te vergeten.

Tegen middernacht reed ik naar het ziekenhuis: “En wat komen we doen?”, vroeg de por-tier. Het irriteerde mij hoe de man mij te woord stond. Maar, misschien was ik wel wat overgevoelig zo laat op de avond. Ik besloot me in te houden, want portiers en conciërges zijn machtige mensen. De portier keek nauwelijks op van zijn puzzelboekje. Wat komen we doen? “Ik kom een zieke bezoeken.”, zei ik tegen een glimmende microfoon die in een dikke glazen ruit was gemonteerd. “Is mijnheer gebeld?”, vroeg de man met iets meer inte¬resse. Het ‘verhoor’ bij de portier was begonnen. Zou ik naar binnen mogen vroeg ik me af? “Ja, ik ben gebeld!”, zei ik zo vriendelijk mogelijk. “Is mijnheer familie?”, vroeg de portier verder. Hij had zijn pen neergelegd. “Neen, mijnheer is geen familie. Ik ben dominee.”, zei ik en ik wist niet of het indruk zou maken. “Nou, dan is mijnheer de domi-nee nog laat op pad.” Ik zei maar niets. Sommige mensen willen nu eenmaal het laatste woord. Hij vroeg om wie het dan wel ging, want het moest toch wel ernstig zijn. Ik noem-de een Marok¬kaanse naam, die ik meteen maar spelde. De portier schudde zijn hoofd en keek me lang aan. ” ’t Zal niet gaan, mijnheer. Daar mogen alleen mensen van Justitie bij!” Hij pakte zijn pen weer en wilde al weer verder puzzelen. “Ik ben van Justitie.!”, zei ik en ik liet mijn pasje zien. De portier knikte kort en zei verder niets. Hij drukte op een knop en de deur schoof open. Ik liep door het stille ziekenhuis naar de afdeling intensive care. Onder¬weg werd ik door een enkele nachtzuster en een nachtdokter nieuwsgierig opgenomen. Op de afdeling intensive care zocht ik tussen de glazen kamertjes naar een verpleegster. Ik vond niemand. Voor een van de deuren stonden twee bewaarders. “Hoi dominee!”, zei de een. Hij had nogal eens dienst in de kerk en was een van de weinigen die bij de zegen ging staan. “ ’t Heeft geen zin!”, zei de ander. Ik schoof het kamertje in. Een donkere man lag met geslo¬ten ogen in het bed. Zachtjes borrelde een infuus en hoor-de ik de zuur¬stof in zijn neus sissen. Er zaten slangetjes in zijn mond, neus en armen. Ik pakte een stoel en ging bij zijn bed zitten. “Hij ligt in coma!”, zei de ver¬pleegster die ge-ruis¬loos binnen gekomen was en even naar mij glimlachte. Toen ik dacht dat ze wat wilde zeggen schoot ze geruisloos de gang op.
Ben Ali was een goede veertiger. Hij had mij verteld dat hij een groot deel van zijn leven had vastge¬zeten. Van Marokko was hij naar Frankrijk gegaan, had in Parijs gewoond, ge-studeerd, gefraudeerd, een ‘goed’ leven geleid. Met een vriend was hij naar Nederland gekomen. Ben Ali vond een baan, een huis, een vriendin en werd vader. Hij kon zijn geluk niet op. Totdat zijn vrouw een nieuwe vriend kreeg en zijn zoontje een nieuwe vader.
Flarden van onze gesprekken op zijn cel schoten door mijn hoofd, terwijl ik naar zijn rus-tige gelaat keek. Ik zag hem in een flits voor me als een klein mooi donker baby’tje, peu-ter, kleuter, puber, student, vader, gedetineerde. “U bent zeker de dominee van de ge-vangenis?”, vroeg een aardige vrouw in een lange witte jas met daaronder zwarte jeans en witte Nikes. Een stethoscoop hing nonchalant om haar nek en een soort telefoon stak uit haar zak. “Ja”, zei ik en ik stelde me voor. “Mijnheer heeft geen familie?”, vroeg de dokter. Ze had eveneens een stoel gepakt en ik was blij dat ik even gezelschap kreeg. “In Nederland niet, geloof ik…”, zei ik. “Attent dat u gekomen bent!”, zei de dokter.
Haar complimentje stelde me niet echt op m’n gemak. De verpleegster kwam terug en vertelde: “Voor hij naar de O.K. ging zei hij: “Ik moest eigenlijk naar de kerk. ’t Is Goede Vrijdag.” Dat raakte me. Hij kwam altijd naar de kerk en hoewel hij niet van de kerk was, deed hij altijd mee. “Ik geloof in God. U gelooft in God. We proberen allebei een goed mens te zijn.” Tegen die eenvoud kon ik niet op. Bij de zegen sloeg hij altijd met zijn rechterhand op zijn borst. En bij het verlaten van de kerkzaal zei hij: “Dank u wel, vader, voor uw zegen.” De verpleegster vroeg: “Maar, ’t is toch een Marokkaan en die zijn toch allemaal mohammedaan of moslim, of hoe zit dat? In ieder geval niet van de kerk, bedoel ik.” “Ja, zuster, hij is van de moskee, of was, dat weet ik niet. In de gevangenis kwam hij wekelijks naar de kerk en zat hij in de gespreksgroep. We hebben heel wat gepraat.” De dokter knikte en de verpleegster knikte en keken van de stervende man naar mij. “Waren dat zijn laatste woorden…?”, vroeg ik. “Ja, mijnheer of ik bedoel dominee”, zei de dokter. “Hij mompelde wat over de kerk.” “Binnen een half uur