Preken

Enkele overdenkingen van dominee Hans Borst uit Sleen voor Radio Drenthe: “Veur de Preek” Iedere zondagmorgen 8.00-9.00 uur.

  1. “Ik geloof niet in God!”

“Meneer, ik geloof niet in God, maar kan ik wel een negen halen?”, vroeg een klein bij-de-hand grietje van 13. ’t Is al weer heel wat jaren geleden dat ik leraar godsdienst was op een Haagse middelbare school. Ik zie haar nog na de les bij mijn tafel staan: Clair, dertien jaar. Ik had een aanstelling voor een dag en had zes HAVO klassen met dertien en veertien jarige Hagenaars en mocht hen iets vertellen over Gods verhaal met mensen.

Ik denk er nog wel eens aan. Met plezier! ’t Was wel eens spannend met die tieners. Maar ik had wel een klik en kon orde houden. Ik merkte na een paar maanden dat die kinderen me wel wat deden. Zoals Clair, het meisje dat zei: “Meneer ik geloof niet in God, maar kan ik wel een negen halen?” Onwille­keurig schoot ik toen in de lach. Daar stond ze met haar zwart geverfde korte haar, paarse nagels, zwart leren motorjack dat veel te groot was en zwarte leren laarzen. “Daar moet u niet om lachen!”, zei ze quasi be­straffend. Clair ging er eens goed voor staan en zei: “Ik geloof natuurlijk wel iets. Weet u, ik geloof in een wereld waar mensen eindelijk eens lief voor elkaar zijn. Een wereld zonder oorlog, zonder ruzie, mooi en gaaf.

Begrijpt u?” Clair vroeg of ze een werkstuk mocht ma­ken in plaats van een toets. Ik zag geen bezwaar en opgewekt stapte ze het lokaal uit. Twee weken later gaf ze mij het werkstuk in een mooie map. Het bestond uit krantenknipsels, een paar verzen uit Genesis over de schepping, en haar visie over een nieuwe wereld: mooi en gaaf. Haar droomwereld! Een paragraaf ging over Adam en Eva in het paradijs. Hoe God het waarschijnlijk bedoeld had met zijn Adams en Eva’s en hun kinderen.

Daarin las ik over een grote wereld als een paradijs en over een kleine wereld, ergens in de Haagse Schilderswijk, waar eens een paradijsje was. Een mooi en ontroerend verslag en toen ze de volgende les haar cijfer vroeg sprong ze een gat in de lucht toen ik zei dat het een negen was.

Een paar dagen later zag ik Clair op de gang staan. “Ik ben er uit gestuurd!, zei ze. Ze keek me even aan en vroeg: “Vond u het echt een goed verslag?” “Ik vond het een mooi verlag, Clair!”, zei ik. Ik dacht even na en vroeg: “Hoe houdt de nieuwe mooie gave wereld je bezig?  Het paradijsje van je dromen?” Toen vertelde ze over een bijna altijd dronken ‘Adam’, haar vader, die zijn ‘Eva’, haar pleegmoeder, het leven zuur maakte. De kleine Clair vertelde dat ze klem zat tussen die ruzies en dat ze ’s avonds veel de straat was. En nu kwam ze op school klem te zitten tussen een paradijselijk verhaal hoe God het allemaal bedoeld zou hebben en haar thuis, waar het niet veilig was met een vader die zijn handen niet kon thuis houden…

We hebben na het gesprekje op de gang nog een paar keer gepraat. Toen was ze ineens van school. Later zag in haar bij de Haagse HEMA bij de vleeswaren. Ze zei dat ze een vriend had, wel een stuk ouder, maar ze vond het o.k.

Vorig jaar kreeg ik een brief van haar: “Dominee Hans, nog bedankt voor de gesprekjes. Weet u nog over mijn droomwereld…? Ik ben nu zelf moeder, ja wel gescheiden, maar ik probeer er wat van te maken met mijn twee kinderen. En ik heb nog steeds die bijbel die ik van u heb gekregen. Af en toe lees ik een verhaal.

Het verhaal over het paradijs vind ik nog steeds mooi. Ik zou nog wel eens met u willen praten, over Gods verhaal met mensen. Ik ben in de Schilderswijk blijven wonen. Afzender Clair.”

2. “Als je kinderen hebt ben je kwetsbaar.”

