VERHALEN OM NOOIT TE VERGETEN
Christian leadership op de basisschool

Hans Borst
1 e concept januari 2008

1. Oud en niet afgeschreven, Lukas 1
2. Aankondiging van Jezus’ geboorte, Lukas 1: 26-38
3. “Goede voornemens!” , Marcus 7: 1-23
4. “Verraden Vriendschap”, Mattheüs 26:50
5. De kamerling uit Morenland, Handelingen 8
6. Schipbreuk op de levenszee! Marcus 4: 35-41
7. Stenen spreken met Pasen, Openbaring 5
8. Hoe kostbaar is een kwetsbaar kind? Openbaring 12
9. Zie ik maak alle dingen nieuw! Openbaring 13, 21
10. “Een engel als vriend?”, Genesis 16: 1-7, Mattheüs 18: 1-11
11. Tien richtingaanwijzers. Exodus 32
12. Rachel verplaatst haar koord, Jozua 2
13. “Kiezen” Jozua 24:23
14. “Burnout”, I Koningen 19: 1-8
15. De kwaliteit van leven, Prediker 4
16. Liefde is niet te koop, Hooglied 1
17. “Mensenkind!” Ezechiël 24:16
18. “Gij zijt Mijn volk !”, Hosea 2:22b
19. “Als ik niet meer kan zingen, draagt mij Uw muziek.” Hosea 6:6
20. “Is geloven leuk?” Micha 6: 1-8, Mattheüs 6:10

Oud en niet afgeschreven, Lukas 1

Elisabeth is haar naam. Een hoogbejaarde, kinderloze vrouw. Een vrouw op de drempel van het Evangelie, met een onvervuld leven, maar wier naam betekent: “Mijn God is vervulling”. Ieder jaar keert zij weer terug in de schriftlezingen, weliswaar overschaduwd door haar man, de priester Zacharias, die in de tempel hoorde dat hij en zijn vrouw alsnog een kind zouden krijgen. We horen het verhaal en we zingen erover, niet al te lang, want al gauw gaat het over Maria, die eveneens op een wonderlijke manier moeder wordt.

Wij dragen allemaal verhalen met ons mee. Oude verhalen die als nieuw verteld worden. Ze geven kleur aan ons leven. We vertellen ze door. Soms ook niet. Dan zijn ze oud en afgeschreven. Welke verhalen zijn bronnen van inspiratie? Hoe vaak putten wij uit onze bronnen als leerkracht, als “verhalenverteller”, als probleemoplosser, als meester die even zijn schouder leent?

Een oude en een jonge vrouw, wier levens plotseling veranderen, en over wie de verhalen tot op vandaag verteld en bezongen worden. Twee vrouwen, die ieder een kind op gruwelijke wijze aan de dood hebben verloren. En ieder jaar lezen en vertellen we de verhalen in de klas, verhalen van verwachting, Advent, maar dan is de vraag: Wat moeten we verwachten? Wie moeten we verwachten? Advent is niet alleen een tijd van verwachten, maar ook van verlangen, zoals de oude kerkvader Augustinus zegt: “Een liefdevol uitzien naar innerlijke vervulling.” Dat is voor het menselijk bestaan fundamenteel. Om te leven en te geloven moet je ergens op kunnen staan, op kunnen bouwen, een fundament. Volgens de kerkvader heeft ieder mens dat en hij zegt: “De hunkering van de mens naar God trilt mee in elk aards verlangen.” Dat is een ander verlangen dan het verlangen naar bezit, waardering, succes. Die bevrediging, hoe groot ook, kan een mens nooit ten volle bevredigen. Of, anders gezegd in de geest van Augustinus: Zou ik de illusies kunnen loslaten die ik mij gemaakt heb van het leven, bijvoorbeeld van mijn beroep als leerkracht, mijn ideale school, mijn perfecte lessen, dat dát mij helemaal zou bevredigen? Of dat mijn gezinsleven altijd harmonieus zou verlopen? Of dat ik altijd door iedereen gezien en gewaardeerd zou worden? Zou mijn verwachten en verlangen om ook met kerst te knielen aan de kribbe mij bevrijden van overdreven verwachtingen, van steeds maar weer opkomende geldingsdrang, van wensen, dromen, posities, promoties die mij verstikken? Of tilt juist dit geloof in de geboorte van Christus, de Vorst van Vrede, mij uit boven deze wereld en mijn gehechtheid aan deze wereld? Want, welk mens kan mijn diepste verlangen vervullen, dan alleen God?

We vinden een antwoord in het verhaal over twee bejaarde mensen. Het bekende verhaal dat zo vaak wordt gelezen in de tijd van Advent. Ze woonden ergens tussen de bergen in Israël: Zacharias en Elisabeth. Zacharias was priester in de tempel. Hij moest de mensen Gods verhaal van trouw vertellen. Het oude verhaal, dat iedere Sabbat weer als nieuw werd verteld. Met in zijn hand de Thora, de dochter Gods, met haar richtingaanwijzers. De bron vol verhalen over Abraham en Isaäk en Jakob. Het waren twee oude mensen, van dagen en ervaringen verzadigd, elkaars bestemming in alle seizoenen van het leven. Ze geloofden in God en hadden Hem lief. Wellicht was er op de achtergrond dat heimwee, wat mensen kunnen meedragen, dat hun leven niet helemaal af is. Waarom is dat niet voor ons weggelegd? Dat mag je natuurlijk vragen aan God, want als Hij leven schenkt, waarom dan niet aan alle vrouwen? Ze hadden God vaak om een kind gebeden, maar toen ze ouder werden zijn ze daar mee opgehouden. En misschien hebben ze wel eens tegen elkaar gezegd: ’t Is net of de Here God niet luistert. Hoe we ook bidden, wat we ook vragen, we zien nooit iets, we krijgen nooit een teken. Zou Hij ons onder al die miljoenen wel in de gaten hebben? Nu, dit verhaal zullen mensen wel herkennen en ieder heeft daar zo zijn eigen gedachten, gevoelens, gebeden bij. De oude priester, Elisabeth’s man, moest de dienst in de tempel leiden. Je moet je een geweldige drukte op het tempelplein voorstellen, mensen en dieren in doodsnood, handelaren met schapen, slachters, sjouwers, noem maar op. In de tempel, in de kamer met muren van goud waar zeven gouden lampen brandden, was Zacharias. Hij moest het offer brengen en zou bidden voor al die mensen die buiten stonden te wach¬ten. En dan ineens staat daar die engel. Hij was niet meer alleen! Een engel die zei: “Wees niet bevreesd!” En vervolgens zegt de engel, dat God hun gebed verhoord heeft. “U zult een zoon krijgen en zijn naam zal zijn: Johannes!” De oude man beefde en schudde zijn hoofd. Neen, dat kon toch niet waar zijn. Hoe lang was het wel niet geleden dat ze om een kindje gebeden hadden? En Elisabeth was al een oude vrouw. Terwijl hij dat allemaal stond te denken zei de engel: “Het kind zal een knecht van God worden, de wegbereider van Jezus!” Maar dat begreep Zacharias niet. Nog niet. Neen, want wonderen zijn ook niet te begrijpen. En om de oude man te helpen geloven, zei de engel Gabriël: “Ik kom van God. Omdat je niet gelooft wat de Here God je belooft, zal je vanaf nu niet meer kunnen praten net zo lang tot je zoon Johannes er is.

Al vertellend in de klas mogen wij als leerkracht, net als Zacharias en Elisabeth en later Jozef en Maria, met dat geheim opgroeien. Het geheim, dat de Heiland ons – u en mij – onder al die miljoenen op ’t oog heeft en voor ons een opdracht heeft. Die hoop mogen we hebben! “Op u mijn Heiland blijf ik hopen!” Wat een bron van inspiratie!

Liedboek voor de Kerken, gezang 118

Aankondiging van Jezus’ geboorte, Lukas 1: 26-38

Er zijn van die verhalen en liederen die je meenemen naar vroeger. Zeker in de tijd Advent en Kerst. Dan kan je bij de eerste woorden of orgelklanken in gedachten weer naast je moeder of vader in de kerk zit, enkele jaren of dertig, veertig, jaar ge-leden. Je voelt je weer even kind en je ziet weer voor je hoe kerst toen was, de sfeer thuis, de gezelligheid en warmte, de verhalen die op school en op zondagsschool werden verteld, de liederen die werden gezongen. Zo leefde je met elkaar naar kers¬t. Ja, tenminste, zo was het in veel gezinnen en misschien ook wel bij jou thuis.
Feesten en rituelen markeren belangrijke momenten en levensfasen in het leven. Ook in het leven van de leerling. Op welke wijze geeft de leerkracht daar vorm aan vanuit zijn eigen spiritualiteit? Is het geboortefeest van Jezus meer dan kerst-ballen en kerstliedjes? En hoe breng je nu het “meer” over in de klas?

Er waren ook gezinnen waar kerst iets verdrietigs had, omdat er een lege plaats was, waar kerst spanning gaf en ruzie, omdat een vader juist dan veel dronk. Niet ieder kind heeft fijne herinneringen aan het feest van vrede. In de stille heilige nacht liepen er nogal eens dronken mannen langs onze deur in de Rotterdamse binnenstad. En als jongetje keek ik naar de lichtjes van de haven, de rode lampjes van de bordelen, hoorde de muziek uit de kroegen en vroeg mij af wie Jezus dan wel was. Ja, Hij had dan wel geen huis, maar wel een lieve vader en moeder. Toch, de klanken en woorden hebben iets vertrouwds en hel-pen je geloven dat het leven misschien niet zo leeg en koud is als het lijkt. Ze raken iets diep van binnen dat je steeds weer ontroert. Het is niet goed uit te leggen, maar je wordt als het ware even opgetild en meegenomen. Even in de wereld van vrede, van God. Zo wil je toch de boodschap van het evangelie brengen in de klas? Dat het geboortefeest van Jezus meer is dan kerstballen en kerstliedjes? Naast alle mooie liederen lezen we altijd het wonderlijke verhaal van Maria die zwanger werd. We proberen de steeds eer oplaaiende biologendiscussie buiten de school met de bijbel te houden. We vertellen wat de engel zegt tegen de kinderen: “Verheug je! Jij, jong meisje, jou heb ik uitgekozen om grote din-gen te doen.” En in haar lied zingt het jonge meisje Maria later dan ook: “Mijn geest mag blij de Heer mijn Zaligmaker noemen.” Het meisje Maria hoort thuis in de lange rij van mensen met Godservaringen. We lezen van haar dat ze in haar geloof, toen ze geroepen werd om de moeder van de Here Jezus te worden, vol overgave heeft geantwoord: “Zie, uw dienstmaagd, mij geschiede naar uw woord.” Gezegende onder de vrouwen wordt ze ook wel genoemd.

Verhalen over de wondere geboorte zijn verhalen met een Goddelijk geheim. Die verhalen mag je vertellen en je weet nooit wie er iets uit oppikt. Maria wordt ge-roepen om de moeder van de Messias te worden. De hemel zelf komt haar dat ver-tellen. “Goedemorgen Maria!” Letterlijk zegt de engel: “Wees gegroet, gij bege-nadigde.” Dat betekent dat ook Maria genade nodig heeft. Ook zij leeft van de vergeving.

Hoe reageert Maria? Maria ontroert bij dat woord. Of liever: ze raakt in verwarring. En wellicht is niet allereerst de verschijning van de engel, die haar van haar stuk brengt, maar is het dat woord dat ze hoort, de groet die de engel Gabriël tot haar richt. Want ze voelt heel goed aan dat dit geen gewone groet is. Wat heeft die groet te betekenen? We leren Maria kennen als een vrouw die over dingen nadenkt. Later wordt van haar gezegd, nadat de herders waren geweest om het kind Jezus te groeten: “Doch Maria bewaarde al deze woorden, die overwegende in haar hart.” En na het gebeuren in de tempel, waar de twaalfjarige Jezus te midden van de leraren van het volk uitblinkt in wijsheid en inzicht, wordt weer van haar gezegd: “En zijn moeder bewaarde als deze woorden in haar hart.” Zo is Maria een voorbeeld voor iedereen die wil leren wat luisteren, overwegen, stil zijn, is. Het Woord van God en de daden van God in je hart overwegen en je afvragen: wat betekent dit? Wat betekent dit voor mij? Even later lezen we: “Geen woord, dat van God komt, zal krachteloos wezen.”

Ja, Goddelijke boodschappen laten mensenharten vonken en gloeien. Het maakt feesten en rituelen in de klas legitiem. Of niet? Gabriël komt met een boodschap en is ons geen verklaring schuldig. Door het meisje Maria, de maagd, wil de Here God in ons mensen woning maken. Daarbij kun je toch ook vragen hebben. Maria heeft ook een vraag. Hoe zal dat geschieden? Dat is toch onmogelijk?

Het antwoord van de engel is duidelijk en als Maria dat heeft gehoord, maakt haar vra-gende houding plaats voor een dienende houding, voor een houding waaruit overgave spreekt. “Zie, uw dienstmaagd.” Maria heeft het woord van God gehoord en overwogen in haar hart. In deze overgave van Maria zien we hoe Here met haar is. Zo is Maria ook een voorbeeld voor ons. Een voorbeeld van geloof, overgave en toewijding. Dat zingt Maria uit, haar Lofzang, waarin haar ziel Gods eer verheft.