was hij weer terug op zaal.”, zei de verpleeg¬ster. Ze keek me aan en zei: “Dan weet u het wel.” Ja, dan weet je het wel. “En nu…?” , vroeg ik, toch een beetje verlegen met de situa¬tie. Er is niets meer aan te doen. Hij komt ook niet meer bij, denk ik. “Het kan nog wel een paar uur duren, misschien kor¬ter.”, zei de dokter. “Hij heeft een morfine-infuus.” Ze schoof haar stoel wat naar achter en stond op. “Wilt u blijven?”, vroeg de verpleegster. “Ja” ,zei ik. “Fijn, want verder zal er wel niemand komen, geloof ik.” De ver¬pleegster ging koffie halen. De dokter zei, dat ze nog wel eens langs zou komen en verdween ook. ’t Was inmiddels over twaal-ven, Stille Zaterdag. Ja, stil was het wel, dacht ik. Ik moest mijn vrouw nog bellen. Ze zou niet weten waar ik bleef. En mijn Paaspreek was nog niet af. Daar zat ik bij een sterven-de man, een broeder van de moskee en ook een beetje van de kerk. “U gelooft in God en ik geloof ik God.” De woorden spookten door mijn hoofd. Zijn laatste woorden waren: ” ‘k Moet eigen¬lijk naar de kerk.¬ ’t Is Goede Vrijdag!”
Ik weet niet meer hoe lang ik zijn hand heb vastgehouden. Ik was bang ik slaap te vallen. Toen dacht ik aan die woorden van de Here Jezus, waar ik die avond over had gepreekt. “Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten?” Een roep, een schreeuw, een doods-kreet, het ergste wat je kunt overkomen. Dat je je van God en mensen verlaten voelt. Maar was het antwoord uit de hemel niet: “Ik heb je niet verla¬ten!”
Kort na middernacht kwam de verpleegster weer, voelde zijn pols en zei: “t Is bijna afge-lopen, dominee.” Ben Ali, een man die niemand meer had, die als ‘niemand’ leefde in een cel van drie bij vier. Ver van zijn land en zijn familie zou hij sterven. De man die zei: “Ik heb m’n eigen geloof, dominee!” En dan bedoelde hij dat hij moslim was, een man van de mos¬kee. Maar in de kerk deed hij altijd mee, zong zo goed mogelijk Welk een Vriend is onze Jezus mee en had tranen in zijn ogen als ik voor vaders bad die hun kinderen misten en voor kinde¬ren die hun vader misten. En bij de zegen ging hij altijd staan en sloeg op zijn borst.
Inmiddels had ik m’n tweede kopje koffie. Ik wachtte, ja waarop eigenlijk? De stervende man wachtte ook. Vreemd om zo bij een man te zitten met twee bewakers voor de deur. “O God, wat een toestand!”, dacht ik of bad ik. God? Was Hij er ook op het sterfkamer-tje? Waren we met z’n drieën, met de ander en dè Ander? Dat heb ik Hem toen ge¬vraagd aan Hem die ieder leven schept en draagt, samen met de stervende man. Ik nam zijn hand in mijn handen en bad: “Here God, zie ons hier bij¬een, twee mannen, twee levens. Wees met ons in deze stille nacht, draag ons, wees vooral mijn broeder nabij in zijn laat-ste uren. U weet van zijn leven, zijn lijden, zijn gebeden in de moskee en in de kerk. Toen heb ik mijn hand op zijn voorhoofd gelegd en hem de zegen gegeven. Nooit zal ik die ogen vergeten. Even sloeg hij ze op. Als groet. Als afscheid. Een paar secon¬den maar. Enkele minuten later zuchtte hij en stierf.
Toen ik naar huis reed begon het al licht te worden. Morgen is het Pasen, dacht ik. Er kwam een melodie in mijn hoofd en zachtjes neuriede ik, wat we die avond hadden ge-zongen: “Houd Gij mij in uw hoede, Gij die uw schapen telt.” Als Ben Ali er bij was ge-weest, had hij van harte meegezongen. Met Pasen preekte ik ’s morgens in een keurige kerk. ’s Middags in de gevangenis. Met tachtig mannen herdachten we Ben Ali in een oude gymnastiekzaal. We zongen, baden, luisterden. Gelovigen, ongelovigen, christenen, mos-lims, hindoes. Mannen in pak, mannen in korte broek op blote voeten, bewaarders, een gospelkoortje van de Ghanese kerk. Ik vertelde over de tuin en de goddelijke tuinman. “Wie zoekt ge?”, vroeg Hij aan een zoekende vrouw. Alleen al die vraag gaf haar rust en geeft ons rust. “Meester!”, zei de vrouw, die ooit bezeten was. Na de preek zongen we “Abide with me”. Daarna baden we voor Ben Ali, zijn familie, die hem moest begraven ergens in Marokko. En voor zijn kind, dat hij nooit zal vergeten wie zijn vader was, en voor alle kinderen, vrouwen, vriendinnen en voor elkaar. Bij de zegen hielden we elkaars handen vast. Daarna was er koffie en voor iedereen een netje chocolade eieren. Na een kwartier ging de zoemer. In groepjes van acht gingen ze terug naar hun cellen. Bij de deur gaf ik iedereen een hand: “God bless you!” Nadat we de zaal hadden opgeruimd vroeg een van de Ghanese zangers: “Zullen we samen danken voor deze Paasdienst en dat wij hier het Evangelie mochten brengen?” Dat raakte me. In de gevangenis vallen veel kerk- en moskeemuren weg.