“Als je kinderen hebt, ben je kwetsbaar.”, zei jaren geleden een man tegen mij. Hij hield zich merkbaar groot toen hij vertelde over zijn vrouw van wie hij net gescheiden was. Zijn kinderen zouden om de week het weekend naar zijn nieuwe huis komen: een klein vakantiehuisje op een camping. Met zijn vrouw en kinderen had ik goed contact. Met hem had ik een moeizame relatie. Na verloop van tijd bloedde het contact met de man dood. Ik verschool me achter de woorden: “Als je behoefte hebt aan een gesprek kun je mij altijd bellen.” Hij heeft nooit iets laten horen…
Ik dacht nog wel eens aan de uitspraak van die man: “Als je kinderen hebt, ben je kwetsbaar.” Bijvoorbeeld als er wat met mijn kinderen was. Hoe zou het met hem zijn?
Het antwoord kreeg ik jaren later: “Dominee, wilt u mijn broer begraven?” Een jonge vrouw vertelde over een tragisch ongeval. “Hij was pas 18!” ‘s Avonds ging ik naar het huis van moeder waar ook de zus was, die mij gebeld had.
Wat moest ik zeggen bij zo veel verdriet? Ik voelde dat mijn armen te kort waren en deelde in hun ongeloof, verdriet, vragen. “Wilt u iets zeggen in het crematorium?”, vroeg de zus. “Iets over Jan Willem en iets over God. Verder niet te zwaar. Hij hield van het leven!” Ik knikte en zegde mijn medewerking toe.
Plotseling ging de deur open. Een man met een verwilderd betraand gezicht stond in de deuropening. “Waarom mijn zoon?”, stootte hij uit. Hij kwam naar mij toe en stelde zich voor. Hij herkende me niet meer. “Als je kinderen hebt, ben je kwetsbaar”, schoot het door mijn hoofd. Een vader, een moeder en een kind hielden elkaar vast, huilden bij elkaar uit, even samen, zoals vroeger, toen ze nog met zijn vieren waren.
Even later vertelde de vader over de moeizame relatie die hij met zijn zoon had gehad. Jaren hadden ze elkaar niet gezien. Al die tijd had hij hem doodgezwegen, nooit op e-mails of sms’jes gereageerd. Gelukkig waren ze voor zijn dood nog enkele keren bij elkaar geweest. Ze hadden geprobeerd het uit te praten. Dat was niet zo goed gelukt, maar ze hadden er zand over gegooid. De vader was in de loop de jaren wat milder geworden en zo was er ruimte gekomen voor de zoon. De vader reageerde weer op e-mails en sms’jes en zijn zoon was welkom in het vakantiehuisje op de camping.
Bij het voorbereiden van de afscheidsdienst dacht ik aan een vader en een zoon. Beiden hadden lange tijd hun eigen leven geleefd. De zoon in het buitenland met alvast zijn deel van de erfenis. De vader op de boerderij. Na een paar jaar kwam de zoon thuis. Er was natuurlijk genoeg gebeurd in dat gezin: spanningen, vloeken, ruzies en uiteindelijk pakt één van de kinderen zijn kof-fers. Het verhaal van de Verloren Zoon wordt nooit stoffig (Lucas 15: 11-32). De vader blijft op zijn zoon wachten. Op de plaatjes in alle kinderbijbels staat hij voor de boerderij met zijn hand boven zijn ogen: “Zie ik hem al aankomen?”
Jezus vertelde een verhaal over een verloren zoon en een verloren vader. De vader en de zoon sloten elkaar weer in de armen. De vader kon weer vaderen en de zoon mocht weer kind zijn. Want je blijft altijd vader van je kind en kind van je vader. Jezus’ verhaal zegt ons dat verdriet, gemis, rouw er mogen zijn. Dat zulke ervaringen ons ook meer mens kunnen maken.
“Als je kinderen hebt, ben je kwetsbaar.” zei ik enkele maanden na de begrafenis van Jan Willem op de preekstoel in een jeugddienst in een grote kerk in het Westen. In mijn gebed noemde ik dat je een kind kunt verliezen aan de dood, maar je kunt ook een kind verliezen aan het leven. De verloren vader verloor zijn zoon aan het leven.
Onder de preekstoel zat Jan Willems vader. Dat ontdekte ik toen ik een e-mail van hem kreeg: “Ik was toevallig in de buurt. Neen, ik kom nooit meer in de kerk, maar ik zag uw naam staan en zodoende.” Over de preek schreef hij, dat juist het benoemen van het gemis en het knagende gevoel dat je gefaald hebt als vader of moeder, zo helpend is.
Het litteken van het verlies om een kind, verloren aan de dood of aan het leven, zal nog iedere dag trekken, ja soms openscheuren, maar met minder zuur of zout in de oude wond zal het herstel- en helingsproces beter gaan. Dat kunnen we niet alleen. Waarom zouden we het eigenlijk alleen doen? Jezus staat nog steeds met Zijn armen gespreid om verloren zonen en verloren vaders (en natuurlijk ook verloren dochters en moeders) in Zijn armen te sluiten. Hij straalt als Hij ons ziet aankomen!