Lied 66 Liedboek voor de Kerken

“Goede voornemens!” , Marcus 7: 1-23

Vaak maken we aan het eind van het jaar de balans op. Wat is er van onze goede voornemens terechtgekomen? Aan welke goede voornemens hebben we niet ge-werkt. We konden het uiteindelijk niet opbrengen of we zijn er nooit aan begonnen. Goede voornemens. Welke? We willen het minder druk hebben, meer thuis zijn, meer aandacht besteden aan ons moeder – of vaderschap, minder roddelen over collega’s, minder eten en meer sporten. En wat is het moeilijk om een evenwicht te vinden. Wat kan nu wel en wat kan echt niet? In Marcus 7 spreekt Jezus over ‘goe-de voorne¬mens’, wat we allemaal moeten laten, laten staan, en hoe we zouden kun-nen leven zodat God en mensen daar blij mee zijn. Het zijn nogal grote woorden en op het eerste gezicht lijkt het ook allemaal wat donderpreekachtig. Of niet?
In een wereld van voortgangevaluaties, functioneringsgesprekken, beoordelingsge-sprekken “POP’s”werken we allemaal aan onze persoonlijke doelen. Soms hebben we een coach, supervisor, loopbaanbegeleider, wijze collega die ons helpt in ene land waarin we soms de weg kwijt zijn. We nemen ons van alles voor, goede voor-nemens, en ondertussen worden we op onze vingers gekeken. Heb je je handen ge-wassen?, vroegen Farizeeërs en vragen “Farizeeërs”. Het verassend antwoord van Jezus kan de beste coach niet bedenken!

Wat is er te zeggen over een verhaal waar het gaat over God eren met je hart, terwijl er zo veel mensen zijn die Hem alleen maar met de lippen eren? Het doet mij altijd wat, als mensen zo rechtstreeks naar God vragen, zich afvragen of God nog naar hen omziet en of ze er nog mogen zijn met alles wat ze met zich meedragen. Het is wel een confronterende tekst en binnen enkele tellen raken de woorden je, schudden je als het ware even door elkaar, komt de vraag op: Hoe zit het nu tussen God en mij? Want we zijn zo geneigd alles in te delen in regels, voorschriften, geboden en verboden, die we van de kerk, de dominee of onze opa hebben geleerd: En vaak zitten ze gewoon in de weg, omdat er te veel zijn: omdat je het er benauwd van krijgt, omdat je God niet zo wil dienen, omdat er zo geen vreugde aan het geloof te beleven is. Maar wat zegt God over dit alles?

Wat voel je in je hart? Wat zeg je te gemakkelijk met je lippen? Ja, er is een binnenkant godsdienst, die van het hart, en een buitenkant godsdienst, die van de lippen. Wat zegt Jezus daar nu over? Zijn reactie op de Farizeeën komt in deze ontmoeting wat vreemd over: Het gaat er over of je je handen hebt gewassen. Maar er is een kaart achter de kaart. De Farizeeën hebben weer een strikvraag. “Heb je je handen al gewassen?” Je zult het je nog wel herinneren van vroeger, dat moeder voor het eten vroeg. En nu, zelf vader of moeder, zul je dat niet vergeten zijn en vraag je zelf aan je kinderen of kleinkinderen: “Heb je je handen al gewassen? Je komt net van buiten!” Voor het eten moet je je handen wassen: Ja, het gebod staat weliswaar niet zo letterlijk in de Wet, maar daar staat wel meer niet in waar we ons tòch aan houden. En waar we elkaar aan houden, op aanspre-ken, soms op afrekenen. Dit gebod is van de Farizeeën, de godgeleerde elite van de sy-nagoge. Maar volgens Jezus gaat gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift boven gehoor-zaamheid aan de Farizeeën.
En dan neemt de Here Jezus het woord: “Zal ik jullie eens wat zeggen!”, zegt Je-zus tegen hen: “Jullie zijn huichelaars. Je eert God met je lippen, maar niet met je hart. Wat jullie de mensen leren als heilige geboden, zijn slechts geboden van mensen. Dat alles resulteert in een krachteloos maken van Gods Woord.” En daarmee zegt Hij ook, dat dit een kille godsdienst is, die bestaat uit mooie verha-len over kruis en opstanding, maar waarbij God uit het zicht is. Ja, je kunt er veel over zeggen, schrijven, beweren, talloze theorieën hoe mensen kunnen groeien, zichzelf kunnen ontplooien, maar raakt God daarbij niet uit beeld? Is Jezus dan tegen die traditionele normen? Het handen wassen was toch vanzelfsprekend? Neen, Hij verzet zich tegen traditie boven Gods Woord. Jezus zegt dat de Fari-zeeën het gebod van God buiten werking stellen om hun eigen traditie, hun eigen overlevering, in stand te houden. En daar is hun mond vol van. Daar praten ze voortdurend over! Maar, pas op, zegt Jezus: Het is zo vaak buitenkant gods-dienst, lippendienst, vroom gepraat zonder bodem. Zo maak je met de beste en vroomste bedoelingen het woord van God krachteloos.

Dan komen we bij die raadselachtige tekst: “Niets, dat van buiten de mens komt, kan hem onrein maken, maar hetgeen uit de mens naar buiten komt, dat is het, wat hem onrein maakt.” Ik heb lang nagedacht over de betekenis van deze tekst. We hebben eerst ge-hoord hoe Jezus ingaat op de verhouding van het gebod van God en de traditie van men-sen. Hij gebruikt een simpel voorbeeld, namelijk dat van het handen wassen voor het eten. En nu horen we hoe Hij dat in verband brengt met de verhouding van het hart, onze bin-nenkant, tot onze lippen, onze buitenwereld. Wat is de verhouding van onze binnenwe-reld, ons hart, tot de buitenwereld? Gaan de dingen van binnen uit naar buiten of komen ze van buitenaf naar binnen? De eerste grote stelregel die Jezus uitspreekt luidt als volgt: “Het is niet de buitenwereld die de mens verontreinigt.” De kern van alle moeite in de verhouding van God en mens ligt niet in het contact met de buitenwereld. Neen, het gaat verder dan het handen wassen. Naar de wil van God leven is dus niet uit de wereld gaan; De wereld buiten de deur houden. Gebukt gaan onze allerlei buitenkantregels: Gordijnen dicht, de juiste krant, de juiste school, op zondag alleen wandelen. Jezus zegt: Het bin-nenste van de mens is niet ongerept. Hoe mooi en behoudend en traditioneel de buiten-kant ook is. Om het nog anders te zeggen: De mens is de schepper van zijn eigen kwaad. En daar mogen we de wereld niet de schuld van geven. Ja, als je deze les van Jezus goed op je laat inwerken, komt er een bevrijdend gevoel over je. De rust dat je in je hart voelt waar het om gaat tussen God en jou. Namelijk dat je door Hem bemind bent, bemin-nenswaard, en dat is nooit in regels, voorschriften, geboden en verboden te vangen. Ja dan ben je dankbaar dat een afgeschreven man, aan mij vraagt of je een gebed voor zijn overleden moeder wil schrijven in het gebedenboek. Een stukje bevrijding in de gevan-genis. Neen, niemand weet dat het over hem gaat. Alleen God. Wat een voornemen en het was al lang oudejaarsavond geweest.

Opwekking 136:1

“Verraden Vriendschap” , Mattheüs 26:50

Verraden vriendschap. Het is een thema dat ons in de lijdenstijd of veertig dagen tijd steeds bezig houdt. Jezus heeft mensen ge¬roepen om hen vissers-van-mensen te maken. Hij beschouwde hen als Zijn vrienden. Dat is heel wat. Zo’ drie jaar trok-ken ze met elkaar op en dan is er een voor wie die vriendschap niet geworteld is, die de vriendschap verraadt.

Wat is het toch in die man geweest is om op een moment de vriendschap op te zeggen en zelfs te verraden. Wat was er tussen Jezus en Judas veranderd? Drie jaar deelden zijn lief en leed in vertrouwen en vriendschap en toen de Heiland niet aan Judas’ verwachtingen voldeed, toen Hij zijn droom niet kon verwerkelijken, verraadde hij hem. Neen, hij praat-te het niet uit. Hij ging ook niet zijn eigen weg. Hij gaf Hem een trap na, een steek in de rug. Zijn vriendschap maakte plaats voor haat.

Het loopt tegen Pasen en het wordt druk in de stad. Een juichende menigte schreeuwt ‘hosanna”. Toch kunnen we ons afvragen, hoe zuiver het juichen is. En waarom de Heiland er niet van genieten kan. Is het omdat Hij weet dat het jui-chen, het ‘Hosanna’, binnen enkele dagen zal omslaan in een ‘Kruisigt Hem’? Is het omdat de uitgeroepen vriendschap, de geveinsde trouw, zal worden verraden? Verraden ook door twee van zijn naaste vrienden, zijn leerlin¬gen. Judas en Petrus zullen zijn vriendschap verraden. Judas en de kus. Petrus en de haan. Judas houdt mij bezig. Vooral dat moment van het verraad in de hof van Getse¬mané. De hof waar de Heiland bad en waar Zijn zweet bloed werd. Waar Hij zei: Niet mijn wil, maar de Uwe, Vader, geschie¬de. Judas liep misschien ook wel juichend naast de ezel bij de intocht in Jeruzalem. De man over wie geschreven staat, dat het beter was als hij niet geboren zou zijn. De man die de Heiland kuste. Tegen deze man zegt Jezus: “Vriend, waarom ben je hier?” Als wij die woorden op ons laten in-werken, worden wij ons bewust op welke wijze die vriendschap verraden wordt, verraden door het teken van genegenheid.

Zo kuste eens Da¬vids veldheer Joab zijn vijand, terwijl hij hem met zijn zwaard doorstak. “Is het wel met u, mijn broeder?”, vroeg Joab. En tegelijkertijd greep hij hem met zijn rechterhand bij zijn baard om hem te kussen. En Amasa, zijn vijand, was niet op zijn hoe-de voor het zwaard dat in Joabs hand was. Hij stak hem al kussend in zijn onderlijf, zodat zijn ingewanden ter aarde stortten (II Sam.20:9,10).

Een kus lijkt een teken van nabijheid, van vriend¬schap, maar het kan ook een teken zijn van kille haat. Judas behoorde tot de intieme vrienden van Jezus. Nu levert hij Hem over, omdat de vriendschap over is. Judas kwam op Zijn Meester toe. ‘Rabbi’, zei hij en kuste Hem. “Vriend, waarom ben je hier?” We horen verbazing en verdriet. Neen, geen cynisme of spot, zoals sommige bijbeluitleggers wel beweren, maar het verlammende gevoel dat je kunt overvallen als je voelt of hoort dat de ander de vriendschap verbreekt.

Een van Jezus’ leer¬lingen, een van Zijn vrienden, pleegde overspel met de vijand. Daar zijn geen wapens voor. En dan toch vraagt de Heiland: Vriend, waartoe zijt gij hier? In die vraag ligt een breek¬punt. Waarom toch, man uit Karioth? Hoe is het mogelijk dat een man, die dag in dag uit met de Heiland optrok, tot zo’n daad komt? Kwam het omdat hij de enige van de discipelen was die niet uit Galilea kwam. Is hij altijd die vreemdeling met het dialect gebleven? Had hij andere ver-wachtingen van ’s Heilands koningschap? Had hij Hem liever te paard gezien dan te ezel. Had hij voor zichzelf een andere plaats gedacht? Hij zou immers toch wel in aanmer¬king komen een plaatsje te krijgen in dat nieuwe aardse rijk? Of wilde hij gewoon een slag slaan? Dertig zilverlingen was toch een heel bedrag. Je kon er een mens, een slaaf, voor kopen.

Het verradersloon brandt Judas in zijn handen en hij gaat ermee naar de tempel: ‘Ik heb onschuldig bloed verraden.’ Gebro¬ken treedt hij voor Gods Aangezicht. Daar staat Hij in de tempel, Gods Huis, waar we te allen tijde mogen komen, een Huis zonder drempel. Machteloos gooit hij de armzalige zil¬verlingen de tempel is. Judas kan geen kant meer op. De enige weg in hoogste nood was naar de tempel, maar in het Huis van God was geen priester die zich over hem ont¬fermde. Eenzaam pleegde hij zelfmoord. En wie weet wat er door hem heen ging? Onder¬tussen zijn de priesters wel zo fijngevoelig om de zilver-lingen niet in de aan God gewijde offerkist te werpen. Neen, ze besluiten een stuk land te kopen en daar een begraafplaats voor vreemdelingen van te maken. Een onreine plaats voor onreine mensen, met bloedgeld gekocht. En daarom heet dat land “Bloedakker’ tot op vandaag.

Stel je voor dat hij teruggegaan was naar de Heiland. Als hij was neergeknield aan ’s Heren voeten, zou de Here dan gezegd hebben: “Ga maar!” Of zou Hij ten tweede male gezegd hebben: “Vriend, waartoe zijt gij hier, weer hier?” Zou Judas dan gezegd hebben: “Here, wees mij zondaar genadig.” Woorden die op Goede Vrijdag klinken op Golgotha uit de mond van een moordenaar. Maar Judas gaat naar een andere heuvel. Niet naar het kruis, maar naar het bos. En radeloos, wan-hopig, kiest hij voor de dood. Niemand weet wat zijn laatste woorden geweest zijn. Misschien was het wel: Here, wees mij zondaar genadig. Vriend, waarom zijt gij hier? In die vraag ligt een keuze. Ook u mag uw kruis nog opne¬men en Mij vol-gen, zegt de Overwinnaar, en U mag met Pasen met Mij zingen: “Nu jaagt de dood geen angst meer aan. Want alles, alles is voldaan.”