Verklarende woordenlijst

‘Abd (Allah), dienstknecht (van Allah)
Aboe Bakr, kalief van 632-634
Adzaan, gebedsoproep
Akieda, geloofsleer
Ali (ibn Abi Talib), kalief van 656-661
Alim, rechts- en godsdienstgeleerde
Ajr, ‘beloning’, religieuze verdienste
Aya, vers in de koran, teken, wonder
Ayatollah, gezaghebbende koran geleerde in de sji’itische islam
Allah, Ilah God; naam is afgeleid
Aqaama as-salaat, verrichten van de salaat
Arkaan ad-dien, de zuilen van de godsdienst van ilah of el (Hebreeuws)

Baraka, goddelijke kracht, gratie en ‘zegening’
Bid’a, vernieuwing, negatief opgevat als nieuwlichterij
Bismillah, ‘In de naam van God’
Burqa, gewaad dat zowel lichaam als hoofd en gezicht bedekt, vooral gangbaar in Afgha-nistan

Chadiedja, eerste vrouw van Mohammed (gest. 619)
Chador, gewaad dat lichaam en haar bedekt maar het gezicht onbedekt laat

Da’wa, oproep of uitnodiging tot de islam, missie, zending
Dar al-harb, gebied van de oorlog
Dar al-islam, ‘huis of domein van de islam’ waar de islamitisch wet geldt
Djahilijja, tijd van onwetendheid, heidendom
Djanna, paradijs
Djahannam, hel
Djellaaba, ruime mantel met capuchon
Djibriel, de engel Gabriël
Djihaad, plicht, geloofsijver of strijd voor de islam
Djizja, belasting die een dzimmi dient te betalen
Dzimmi, belastingplichtige jood of christen in islamitische landen

Falsafa: Arabische filosofie naar Griekse wijze
Fatwa – gezaghebbend advies van een islamitisch geleerde in religieus-juridische kwesties
Fikh, rechtswetenschap
Fitna, chaos, verstoring van de orde, onderlinge strijd; het voorkomen van fitna is een belangrijke pijler van het islamitische recht

Ghusl – uitgebreide rituele wassing

Hadd, lijf – of doodstraf
Haddj, bedevaart te Mekka
Hadieth, gezaghebbende overlevering van uitspraken en handelingen van de profeet Mo-hammed; meervoud: ahadith
Hafiz, iemand die de koran uit zijn hoofd kent
Halaal, toegestaan voedsel in de islamitische wet, ‘kosher’
Haraam, verboden in de islamitische wet
Hasanat, vrijwillige vrome daden
Hidjaab, hoofddoek
Hidjra, emigratie van Mohammed, begin islamitische kalender in 622
Hodja, titel van de imaam bij de Turken

Ibadaat, rituelen, regels in het islamitisch recht die betrekking hebben op de relatie tussen de mens en zijn Schepper
Iblies, de duivel
Ied al-adha, offerfeest ter gelegenheid van het einde van de bedevaart (haddj)
Ied al-fitr, feest ter afsluiting van de vastenmaand Ramadan
Idjmaa, consensus; één van de rechtsbronnen
Imaan, geloofsleer, geloof
Imaam, voorganger of leider in de moskee, godsdienstleraar
Indjiel, evangelie (boek van Jezus)
Insjaa’ Allaa, als Allah het wil

Ka’ ba, heiligdom in de stad Mekka
Kafir, ongelovige, ondankbare
Kalaam, de Arabische term voor theologie
Kalief, imaam
Kalifaat, bij de soennieten de politiek opvolger van Mohammed
Khoetba, Choetba, vrijdagpreek
Koefr, het niet geloven in God
Koettaab, koranschool
Koran, voor moslims de laatste en definitieve openbaring aan de profeet Mohammed, die een lange reeks van profeten (waaronder Abraham en Jezus) afsluit

Malak, engel
Mihraab, nis in de moskee die de gebedsrichting aangeeft
Minbar, preekgestoelte in de moskee
Moskee, plaats van ternederwerping (om te bidden)
Moefti, geleerde die bevoegd is in religieuze en juridische kwesties advies uit te brengen (zie ook fatwa)
Moertadd, afvallige
Moellah, titel van geestelijken, nu vooral bekend uit de sji’itische wereld

Nabi – profeet

Oelama, wetgeleerden
Oemar, kalief van 634-644
Oemma, geloofsgemeenschap
Oethmaan, kalief van 644-656

Qiblah – gebedsrichting (richting Mekka)
Qiyaas, analogische redenering; één van de rechtsbronnen