Het verhaal is zo geschreven dat de privacy gegarandeerd is.

3. “Schat”

Toen mijn dochter 4 jaar was, 24 jaar geleden, was het voor haar een feest met papa op stap te gaan. In mijn gemeente was een verpleeghuis en wanneer ik daar op bezoek ging, liep ze over de zaal en ging alle bewoners een hand geven.

Nou, dat vonden die bewoners prachtig! En als ze dan weer bij mij kwam, had ze haar handjes vol pepermuntjes, dropjes en chocolaatjes. Dat waren voor haar hele schatten, Die ze stevig vasthield en ik maar hopen dat ze haar handjes niet aan mijn broek zou afvegen.

Bij de ingang van het verpleeghuis was een winkeltje. En mijn dochtertje wilde er altijd even naar binnen. Want, daar kon je ijsjes kopen. Ze wist precies wélk ijsje zij wilde hebben: een schatkistje! Een schatkistje met chocolade- en vanille-ijs én een verrassing in de bodem van de schatkist. Vaak een plastic poppetje of een klein autootje. Mijn kleine schat is inmiddels 20 jaar ouder!

Jezus vertelde eens een verhaal over Gods nieuwe wereld die lijkt op een schat die verstopt is in de grond (Matt. 13: 44-46). Op een dag vindt een man de schat. Hij is heel blij, toch verstopt hij de schat weer in de grond. Dan verkoopt hij alles wat hij heeft. En van het geld koopt hij het stuk land waar de schat verstopt is.

We stellen ons vanmorgen even voor dat we op het land zijn, op zoek naar een schat: – het is zo’n 40 – 50 jaar geleden – en we zien een boer die achter de ploeg loopt, getrokken door een mooi sterk paard. Sommigen onder ons zien zichzelf nog lopen of hun vader of opa. Neen, de boer zit niet op een trekker, die met veel lawaai de grond openscheurt. Hij loopt achter de ploeg, rustig het ritme van zijn paard volgend. Wat zal er door hem heen gaan, de boer die zo met zijn akker verbonden is? Denkt hij aan zijn gezin, zijn vrouw en kinderen? Aan zijn land, wat hij moet zaaien, wat hij zal oogsten? Ondertussen trekt hij rechte voren, een prachtig gezicht. Zoals hij bezig is op zijn land, zo wil hij ook leven, liefhebben, er zijn: met open vizier, rechtuit, rechte voren. Zo kennen de mensen hem. Het is een beeld waar we wellicht nog eens naar verlangen, omdat ons leven zo gejaagd is, zo oppervlakkig, steeds grotere trekkers, steeds sneller, steeds meer mechanische paardenkrachten en rechte voren trekken in deze tijd valt niet mee.

Als je zo bewust je akker bewerkt, de grond openscheurt, het blad van je ploeg volgend, het ritme van je paard niet forceert, dan heb je oog en hart voor wat je doet en ziet, zoals die boer, de man die voort ploegde, voor na voor, zijn paard en hij bezweet. Hij zag in het ploegen een deel van zijn levenswerk, zag in het heden, het ploegen, al iets van de toekomst: de oogst. En als je bij het ploegen op iets stoot, kun je de tijd nemen om te bukken om te kijken wat er in die voor ligt. Wat zal hij verbaasd geweest zijn toen hij ontdekte, dat hij niet zomaar iets had opgeraapt, maar een schat.  En dat hij dat nu moet vinden! Maar, ’t is niet zijn akker. Hij heeft de akker gepacht….

Maar wat moet de boer nu doen?  Hij wil die akker met de verborgen schat kopen. Daarvoor moet hij alles verkopen wat hij heeft.  En hij verkoopt alles wat hij heeft, want hij weet: Als ik die akker koop, dan ben ik rijk. Maar, wat heeft hij dan? Wat heeft hij dan in zijn handen en in zijn hart?

Wat zijn wij vaak op zoek naar een schat. En als je hem hebt, ben je dan gelukkig? Helaas kan het zo zijn dat daarna de teleurstelling wacht. Maar in dit geval – zo leert Jezus ons –  Is er geen teleurstelling, geen desillusie, maar het echte ware geluk. Die schat is het leven met God.

De boer vindt de schat niet als hij met zijn trekker overal overheen dendert.

Maar als hij achter de ploeg loopt, het ritme van zijn paard volgend, rechte voren trekt, de aarde voelt, laat de schat zich vinden. Terwijl je misschien niet eens op zoek was naar een schat – net zomin als die boer – Kan God je zomaar verrassen.