Welk een vriend is onze Jezus,
die in onze plaats wil staan!
Welk een voorrecht dat ik door Hem
altijd vrij tot God mag gaan.
Dikwijls derven wij veel vrede,
dikwijls drukt ons zonde neer,
juist omdat wij ’t al niet brengen
in ’t gebed tot onze Heer.

Johannes de Heer 150:1

De kamerling uit Morenland, Handelingen 8

Het is al zo oud als de wereld, dat ouders voor de verwezenlijking van hun idealen, of voor de bevrediging van hun eigen behoeften, bereid zijn hun kinderen lichame-lijk en geestelijk te verminken. De kamerling uit Morenland, de opperschatbe-waarder van de koningin der Ethiopiërs, is een eunuch die door Filippus ergens tussen Jeruzalem en Gaza gedoopt wordt.

Filippus ontmoet de minister van Financiën, de ‘opperschatbewaarder’, die naar Jeruzalem gekomen om te bidden. De hoge buitenlandse functionarissen waren nogal eens gecas-treerd. De gedachte was waarschijnlijk dat zo’n man te vertrouwen is bij de vrouwen. En als hij bij de vrouwen te vertrouwen was, zou hij ook wel te vertrouwen zijn met het geld van de koning.

Filippus wordt nu naar het zuiden gestuurd, naar de weg die naar Gaza gaat. Deze weg was een stuk van een belangrijke handelsroute naar Egypte. Hij ontmoet daar de kamerling. De man was op weg naar huis en las in een boekrol: “Gelijk een schaap werd hij ter slachting geleid. En gelijk een lam stemmeloos is tegenover zijn scheerder zo doet hij zijn mond niet open. Hij werd vernederd en er is voor hem geen eerherstel.” Wat moet je nu van zo’n tekst denken als ontmande man, voor wie geen eerherstel kan zijn? Een vernederd mens die als jongentje ooit op een slachtbank heeft gelegen, zijn geschreeuw gesmoord onder wrede mannen-handen.

Al lezend is daar ineens iemand die vraagt: “Verstaat gij wat gij leest?” Filippus komt als geroepen. Begrijpen? Filippus heeft meteen door dat hij hier met een vreemdeling te ma-ken heeft. Zou deze man wel begrijpen wat hij daarin leest?
Pas als hij bij de wagen loopt, hóórt hij de kamerling lezen uit de profeet Jesaja (vs. 30a). Wellicht hoorde hij uit de manier van lezen dat de kamerling er niet veel van begreep. Het doel van zijn vraag is kennelijk om een gesprek op gang te brengen. Het is een vraag recht op de man af. Nee, recht op het hàrt af.

Filippus wéét dat hier voor hem een taak ligt. Het is niet voor niets dat hij zich bij deze wagen moet voegen. De kamerling antwoordt in alle eerlijkheid: “Hoe zou ik er iets van begrijpen, als niemand mij er in onderricht?” Dan mag Filippus begin-nen hem het evangelie te verkondigen. Hij wijst op de vervulling van de profetie van Jesaja in het Lam van God, dat de zonden van de wereld wegneemt. De knecht des Heren, de man bij de Jordaan die zich liet dopen, en zich daarna om ons liet doden. Ja, ook Jezus kende deze tekst en heeft er een weg in gezien om Zijn weg te gaan.

De man uit Morenland voelde het goed aan. Het ging ook over hem. Dat hij niet alleen in zijn lijden stond. Ook hij mag leven en zelfs vruchtbaar zijn! Een eenzame ziel die God gevonden heeft en daardoor zichzelf. Daar horen een teken en een zegel bij. Is er iets te-gen dat hij gedoopt wordt? Neen, wat zou er tegen moeten zijn? Toen liet hij zijn wagen stilhouden en beiden daalden af naar het water. Beiden gingen tezamen. Ze daalden af naar het water en Filippus doopte hem. Hij daalde af met de wens zich onder te dompelen in het water van de doop, om als ander mens, als nieuw mens, zijn weg te vervolgen. En op zijn weg zal hij altijd dat teken voelen en zijn naam zal voor altijd bekend zijn. Bij Hem, die zelf als een schaap ter slachting werd geleid, stemmeloos tegenover zijn scheer-der. Hij deed zijn mond niet open.

Deze man, een rijke vreemdeling zonder naam, een man met een litteken, vervolg-de zijn weg met blijdschap. En, Filippus was plotseling weg. Hij had de apostel ook niet meer nodig. Nu verstond hij wat hij las. En, meer dan ooit voelde hij zich een opperschatbewaarder.

Schipbreuk op de levenszee! Marcus 4: 35-41

De zee is in de bijbel een beeld dat vaak gebruikt wordt. De zee kan ons dragen en kan ons verslinden. We kunnen genieten op de kabbelende golven en we kunnen het uitschreeuwen van angst als huizenhoge golven ons dreigen te verslinden. We ma-ken een oversteek over de levenszee, alleen of met een partner, stappen in het hu-welijksbootje en hopen en bidden dat het 12,5, 25 of 40 jaar blijft drijven.

Soms gaat het evenwel anders. We kunnen allemaal wel voorbeelden noemen van schip-breuk – ervaringen. Mensen liggen dan weken of maanden verkleumd op het strand bij te komen van een barre tocht. We zouden willen dat iemand ons warmte, hoop en zin in morgen geeft.
In Marcus 4: 35-41 lezen we dat de Here Jezus met zijn leerlingen een oversteek maakt, maar op de zee, het Meer van Galilea, gaat het mis. Het bootje dreigt verslonden te wor-den door de storm en huizenhoge golven. De leerlingen schreeuwen het uit van angst. Je-zus ligt op het achterdek te slapen alsof er niets aan de hand is. Totdat Hij wakker wordt van de stemmen van zijn leerlingen, die menselijkerwijs voor niemand te horen zijn door het lawaai van de storm. En in die situatie waarin zijn leerlingen in doodsnood verkeren vraagt Hij ook nog waarom ze bang zijn!

Veel gedachten zijn onverdraaglijk. Aan onverdraaglijke gedachten worden we niet graag aan herinnerd, niet in het kerkblad en ook niet op zondagmorgen. Dan heb je toch geen leven? Maar, niet iedere reis is een vakantiereis, niet iedere boot voldoende uitgerust en onderhouden om een storm te weerstaan. Hoe bereiden wij ons voor op een moeilijke tijd, een moment dat we niets meer te kiezen hebben? De zee, en vooral een storm op zee, kan onze oversteek bedreigen. Het leven kan van het ene moment op het andere veranderen. Niet veel mensen zullen zo’n ver-andering zoeken, het overkomt je meestal.

“Waarom zijt gij zo bevreesd?” “Hoe hebt gij geen geloof?” Jezus heeft het tegen zijn bange leerlingen. Kun je nu in het verkeerde bootje zitten? Ja, hoe ziet je levensboot er zonder de Heiland uit? Als je levensboot niet onder Zijn hoede is. Als je niet of niet meer kunt zingen over ’t scheepke onder Jezus’ hoede.

“Waarom zijt gij zo bevreesd?” Jezus zegt door zijn aanwezigheid: “Ik ben met u. Ik ben ook met u als uw boot dreigt te kapseizen als de levenszee bestaat uit gol-ven verdriet, ellende en ontrouw en uw levensbootje overspoe¬len.” En Hij zegt daarmee ook: “Het lijkt of ik soms slaap, maar Ik vaar met u mee.” Dat mogen we geloven, ook al is het niet gemakkelijk om te geloven.

We horen zo vaak:: “Als er een God is, als God bestaat, dan merk ik daar niets van!” of “Waarom laat God dit of dat toe?” of “Waarom gebeuren er van die vreselijke dingen ver weg of dichtbij?” Die vraag – de “waarom- vraag”, is – denk ik – geen goede vraag. We kunnen hem eindeloos stellen en we krijgen het steeds benauwder en we kunnen er zelfs in verdrinken. Een antwoord op een “waarom-vraag” mogen we weten: Jezus wil te allen tijde aan boord van onze levensboot komen. Hij heeft er verdriet van als mensen in de branding te verdrinken! Daarom mogen we ook bidden of zingen, zoals het prachtige ad-ventslied zegt:

Kom tot ons, scheur de heem’len, Heer,
daal, Heiland, uit uw hemel neer.
Ruk open, rijt ze uit het slot,
de hemeldeuren, Zoon van God. (L.v.d.K. 128).

Stenen spreken met Pasen, Openbaring 5

Iedere keer als ik over een begraafplaats loop, langs grote mooie stenen, verweer-de stenen, stenen met een engel of stenen met een inscriptie: “Je was een engel”, denk ik: Zij leefden in ons midden. Hoogbejaarden mensen, kinderen, baby’s. Daar ligt een mens of mensje die bemind is geweest, die in harten van mensen voortleeft. Een foto aan de muur of op een kastje is stille getuige: zo wàs het. Daar waren we nog met elkaar, samen gelukkig, 25 jaar getrouwd. Dat was de eerste schoolfoto. Daar kreeg opa een koninklijke onderscheiding voor veertig jaar trouwe dienst in de timmerfabriek en als speeltuinvrijwilliger. In de klas vertelt een jongetje dat opa gestorven is. “Hij was de beste timmerman van de wereld!”, zei het kereltje van zes trots. “Hij heeft ons huis gebouwd, het poppenhuis van m’n zusje en nu zal hij wel in de hemel timmeren.” De juf schoot in de lach. Het kereltje keek haar verbaasd aan en zei niets meer.

Wij vieren Pasen op de eerste zondag na de volle maan van de lente. Als het leven zich aan de hemel en op de aarde vernieuwt. En kijk maar eens om je heen, dan zien en horen we het gezang van een schepping prachtig in haar verandering en in evenwicht.
Dat vertelde eens een man aan mij: “Dominee, af en toe ga ik nog naar mijn vrouw. Dan zit ik daar op mijn visstoeltje bij haar graf, soms uren, en dan kom ik weer tot mezelf…” We gaan naar het graf met bloemen. Dit oeroude gebruik betekent: Ik blijf met jou ver-bonden. Elke bloem heeft een boodschap van leven. Misschien horen we daarom de tek-sten rond Pasen vooral uit de monden van vrouwen. Zij zijn ertoe geroepen te spreken over de opstanding. Zo heel anders dan de mannen op Goede Vrijdag. Wat zij doen op Golgotha is zo grof en hard, zo vernietigend. Daar stierf de Heiland voor ons stierf uit liefde tot Zijn Vader. “Vader, Ik vertrouw mijn geest, Mijn leven aan U toe.” Het is ver-schrikkelijk en gelukkigmakend tegelijk wat we ervaren als wij van Goede Vrijdag naar Pasen gaan. Als wij van het harde wrede onmenselijke Golgotha in die tuin komen waar het leven ontluikt. Daar is het lente. Aan de hemel en op de aarde gebeuren wonderen. Als we dan over de opstanding spreken, over de Heiland die na drie dagen zal verrijzen, dan moeten we Hem niet daar zoeken. Niet bij de doden. Want de steen is weggerold. Dan begrijpen we ineens de goddelijke vraag: “Wat zoekt gij de Levende bij de doden ?” Pasen komt in beeld! Pasen heeft te maken met leven en daarom spelen vrouwen de hoofdrol. Omdat zij hoedsters van het leven zijn. Zij moesten in oude tijden het vuur be-waren, als hun mannen uittogen op jacht en naar de oorlog. Zij verwarmden het in hun handen en beschutten het tegen de wind. Zij belichaamden de aarde in haar bloeien. Aan hen behoort vanouds het vermogen leven te scheppen, zonder dat enig mens het geheim waaruit het leven ontstaat, uiteindelijk zal kunnen ontsluieren. En als we dan over de op-standing spreken en we horen: “Wat zoekt gij de Levende bij de doden ?” Klinkt dat als een verwijt aan de vrouwen en aan ons. Lopend naar de tuin zijn ook wij onrustig en on-zeker. Wat zouden we aantreffen? Wat moet je geloven? Moeten we Jezus onder de do-den zoeken? In het Paasevangelie krijgen de woorden van Jezus van vòòr Pasen weer hun volle betekenis. Het is dezelfde Heiland die tot op de dag van vandaag in de kerken als de opgestane Heer gepredikt mag worden. We zien een visioen, een foto van een verga-dering van God met Zijn Raad. Het staat in het moeilijke- en boeiende boek: de Openba-ring van Johannes. In die hemelse vergadering overhandigt God een verzegelde boekrol aan Zijn Zoon, het Lam genoemd. Het lam heeft zeven horens. Een hoorn is het symbool van macht. Zeven het symbool van goddelijk en volmaakt. Hem is gegeven alle macht in hemel en op aarde. Hij mag het boek aannemen. Met zijn zeven ogen overziet Hij de we-reldgeschiedenis. Zeven ogen betekenen een volmaakte kennis, alwetendheid. Hij is waardig het boek te openen en de geschiedenis van mensen zo te ontrollen. In dat boek staan dan namen. Mensen die zich met Hem verbonden wisten. Gelovigen die geloofden dat het afscheid geen scheiding was. Zij geloofden dat de dood niet het laatste woord heeft. Op Paasmorgen wordt dit geheim geopenbaard. Het wonder van het lege graf. En wij gaan erheen met bloemen, omdat wij ons zo verbonden voelen met Hem. Iedere bloem, ieder lied, ieder gebed, iedere roep, iedere zucht drukt uit dat wij met Hem ver-bonden blijven. Jezus verbreekt zegel na zegel. Niemand kan aanspraak maken op een ho-ger inzicht in de dingen dan Hij, al zijn er genoeg mensen die denken dat ze dat wèl kun-nen. We mogen geloven met ons hart en met de vrouwen zien dat God alles nog één keer laat beginnen. Net als in den beginne, toen de aarde ook in duisternis gehuld was. Een nieuw begin, Pasen. Zou daar een graf met een dode Heiland bij passen. Wie daarnaar op zoek gaat zoekt de Levende bij de doden.