Rahmaan, barmhartig
Ramadaan, maand van vasten (sawm)
Rasoel, boodschapper, apostel

Sadaka, vrijwillig gegeven aalmoes, liefdadigheid
Salaat, rituele gebed (vijf keer per dag)
Sawm, vasten (tijdens ramadaan)
Shahid, martelaar (in de heilige oorlog); getuige in een rechtzaak
Sjahaada, geloofsbelijdenis
Sji’ieten – ‘partij’ (van Ali Ibn Abi Talib, de neef en schoonzoon van de profeet Moham-med), stroming die alleen nakomelingen van Ali als opvolgers van de profeet erkennen
Sjarie’a, islamitische wet; letterlijk: het pad naar de bron
Sjirk, afgodendienst. Het aantasten van de eenheid van Allah
Soefi, islamitische mysticus
Soenna, de gewoonte (van Mohammed)
Soennisme, hoofdstroom in de islam (90%).
Soera, een van de 114 hoofdstukken die de koran vormen.

Takfier, iemand tot ongelovige bestempelen, verketteren
Talaak, ver¬stoting,
Talib, koranstudent
Tauraat, vijf boeken of Thora van Mozes
Tawhied, eenheid van God en in het handelen van gelovigen in al hun doen en laten

Wahi, inspiratie
Woedoe, ‘kleine’ rituele wassing

Zaboer, Boek van David
Zakaat, de wettelijke aalmoes of godsdienstige belasting op goederen voor voor liefdadige of religieuze doeleinden;
Zina, overspel

Literatuur

Abd al-Masih, Bidden moslims en christenen tot dezelfde God? Doorn 2000
Abdiyah Akbar, A.H., Sharing your faith with a Muslim. Minneapolis 1980
Abdus Sattar, S.M., Islam voor beginners. Amsterdam 1997
Abdus Sattar, S.M., Aspekten van opvoedingen onderwijs in de islam. Amsterdam 1990
Ajouaou, M., De moslim die ik ben. Amsterdam 2006
Al Hariri-Wendel, T., Symbolen van de Islam. Hoevelaken 2002
Al-Johani, M.H., De waarheid over Jezus. Leiden 1998
Al-Kaysi, M.I., Zeden en gewoontes in de islam. Delft z.j.
Al-Sain, J., Schrupp, E., Mijn strijd voor Allah. Heerenveen 2002
Alkema, E. e.a., Meer dan onderwijs. Assen 2006
Andel-Rutgers, J.C, Islam en Christendom. Zendingsstudie-Raad , ‘s Graven¬hage 1921
Andree, T. en Bakker, C. (red.), Feesten en vieren in verleden en heden. Visies vanuit vijf wereldgodsdiensten. Zoetermeer 1997
Angenent, H., Criminaliteit van allochtone jongeren. Baarn 1997
Ankerberg, J. and Weldon, J., The facts on Islam. Eugene USA 1998
Arabische Wereld Zending, Kinderen van Ismaël. Amsterdm 2002
Arends, I. c.s., Prisma van de islam. Utrecht 1995
Arkoun, M., Islam in discussie. Amsterdam 1993
Ashour, M., De djinn in de Qor’aan en de Soenna. Noer, Delft 1998
Armstrong, K., Een geschiedenis van God. Amsterdam 1995
Attema, D.S., De koran, zijn ontstaan en inhoud. Kampen 1993
Avest, I. ter, Kinderen en God verteld in verhalen (diss.). Zoetermeer 2003
Avest, I. ter, Zin in m’n klas? Damon / Radboudstichting 2004
Azghari, Y., Cultuurbepaalde communicatie. Soest 2005
Aziz-Us-Samad, U., Islam and Christianity. Peshawar University, z.p., 1985

Baaren, J.I. van, De islam in het licht van de bijbel. Stichting Moria, Amster¬dam 1979
Baaren, J.I. van, De New Age Movement in het licht van de bijbel. Amsterdam 1988
Bakker, F.L., Jezus in de Islam. Den Haag 1955
Banning, H., In gesprek met migranten. Baarn 1994
Bashir, G.A., De heilige Qor’aan en zijn leer. Amsterdam 1955
Beck, H., Islam in hoofdlijnen. Zoetermeer 2002
Bekkum, W.J., c.s., Jeruzalem in jodendom, christendom en islam. Baarn 1996
Berry, H.J., What they believe. Islam. Nabraska USA 2004
Beukema, J., Een kerk bekent kleur. Zoetermeer 2002
Boer, Tj. de, De wijsbegeerte in den islam. Haarlem 1921
Boersma,J. e.a., Zicht op de islam. Groningen 1994
Boevink, G., e.a., Gesprekken zonder grenzen. Woerden 2001
Boiten, H.J. (red.), De Tien Geboden. Bijbelstudie in schetsen II. Bedum z.j.
Bommel, A. van, Islam en Ethiek in de Gezondheidszorg. Den Haag 1993
Bommel, A. van, Kom tot het gebed. ’s Gravenhage 1989
Bommel, A. van, Islam, liefde en seksualiteit. Amsterdam 2003
Bommel, A., Valt er nog wat te lachen met die moslims? Amsterdam 2007
Booy, E., e.a., Kleurrijk verplegen verzorgen. Houten/Diegem 1996
Borst, J.C., Gij zijt die man! (diss.) Leiden 1995
Borst, J.C., Verraden Vertrouwen. Heerenveen 1996/ 4e herziene herdruk 2004
Borst, J.C., Botsing en Richting. Ede 2000
Borst, J.C., De veilige School. In: De Reformatorische School. p. 23-30, 30e jrg. nr. 9, 2002, Nieuw Lekkerland.
Borst, J.C., Temptatio et Gaudium, Amsterdam 2006
Bouali, F., Bevrijd door Allah. Amsterdam 2006
Bouali, F., Had ik maar Frans gestudeerd. Amsterdam 2007
Bowker, J., Wat moslims geloven. Rijswijk 2002
Brinkman, F., Haram. Uit het dagelijks leven op een islamitische school. Amster¬dam 2005
Brokerhof, D. en Zuurmond, A. (red.) Godsdienstonderwijs in intercultureel perspectief. Kampen 1990
Bruin, K. en Heijde, H. v.d., Intercultureel onderwijs in de praktijk. Bussum 2002
Buitelaar, M., en Motzki, H., De koran. Ontstaan, interpretatie en praktijk. Muider¬berg 1993
Buitelaar, M., en Haar, J. ter, Mystiek. Het andere gezicht van de islam. Bus¬sum 1999
Buitelaar, M., Islam en het dagelijks leven. Amsterdam 2006