 

4. “In deze zaal kwam ik vroeger met mijn vader!”

Een paar weken geleden kreeg ik een brief van Arie uit het Huis van Bewaring. Hij zit weer vast. Waarschijnlijk moet hij een paar jaar zitten. Arie schreef mij dat hij het jammer vond dat ik niet meer in het Huis van Bewaring werkte. We hadden samen zoveel gepraat en ook gebe­den en de Here God gev­raagd of het toch maar goed zou komen met Arie. Maar, het kwam niet goed en hij heeft het niet gered. Toen Arie voor het eerst naar de kerk in het Huis van Bewaring kwam zei hij:”Ik ga wel naar de kerk, maar, ‘k moet er verder niets van hebben. ‘k Ben een uurtje van m’n cel.  ‘k Zie een paar mensen van buiten de muren. Er is koffie, maar verder… Dus, dominee, mij moet je niet lastigvallen.”

Arie stond bij de ingang van de gymnastiekzaal, voor een uurtje kerk. Hij zwaaide met zijn stok – Arie kan moeilijk lopen – en zocht een plaatsje. Dat was het begin van ons contact. Op een van de cellenblokken was ik hem voor het eerst tegenge­komen. Hij vroeg of ik de dominee was en na mijn ‘ja’ begon hij mij zonder aanleiding uit te schelden: “Met mooie praat­jes kun je een aardige boter­ham verdienen…”, riep hij. Ik liet Arie een beetje links liggen. Maar toen hij toch naar de kerk kwam was ik verbaasd. Ik vroeg me af: Zou hij zich een beetje rustig houden? Toen alle mannen zo’n zestig kerkgangers in de gymzaal, de kerk, zaten, gingen de deuren op slot. De bewaarders namen hun plaatsen. Na een paar minuten werd het stil. “Beste mensen, we zijn vanmiddag bij elkaar in de kerk. Welkom allemaal, ook onze gasten, het koor uit Rotterdam.” Iedereen was nu stil. Arie hield zijn stok goed vast alsof hij een beetje steun zocht in deze vreemde omgeving. “Ook op deze middag mogen we tegen elkaar zeggen dat God bij ons is, in deze kerk, hier in het Huis van Bewaring.” De dienst was begonnen. We zongen met elkaar, luisterden naar een woord uit de Bijbel en naar de over­denking en we baden voor vrouwen, vriendinnen en kinderen. Na de kerkdienst dronken we koffie. Arie mopperde: “’t Is hier ook nog gezellig!” Een paar mensen in de buurt van Arie spra­ken over vriendschap­pen en wat je van je vrienden mag verwach­ten als je vastzit. “Ik heb geen vrienden” bromde Arie, “dan heb je ook geen zorgen.”  Niemand hoor­de hem. De stoelen naast hem waren leeg. Niemand had koffie voor hem ge­haald. Zelf kon hij niet met zijn stok. “Arie, ’n kopje koffie?” Ik had koffie voor hem gehaald. “Zo, zo, en dan nog wel van jou…” Na de dienst en het kof­fiedrinken werden de mannen weer ingesloten. Bij de deur gaven we elkaar een hand. Arie zei: ” ‘k Wil nog weleens met je praten, niet over God of over de kerk­.” Een paar dagen later zaten we tegenover elkaar, ik had Arie van zijn cel gehaald. Hij lag op zijn bed, onder de dekens, kleren nog aan. De lege blikjes lagen onder zijn bed, de vuile was in een hoek. Even later zei hij op mijn kamer: “En, dominee, waar zullen we het over hebben? Geloven doe ik niet meer. Over paters en dominees kan ik wel een boek schrijven…” “Nou, dan beginnen we maar met een kopje koffie!”, zei ik. Ook niet goed wetend of ik wel ergens over moest praten. “Ik ben hier vaak geweest”, zei Arie. Hij stak van wal en praatte meer dan een uur aan een stuk door: “Neen, niet wat je denkt. Vroeger, als kleine jongen. We woonden in de binnen­stad, m’n vader en ik. M’n moeder was toen al weg met een andere man. Iedere zaterdagavond kwamen we hiernaar toe, ik ging altijd met mijn vader mee. Hij zong bij de pater in het koor, ‘t is al een tijd geleden. M’n vader zie altijd: “Arie, jon­gen, zorg dat je hier nooit komt! En, nu zit ik hier toch, gelukkig is mijn vader dood.” Arie was eens gaan verzitten. Hij keek wat vriendelijker en vertelde verder. Hij vertelde over zijn aardse vader, van wie hij zielsveel had gehou­den. En over de Hemelse Vader, met wie hij had gebroken toen hij dat ongeluk kreeg. “Sinds dat brom­fietsongeluk kan ik nauwelijks meer lopen. ’t Was niet eens mijn schuld. Het ergste vind ik dat ik moeilijk dingen kan onthouden. ‘k Stond op het punt om te trouwen. Mijn meisje wilde geen kreupele jongen, toen is het mis gegaan.” Arie vertelde hoe hij uiteindelijk in de gevangenis terecht was gekomen. Waarom hij niemand meer vertrouwde, vooral de mensen niet die zo graag andere mensen willen helpen. Na een uur stond hij op: “Bedankt!” Zwaaiend met zijn stok liep hij achter me aan de smalle stalen trappen af naar zijn donkere cel. Bij de deur legde hij zijn gezonde hand op mijn arm en zei: “Dominee, in die kerkzaal kwam ik vroeger met m’n vader. Ik ging altijd met mijn vader mee. Hij zong bij de pater in het koor. ’t Is al een tijd geleden. Mijn vader zei altijd: “Arie, jongen, zorg dat je hier nooit komt!  En nu zit ik hier toch. Gelukkig is mijn vader dood. Heb ik je dat al eens verteld?”