Hoe kostbaar is een kwetsbaar kind? Openbaring 12

“En er werd een groot teken gezien in den hemel.” Een vrouw, die bekleed was met de zon, die als een mantel om haar heen hing, met de maan onder haar voeten en een krans van twaalf sterren op haar hoofd. De zon is haar mantel. Daarmee staat ze aan de kant van God, zo lezen we in de Psalmen (104). Dit teken, de vrouw, staat voor Gods volk, de kerk van Christus. Zij is ons aller Moeder. Moeder van de Verlosser en Moeder van de verlosten. Alle eeuwen door is zij zwanger. En alle eeuwen door is zij in arbeid. En voor haar, een vrouw die niets op haar gewe-ten heeft, staat de draak om te voorkomen dat haar geluk zal worden geboren. Dit verhaal wordt door de sterren verteld.

De oude Babyloniërs noemde de sterren het “schrift der goden”. Wat de goden aan de mensen te zeggen hebben, schrijven zij in de sterren. Zo zien we in de Openbaring een plaatje bij het woord van God. Wat voor chaos het ook is of wordt op aarde, ver weg of dichtbij, bij Hem loopt het niet uit de hand. Wat heb ik daar nu aan als ik door het kwaad wordt getroffen? Hoe kan ik de woorden horen, als ik verdoofd ben door de klap, die het leven of het lot, het grillige van het onvoorspelbare, het kwaad, mij heeft toegediend, als ik denk dat God slaapt? Wij kijken een moment naar de woorden en beelden uit de Openbaring, beelden die staan voor chaos en harmonie; voor wanhoop en hoop; voor noodlot en bestemming; voor kwaad en goed.

We kijken nu een moment met Johannes mee in zijn droom: Hij ziet geen gewone vrouw. Het is een vrouw die straalt, omgeven door twaalf sterren, de twaalf stammen van Israël, de twaalf apostelen. Of – anders gezegd – in haar komen het oude en het nieuwe, het oude en het nieuwe testament samen. Aan haar voeten ligt de maan en ze is met de zon bekleed. De zon, die haar als een mantel omgeeft en verwarmt. De oude hemellichamen, in die tijd in andere culturen ook wel goden genoemd, zijn er om haar te beschermen, om ver¬trouwd mee te worden. Om met vertrouwen het leven te leven. Het licht van de dag en het licht van de nacht. Het leven dat zich op de voorgrond afspeelt, en op de ach-tergrond of ondergrond. De vrouw in barensnood. Ja, het is wel een nood, maar ook een verlossing, de Verlosser wordt geboren. De draak loert op wat mooi geschapen is. Iets kwetsbaarder is toch niet voor te stellen? De wereld van het menselijke tegenover de we-reld van het onmenselijke. Kwetsbaarheid tegenover geweld – geboorte tegenover dood. En nu ondertussen gaat het over ons, mensen van nu. Mensen die leven met de verhalen uit het verleden, die iedere zondag verteld worden, en door de week in de klas. Verhalen om op de been te blijven, om onze bestemming te bereiken. Welke bestemming? Op weg naar Gods Huis, het nieuwe Jeruzalem. Het zijn dus niet alleen beelden uit een ver verle-den. Neen, zo denkend komen ze dichtbij en gaan ze over ons! Wij, kwetsbare mensen worden zo vaak belaagd en bedreigd door het kwaad in zijn vele gedaanten. We kijken nog even verder naar de droom van Johannes. De draak bedreigt de moeder en wil haar Kind zelfs doden. In de kwetsbaarste, maar vaak de mooiste uren in het leven van vrouw en man, van moeder en kind, is tegelijk de dreiging voelbaar, de angst voor het bestaan. Een angst, die je zomaar kan overvallen: hoe lang zal mijn geluk duren? En we vragen ons dat af, omdat we gewoon om ons heen zien, hoe kwetsbaar het leven is of kan wor-den, hoe broos geluk. “Hoe leef je met je nare jeugd, de littekens van vroeger, de won-den die je ouders in je geest of lichaam hebben geslagen?” Johannes droom lijkt gebro-ken, , een nachtmerrie, maar dat is het uiteindelijk niet. In de droom wordt het kwaad overwonnen door het goede.

Het kind van de vrouw is hem ontglipt. Maar de vrouw, de gemeente is er nog. Johannes heeft hier ons op het oog. De aarde komt de benarde mens te hulp. De aarde, Gods goede aarde, als bondgenoot tegen het kwaad, verslindt het water van de doodsrivier. De aarde opent haar schoot, het water vloeit weg, de dood droogt op. De vrouw is in veiligheid, de Kerk des Heren, zal altijd blijven bestaan. Waardoor? Door Jezus Zelf! Hij hing tussen de mens en de draak in, om ons, een wereld verloren in schuld. Ja, en dan lijkt het of de draak gewonnen heeft, zo donker is het nog nooit geweest, maar dit donker kan het niet winnen van het licht in de stille heilige nacht, en van de jubelklanken op de Paasmorgen.
In enkele verzen uit de droom van Johannes is het dan ook net of Kerstmis en Pasen sa-menvallen, de geboorte en de op¬standing, met daartussen de lijdensweg van de Heiland.

“Zie ik maak alle dingen nieuw!” , Openbaring 13, 21

Openbaring 12 eindigt dat Johannes achter bleef op het strand van het eiland Pat-mos. Een vreemd slot zouden we denken. Johannes heeft een bijzonder visioen ge-had en nu staat hij op het zand bij de zee. Aan wie kan je nu zo’n droom vertellen? Met wie moet je nu zo’n intense ervaring delen? Hoe geef je woorden en taal aan het gevoel dat je hebt na het zien van al die beelden? Zou het een mens lukken of breken de woorden op de beelden? Een volgende vraag is dan: Wat betekent zo’n bizarre droom voor mij? Voor mij als christen die Gods Woord onderzoekt?

Het is alsof we naar een film kijken waarin spanning en beklemming voelbaar zijn. Onze ogen zitten vast op het doek en het is alsof we er niet van kunnen loskomen. Opgelucht halen we adem als de muziek het einde van de film inluidt. De film, de Openbaring van Johannes, verbeeldt een oermenselijk gevoel. Het zijn de spanning en beklemming die we kunnen ervaren in het leven. Gevoelens die de vorm van angst kunnen aannemen: angst voor het bestaan, angst om te geloven, angst om te vertrouwen, angst om ons aan God toe te vertrouwen. Als christenen kunnen we, net als niet-christenen, de angst voor het be-staan voelen. Veel mensen en kinderen worstelen met gevoelens van angst en die gevoe-lens kunnen ons ook zo maar overvallen. Soms weten we een oorzaak, soms ook niet. Hoe moeten we met die angst omgaan? Misschien hebben we iets aan de droom van Johannes?

Johannes droomt verder. In het eerste vers lezen we over het beest. Hij droomt over een beest met tien horens en zeven koppen. Dit beest symboliseert de anti-christelijke politie-ke macht belichaamt door het Romeinse rijk. Gods kinderen staan voortdurend aan de verleiding van tegengestelde machten bloot. Het beest is evenbeeld van de draak. De draak is de bron van de oppositie tegen God. In de volgende verzen wordt dit in beelden verteld. De zee symboliseert de wereld van de volkeren. In een van de volgende hoofd-stukken geeft de Here God Zelf uitleg over dit beest (Openbaring 17:8). De tien horens symboliseren de elkaar opvolgende koningen in het Romeinse rijk. De zeven koppen zijn de zeven bergen waarop de vrouw gezeten is (Openbaring 17:9). De tien kronen verbeel-den een macht van roofdieren die niets menselijks meer heeft. Met zijn tien diademen presenteert het monster zich als satanische tegenspeler van Christus die vele kronen heeft (Openbaring 19:12). De namen van godslastering op de hoofden verwijzen naar de God-delijke eer waarop de keizers van Rome aanspraak maakten. Het is een macht vol aanma-tiging gericht tegen God en Christus. Ontaarde politieke macht laat zich immers vergod-delijking aanleunen. De duivelse karikatuur van Christus is ondertussen wel een impone-rende verschijning die velen verleidt. Zij lieten zich God of de zoon van God noemen. Het is de Satan die in de korte tijd die hij nog heeft de Kerk wil vernietigen (Openbaring 12:12). De afkomst van dit monster uit de zee kan alleen verklaard worden in samenhang met de herkomst van het tweede beest dat van het land komt (Openbaring 13:12). Eén van de koppen van het monster is dodelijk gewond. Hij moest in een ander zijn meerdere erkennen (Openbaring 12:9). Dit is de overwinning van God en Zijn Gezalfde. Het zijn beelden van de laatste grote wereldmacht. Wellicht wordt hier het Romeinse rijk uitge-beeld?

Het zijn ook beelden die we naar de hedendaagse tijd kunnen vertalen. Waar gaat het in het groot en in het klein niet over macht, verleiding, ontrouw, bedrog of vul maar in? Wat een afschuwelijk beeld moet dat zijn geweest. Johannes’ ogen zitten vast op het hemeldoek. Hij blijft kijken en hij ziet dat de gewonde kop geneest. Het beest staat in volle glorie op. En hij ziet dat alle volkeren het beest met verba-zing achterna gaan. En zij aanbaden het beest. Wie is dat beest met zijn verlok-kende ongerechtigheid (II Thessalonicenzen 2:9)?, vraagt Johannes zich af. Het lijkt of hij ons bij zijn ontzetting wil betrekken. Johannes wil ons bewust maken met wie wij te maken hebben in het bovenaardse of beneden aardse. Het beest lijkt op God, denkt Johannes aanvankelijk. Hoe kan hij dit trouwens weten? Nie-mand heeft toch ooit God gezien? Of lijkt het op ‘iets’ wat bij God hoort? Wat het daarom zo begeerlijk en aantrekkelijk maakt? Want, zou het niet zo zijn, dat het kwaad altijd in de buurt van God is? Het donker in de buurt van het licht? Daar ligt immers Satans prooi? Bij kinderen van het licht! Het beest, het vleesge-worden kwaad, ziet Johannes als beeld, als imitatie, van de Eeuwige. Net zoals in de vorige hoofdstukken, heeft ook dit beest, net als de draak, zeven koppen en tien horens. Zeven koppen, zeven geesten, die van Gods aangezicht uitgaan. Tien horens, beeld van de Tien Woorden, Richtingaanwijzers voor het leven voor Gods aangezicht. Het kwaad, vermomd als beest, lijkt op God. Het is bedrieglijk en ver-leidelijk en wij kunnen moeilijk het onderscheid maken.

De droom van Johannes heeft een verrassend slot. Het slot zien we pas, als wij blijven kijken en verder lezen tot het prachtige visioen over de nieuwe hemel en de nieuwe aarde (Op. 21). Het is alsof Johannes zich steeds even mag verheffen boven de gebeurtenissen van iedere dag. Iedere dag die genoeg aan zijn eigen kwaad heeft. Als wij de Openbaring zo kunnen lezen en ons erin verdiepen, komen de beelden in een ander perspectief te staan en worden we aangesproken. Het is geen film meer. We zijn ineens wakker!

Hoor een heilig koor van stemmen, staande aan de glazen zee
Liedboek voor de Kerken, Gezang 109:1

“Een engel als vriend?”, Genesis 16: 1-7, Mattheüs 18: 1-11

Abraham en Sara waren vreemdelingen in het land Gerar. Ze leefden daar als broer en zus, althans voor de buitenwereld. Dus Sara behoorde niemand toe,
en zo kwam ze onbedoeld in de harem van koning Abimelech. Abraham zag zijn vrouw vertrekken en zijn nageslacht leek verder weg dan ooit. Maar, zijn vrouw zou toch de zoon van de belofte baren? En zou de koning dan de vader zijn?