Canatan, K., Turkse islam (diss.). Rotterdam 2001
Caner, E.M. en Caner, E.F., Islam ontsluierd. Hoornaar 2005
Capelle, M.C., Moslems als buren. Goes 1977
Catherine, L., Islam voor ongelovigen. Amsterdam 1997
Chapman, C., Kruis en halve maan. Amsterdam 1996
Chedid, B.M., Islam, what every Christian should know. Darlington 2004
Cobben, P., De multiculturele staat. Budel 2003
Cornille, C., De wereldgodsdiensten over schepping, verlossing en leven na de dood. Leu-ven1997
Crag, K., The call of the Minaret. Oxford 2003

Dareck, G., Culturen in meervoud. Leende 1999
Deijl, W, Takken, H., Hoop voor moslimjongeren. Amsterdam 2005
Deug, F., En dan ben je pas echt ver van huis: Turkse en Marokkaanse vrou¬wen en meis-jes over seksueel geweld en de hulpverlening. Utrecht 1990
Devijver, J., Geloven en gelukkig zijn. Naar een geloofsdialoog met kinderen. Averbode 1997
Dingemans, G., Ietsisme. Kampen 2005
Dolan, D., De strijd om het beloofde land. Leiden 1991
Douwes, D., De islam in een notendop. Amsterdam 2003
Driessen, H. (red.), In het huis van de islam. Nijmegen 1997
DTC, Rijksvoorlichtingsdienst e.a., Communicatie met etnische minderheden. Houten / Diegem 1996

Eck, J. van, Uw partner in godsdienst. Zoetermeer 2003
El Djezeïri, A., De weg van de moslim. Minhaj El Moslim Deel 2. Leiden 1997
El Djezeïri, A., Het huwelijk in de islam. Project Dien, Leiden 2000
Elghazali, M., Het karakter van een moslim. (vertaling Um Salma) Amsterdam 1987
Esposito, J.L., Islam the straight path. Oxford 1991
Esposito, J.F., The Oxford history of Islam. Oxford 1999
Evangelie en Moslims, Moslims, omheen gaan? Mee omgaan! Amsterdam 2002
Evangelische Alliantie, Kinderwerk en moslimkinderen. z.p. 1988

Feddema, R., Op weg tussenhoop en vrees. De levensoriëntatie van jonge
Turken en Morokkanen in Nederland (Diss.). Utrecht 1992
Fijnvandraat, J.G., Niet in Mekka, noch in Jeruzalem. Vaassen 1993
Folbert, J. (red.), Mijn partner is moslim. Kampen 2006
Forum, Instituut voor multiculturele ontwikkeling. Wankele waarden. Utrecht 2004

Gabriel, M.A., Islam and terrorism. What the Qur’an really teaches about Christian¬ity, […]. Lake Mary USA 2002
Gardet, L., De islam. Roermond en Maaseik 1964
Geijbels, M. e.a., Islam in kort bestek. ’s Gravenhage 1990
Geisler, N.L. and Saleeb, A., Answering Islam. Michigan 2004
Gellman, M., Hartman, T., Hoe spel je God? Baarn 1996
Glasenapp, H. von, De Islam.’s Gravenhage 1971
Glaser, I., John, N., Geliefde of gevangene. Christenen denken na over vrouwen en de islam. Amsterdam 2003
Glaser, I. en Yürümez-Kroon, T., Nabijheid en distantie. Amsterdam 2004
Goossen, L., e.a., Mozes in Bijbel, Tora en Koran. Heerenveen 2006
Graaff, L.W. de, Islam. Bedreiging en uitdaging. Barneveld 1998
Graaff, L.W. de, Islam in het kort. Bedum 2002
Guillome, A., Islam. Middlesex 1954