 

4. Schipbreuk op de Levenszee

In de Bijbel is de zee een beeld dat vaak gebruikt wordt. De zee kan ons dragen en kan ons verslinden. We kunnen genieten op de kabbelende golven en we kunnen het uitschreeuwen van angst als huizenhoge golven ons dreigen te verslinden.

We maken een levensreis, een oversteek, alleen of met een partner, stappen in het huwelijksbootje en hopen dat het 12,5, 25 jaar of langer blijft drijven. Vaak lukt dat! Een edelmetalen jubileum. Een heel nageslacht op een familiefoto staat op de schoorsteen. Vaak lukt dat ook niet: schipbreuk. Geluk, gezin, dromen naar de zeebodem. Geen familiefoto. Een advocaat wordt maandenlang je partner.

We kunnen allemaal wel voorbeelden vinden van schipbreuk – ervaringen. Soms liggen we weken of maanden verkleumd op het strand, bij te komen van een barre tocht. We zouden willen dat iemand ons warmte, hoop, zin-in-morgen geeft.

In het verhaal in Marcus 4 lezen we dat Jezus met zijn ‘matrozen’  een oversteek maakt, maar op zee gaat het mis. Het bootje dreigt verslonden te worden door huizenhoge golven. De leerlingen schreeuwen het uit van angst. Jezus ligt op het achterdek te slapen alsof er niets aan de hand is. Totdat Hij wakker wordt van menselijke stemmen, die menselijkerwijs voor niemand te horen zijn door het lawaai van de storm. En dan vraagt Hij ook nog waarom zijn leerlingen bang zijn als ze het in doodsnood uitschreeuwen!

Ik kende een man, die altijd zei: “We zullen wel zien waar het schip strandt!” En daar was ik wel eens jaloers op, want het leek of hij gemakkelijk leefde, zo zonder zorgen

Hij genoot voluit van het leven, van mensen, van zijn werk, van sport en lekker eten en werd niet gehinderd door wat God of de kerk zei wat allemaal niet mocht… Tot zijn schip strandde, zoals hij dat noemde. Het huwelijksbootje liep averij op. Zijn trouwe stuurman voer haar eigen koers, geluk en trouw naar de zeebodem. Ze nam het liefste wat hij had, drie kleine matroosjes, mee…  Vastgelopen kon hij geen richting bepalen, en hij kon alleen maar hopen en bidden dat iemand zijn bootje weer vlot trok.

“Wil je nog eens voor me bidden?”, schreef hij in een “alleen – op – de – wereld” brief.  Eigenlijk moest hij niets van de kerk hebben, dat deed hem te veel aan vroeger denken… Maar nood leert bidden…

Veel mensen lijden schipbreuk. Omdat de storm te hevig is, de golven te hoog, de bemanning het laat afweten of gaat muiten, het bootje niet goed onderhouden is of het kompas op hol geslagen. Maar, zo hoor ik nogal eens, je kunt toch niet leven met het gevoel, de gedachte, dat je de kans loopt schipbreuk te lijden. En zeggen die mensen dan: “We zullen wel zien waar het schip strand?” Veel gedachten zijn onverdraaglijk en daar worden we niet graag aan herinnerd, ook niet op zondagmorgen. Want, dan heb je geen leven.

De zee, en vooral storm op zee, kan onze oversteek bedreigen. Het leven kan van het ene moment op het andere veranderen. Niet veel mensen zullen zo’n verandering zoeken, het overkomt je meestal.