Maar God kwam Abraham hulp. In een droom zocht hij de koning op en zei:“U hebt een gehuwde vrouw genomen, Sara, zij behoort de vreemdeling Abraham toe.”
De koning antwoordde God: “Maar, ik ben nog niet tot haar genaderd. U zult toch geen rechtvaardig volk doden? Abraham heeft toch zelf tegen mij gezegd: “Zij is mijn zuster! En Sara zei: “Hij is mijn broeder! Ik ben onschuldig!” En God zeide: “Ik weet dat u on-schuldig bent. Ik heb u tegengehouden te zondigen. Ondanks die leugen, mocht Abra-ham in het land blijven en kreeg hij zijn vrouw terug. En gedurende de tijd dat Sara in die haremwas, had de Here elke moederschoot in het huis, en in de harem, van de koning toegesloten. Een harem vol onvruchtbare vrouwen met in hun midden de aartsmoeder. Toen Abraham zijn vrouw weer terug had, bad hij God voor de vrouwen van de koning, en Hij opende hun moederschoten weer. Een wonderlijk verhaal, maar het moet eerst ver-teld worden, om het vervolg te begrijpen, hoe het verder ging met Abraham en Sara. Want zijn vrouw Sara blijkt niet vruchtbaar te zijn. En zo komt Hagar in beeld. Omdat de vrouw van Abraham, Sara, geen kinderen kon krijgen, komt slavin Hagar in beeld en zij wordt later zwanger van hem. Natuurlijk wordt Sara jaloers en ze zorgt dat Hagar en haar kind in de woestijn terechtkomen. Hagar moest zelfs twee maal het gezin uit, de woestijn in…
En in de woestijn dreigt het kind van honger, dorst en angst om te komen. Welk kind kan het bevatten door een vader, die zo veel van hem hield, gekwetst en verstoten te worden?
Hoe kan moeder Hagar dat uitleggen? Ze snapt het zelf niet eens en heeft maar een zorg:
de zorg om haar kind, Ismaël. Als Hagar geen water meer heeft, weet ze dat haar kind zal sterven. Ze kan dat niet aanzien, niet meemaken, dat haar eigen kind zo zal lijden.
Ze legt haar zoon onder een struik en gaat zelf een eindje verderop zitten. Dan is er ineens die engel, ja, hij is er weer, een vriend die vraagt: “Wat is er aan de hand, Hagar?”
Wees maar niet bang! God heeft het roepen van je zoon gehoord. Sta op, neem de jongen en houdt hem vast met uw hand, want Ik wil hem tot een groot volk maken (Gen. 21:17).

“Wees niet bang!”, “Wees niet bezorgd!”, “God is met je!”. Deze zin komt 365 maal in de bijbel voor. We mogen dus iedere dag met deze woorden beginnen, hoe moeilijk het be-gin van een dag ook kan zijn. De engel opent haar ogen, zodat ze de bron ziet die in de nabijheid is. God was met haar en met haar kind. En zal ook met haar kind blijven, iedere dag van het jaar: “Wees niet bang, Hagar!” Zoals God door de engel bij Hagar was toen haar moederhart brak, zo wil God nog steeds bij ons zijn.
Daarover spreekt de Here Jezus luisterend naar de Schrift: “Ziet toe, dat gij niet één dezer kleinen veracht. Want ik zeg u, dat hun engelen in de hemelen voortdurend het aange-zicht zien van mijn Vader, die in de hemelen is.” Er liggen nogal wat boeken over engelen en engelenverhalen in de winkel. In bijna al die verhalen verkeert iemand in een gevaarlij-ke situatie. Maar dan is er redding door iemand, een engel in de persoon van een vriend, iemand die zich om jou bekommert, die je wat vertelt, iets laat zien, en die ineens weer verdwenen is. Neen, vaak heeft hij geen vleugels of witte kleren aan, geeft geen licht, of wel? En kun je een engel ook tegenkomen? Hoe weet je nu of engelen zich met jouw le-ven, jouw geluk, jouw gevaar of noodlot bemoeien, of het een vriend wordt?
Wat zegt de Here Jezus ook al weer over engelen? Dat ze het aangezicht van God aan-schouwen. En als mensen dan een relatie met de engelen hebben, hebben ze daardoor ook een relatie met God. Met andere woorden: Ons leven is niet beperkt door alles wat we kunnen zien en maken, maar het is omgeven door een geheim. Door “iets” wat voor ons de ruimte tussen hemel en aarde vult. Waar we mee leven, in leven, waardoor we ademen, op adem komen. Ja wat is het dan als we ons alleen voelen, op onszelf teruggeworpen, dat we tòch niet echt alleen zijn, dat we iets van God ervaren, iets van nabijheid en troost? En waarom willen we dat zo precies weten? Aan de ene kant lijken engelen heel gewoon: ze horen er gewoon bij in de bijbel. Aan de andere kant zijn engelen heel bijzon-der. Als het in de bijbel over engelen gaat, dan is er altijd iets bijzonders aan de hand.

Misschien kunnen ze in het leven van een mens wel op alle twee die manieren tegelijk pre-sent zijn: heel gewoon én heel bijzonder, zoals het leven van een mens kan zijn… We kun-nen tegen elkaar zeggen: “Mens, je bent een engel”. En dan wordt er bedoeld: in jouw doen en laten merk ik iets van Gods liefdevolle aandacht voor me. God werkt immers soms ook via gewone mensen als u en ik. En daarmee komt de engel dus dicht bij onszelf. Ook wij kunnen en mogen voor een medemens een engel zijn. Kunnen we vandaag nog een engel in ons leven tegenkomen?

God kun je zomaar verrassen. Zoals een vriend je kunt verrassen. Hij zendt een engel naar je toe, je merkt iets, ervaart is van God.

Lied 323: 2 Liedboek voor de Kerken
Tien richtingaanwijzers. Exodus 32

We kennen allemaal wel het verhaal hoe Mozes de berg opging om daar van God de stenen tafelen, woorden van leven en troost, de wet van God te ontvangen. Dat was een hele tocht door mist en nevel. En hij kon en durfde te klimmen, steeds ho-ger, omdat hij verwachtte, geloofde, daar iets van God te zien. Maar wat zag hij?, zo lezen we. Een voetenbankje van lazuurblauw. Daar moest hij het mee doen. Veertig dagen en veertig nachten. Een lange tijd.

Mozes kreeg daar de hemelse richtlijnen om op aarde de troostkist, de ark te bouwen, met daarin de wetten of vingerwijzingen Gods. De kist van Gods aanwezigheid. Licht in donkere dagen. En in die ark, de kist van Gods aanwezigheid, zou hij die twee keien moeten leggen, Gods Woorden, die we zo nodig hebben op onze weg door de woestijn.

Ik ben die Ik ben, zegt God. Mijn aanwezigheid heeft, met andere woorden, geen uitleg nodig. En we hebben van alles en nog wat om Gods aanwezigheid niet te vergeten: Kruis-jes, stickertjes, kaarsjes, beeldjes, armbandjes. Veel mensen zouden graag thuis een troostkistje of troostarkje hebben met een keitje om af en toe eens te lezen hoe ze ‘het’ nu moeten doen in hun leven.

In al die weken dat Mozes boven bij God was, was het volk beneden, en zij voel-den zich zonder God. ’t Waren maar veertig dagen, maar als je niet weet waar je aan toe bent, is het toch een hele tijd. Mozes is naar boven gegaan, naar God, maar wat moeten mensen beneden zich daar nu bij voorstellen? Toen was het ook al zo: uit het oog en gaandeweg ook uit het hart. En met Mozes ook de God van Mozes. Zo gaat het toch ook vaak in het gezin? Als een kind uit huis gaat, op eigen benen gaat staan, raakt het ouderlijk huis op de achtergrond. En dan valt vaak ook de God-van-het-ouderlijk huis weg.

Nu Mozes bij God is, ergens op de berg, achter de wolken, hebben ze helemaal geen hou-vast meer. En het volk krijgt steeds minder vertrouwen in wat er op de berg gebeurt. Toch wil het volk iemand om tegen op te kijken. Iemand als de latere Saul!
Een Goddelijk iemand, levend of van edel metaal, tegen wie je kunt praten, op wie je boos kan zijn, die je in ieder geval kan zien en waar je iets bij kan denken. Dat is van alle tijden. En zo kreeg Aäron, de priester, het verzoek van het volk een zichtbare God te ma-ken, een God die tussen mensen wonen wil, die je kunt zien en aanraken. Wat moet Aäron nu doen? Hij heeft het al niet zo gemakkelijk. Een bewogen man temidden van een volk dat geen kant uit kan.

Mozes en Aäron, twee broers uit hetzelfde nest. Beiden hebben de moordpartij van de farao overleefd. Beiden voelen ze zich verantwoordelijk voor het volk. De een is boven op de berg, bij God. En de ander is beneden, bij Gods’ volk. En hoe kun je nu het volk iets geven? Hoe geef je de mensen vertrouwen dat het wel goed komt? Hoe kan hij, Aäron, èn de Here God èn Mozes en het volk tevreden stellen?

We lezen hoe het hele volk gouden sieraden inlevert en Aäron voor hen een gouden kalf maakt. Een beeld neemt de plaats van God in. Een troostbeeld. Het volk komt in een feest¬stemming. Een feest, maar niet ter ere van God, maar van een bedenksel en maaksel van mensenhanden.

Het verhaal gaat over vroeger en gaat dan over ons. Als we nu eens bij het laatste stilstaan, bij het gouden kalf wat we zelf zo vaak centraal stellen, dat we vereren, waar iedereen plaats voor moet maken, waar ons geluk zo vaak vanaf hangt, ons ‘a¬lles’. We kennen allemaal wel iemand die er als een gouden kalf uitziet en zich zo gedraagt: koud en afstandelijk en als ze wat zeggen, zeggen ze wat hun gehalte is, hun karaat, wat ze waard zijn, waar ze in de etalage staan.

Als God zegt: Ik ben, die Ik ben. Dat zie je nog niets, maar als je luistert blijf je niet koud en hard. Ja, we hebben natuurlijk allemaal dingen waar we aan gehecht zijn,
die belangrijk voor ons zijn, die ons leven inhoud geven, waar we dankbaar voor mogen zijn. Van Hem hebben we Tien richtingaanwijzers gekregen om door de woestijn de weg naar het Beloofde Land te vinden.

Rachel verplaatst haar koord, Jozua 2

Het verhaal speelt zich af in Jericho, de stad waar de muren van zouden vallen. Voor het zo ver is moeten er eerst een paar verspieders kijken op welke wijze de stad verdedigd wordt. Op een van die muren, de wallen van Jericho, woonde Rachab. Een vrouw die haar levenskoord heeft verhangen van de voorzijde van haar huis naar de achterzijde. Dat was voor haar het teken ze met het oude kon breken en iets nieuws wilde beginnen, een nieuw leven met God.

Uit haar raam en uit de ramen van haar collega’s hingen rode koorden, signalen dat in die huizen liefde te koop was. Die koorden hingen aan de voorzijde. De hoerenlopers konden dan zien wie voor welke prijs te koop was. De klanten konden anoniem naar binnen, want in een bordeel hoef je niet te zeggen hoe je heet of waar je vandaan komt. Voor de ver-spieders een ideale plaats om zich te verschuilen.

Met dat uithangbord van zonde verdiende Rachab de kost. En nu krijgt deze vrouw van de verspieders het bevel om precies haar koord aan het achtervenster te binden. Dus niet zichtbaar voor voorbijgangers. Wanner zij nu het koord van de voorzijde naar de achterzijde verplaatst, neemt ze tegelijkertijd afscheid van haar oude leven. Wat een geloof in God, in Zijn bevel bevel om te breken met de zon-de.

Wat voor wereld zie je als je er van de andere kant tegen aan kijkt. Als je bij Rachab over de vloer komt. In deze vrouw komt een wereld mee van mannen voor wie een vrouw een gebruiksartikel is. Liefde verkild is tot betaalde seks. Een wereld van rijkdom en pijn.
Wat bijzonder dat voor het grote verhaal over het vallen van Jericho’s muren dit verhaal over deze vrouw is opgenomen. De bijbel is een realistisch boek. Uit het leven gegrepen camoufleert het de vuile kanten van het leven niet. Ook gaat het aan de andere kant niet mee met de trend de rauwheid van het leven voor het voetlicht te halen in een soort be-rusting van het verkeerde. De wereld is nu eenmaal zo.

Het geluk voor Rachab ligt buiten Jericho. Ze krijgt de moed om haar koord te verhangen, om de rode draad van God in haar leven te volgen, om bij de God van Israël en bij het volk van deze God te mogen horen. Hoe merkwaardig is het, dat we Rachab dan tegenkomen in de galerij van geloofshelden uit Hebreeën 11 (vers 31). Daar lezen we in deze merkwaardige brief: “Door het geloof is Rachab, de hoer, niet met de ongehoorzamen omgekomen, daar zij de verspieders met vrede had opgenomen.” Rachab is geen geval van hakken-over-de-sloot-zalig. Rachab handelt naar wat ze van God heeft gehoord. Gods daden imponeren haar. Ze zal wel niet vaak in de tempel geweest zijn. Geen trouwe kerkganger. Rachab heeft waarschijnlijk wel de verhalen van een generatie terug gehoord als het gaat over Israëls uittocht uit Egypte.

De verspieders nemen hun intrek in het huis van Rachab, de enige plaats waar ze kunnen overnachten zonder op te vallen. De Israëlieten zijn nog niet in de stad of ze zijn al gesig-naleerd. Nog even en de soldaten van de koning van Jericho melden zich. De verspieders zijn in levensgevaar. En dan gebeurt het wonderlijke: Rachab uit de roze buurt neemt het op voor de vijanden van haar volk. Ze riskeert haar eigen leven door de verspieders te verbergen op het platte dak van haar huis, onder wat bossen vlasstro. En ze zet haar pros-tituele onschuld in om de soldaten om de tuin te leiden: “Zoekt u die mannen of zoekt u mij?” En ondertussen ontsnappen de verspieders via een touw uit het venster.
Rachab belijdt tegenover de verspieders haar geloof: “De Here uw God is een God in de hemel boven en op de aarde beneden. Deze God, de God van hemel en aarde, zal ons land aan jullie volk geven.”