Haak, C.J., Metamorfose. Intercultureel; begeleiden van kerken in een niet-christelijke omgeving. Zoetermeer 2002
Haeri, S.F., Elementen van de Islam. Naarden 1993
Hahn, E., How to respond Muslims. St. Louis USA 1995
Halbertsma, H.A., Rommel, A. van, Dialoog. Zoetermeer 1995, p.105
Hamid, A.W., Islam de natuurlijke weg. Londen 1988
Hanson, M. e.a., Gesprekken in de multiculturele klas. Bussum 2004
Harskamp, A. van, c.s., Fundamentalisme. Zoetermeer 1999
Hattstein, M., Wereldreligies. Groningen 1997
Heemelaar, M., Seksualiteit en intimiteit in de hulpverlening. Houten 2000
Hoffman, E. en Arts, W.,Interculturele gespreksvoering. Hou¬ten/Diegem 1994/2001
Hoffman, E., Interculturele gespreksvoering. Theorie en praktijk van het TOPOI – model. Houten/Diegem 2002
Hofstede, G.J. e.a., Werken met cultuurverschillen. Amsterdam/Antwerpen 2004
Hoog, P.H., Pelgrims naar Mekka. ’s-Gravenhage MCMXXXV
Hooven, M. ten en Wit, T. de, Ongewenst goden. De publieke rol van religie in Nederland. Amsterdam 2006

Ishaak, Ibn, Het leven van Mohammed. Amsterdam2006
Islamitisch Bureau Educatieve Boeken: Achlaaqboekje (7)
Islamitisch Bureau Educatieve Boeken: Boek over imaan (9)
Islamitisch Bureau Educatieve Boeken: Boek voor kleine moslims (2)
Islamitisch Bureau Educatieve Boeken: Islam van alledag (6)
Islamitisch Bureau Educatieve Boeken: Boek voor de jonge moslim (2003)

Jansen, H., Het nut van God. Amsterdam 2001
Jansen, H., God heeft gezegd. Amsterdam-Antwerpen 2003
Jansen, J.J.G., Nieuwe inleiding tot de islam. Bussum 1998
Jessurun, C.M., Transculturele vaardigheden. Amsterdam 1993
Jochemsen, H. e.a., Een theorie over praktijken. Dixit deel 1 Amsterdam 2006
Jomier, J., Bijbel en koran. Haarlem 1982
Jurgens, F., Het Marokanendrama. Amsterdam 2007
Juynboll, Th.W., De Mohammedaanse Wet. Leiden 1930

Kailani, H.Z., Bouwstenen voor een dialoog tussen moslims en christenen. Baarn 1993
Kaldenbach, H., Cultuurverschillen op de werkplek. Amsterdam 1998A
Kaldenbach, H., Kleur in de klas. Amsterdam 1998B
Kellerhals, E., Der Islam. Seine Geschichte, Seine Lehre, Sein Wesen. Basel 1945
Keulen, A. van en Beurden, A. van, Van alles wat meenemen. Opvoedingsstij¬len in multi-cultureel Nederland. Bussum 2002/2006
Khan, M.Z., Islam. London 1980
Knol, J., Reis door religies en stromingen. Meppel 2000
Koekkoek, H.G., De islam en de bijbel. St. Licht des Levens, Alphen aan de Rijn 1998
Kohlbrugge, H., Confrontatie met de islam. Den Haag 1980
Kohnbrugge, H., De islam aan de deur. Zoetermeer 2001
Koningsveld, P.S. van, De Islam. Utrecht 1988 / 1996 3e
Koningsveld, P.S. van, Sprekend over de islam en de moderne tijd. Amster¬dam 1993
Koningsveld, P.S., Mohammed. In: H.L. Beck e.a. Grondleggers. Amsterdam 1997
Koran: De Edele Koran (uitgave ICCN Den Haag)
Koran: De Heilige Qor’aan (uitgave Mobarak Moskee Den Haag)
Koran: De Koran (Vertaling F. Leemhuis, Wereldvenster)
Koran: The Holy Qur’an (uitgave Ahmadiyyah Anjuman Isha’at Islam)
Kraan, J.D., Onderwijsgevenden en hun medechristenen in de multi-religieuze samenle-ving. In: Brokerhof, D. en Zuurmond, A. (red.) Godsdienstonderwijs in in¬tercultureel per-spectief. Kampen 1990
Kraemer, H., Godsdiensten en culturen. ’s Gravenhage 1963
Kramer-Van Walderveen, M. en Kruithof, M., Ontwerpen van interculturele lessen. Assen 1997
Krans, M., Een ontmoeting tussen culturen. Zoetermeer 2000
Krijtenburg, N. (red.), Een christelijk getuigenis onder moslims. Bartlesville USA 1987
Krikke, H., Als niemand luistert. Amsterdam 2003
Kűng, H. en Ess, J. van, Islam. Hilversum 1986
Küng, H., De islam. Kampen 2006

Leeuw, G. van der, De godsdiensten der wereld I en II. Amsterdam 1941
Linden, B. v.d., e.a., Verpleging en verzorging van migranten. Leiden 1992
Living Sacrifice Book Company, Een christelijk getuigenis onder moslims. Bartlesville USA 1987