“Waarom zijn jullie zo bang in die storm?”, vraagt Jezus aan zijn bange matrozen. En misschien bedoelde Jezus wel: “Wees maar niet bang.”

Iemand vroeg eens na een preek over de Storm op het Meer: “Als je nou eens in het verkeerde bootje zit?  Jezus kan toch niet in alle bootjes zitten?”

Waar het, denk ik om gaat is, het geloof dat de grote Schipper je bootje draagt. Als je bootje dreigt te kapseizen op je levenszee, schipbreuk, golven ellende, ontrouw, wraak je overspoe­len. Dan zegt Jezus: “Het lijkt soms of ik slaap.  Of ik uit beeld ben.

Maar, Ik vaar met je mee.”

5. In de bus

“De bus komt pas over 17 minuten”, zei een vrouw bij de halte voor het station in Groningen. Ik keek naar het bord en zag dat de cijfers net versprongen van 17 naar 16 minuten. “Je kunt er niet van op aan”, zei een heer in een lange regenjas naast mij. Ik keek weer naar het bord en zag nu een busje in plaats van cijfers. Toen ik mij omdraaide was de bus er. Ik had nog geen twee minu-ten gewacht. Ik stond net voor de deur, stapte in, zei de chauffeur gedag, hield mijn OV kaart tegen de lezer en zocht een plaatsje. De heer in de lange regenjas was ook ingestapt, keek de bus rond en kwam naast mij zitten.
“Moet u naar P & R Haren of verder?”, vroeg hij. “Ik moet naar die parkeer-plaats.”, zei ik. “Ik ook, dan moeten we de weg onderdoor.”, zei de heer. Hij keek me eens aan en vroeg: “Komt u vaak in Groningen?” “Ja regelmatig om te winkelen, een goed boek kopen.” “En waar komt u dan vandaan?” “Uit Sleen…”
“Prachtig dorp! Ken ik wel!” Hij zweeg even, maar zette de conversatie al gauw weer voort: “En wat koop u zoal voor goede boeken?” “Ik lees veel over cultuur en godsdienst…” “O, u hebt ook wat met de kerk…?” “Ja, ik ben dominee…?” “Nou, dat vind ik nou leuk! U praat gewoon met mensen bij de bushalte en nu met mij in de bus!” Hij keek me eens goed aan. “En u ziet er helemaal niet uit als een dominee…” Ik wilde iets grappigs zeggen, maar wist niet wat en de heer ging verder: “Ik ben dol op Groningen. We hebben er net een huis ge-kocht. In een dorp wil ik niet oud worden. In Groningen heb je alles…” “En, waar rijdt u naar toe vanaf die parkeerplaats?”, vroeg ik, ook een beetje nieuwsgierig geworden. “Naar Roden, daar hebben we zo’n twintig jaar ge-woond. Binnen een week ons huis verkocht, vraagprijs, aan Amsterdammers. De eerste kijker was koper…” “Mooi!”, zei ik. We kijken beiden naar buiten. Toen zei de heer: “U komt niet uit Drenthe hoor ik.” “Nee, ik kom uit Rotter-dam.” “Mooie stad!” Hij was weer ven stil en vroeg toen: “En, komen er nog wat mensen bij u in de kerk?”
“Ja hoor, meestal zit het wel goed vol.” “Ja, veel mensen zijn weer op zoek he?”
Hij keek even naar buiten. “Ik ook!”, zei jij. “Vroeger kwam ik veel in de kerk. Ik ken nog veel psalmen uit mijn hoofd. Soms zit ik ineens op mijn fiets te zin-gen:
“Heer, ai maak mij Uwe wegen door Uw Woord en Geest bekend…”. Maar ik ben de weg een beetje kwijt. Ik heb niets te klagen hoor, goed pensioen, lieve vrouw,
geen ruzie in de familie, maar ik mis ook wat. Nou ja, je hoeft natuurlijk niet naar de kerk om te geloven.” “Je kan ook zo wel eens met God praten.”, zei ik.
“Ik denk dat Hij het wel waardeert als je ook eens bij Hem op visite komt, om het maar even zo te zegen.”, preekte ik verder. De heer moest hartelijk lachen.
“Nu ik zo met u zit te praten denk ik: Ik ben nu 77, nooit te oud om nog weer eens wat te wagen. Ik kom eens bij u naar de kerk…” De bus stopte. We liepen samen onder de weg door naar de parkeerplaats. Op de parkeerplaats groetten we elkaar. “Nou, dominee tot ziens! Bid maar eens voor een verloren schaap.”
Dat heb ik de zondag daarop gedaan, want de Goede Herder komt misschien nog eens langs Roden. Hij liep naar een grote auto. Ik dacht: We hebben ons niet eens aan elkaar voorgesteld. Die avond heb ik mijn ontmoeting meteen opgeschreven. Weken heb ik ‘s zondags van de preekstoel gekeken of mijn mede-buspassagier in de kerk zag zitten. Ik zag hem niet, maar misschien zat hij in een andere stal of maakte hij op zondag een fietstocht en zong hij: “De Heer is mijn Herder…” Hij kende dat lied ook vast uit zijn hoofd.