Wonderlijk, zoals je hier geloof ziet doorbreken. Rachab kiest vóór Israël, omdat ze gelooft in de God van Israël. Haar leven wordt gespaard en ze wordt gered. Waarom? Omdat ze haar koord verplaatst heeft. Voor God en zijn volk hing het als een getuigenis aan de achterzijde van haar huis.

“Kiezen” Jozua 24:23

Wat wil God met mijn leven? Als je je dat afvraagt brengt dat altijd een keuze met zich mee. Het gevolg van die keuze is dat je je rustig voelt of schuldig, dat je straalt en open bent, of verbeten en vol kwade woorden, roddel, dat je werkelijk naar je naaste luistert of over je naaste heenwalst. Bij God mag je alles wat je op je lever hebt uitspreken. Je hoeft er niet mee te blijven rondlopen, niet mee te blijven leven, niet eindeloos met anderen over te praten.

Mozes had de eerste generatie van de uittocht in 40 moeilijke jaren van de Rode Zee naar de Jordaan gebracht. Hij trok er met de tweede generatie overheen. De markante generaal overwon koningen en volkeren en verdeelde het land in twaalf stammen. Jozua had twee verspieders naar Jericho, de sleutelstad, de poort tot het Beloofde Land, gestuurd. Daar vonden ze onderdak bij Rachab. Daarna horen we hoe de muren van Jericho vallen. Daar-na lezen we veel over de strijd van de generaal, die steeds meer profeet wordt. Op het einde van zijn leven, op zijn sterfbed smeekt hij: Doe toch die vreemde goden weg, de goden die in uw midden zijn, en neigt uw harten tot de Here, de God van Israël…

Jozua aan het einde van zijn leven. We horen hem nu als priester die zijn gelovigen nog eenmaal wil zeggen: Maak toch een juiste keuze! Een oproep die nog steeds te horen is, als je luistert naar wat God to ons te zeggen heeft. “Welke God willen jullie dienen?” Kiezen jullie voor de goden die jullie voorvaderen, daar aan de overzijde van de Jordaan hebben gediend, of de God van Abraham? Wij maken zelf goden en daarmee zijn we de God van Abraham ontrouw. Je kunt van je hoofd, buik, huis of auto een god maken, zoals je dat ook kunt van de natuur of de bank.

Het was een dag van heel bijzondere bemoediging. Jozua bracht het volk in herinnering al wat God in het verleden voor hen had gedaan. Hij verhaalde opnieuw de hele geschiede-nis van het volk. Hij vertelde hoe God Abraham uitkoos en hij vertelde hoe Mozes het onderdrukte uitverkoren volk uit Egypte had mogen uitleiden. Wat toen verder volgde lag voor vele aanwezigen nog vers in het geheugen. De val van Jericho;
De intocht in het Beloofde Land. En Jozua bracht hun in herinnering dat ze dat ze alles aan de Here te danken hadden. Een geschenk van God, waarvoor je zelf niets hebt moe-ten doen.

Onder de eikenbomen van Sichem, ooit een heilige plaats van de Kanaäniten, waar de krachten van de natuur, de zon en de maan, werden vereerd, waar Jacob en Rachel hun goden begroeven, bemiddelt nu Jozua in een verbondsluiting tussen God en zijn volk. Zij gaven er gehoor aan, zoals wij er steeds weer gehoor geven aan de Jezus’ uitnodiging om met Hem maaltijd te houden, leeftocht voor onderweg, voor wie willen breken met de goden aan de andere zijde van de Jordaan, voor allen die niet van hun hoofd, buik, huis of auto afgod willen maken.

Toen is Jozua gaan slapen, oud en van tijd en ervaringen verzadigd, en hij werd niet meer wakker, Hij had een goede keuze gemaakt.

“Burnout”, I Koningen 19: 1-8

Wanneer is een mens opgebrand? Is dat als je zestig bent of vijftig of eerder? Is het iets van deze tijd, van het onderwijs, of herkennen we al iets bij Elia. In I Koningen 19 ontmoeten we de sterke profeet opgebrand onder een bremstruik. Hoe moet hij nu verder en met wie? Biedt God hulp of de ARBO arts die de Wet Poortwachter uitvoert? Wie zal het weten? We horen Elia: ‘Het is genoeg geweest, Here. Neem mijn leven, want ik ben niet beter dan mijn voorouders.’ Zo kan het in het leven van een mens ook gaan. We kiezen in dit hoofdstuk voor God en misschien kan de Wet Poortwachter ons helpen weer eens rustig te lezen wat God met de mens voor ogen heeft.

Jaren leef en werk je met plezier en je hebt overal energie voor. En ineens is het “op”. Alsof iemand het ventiel van je betrokkenheid en energie eruit heeft getrokken. Uitgeput ligt Elia onder een bremstruik en hij wil zijn roeping teruggeven. Er is nog maar weinig over van die onvermoeibare strijder Gods, die koning en volk bezwoer zich te bekeren van hun dwalingen. “Terug! Terug naar waar het God om begonnen is. Zijn jullie je op-dracht nu vergeten?”, riep hij dan. En ondertussen is Elia zijn opdracht nu zelf vergeten. Hij wil het liefst verdwijnen. In diepe neerslachtigheid trekt hij een dag de woestijn in. Is het allemaal dan tevergeefs geweest? “Ik ben niet beter dan mijn vaderen.”, horen we hem zeggen. Teleurstelling wordt nogal eens veroorzaakt door te veel of te weinig aan “drives”, zelfoverschatting of zelfonderschatting. Ik denk wel eens dat het tweede meer voor komt dan het eerste. Het kan ook zijn dat ik het meer hoor. Immers, je kunt toch ook minder geweest zijn dan je vaderen, of op zijn minst eender, het is maar net waar je de lat legt. En dat mag toch ook van God? Hij roept toch geen mens naar zijn functie, zijn werk, zijn prestaties, maar wat hij in zijn hart draagt. Elia is opgebrand, burnout, lichamelijk en geestelijk moeheid. We horen onder die bremstruik dat zijn leven voor God en mensen geen zin meer heeft. Daar zit Elia, eenzaam en leeg, zijn verleden opgegeten en niet ver-zadigd. Hij ziet geen weg meer voor zich, maar alleen achter zich. En dan, als hij de weg naar God kwijt is, komt God hem tegemoet. De Here zond een engel: “Word wakker en eet wat.” Elia keek op en ontdekte naast zijn hoofd een brood, in gloeiende kooltjes ge-bakken, en een kruik water. Nadat hij had gegeten en gedronken ging hij weer onder de struik liggen.
Ja, Elia zag het eten en drinken, at en dronk, maar het was niet genoeg. Weer legde hij zich neer onder de struik. Maar, de Here zond ten tweede male een engel: “Sta op en eet wat, anders is de reis te zwaar voor je.” Ja, de Here heeft een ander reisschema voor onze levensweg dan wij denken of willen. Hij wil met Elia verder. God heeft nog een taak voor Elia. En God neemt de tijd voor Elia. Hij geeft hem de nodige steun om zijn leven en werk weer aan te kunnen. Elia moet weer aan het werk met de opdrachten die God hem geeft. “Terug Elia! Terug naar waar het God om begonnen is. Ben je je opdracht nu vergeten? Keer op je schreden terug!” Er is een weg omhoog uit het diepste dal. Neen, de Here God ontkent Elia’s toestand niet. Hij hoort zijn klachten, zijn smart en voelt als het ware zijn depressie. Maar, De Here biedt hem nieuw uitzicht, nieuw perspectief. De Here roept hem met een nieuwe roeping. Elia, mijn knecht, of wie dan ook daar ooit komt te liggen onder de bremstruik: Je leven is niet tevergeefs. Je werk en woorden werken door, ook als je er eens niet meer zal zijn. Dat was het, wat Elia in de stilte van God heeft erva-ren toen hij daar uitgeblust en opgebrand onder die bremstruik lag: “Elia, mijn knecht, je bent er voor Mij en voor mensen en daarom moet je opstaan en verder gaan. Ik weet wel dat het even genoeg was, maar het is nog niet volbracht wat Ik op jouw schouders heb gelegd. Het kan zijn, dat we de woestijn doormoeten, nog een dagreis verder: “Sta op en eet wat, anders is de reis te zwaar voor je.” Toen stond Elia op, at en ging op weg, veertig dagen en veertig nachten tot aan het gebergte Gods: de Horeb.

Leid, vriend’lijk Licht, mij als een trouwe wacht,
leid Gij mij voort!
‘k Ben ver van huis en donker is de nacht,
leid Gij mij voort!
Schoon ook de toekomst mij verborgen zij,
licht stap voor stap mij met uw schijnsel bij.

Gezang 230:1 Hervormde Bundel

De kwaliteit van leven, Prediker 4

“Alles heeft zijn tijd!”, leert de Prediker. Maar, zo kun je je afvragen: Hoe kom ik nu mijn tijd door, als het leven me tegenzit, als ik meer in het dal dan op de berg wandel? De Prediker heeft de wereld na Genesis 3 diep gepeild. Je zult sterven, zei God tegen Adam en Eva. Sindsdien zijn we vergankelijk. Alles is ijdelheid, is het thema van dit boek, het gaat voorbij, het is lucht. Er zit een diepe vergeefsheid in de dingen. Buiten het paradijs worden twee kinderen geboren, twee broeders, ze zijn samen maar het wordt moord en doodslag. Dat is de wereld van Prediker en van ons.

“Alles heeft zijn tijd!”. Wat is daarover van uit de Bijbel te zeggen, ook te zeggen, en hoe gaan we er mee om? We gaan te rade bij de Prediker, die zo diep het leven heeft gepeild en alles wat voorbijkwam heeft afgestemd op God. Een boek dat niet als een recept te lezen is, geen kant–en–klare oplossingen, maar veeleer een wijze van denken, van omgaan met het leven en met God. De Prediker zegt iets over “tijd” in het eerste hoofdstuk, ver-volgens over het leven met zo veel ijdelheid, lucht, buitenkant, en nu zegt hij iets over wat mensen voor elkaar zouden kunnen of zouden moeten betekenen.

Twee is beter dan één, zegt de Prediker. Het is niet goed dat de mens alleen is. Die ge-dachte is al heel oud. God zei het ook al, toen Hij de mens geschapen had. Mensen heb-ben mensen nodig want alleen is maar alleen. Maar als God het zegt zijn we in het para-dijs en de Prediker is een ander verhaal. Adam krijgt een metgezel, een mooie vrouw. “Zij is vlees van mijn vlees en been van mijn gebeente!” Wat heerlijk om samen te zijn. Kan niet mooier! De Prediker spreekt anders, misschien wel omdat hij meer van het leven weet: Hij zegt niet: heerlijk, fantastisch om met z’n tweeën te zijn. Hij zegt: het is beter. Dat is wat Prediker ons ook wil bijbrengen: Een beetje wijsheid om het in de wereld, on-der de zon, te kunnen uithouden. Ook als je in het leven alleen maar tegenwind hebt, want we zijn niet meer in het paradijs.

Toch zegt de Prediker: Twee zijn beter dan één. En hij vertelt een paar verhaaltjes om dat duidelijk te maken. Stel, iemand is alleen. Hij heeft geen metgezel, geen zoon en geen broer (vers 8). In de lengte van de tijd komt er niemand na hem en in de breedte van de tijd is er niemand naast hem. In de wereld van het oosten was je dan een beklagenswaar-dig mens. Alléén. Wat doet deze man? Hij stort zich op zijn werk. Zijn zaak is alles voor hem. Vroeg op, laat thuis. Hij verdient goed. Wat ga je doen met dat geld? Ik ga er nog meer van maken. Zijn ogen worden niet verzadigd van rijkdom. Hij jaagt maar door, want hij is toch alleen. Zo iemand zou zich eens moeten afvragen: voor wie werk ik eigenlijk zo hard? Ik ontzeg mezelf het goede. Ik houd geen tijd over voor echt genieten. Ik sjouw maar door. Voor wie?

Veel hebben en tegelijk eenzaam zijn. Ik denk, dat er veel van zulke mensen zijn,
juist in onze moderne samenleving, waar het individualisme hoogtij viert. Ze staan voor een gesloten deur, voor een huis waar nooit liefde woonde. Hun levenspart-ner is een hond, een blinde geleidehond. Je bent alleen, niet eens omdat je geen broer hebt of zoon, maar omdat je zo op jezelf gericht bent. Voor wie werk jij zo hard? Voor mezelf. Eigenlijk is dat triest. Het is lucht, zegt de Prediker. Er zijn mensen, die denken dat ze veel vrienden hebben, maar die vrienden zijn alleen maar behang. Ze zijn het behang in de kamer waar jij alleen woont.

De Prediker eindigt deze perikoop met een voorbeeld van het drievoudig snoer, een touw dat uit drie strengen bestaat die in elkaar gevlochten zijn. Zo’n touw krijg je niet makke-lijk stuk. Twee is beter dan één. En dan dus een drievoudig snoer. Waar twee of drie bij-een zijn in mijn naam, zegt Jezus, daar ben Ik in hun midden.

Lied

“Is geloven leuk?”, Micha 6: 1-8, Mattheüs 6:10

“Is geloven leuk?” vroeg eens een meisje in HAVO-4. Ik was gebombardeerd tot mentor van HAVO-4, een drukke klas, maar als gevangenispredikant die een dag op school was, moest ik dat wel aankunnen. Ik heb het enkele jaren gedaan en het was een onvergetelijke tijd. Nu onze kinderen in de leeftijd van HAVO-4 zitten, denk ik nog wel eens aan die tijd terug. Aan de groepen waar ik godsdienst en maatschappijleer mocht geven, aan zo’n 25 Haagse pubers en een vak waar je nooit op kon zakken.