Mallouhi, C.A., Verklaar moslims de vrede. VVHS/BKV Amsterdam 2002
Masood, S., The Bible and the Qur’an. Cumbria U.K. 2002
Masqsood, R., De islam leren kennen en begrijpen. Z.N.U. Aartselaar België 1999
Maulana, M.A., Introduction to the study of the Holy Qur’an. Columbus Ohio 1992
Mernissi, F., Achter de sluier. De islam en de strijd tussen de seksen. Breda 1998
Miller, W.M., A Christian’s response to Islam. New Jersey 1976
Mimouni, R., De bastaarden van de Profeet. De gevaren van het islamitisch fundamenta-lisme. Amsterdam 1992
Molla, C.F., De islam. 150 vragen en antwoorden. Kampen 2001
Montgomery Watt, W., Bell’s introduction to the Qur’an. Edinburgh 2005
Moshay, G.J.O., Wie is Allah? Hilversum 1995
Moucarry, C., Wat is de bijbel? Ontstaan en karakter uitgelegd voor moslims. Amers-foort 2003
Mouthaan, I. e.a., Hulp bij maagdelijkheidsproblematiek. NISSO Utrecht 2000
Musk, B., Touching the soul of Islam. Sharing the Gospel is Muslim cultures. Michigan 2004
Musk, B., Kissing Cousins? Christians and Muslims face to face. Oxford 2005

Nasr, S.H., The heart of Islam. San Francisco 2002
Netton, I.R., A popular dictionary of Islam. London 1997
Nydell, M.K., De Arabische cultuur leren kennen en begrijpen. Aartselaar 2002
Nye, M., Religion. The basics. London 2003
Noer, (uitg., z.a.), Ouderschap in de Islam. Delft 2002

Okhuizen, J.E., Trialoog in Nederland. In: R. Kloppenburg (red.) Religieuze minderheden in Nederland. RUU Utrecht 1986
Onfray, M., Atheologie. De hoofdzonden van jodendom, christendom en islam. Amster-dam 2005
Oosterhoff, W., Wat drijft de islamisten? Dordrecht 2003.
Oueslati, A., De eerste pijler. Leiden 1995
Oueslati, A., De vrouw in de islam. Leiden 1995
Overbeeke, van – Rippen, F., Ibrahiem en Abraham. Zoetermeer 2000

Paauwe, J.P., Preek te ’s Gravenhage: “Gij zult geen andere goden…”, ’s Graven¬hage 1953
Parshall, P., Muslim evangelism. Waynesboro USA 2003
Parshall, P., The cross and the crescent. Waynesboro USA 2002
Pawson, D., De uitdaging van de islam voor christenen. Putten 2003
Pelgrimage, The., Five Muslims make the greatest discovery. Oxon 2003
Peters, F.E., Islam en de joods-christelijke traditie. Amsterdam 2005
Peters, R. en Meijer, R. (red.), Moslimse intellectuelen over de islam. Muider¬berg 1992
Pinto, D., Het virus, cultuurverschillen. Houten/Diegem 1994 (B)
Pinto, D., Interculturele communicatie. Houten/Diegem 1994 (A)
Platti, E., Wat gelooft een goede moslim? Amsterdam 1996 (A)
Platti, E., Islam…vreemd? Averbode 1996 (B)
Pranger, D. (red.), Islam en gezondheidszorg. Baarn 1997

Queslati, A., De vrouw in de islam. Leiden 1995
Qutb, M., Islam, de onbegrepen levenswijze. Zoetermeer 2004

Raadt, K., Twee gezichten, een islam. Doorn 2002 2e herz.
Rasheed, A., The simple call to one God. Birmingham z.j.
Raven, W., Leidraad voor het leven. De tradities van de profeet Mohammed. Amster-dam/Leuven 1995,
Razzak Nofal, A.E., The poor due. Cairo 1998
Reimer, J., Islam. Lehre und Begegnung. Logos Verlag band 24 1999
Rentier, C., Europa het Mekka van de islam? Amsterdam 2007
Rhodes, R., Reasoning from the Scriptures. Eugene, Oregon 2002
Richardson, D., Secrets of the Koran. Ventura California 2003
Robinson, F., Islamitic World. Cambridge 1996
Roebben, B., Religieus opvoeden een multiculturele samenleving. Leuven 2000
Ruffin, J., Zover het oosten is van het westen. Vaassen 1995