7. Pinksteren: Gods cadeau!

Enkele weken geleden zat ik op het Centraal Station in Amsterdam, in café ‘Het Balkon’, een leuke zaak op perron 1. Vanuit het café kijk je zo in de drukke stationshal. Ik keek naar de duizenden mensen die naar de treinen liepen of holden, Wat mooi toch, dacht ik, dat God al die mensen kent: Nederlandse mensen, buitenlandse mensen, blanke mensen, donkere mensen.
In de stationshal zag ik een jonge vrouw zitten met een slapend kindje in haar schoot. Ze hield steeds haar hand op als iemand naar haar keek. Maar nie-mand keek naar haar en deed wat in haar bekertje. Waar zou ze nu wonen?
Zou God haar nu ook kennen, weten waar ze vandaan komt, wat haar is over-komen, wat ze heeft opgegeven, achtergelaten? Verhalen over moordpartijen en verkrachte vrouwen schoten door mijn hoofd.
Is dit nu een mens voor wie we ’s zondags in de kerk bidden als we voor vreemdelingen en vluchtelingen bidden?
Na de koffie liep ik op mijn gemak over het perron naar de uitgang.
Ik zag een dubbeldekker die zich in beweging zette.
Ik keek naar de draden boven de trein.
Wat moet daar veel stroom doorkomen of zeg je dat niet zo?
De lange trein met honderden mensen reed het station uit.
Alsof er een grote locomotief voorstond, maar dat was niet zo.
Het leek of de trein uit zichzelf in beweging kwam, maar dat kon natuurlijk niet.
Ik moest denken aan een oude dominee die in een tentsamenkomst in Rotter-dam met Pinksteren aan de mensen vroeg: “Voelt u de Geest in uw rug?
De Geest duwt u vooruit, geeft u geloof en vertrouwen!”
De Geest wat moet daar een stroom uitkomen, een kracht, je ziet Hem niet, maar je voelt Hem wel, alsof je soms vanzelf kunt bewegen.
Maar, waar zit Zijn stroom nu?
Het lijkt soms wel of zo’n hele trein gevuld is met energie, warmte, beweging.
En, dat is nu precies wat er letterlijk in de Bijbel staat.
De leerlingen en al die andere mensen gaan met Pinksteren bewegen,
net als die trein, worden gevuld met stroom, met adem.
Gods Adem, de Heilige Geest!
En door die Geest durven ze te gaan vertellen, te preken,
over wat God met hen heeft gedaan.
En, als ze dan vertellen, zien de mensen een vlam op hun hoofden,
die vlam beweegt, steekt aan, verspreidt: een lopend vuur.
Mensen vinden God, bekeren zich, veranderen hun leven…
En, zoals de trein niet kan rijden zonder stroom,
zonder dat er contact en verbinding is met de bovenleiding,
zo kunnen ook wij niet leven,
wanneer we geen contact hebben met de leiding van Boven.
Door dat contact, die verbinding, komen we als het ware onder stroom te staan, kunnen we leven, geloven, vertrouwen, door Gods Geest.
Het is een cadeau van God!
Ik had met mijn Pinkstergedachten de uitgang van de stationshal bereikt.
Voor ik het wist stond ik op het stationsplein
en bedacht me ineens dat ik die bedelende vrouw voorbijgelopen was,
haar niet eens had opgemerkt, laat staan haar iets gegeven.
Beschaamd liep ik snel terug. “De Geest duwt u vooruit.”,
de woorden van de oude dominee schoten door mijn hoofd.
De vrouw en haar kindje zaten nog op dezelfde plaats.
Ik liep naar hen toe. Het bekertje was bijna leeg.
De vrouw keek me met twee grote bruine ogen vanonder haar hoofddoek aan. Het kindje lag op haar dijbeen te slapen. Ik deed wat in haar bekertje. Ze knik-te en ik dacht dat ze zei: “Thank you!”
Buiten voelde ik een paar druppels regen en ik dacht aan een oud versje:

Heer, ik hoor van rijke zegen
die Gij uitstort keer op keer,
laat ook van die milde regen,
dropp’len vallen op mij neer,
ook op mij, ook op haar…

 