Een van de meisjes uit mijn mentorklas bleef na de les wat treuzelen. “Is geloven leuk?”, vroeg ze. Van huis uit had ze niets over het geloof meegekregen. We hadden al vaker met elkaar gepraat. Over haar moeder die meer bij haar vriend zat dan bij haar enige dochter. En over haar vader die van vrijdag tot maandag niet aanspreekbaar was door de alcohol. ’s Zaterdags werkte ze bij de HEMA om wat te verdienen. ’s Zondags lag ze meestal de hele dag op bed. Ze wilde wat met haar leven. Maar wat? “Want als geloven leuk is, vraag ik me wel eens af hoe het allemaal zit?”, zei ze. “De een heeft een leuk leven en de ander niet. De een woont in het gezin met ouders en gaan met elkaar op vakantie, maar wij gaan zelfs geen dagje uit.”
In de loop der jaren ben ik nogal wat mensen tegengekomen die troost putten uit de op-vatting dat verschrikkelijk gebeurtenissen die hen treffen door God zijn gewild of voor-beschikt. Zelf zal ik nooit tegen mensen zeggen dat een ziekte of ramp van God afkom-stig is. Daarvoor heb ik te vaak gezongen: “Welk een Vriend is onze Jezus”. Op vrienden kun je immers bouwen, die kun je vertrouwen, daaraan kun je je toevertrouwen. Ik kan niet meer tellen hoe vaak we dit lied hebben gezongen in een rouwdienst als troost voor de nabestaanden. Altijd als ik het daarover nadenk, zeker als ik weer bij mensen kom die een onbeschrijflijk verdriet hebben, dan denk ik: Wat zeg ik, wat zeg ik niet, wat lees ik uit de Bijbel, wat bid ik? En wat zeg ik als ik zou bidden: “Uw wil geschiedde”? Zou het Gods wil zijn dat duizenden mensen sterven van de honger, gemarteld, verkracht, ver-moord, in kampen zitten met niet meer dan een golfplaat boven hun hoofd? En toch bid-den we in het “Onze Vader” de woorden “Uw wil geschiede.” En al biddend zien we telkens weer dat Gods wil niet geschiedt. “Uw wil geschiede” betekent dat het diepe ver-langen wordt uitgesproken dat Gods wil zal gebeuren in ons leven. Was het maar waar dat Gods wil zou gebeuren op de aarde zoals in de hemel. Er gebeuren door ons feilen en falen, door de natuur of het noodlot maar al te veel dingen die misschien helemaal niet naar Gods wil zijn. Waarschijnlijk is er nu iemand die tegenwerpt: “Maar de woorden uit Mattheüs 10:29 dan, daar gaat het toch over de mus die niet ter aarde valt zonder de wil van de Vader?” Lees die tekst nog maar eens rustig na, dan zul je zien dat dat er niet staat. Er staat: “Worden niet twee mussen te koop aangeboden voor een duit? En niet een daarvan zal ter aarde vallen zonder uw Vader”. Wat er dus wel staat is, dat er geen mus ter aarde valt zonder de Vader. Dat wil zeggen, zonder dat Hij er weet van heeft, zonder dat het Hem ter harte gaat.
We zien dat ook wanneer de Here Jezus in de hof van Gethsemane bidt: “Niet mijn wil, maar Uw wil geschiede.” Dan betekent niet dat Hij gevraagd wordt te bukken voor het lot. Hij bidt dat Hij, wat er ook dreigt te gebeuren, de wil van de Vader zal blijven doen. Dat hij niet de weg van de minste weerstand zal kiezen en opzij zal gaan voor de machten of verleidingen die Hem ervan kunnen weerhouden om Zijn weg te gaan.
En Zijn weg had te maken met ons, met Zijn keuze voor de naaste, voor de kleine en ver-drukte mens. Om als Verlosser ons van de zonden te verlossen en de weg tot de Vader te ontsluiten.
Ik heb jaren later pas begrepen dat mijn lessen godsdienst sommige leerlingen meer deden dat ik kon bevroeden. Het meisje herkende zich in het gebed aan het begin van de week, als ik bad voor huizen waar het niet leuk was, waar spanning of stilte was, waar kinderen blij waren als het weer maandag was. Jaren later schreef ze: “Bedankt dat u zo vaak voor mij gebeden hebt!”
In het tekstgedeelte staat: “God heeft U bekend gemaakt wat goed is en wat de Here van u vraagt.” Dus God maakt bekend wat Hij van ons vraagt en wat Zijn wil is.” Daar begint juist ook het lastige: Wat is Gods wil? “Wil” kun je ook vertalen met “welwillendheid?” of “welbehagen”. Door de hele bijbel lezen we dat God het goede met Zijn volk en met ons voor heeft. In de Engelse vertaling van het Onze Vader staat: “Uw wil worde ge-daan.” Dat komt dichter bij de bedoeling. Het is veel actiever. Gods wil moeten we niet lijdzaam ondergaan, maar moet worden gedaan. Er blijven dan veel vragen waar we niet zo gemakkelijk antwoord op hebben. Misschien zouden ook meer aan de Here moeten overlaten en niet alles willen weten en uitpluizen. Er is geen handboek van God waar de uitwerking van onze levensvragen in staat. Maar, in het Woord en in de Woordverkondi-ging krijgen we vaak woorden voor ons hart die niet iedere vraag oplossen, maar wel onze levensvragen in een ander licht zetten. In het Licht. Micha profeteert dan: “Verander uw leven! Leef met God, wandel met Hem, wandel bewust.” Door heel het boekje Micha, slechts acht pagina’s, proeven we Gods pijn en voelen we Gods verdriet over de ontrouw van Zijn kinderen. In zijn boekje wisselen licht en donker, oordeel en vergeving, elkaar af. We lezen ook dat wanneer God straft, Hij alweer aan Zijn genade denkt. Na de balling-schap zal de rest van het volk immers overal uit Babel weer verzameld worden om terug te keren naar Jeruzalem.
“Is geloven leuk?” Ik zou geen goed antwoord weten. Wat ik wel weet dat ik goed moet luisteren naar haar verhaal, naar de pijn en brokken achter de stoere verhalen van pubers over stappen, drinken, laat thuiskomen. Het meisje verlangde naar een hand haar zou op-vangen, zou omhelzen omdat ze alleen maar valt. Een hand zonder begeerte of lust, maar die te vertrouwen is. Een doorboorde hand van Hem die zegt: “Laat de kinderen tot Mij komen!” Wat een voorrecht om kinderen dat te vertellen. Vooral aan kinderen die nooit een kerk van binnen zien, die als kleine volwassenen moeten leven om te overleven.

“Gij zijt Mijn volk !”, Hosea 2:22b

Een man en een vrouw, een profeet en een prostituee, gaan trouwen. Waarom ge-bruikt God hen? Hosea had een moeilijk huwelijk met zijn vrouw Gomer. Natuur-lijk, want het zal je maar overkomen dat je niet de enige bent voor je vrouw. Dit huwelijk van Hosea met de ontrouwe Gomer, een huwelijk tussen een profeet en een prostituee, met hun beide kinderen, Lo-Ruchama en Lo-Ammi, is het beeld van het ontrouwe volk Israël in ’t groot en het beeld van onze ontrouw in onze relatie met God in het klein. Met andere woorden: Dit huwelijk staat voor de verhouding tussen God en Zijn volk van toen en van nu.

Hosea en Gomer hadden twee kinderen, die de wonderlijke namen droegen, scheldna-men, namen van bastaards. Het meisje heette Lo-Ruchama. “Lo” betekent “niet” en “ruchama” komt van het Hebreeuwse woord rechem dat baarmoeder betekent en in dit verband vertaald kan worden met “zij was niet bemind”. De dochter van Hosea en Go-mer kreeg een naam die betekent dat zij uit de baarmoeder, uit de bescherming, afgesne-den van haar moeder moest leven. En hun zoon kreeg de naam Lo-Ammi, weer dat “lo” wat ‘niet’ betekent en “ammi” wat volk bete¬kent. De zoon kreeg dus een naam die bete-kent dat hij niet meer tot het volk, het gezin werd gerekend.

Nu krijgt deze profeet, Hosea, de opdracht om samen met zijn vrouw het Woord van God aan zijn volk te brengen. Het verhaal begint afschuwelijk, maar heeft een prachtig einde waarin we horen over Gods genade voor het gezin, ja ook voor Gomer en haar kinderen met die scheldnamen. De Here God ontfermt zich over haar en over haar kinderen. Het verhaal neemt een wending, slaat om, de Here God is aan het woord. Het meisje krijgt een prachtige naam. Het voorvoegsel “lo”, “niet”, gaat er af en zo mag gaan heten: Ruchama: Wat zo veel betekent als: Ik ben een met God en ik mag onder Zijn bescherming wonen. Ik ik ben gewenst. Bij haar broertje gaat eveneens het voorvoegsel “lo” er af en ook hij krijgt een prach-tige naam: Ammi, wat betekent: Jij hoort bij mijn volk, jij bent mijn zoon, Ik ben jouw Vader. Ook jij bent gewenst…

Gods genade en ontferming is groter dan wij mensen denken of zeggen. Gomer had veel minnaars, die haar wol, vlas, brood en olie gaven. Ze hield feesten, ook religieuze feesten, ter ere van de Baäls, de afgoden. Neen, niet ter ere van de God van Israël. Onze God en Vader, Wiens naam betekent: “Ik ben er ook voor jou” in tegenstelling tot de naam van Baäl, die betekent: “Ik wil hebben en bezitten”

Dan komt God aan het woord: “Gomer, Ik zal je weg met doornen versperren. Ik zal overal muren maken en alles zal ik je afnemen: je vlas en wol, je brood en olie-…” Op deze wijze maakt God duidelijk hoe hij denkt over zijn overspelige volk. We horen hier Gods stem als van een woedende echtgenoot. Een bedrogen man, die het nu voor de tweede of tiende keer met zijn vrouw geprobeerd heeft. En we horen Gods boodschap, de tranen in Zijn stem, dat het weer mislukt is. En, zoals op zoveel plaatsen in de Bijbel, lijkt het nu afgelopen. Maar, de Here God, de God van het verbond, laat niet zo gemakke¬lijk een van zijn kinderen los. Hij is de Her-der en Hoeder, de Pastor Bonus, van een grote kudde, die soms 99 schapen achter laat om die ene te zoeken. En op de meest onverwachte momenten, in de meest ondenkbare situaties kun je Zijn stem horen.

Dan zien we Gods barmhartigheid. Dat is het mooie, het ontroerende van het Woord van God, dat er steeds van die onverwachte, mooie dingen gebeuren. De Here God neemt haar mee naar vroeger. Hij laat haar zien hoe ze was: zo puur, zo ongerept, liggend in de armen van haar ouders.

Hosea en Gomer, een echtpaar met twee kinderen. Wat zegt het ons in deze tijd dit verhaal uit de Schrift ? Wat zegt het u en mij en Jessica ? In het verhaal lezen we voor Gods trouw en de ontrouw van mensen. En steeds lezen we, dat de Here God deze ontrouw niet kan verdragen en niet laat bestaan. Niet van Zijn volk, niet van Hosea en Gomer en niet van ons. Die liefdevolle God, de God van Hosea en Gomer, van u en mij, staat naast je als je wordt teruggeworpen op jezelf, en die liefde is nooit te koop !

Heer ontferm U over ons,
open Uwe Vaderarmen,
stort Uw zegen over ons,
neem ons op in uw erbarmen !
Eeuwig blijft Uw trouw bestaan…
laat ons niet verloren gaan !

Gezang 149: 1 en 3 N.H. Bundel

“Als ik niet meer kan zingen, draagt mij Uw muziek.” Hosea 6:6

De Here God spreekt soms tot mensen op een heel bijzondere wijze. Vaak vinden wij dat onbegrijpelijk, maar juist daarin mogen wij Gods grootheid zien. Wij zien Zijn werken in de dingen die ons verstand te boven gaan. Het zijn van die bijzonde-re momenten die je mag beleven als je iets leest of hoort over het leven van Gods kinderen. En in de ontmoetingen met medemensen, ook al is de ander anders. Ja, misschien raakt een leven van een gehandicapt kind je wel. Een kind dat minder begaafd is, minder gaaf, een steeds terugkerend “bespreekgeval”. Een kind dat van harte “Welk een Vriend is onze Jezus kan meezingen”, zonder “uiterlijk vertoon van offers”. Alsof het kind de tekst leeft, dat de Here God in liefde behagen heeft en niet in offers (Hosea 6:6).

Soms begrijpt een kind beter wat God bedoelt dan een hele gemeente. God waarschuwt Zijn volk voor de zoveelste maal dat het op de brede weg is. Hij vraagt geen brandoffers of slachtoffers, maar een onbevangen liefdevol “ja” op Zijn liefde. Zo begint ook het boek Hosea, dat helemaal gaat over de relatie tussen God en zijn volk. Hosea, de profeet, in wiens leven van alles en nog wat misging. Hij moest een vrouw trouwen, die hem on-trouw was. Daarin symboliseerde de Here God een spiegel van zijn volk en daarover moest Hosea verkondigen. Maar, hoe zou hij dat kunnen? Hij was toch ook maar een mens? En ieder mens, ook ieder gelovig mens, heeft toch zijn grenzen? Ja, en hoe komt het nu dat de profeet op deze wijze predikte? Het huwelijk van Hosea met de ontrouwe Gomer is het beeld van het ontrouwe volk Israël in het groot of misschien herkennen we onder een vergrootglas wel iets van onze eigen verhouding met God?