Saal, W.J., Moslims en het Evangelie. Vaassen 1993
Salamah, A.E.K. c.s., Smeekbeden, het schild van een gelovige. Meppel 2001
Schepper, J. de, Levensbeschouwing ontwikkelen. Hilversum 2004
Schimmel, A., Uw rijk komen. Gebeden uit de wereld van de Islam. Boxtel 1978
Schimmel, A., De islam, een introductie. Amsterdam 1996
Schimmel, A., In naam van God, de Erbarmer, de Barmhartige. Zoetermeer 1997
Schuringa, L., Omgaan met diversiteit. Soest 2001
Scott Richards, P., Bergin, A.E., Handbook of Psychotherapy and Religious Diver¬sity.
Shadid, W.A., Grondslagen van interculturele communicatie. Houten/Diegem 1998
Sheikh Atiya Sakr, E. en Mahmoud, G.M., Islam. Belief and conduct. Cairo 1990
Slomp, J., Islam. Kampen 1999
Slot, R., Uw God en mijn God zijn een. Katwijk 1997
Smet, D. de, Reeth, J. van, De islam is modern. Leuven 2001
Smit, W., De islam binnen de horizon (diss.) Zoetermeer1995
Sookhdeo, P., Christian’s evangelistic pocket guide to Islam
Steenbrink, K., De Jezusverzen in de Koran. Zoetermeer 2006
Steer, M., A Christian’s pocket guide to Islam. Viborg Scotland 2005
Stevens, L., Anders denken en doen. Allochtonen leerlingen en hun leraren. Apeldoorn 2004
Stichting Evangelie en Moslims, Kennismaking met de islam (nr. 1). Amers¬foort z.j.
Stichting Evangelie en Moslims, Cultuur van moslim migranten (nr. 2). Amers¬foort z.j.
Stichting Evangelie en Moslims, Getuigen onder moslims (nr. 3). Amersfoort z.j.
Stichting Evangelie en Moslims, De koran. Amersfoort z.j. (H.J. Takken, auteur)
Stichting Evangelie en Moslims, Moslimvrouwen in Nederland (nr. 5). Amers¬foort z.j.
Stichting Evangelie en Moslims, Sekten en stromingen in de islam (nr. 6). Amers¬foort z.j.
Stichting Evangelie en Moslims, Moslims en bijgeloof (nr. 7). Amersfoort z.j.
Stichting Evangelie en Moslims, Samen een? Over gemende relaties (nr. 8). Amersfoort z.j.
Stichting Evangelie en Moslims, Gast of Last (nr. 9) . Amersfoort 2001
Stichting Evangelie en Moslims, Moslims omheen gaan? Mee omgaan! Amsterdam 2002
Stichting Lalla Rookh, Moslims in uw omgeving. Utrecht 1982
Swartley, K.E., Encountering the world of Islam. Littleton 2005

Takken, H. en Tramper, N.M., Vreemde gasten. Dromen en wonderen in het contact van christenen met moslims. Zoetermeer 2002
Takken, H. en Hoogendijk, W., Vriend of vijand. Vaassen 2002
Takken, H., De islamitische wet en de tien geboden. In: Mekka en Mokum III, info bulle-tin Stichting Evangelie en Moslims. 2002
Takken, H., Wat zijn de zuilen van het christelijk geloof? Vragen van moslims beant-woord. Amsterdam 2005
Tanagho, S., Glad News! God loves you my Muslim friend. Bucks U.K. 2004
Tarantino, M.A., Prachtige verhalen uit het leven van Mohammed. Zoetermeer 1994
Thompson, A.Th.C., Mohammed’s Koran en de Arabische philosophie. Amsterdam z.j.
Toynbee, A.J., Het christendom tussen de wereldgodsdiensten. Bussum z.j.
Turner, C., The Basics, Islam. London 2006

Valkenberg, P., Begaanbare wegen. Verzoening tussen godsdiensten. Kampen 1998
Velde, K. van der, De vrienden van God. De islam in het dagelijks leven. Amsterdam 1994
Venicz, L. en Vanwesenbeeck, I., Aard en omvang van (gedwongen) prostitu¬tie onder minderjarige (allochtone) meisjes. NISSO Utrecht 1988
Verkuyl, J., Met moslims in gesprek over het evangelie. Kampen 1995
Vermeulen, U., Islam en christendom. Leuven1999
Vink, T., Islam. Budel 2001
Visser, M. en Jong, A. de, Cultuur en zorg. Bussum 2005
Vroom, H.M., Geen andere goden. Kampen 1993

Waardenburg, J., Islam. Norm, ideaal en werkelijkheid. Weesp / Antwerpen 1984
Waddy, C., The Muslim mind. London 1982
Wagner, W., How Islam plans to change the world. Grand Rapids 2004
Wagtendonk, K., Islam in Nederland; Islam op school. Muiderberg 1987
Water, M., Understanding Islam and Christianity. Hants UK 2004
Werf, S.v.d., Allochtonen Een inleiding in de multiculturele samenleving. Bus¬sum 1998
Wessels, A., De koran verstaan. Kampen 1986/2000
Wessels, A., De moslimse naaste. Kampen 1978
Wessels, A., De nieuwe Arabische mens. Baarn 1977
Wessels, A., Islam verhalenderwijs. Amsterdam 2001
Wessels, A., Jezus zien. Hoe Jezus is overgeleverd in andere culturen. Baarn 1986
Wessels, A., Gelukkig in de Akbarstraat. Kampen 2004
Westerman, W., Leren leven in bewegend perspectief. In: Brokerhof, D. en
Weyer, R. v.d., Verhalen uit de islam. Aartselaar 2002
Winkler, P., Denken zonder woorden. Kampen 1998
Witkam, J.J. e.a., De Arabische wereld. De Gids nr. 9/10 Amsterdam 1980

Zaka, A. en Coleman, D., The noble Qur’an’s teachings in light of the Holey Bi¬ble. New Jersey 2004
Ziauddin, S., Wat geloven moslims? Rotterdam 2007
Zuurmond, A. (red.) Godsdienstonderwijs in intercultureel perspectief. Kam¬pen 1990