8.  Zuiderveld Sleen 2017: Een dag om nooit te vergeten!

Enkele weken geleden waren we in Libanon, in de hoofdstad. Onderweg naar het Social Action Committee (een maatschappelijke hulporganisatie) keken mijn vrouw en ik onze ogen uit: Beiroet, het verkeer is er chaotisch. Een stad met twee miljoen inwoners: Extreem rijke mensen en straatarme mensen, mensen die er geboren zijn en mensen die ernaartoe gevlucht zijn. Van de laatste groep zouden we twee gezinnen bezoeken, vluchtelingen uit Syrië. Taline, een jonge maatschappelijk werker, begeleidde ons en was meteen onze tolk. De vluchtelingen wonen in de armste wijk van Beiroet, complete gezinnen, gebroken gezinnen, alleenstaanden, in kamers, appartementen, onvoorstelbaar sfeerloos, aan alles gebrek.

We kwamen bij het eerste gezin en stapten een appartement binnen waar zes mensen wonen. Een smalle kamer met oud meubilair, een slaapkamer voor zes mensen, een mini-keuken. Op de bank zat een meisje van veertien. Met toestemming van moeder mag ik u iets over haar dochter vertellen: Twee jaar geleden stond ze voor haar huis ergens in een stad in Syrië. Twee mannen op een motor stopten, pakten haar vast, wilden haar ontvoeren. Jonge meisjes waren niet veilig, want IS strijders wilden seksslavinnen, liefst maagden, om hun bordelen te bevolken. Met onvoorstelbare moed sprongen de buren voor de motor en rukten het meisje uit de armen van haar ontvoerders. Dagen heeft ze niet kunnen spreken en tot op vandaag durft ze niet alleen naar buiten, wij kregen een verlegen glimlach…

In een ander huis spraken we met een moeder die haar gehandicapte zoon en oude moeder verzorgt. We werden ontvangen in de huiskamer van zo’n 16 m². Onze garage is gezelliger. Via Taline vroeg ik haar hoe ze op de been bleef. Ze antwoordde in het Arabisch en wees naar boven en zei dat God haar hoop gaf. Taline knikte en zei tegen ons dat hoop is wat ze als maatschappelijk werker hier wil zaaien, werkend te midden van duizenden vluchtelingen, die nauwelijks leefruimte hebben, geen toekomst, mensen met littekens op hun lichaam én ziel, verwoeste levens. In haar kantoortje hangen de woorden uit Rom. 5: ‘And hope does not dissapoint us’. En de hoop stelt niet teleur…  Taline, een zaaier op een woeste akker vol rotsen, die van God heeft begrepen wat het is naar andere mensen om te zien…

Veel mensen kunnen zich de plaat van de zaaier wel voor ogen halen, die vroeger in vrijwel iedere christelijke school hing. Of misschien herinnert u zich het beeld van uw vader of grootvader, die zo het zaad over zijn land uitstrooide, lopend met een bak op zijn buik, terwijl hij met van die brede bewegingen, een zwaaiende arm het zaad uitstrooide in het geloof, dat het zaad in goede aarde zou vallen en ontkiemen. Want de zaaier en het zaad horen bij elkaar, zoals het zaad hoort bij woorden als uitstrooien, ontkiemen, groeien, oogsten, bemoedigen, hoop geven… Ja, de gelijkenis van het zaad in de Bijbel gaat ook over ons, want wij zaaien allemaal, niet alleen op onze akker of in onze moestuin, maar ook in onze relatie, ons huwelijk, in ons gezin, als vader en moeder, als opa of oma, in onze buurt, op ons werk…

Zaaien gebeurt met een ruim gebaar: Dat ruime zaaien houdt in, dat er ook zaad terecht komt op plaatsen, waar het niet lijkt te willen ontkiemen. Dat zijn wellicht onze teleurstellingen, onze tegenslagen, de zorgen, het verdriet om een gemis. Daar gaat het ook in de gelijkenis van de zaaier over: Op de kleine stukjes land in Israël, kon het niet anders, of het zaad viel niet alleen op de akker, maar ook op de paden ernaast. We weten ook wel dat een handje zaad op zichzelf nog niets is. Maar, als het zaad zich met de aarde verbindt, vernieuwt de aarde, het wordt een nieuwe werkelijkheid, nieuw leven…

Taline in Beiroet, een ontmoeting met een jonge vrouw die we niet vergeten. Een ‘kleine’ zaaier op een onvoorstelbaar getraumatiseerde akker, waar ze met ruime gebaren hoop uitstrooit. Het was voor ons een dag met indrukken die ons voor altijd bijblijven. En, het verhaal over de zaaier kwam voor ons ineens heel dichtbij…