Ja, door de mensen van toen, door Hosea en Gomer, een profeet en een prostituee, zegt God veel tot mensen van nu: Hij zegt: Kijk naar mijn weg en wet, leer van Mij, volg Mij na. De ervaring van je geloof die je hart beroert, en niet je hoofd, over dat geheim spreekt nu die markante profeet. Ja, en hoe kwam dat nu dat hij zijn vinger legt bij wat in mensen huist aan overspel en ontrouw? Waarom gebruik-te de Here God hem en zijn vrouw? Wat heeft hij ons te zeggen? Hij leefde in een relatie die zich bewoog tussen passie en teleurstelling, tussen liefde en haat. En, dit huwelijk van Hosea met Gomer met hun beide kinderen, is het beeld van het ontrouwe volk Israël in ’t groot of misschien herkennen we onder een vergrootglas wel iets van onze eigen verhouding met God in ‘t klein…?

En deze profeet, Hosea, krijgt de opdracht om het Woord van God aan zijn volk te bren-gen, om te spreken over zijn leven en liefde, hun overleven en overspel. Ja, en dan lijkt het of zij en hun kinderen uit Gods genade vallen, omdat er iets loos is in het gezin, van alles mis, situaties die we nog iedere dag tegenkomen, in het groot en in het klein. Maar dan staat dit verhaal voor Gods trouw, ondanks de ontrouw van mensen. We lezen dan, dat God deze situatie niet laat bestaan. Niet kan laten bestaan, zoveel geeft Hij om zijn volk, om ons! Zo veel geeft God ook om Gomer! God weet wel dat onze liefde vaak niet zo diep zit, vluchtig als een morgenwolk, vluchtig als dauw (Hosea 6:4). God kijkt naar zijn volk met compassie. Daarom krijgt dit wondere echtpaar deze opdracht. Een missie die niemand graag overneemt. Wie durft de andere aan te spreken om hoe hij leeft, werkt, gelooft, het geloof doorgeeft?

En er is een zoeken naar en vertellen over de Here God, waarvan Hij misschien niet zo gediend is. Het heeft te maken, zo geloof ik, met alles wat we uitstralen, maar wat niet echt is, zoals Gomer dat deed om haar minnaars te verleiden. God heeft geen behagen in de mens die het in uitwendige dingen zoekt, geen behagen in het juiste ritueel, niet in prachtig geformuleerde zinnen. Geen brandoffers en geen slachtoffers! Hij vraagt te geloven en lief te hebben met de eenvoud van een kind. En wat een voorrecht als een mens na een leven beperkingen kan zingen: “Als ik niet meer kan zingen, draagt mij Uw muziek.”

Lied 446: 7 Liedboek voor de Kerken

Liefde is niet te koop, Hooglied 1

Het Hooglied, een naam door Luther bedacht, als vertaling van het Latijnse Lied der Liederen. Het is een van de vijf feestrollen in het jodendom en het wordt gele-zen op het joodse paasfeest, waarop de uittocht wordt herdacht. Jeremia zag de uit-tocht als een bruiloft, met Israel als de bruid, God als de Bruidegom die haar heeft bevrijd. En zo vormt het Hooglied een verzameling liefdes – en bruiloftsliederen van verschillende herkomst, aaneengeregen tot een boekje, honderden jaren voor onze jaartelling samengesteld.

Centraal in het boekje staat de liefde, de aardse en de hemelse liefde, verschillend of het-zelfde, zonder enige schroom beschreven. Latere christelijke uitleggers zagen er de liefde van Christus in voor zijn kerk. Zelf haal ik Hooglied 8 nogal eens aan in een trouwdienst. Over het unieke van de liefde heeft Bernard van Clairvaux, de bekende mysticus uit de 11e eeuw, die zo’n 80 preken gemaakt. Preken die nog steeds gelezen worden in vele ta-len.

Er is een tijd geweest dat men zei, dat het niet geschikt was om het te lezen.
Waarschijnlijk waren de mensen er wat verlegen mee. Wat maak je allemaal los?
De liefde is iets mysterieus. Een enorme kracht. Opeens is het er. En dan kun je er niet tegenop, ook al zou je het willen en gebeuren er dingen, die je liever niet had gewild. Er wordt ook over Hooglied wel eens gegniffeld. Zo ga je als jongen en meisje toch niet met elkaar om? Zo praat je toch niet tegen elkaar? Het is wel heel duidelijk een andere cultuur dan de onze. Het gaat niet over het leven in deze tijd. Je kunt er niet veel mee. Het is mooi als je veel van taal houdt, als je dominee of leerkracht bent. Maar het Hooglied kreeg toch een plek in de bijbel. Alleen daar-door al heeft het iets unieks. Israël heeft ook het Hooglied een plaats gegeven tus-sen de heilige boeken, het werd zelfs een feestrol, en kreeg een ereplaats in de tempel.
Bernardus schrijft in zijn tachtig preken, en na hem vele christelijke mystici, niet anders, dan dat God liefde is. En vrijwel iedere paragraaf, iedere perikoop, van het lied brengt je bij God. We lezen in Hooglied dat de bruid de bruidegom liefheeft. Ze wil als het ware die liefde vorm geven, een relatie aangaan, zo dat zij iets voor elkaar gaan betekenen. Als ze met de bruidegom mee gaat, mee durft, naar de binnenvertrekken, naar de kamers van zijn paleis, ervaart ze hoe hij voor haar en zij voor hem wil zijn. Maar, ze zegt dan van zichzelf dat ze donker van huid is, lijkend op de geitenharen tenten van Kedar, de ruwe tenten van de woestijnbewoners, maar wel bekoorlijk. “Ik moet u zeggen, dat ik wat an-ders ben dan de andere meisjes. Ik kom misschien niet uit een normaal nest. Mijn moeder was…, mijn vader was…”

Dan gaat ze verder vertellen: Ik wil u wel iets vertellen over mijn jeugd. Mijn zussen en broers hebben mij in hun wijngaard gezet. Hoe kon ik mijn eigen wijngaard onderhouden? Hoe kon ik tijd vinden voor mezelf, mezelf verzorgen? De bruid verandert, komt in be-weging, misschien had ze alle hoop laten varen, zichzelf verloren. Maar als ze zo spreekt is ze nog donker, noch blank. Ze zegt met haar hart: Ik heb U lief. Er brandt een helder vuur van liefde in haar hart. Ik houd van u. Wilt U mij voeden? Vertel mij toch waar u weidt. Neen, ik hoef niet naar de herders van Israel, die het alleen om de wol doen. Ik wil naar U, de Koning-Herder.

Dit rijmt op het prachtige gebed in de Psalmen: “De Here is mijn Herder.” Ik wil bij u behoren, omdat ik weet dat u niet naar mijn kleur kijkt, niet naar de kwaliteit van de wol, maar U bent het, die mij, als ik niet meer kan, op uw schouders neemt en thuisbrengt. Wilt U mij rust geven? Ik verlang naar de groene weiden, de frisse wateren. Ik die de sombere naakte bergen ken, verbrand in de zon, misbruikt door mijn familie, wil rusten in God.

De andere herders begrepen niet wat er in haar omging. Bij hen kon ze niet terecht, al-thans niet voor wat zij ten diepste zocht. “Ik ga gebogen onder het wantrouwen van an-deren of ik ga ten onder in de anonimiteit van het leven. Maar bij u weet ik mij gekend en bemind. Dan antwoordt de bruidegom: “O gij schoonste onder de vrouwen! Zijn liefde blijft hetzelfde.

“Mensenkind!”, Ezechiël 24:16

Ieder jaar preek ik minstens een keer over de profeet Ezechiël. Bij veel hoofdstuk-ken raak ik steeds weer onder de indruk van de man wiens naam betekent “God maak sterk!”. Hij profeteerde in de zesde eeuw voor Christus tijdens de Babyloni-sche ballingschap. Ezechiël was een gewone man, zoon van de priester Buzi, die zijn vader later zou opvolgen. God openbaarde zich vier maal aan hem in een visi-oen. Het zijn mooie hoopgevende visioenen, maar soms ook nachtmerries. In zijn eerste visioen zag hij een boekrol in Gods hand. God liet hem een boekrol zien die aan beide zijden beschreven was. Tot zijn ontzetting zag hij dat het verhalen waren over Gods verdriet. In dat visioen zei God tegen hem: “Neem en Eet”, deel in mijn verdriet en ga op weg om Mijn volk te vertellen dat Ik nog steeds met hen bewogen ben. We weten eigenlijk niets over het persoonlijk leven van de profeet. Het enige wat beschreven is dat hij zijn geliefde vrouw moest verliezen: “Door een plotselin-ge slag zal ik het liefste wat je hebt van je wegnemen. Je mag daar niet om rouwen of treuren, en je tranen niet laten vloeien (Ezechiël 24:16).”

Ezechiël laat ons delen in wellicht het moeilijkste moment in zijn leven. Zelf kapot van verdriet moet hij gaan profeteren van Gods verdriet. Vraagt God niet het onmogelijke? Is dat niet onmenselijk? Ezechiël en zijn vrouw voelden zich voor elkaar bestemd en vonden hun bestemming in dienst van God. Ze hadden het vast goed samen, als man en vrouw, vader en moeder. Hij werkte als priester in een kleine niet al te gemakkelijke gemeente en zij ving hem op als hij thuis kwam, voldaan of verdrietig. Want het werken met mensen kent uitersten en hij kende de hoogte en dieptepunten van het herder en leraar zijn. Dat ervoer de man wiens naam was “God maakt sterk”, toen hij machteloos moest toezien, hoe zijn geliefde vrouw hem ontviel. In zijn wanhoop en verdriet vroeg hij zich af: “Wat ben ik nog waard?”

Het is een vraag, misschien wel dè vraag, naar de wortels van je bestaan. Waarin ben je geworteld? In welke aarde word je vastge¬houden, als boven de aarde de takken afbreken. Een wind, een storm, een enkele maal een orkaan, kan zo maar opsteken. Niet te beantwoorden vragen ontnemen je alle energie. Langzaam dreig je te stikken in aandacht of eenzaamheid. Het overkomt je zelf of je hoort erover in je klas. Een afscheid dat altijd te vroeg komt.

Wat ben ik nog waard? Aan wie zou je die vraag stellen? Moet je daarvoor opzij kijken of naar boven? Hopen en bidden dat er mensen zijn, en blijven, die luisteren, die een hand op je schouder leggen, een kaart sturen, voor je bidden? Het lijken van die vanzelfspre-kende dingen, voor de hand liggend, zeker op een christelijke school. Ze raken meer dan je kunt zeggen en ze beteke¬nen: Ik vind je waardevol en ik geloof dat je er ook van God mag zijn. Je mag er zijn met gevouwen handen, gebalde vuisten, een open hart of een ge-broken hart. Dat was de ontdekking van Ezechiël, de pro¬feet, die mij zo aanspreekt, juist omdat zijn levensweg zo menselijk was. En dat hij zich op die levensweg gedragen wist door de trouw van God. Trouw van God? Wat betekent dan de tekst: “Door een plotse-linge slag zal ik het liefste wat je hebt van je wegnemen. Je mag daar niet om rouwen of treuren, en je tranen niet laten vloeien.” Ezechiëls vrouw sterft plotseling.

Toen ik dit verhaal las, dacht ik: ’t Is zo’n verhaal dat zich afspeelt in de nacht en dat de juf of meester op maandagmorgen vertelt. Ik denk dan aan Jakob, die ’s nachts met God worstelde. Een moeilijke strijd die Jakob van God tegen de mor-gen mocht winnen. Neen, God gaf zich niet zomaar gewonnen en Jakob hield er ook wat aan over. Als je met God worstelt ben je na de strijd nooit meer dezelfde. Geslagen en geraakt, maar ook gesterkt mag je het licht begroeten als nieuw mens, met een nieuwe naam: Israël. Het licht overwint de duisternis.

Ezechiëls wereld stort in elkaar. Hij wordt door smart verteerd en zal ook wel gebeden hebben: “Here God laat het niet waar zijn!” Maar zijn vrouw sterft toch. Hoe vaak bidt de leerkracht niet in de klas voor een moeder of vader, een oma of opa, maar help niet. God luistert niet. De hemel is te hoog. Althans, zo lijkt het en zo ervaren we dat ook vaak. Want een geliefde zal je maar ontnomen worden.

Wat zou dat nu het geloof of geheim van de profeet geweest zijn? Zijn vrouw werd hem ontnomen en hij mocht zelfs niet rouwen. En toch was de Here op Zijn wijze met hem. Hij heeft ervaren dat zijn leven en zijn prediking nog zin hadden. En met Ezechiël mogen wij leven en werken vanuit het geloof en in het vertrou-wen, dat God zich blijft ontfermen over zijn geliefde volk en over ons. Daarvoor maakt Hij maakt gebruik van mensen, van profeten, priesters, zusters en broeders, mensen die zich noemen naar Hem, die de macht van de dood heeft overwonnen, door Zijn Kind, onze Heiland. Die boodschap mogen we brengen op onze scholen. En misschien helpen kinderen ons wel geloven dat God altijd luistert en dat de hemel niet te hoog is.