“Meneer, ik geloof niet in God, maar kan ik wel een negen halen?”, vroeg een klein bij-de-hand grietje van 13. ’t Is al weer heel wat jaren geleden dat ik leraar godsdienst was op een Haagse middelbare school. Ik zie haar nog na de les bij mijn tafel staan: Clair, dertien jaar. Ik had een aanstelling voor een dag en had zes HAVO klassen met dertien en veertien jarige Hagenaars en mocht hen iets vertellen over Gods verhaal met mensen.

Ik denk er nog wel eens aan. Met plezier! ’t Was wel eens spannend met die tieners. Maar ik had wel een klik en kon orde houden. Ik merkte na een paar maanden dat die kinderen me wel wat deden. Zoals Clair, het meisje dat zei: “Meneer ik geloof niet in God, maar kan ik wel een negen halen?” Onwille­keurig schoot ik toen in de lach. Daar stond ze met haar zwart geverfde korte haar, paarse nagels, zwart leren motorjack dat veel te groot was en zwarte leren laarzen. “Daar moet u niet om lachen!”, zei ze quasi be­straffend. Clair ging er eens goed voor staan en zei: “Ik geloof natuurlijk wel iets. Weet u, ik geloof in een wereld waar mensen eindelijk eens lief voor elkaar zijn. Een wereld zonder oorlog, zonder ruzie, mooi en gaaf.

Begrijpt u?” Clair vroeg of ze een werkstuk mocht ma­ken in plaats van een toets. Ik zag geen bezwaar en opgewekt stapte ze het lokaal uit. Twee weken later gaf ze mij het werkstuk in een mooie map. Het bestond uit krantenknipsels, een paar verzen uit Genesis over de schepping, en haar visie over een nieuwe wereld: mooi en gaaf. Haar droomwereld! Een paragraaf ging over Adam en Eva in het paradijs. Hoe God het waarschijnlijk bedoeld had met zijn Adams en Eva’s en hun kinderen.

Daarin las ik over een grote wereld als een paradijs en over een kleine wereld, ergens in de Haagse Schilderswijk, waar eens een paradijsje was. Een mooi en ontroerend verslag en toen ze de volgende les haar cijfer vroeg sprong ze een gat in de lucht toen ik zei dat het een negen was.

Een paar dagen later zag ik Clair op de gang staan. “Ik ben er uit gestuurd!, zei ze. Ze keek me even aan en vroeg: “Vond u het echt een goed verslag?” “Ik vond het een mooi verlag, Clair!”, zei ik. Ik dacht even na en vroeg: “Hoe houdt de nieuwe mooie gave wereld je bezig? Het paradijsje van je dromen?” Toen vertelde ze over een bijna altijd dronken ‘Adam’, haar vader, die zijn ‘Eva’, haar pleegmoeder, het leven zuur maakte. De kleine Clair vertelde dat ze klem zat tussen die ruzies en dat ze ’s avonds veel de straat was. En nu kwam ze op school klem te zitten tussen een paradijselijk verhaal hoe God het allemaal bedoeld zou hebben en haar thuis, waar het niet veilig was met een vader die zijn handen niet kon thuis houden…

We hebben na het gesprekje op de gang nog een paar keer gepraat. Toen was ze ineens van school. Later zag in haar bij de Haagse HEMA bij de vleeswaren. Ze zei dat ze een vriend had, wel een stuk ouder, maar ze vond het o.k.

Vorig jaar kreeg ik een brief van haar: “Dominee Hans, nog bedankt voor de gesprekjes. Weet u nog over mijn droomwereld…? Ik ben nu zelf moeder, ja wel gescheiden, maar ik probeer er wat van te maken met mijn twee kinderen. En ik heb nog steeds die bijbel die ik van u heb gekregen. Af en toe lees ik een verhaal.

Het verhaal over het paradijs vind ik nog steeds mooi. Ik zou nog wel eens met u willen praten, over Gods verhaal met mensen. Ik ben in de Schilderswijk blijven wonen. Afzender Clair.”